Hij wist zich slechts met moeite te beheerschen, en ging weer zitten,

terwijl Buster zijn zakdoek om zijn sterk bloedende pink had gewikkeld.

Men was het kleine incident spoedig vergeten en de maaltijd eindigde in

groote opgewektheid.

Raffles had een paar kostelijke anecdotes verhaald en ook de gastheer

had een paar verhalen gedaan, waarmee hij veel succes had gehad.

De heeren hadden zich naar de fraai ingerichte rookkamer begeven en de

dames hadden zich verzameld in het boudoir van Cissy, waar het

gelukkige jonge meisje haar vriendinnen ongetwijfeld zou onderhouden

over haar uitzet.

Eenige heeren waren naar de biljard-kamer vertrokken, en daaronder

waren ook Raffles en Flannagan.

Toen een partij beëindigd was nam Raffles den jongen inspecteur ter

zijde en zeide op fluisterenden toon:

—Ken je dat meisje in het rose, de tafeldame van Buster?

—Een interessant gezichtje, nietwaar? Ik ken haar nog pas kort—zij moet

een vreemdelinge zijn, en heeft op een liefdadigheidspartij met Cissy

kennis gemaakt.

—Is Buster verliefd op haar?

—Dat schreeuwt hij tenminste van de daken!

—Kent men de identiteit van het jonge meisje?

Inplaats van te antwoorden keek Flannagan den gewaanden Chesterton

strak aan en zeide in de grootste verbazing:

—Wat bezielt je toch vandaag? vroeg hij eindelijk op zachten toon. Wat

is er met je, Richard? Vanmiddag in het park, tijdens den wandelrit heb

je het doopceel willen lichten van Buster Finn en nu praat je zoo

vreemd over dat jonge meisje, dat zijn belangstelling heeft gaande

gemaakt. Wat moet dat toch beteekenen?

—Misschien meer, dan ik je op dit oogenblik nog kan zeggen, Theodor,

antwoordde Raffles op ernstigen toon. Je zoekt immers naar leden van de

Bende? Neem dan een goeden raad van mij aan, en laat de gangen van het

meisje in het rose in het geheim eens goed nagaan—maar zeer in het

geheim, want je hebt niet met de eerste de beste te doen.

Flannagan wierp Raffles nogmaals een onderzoekenden blik toe en zeide

toen:

—Als dat van jou niet al te dwaas zou klinken, zou ik bijna zeggen, dat

je een weinig te ver bent gegaan in het proeven van den wijn van mijn

aanstaanden schoonvader.

—Ik ben volkomen nuchter, Theodor, en ik verzoek je ook dringend niet

aan mijn gezond verstand te twijfelen.

Op dit oogenblik kwam Buster Finn binnen met zijn gewone lawaai en riep

reeds op den drempel van de deur:

—De heeren voor de opera worden verzocht zich gereed te maken! Over een

kwartier komen de auto’s voor. Kom, Richard—wat sta je daar weer te

beraadslagen met den man des gezags! Zet je queue weg en maak je gereed

te gaan genieten van het nieuwe ballet.

—Wij komen aanstonds! riep Flannagan uit. Vergeet niet dien zakdoek van

je pink te doen—het staat allesbehalve fraai. Cissy kan je wel aan een

hechtpleister helpen.

—Ik zal er om denken, hi, hi! grinnikte de fat, terwijl hij wegliep!

Raffles keek hem eenige oogenblikken na en wendde zich toen opnieuw tot

Flannagan.

—Luister eens, Flannagan! begon hij op zachten, maar dringenden toon.

Ik heb je een verzoek te doen—en ik hoop van ganscher harte, dat je er

gevolg aan zult geven, zonder mij al te veel te vragen.

—Wat dan wel? vroeg Flannagan verbaasd, en zelfs eenigszins verontrust

door den ernst, waarmede de gewaande Chesterton had gesproken.

—Je gaat met Cissy, Peter Vandyke, Buster en nog eenige anderen naar de

opera?

—Ja zeker! antwoordde Flannagan verbaasd. Jij bent toch ook van de

partij?

—Neen, ik zal door hevige hoofdpijn verhinderd zijn.

—Daar begrijp ik niets van! mompelde de inspecteur. En nu je verzoek?

Raffles ging zoo dicht mogelijk bij den inspecteur staan, en fluisterde

hem toe:

—Laat Buster Finn in geen geval tusschentijds vertrekken, niet voor dat

de Opera geheel geëindigd is, dus omstreeks kwart over elf. Belet het

hem tot iederen prijs om jullie te verlaten—desnoods met geweld!

—Wat zeg je daar? Man, je bent gek! stotterde Flannagan.

—Ik zeg je nogmaals, dat ik volkomen bij mijn verstand ben! Ik verzoek

je dringend—houdt Buster Finn tot vanavond kwart over elf aan je zijde!

En ik voeg er nogmaals aan toe—al moest je geweld gebruiken. Ik neem de

geheele verantwoordelijkheid voor mijn rekening.

—Maar wat denk je dan? Wat vermoedt je dan? vroeg Flannagan, die zeer

bleek was geworden.

—Ik denk dat ik op het spoor ben van den Moloch, meer kan ik nu niet

zeggen! antwoordde Raffles. En nog iets, als Buster wil vertrekken, als

de Opera gedaan is, laat hem dan gaan, en houdt tegen twaalf uur

vannacht een honderdtal goed gewapende agenten gereed.

En nog vóór Flannagan van zijn ontsteltenis bekomen was, en nog iets

had kunnen vragen, was Raffles verdwenen.

HOOFDSTUK VIII.

EINDELIJK.

Raffles had haastig afscheid genomen, een vreeselijke hoofdpijn

voorwendend en had te voet het huis verlaten.

Hij wandelde een kwartier snel voort, en nam op een standplaats van

huur-auto’s een taxi.

Hij gaf den chauffeur bevel hem naar Brooklyn te rijden, de voorstad

van New-York, en noemde hem den naam van een voorname straat.

Daar steeg hij uit, betaalde, en ging te voet verder, tot hij een

klein, fraai huis bereikt had, aan alle kanten door een tuin omgeven.

Hij liep het smalle tuinpad af en belde aan.

De deur werd geopend door Henderson, den reus.

Het gelaat van den trouwen chauffeur glansde van vreugde, toen hij zijn

meester in de hem bekende vermomming zag.

—Mijnheer Brand is toch zeker thuis, Henderson? vroeg hij.

—Hij zit in de voorkamer en leest, Mylord!

Raffles trad het aangewezen vertrek binnen en dadelijk werd hij begroet

niet alleen door Charly Brand, maar ook door Busto, die als dol tegen

hem opsprong.

De twee vrienden drukten elkander krachtig de hand en daarop zeide

Charly vol bewondering:

—Je vermomming is uitstekend geslaagd! Als ik vanmorgen in het Central

Park je sein niet dadelijk gezien had, en dus wist, dat je geslaagd

was, dan zou ik mijn eigen oogen niet geloofd hebben! Maar Busto scheen

er anders over te denken, want die blafte vreeselijk tegen je!

—Dat was niet tegen mij, Charly, dat was tegen een der beide mannen,

die in mijn gezelschap waren! Hij had den Moloch geroken!

Charly deed een paar stappen achteruit, en herhaalde, terwijl hij

verbleekte:

—De Moloch? Maar dat is toch onmogelijk, je was in gezelschap van

Flannagan en Buster Finn!

Raffles knikte.

—Buster Finn was het!

Charly gaf een schreeuw van verbazing.

—Maar als dat zoo is—dan is alles mogelijk! riep hij uit. Die ezel, dat

hol klinkende vat, die onnoozele sukkel—het hoofd van zulk een

misdadigersbende? Maar Edward, dat is toch ondenkbaar!

—Dat lijkt het slechts, mijn jongen! antwoordde Raffles op kalmen toon.

Ken je die verhalen van „De Roode Pimpernel”? Sir Percy werd door zijn

eigen vrouw voor een warhoofdigen sukkel, een ijdelen gek aangezien—en

toch was hij de aanvoerder, de geniale chef van een Engelsche

vereeniging, welker eenig doel was, de Fransche aristocraten uit de

klauwen van Marrat en Robespierre te redden!

—Maar dat was een roman, Edward!

—Dat mag zoo zijn—maar een roman, die de werkelijkheid tot grondslag

had! Want de zaak is werkelijk zoo gebeurd! Alleen de namen zijn

veranderd. Welnu, die Finn kan wel een even voortreffelijk comediant

zijn als Sir Percy—al erken ik, dat hij dan zijn rol speelt op een

wijze, die een beroepsacteur bewondering zou afdwingen.

—Maar dan moet er onder dat onbeteekenende, slappe uiterlijk een ziel

van een tijger, van een boosaardigen duivel huizen!

—Welnu? Dat is meer gezien! Vraag het iederen psychiater en hij zal je

bevestigen, dat in bijna ieder mensch een tweeslachtige natuur

heerscht, en dat dit bij sommige individuen buitengewoon sterk

ontwikkeld is. Ik heb een blik in die waterblauwe oogen verrast, een

blik, die nauwelijks een honderdste seconde duurde, maar die mij veel

onthulde!

—Maar als je je vergist, Edward!

—Dan zou ik dat natuurlijk dadelijk toegeven! antwoordde Raffles. Ik

geloof het echter niet. Toen je met den hond voorbijreed, heeft Finn

den teugel gewend, en is je achterna gegaloppeerd! Heb je hem in het

geheel niet gezien?

—Neen!

—Dan reed je auto te hard. Hoe het zij, ik weet, dat hij zich zekerheid

heeft willen verschaffen en heeft willen zien, waar jullie bleven, om

misschien wel den hond te kunnen dooden, die een voortdurend gevaar

voor hem moest opleveren, dien hij herkend heeft, ofschoon ik hem heb

laten kaalscheren.

Hij wachtte even en ging toen voort:

—Ik ben hier gekomen om je te zeggen, dat ik mij zelf wil overtuigen of

ik mij al of niet vergist heb. Finn is met Flannagan, Cissy en haar

vader en een paar vrienden naar de Opera, en ik heb den inspecteur

verzocht Finn tot iederen prijs vast te houden tot de Opera uit is.

—Waarom?

—Omdat ik in dien tijd zijn huis wil onderzoeken.

—Maar er zullen toch bedienden zijn?

—Natuurlijk. Hij heeft er drie, en ik weet niet of die leden van de

bende zijn of niet, maar ik ben eerder geneigd om het laatste te

vermoeden, dat is voor hem wel zoo veilig!

—Wil je ons beiden medenemen?

—Ja, ik zal jullie diensten wel noodig hebben! Maak voort, want het is

reeds over half negen.

Enkele minuten waren de drie mannen in een huurauto gezeten, welke hen

tot op een vijftigtal meters afstand van het huis bracht, hetwelk door

Buster Finn bewoond werd.

Het was in een der oudste straten van New-York gelegen, niet groot,

maar van een sierlijken bouwstijl.

Raffles belde aan en een oogenblik later werd de deur geopend door een

grijzen bediende, die wel wat verwonderd naar de drie bezoekers keek.

De Groote Onbekende liet den man echter geen tijd om vragen te stellen,

maar trad met zijn beide metgezellen de vestibule binnen, sloot de deur

achter zich dicht en zeide:

—Je behoeft je niet te verontrusten, mijn vriend—je zult niets te

vreezen hebben. Wij zijn van de politie.

De man verschrikte blijkbaar en stamelde:

—Politie? Maar wat komt gij hier in ’s hemelsnaam zoeken, mijnheer?

Weet gij, in wiens huis gij zijt?

Raffles wilde antwoorden, toen een licht geraas in een naastgelegen

kamer zijn aandacht trok—daar werd een telefoontoestel van den haak

genomen.

Met een paar sprongen was Raffles bij de deur, rukte haar open, en zag

een man in een donkere livrei in een half verlicht vertrek bij het

telefoontoestel staan.

Hij wilde juist om aansluiting vragen, toen het geluid van de

opengaande deur hem deed omzien.

Hij tastte naar zijn zak, maar hij was een onderdeel van een seconde te

laat—Raffles had zijn revolver reeds op hem gericht, en beval kortaf:

—Handen op!

Charly, die achter Raffles was binnengetreden, trad vlug op den man

toe, die hem met van haat fonkelende oogen aanzag en snel zijn zakken

begon leeg te halen.

Onder de voorwerpen, die zich daarin bevonden, was een Browning en ook

een soort wind-pistool, hetwelk met behulp van samengeperste lucht

bijna geruischloos achter elkander die kogels kon afschieten.

—Bindt hem vast en knevelt hem, beval Raffles kortaf.

Juist toen Charly het bevel had opgevolgd, ging de telefoon opnieuw

over.

Raffles sprong er op toe en greep het toestel.

—Hoe is de naam van dien kerel? vroeg hij op fluisterenden toon aan den

grijzen bediende, die doodsbleek was binnen gekomen,

—Francis, mijnheer!

Nu ontspon zich snel het volgende gesprek:

—Met wien? klonk de stem van Buster Finn.

—Met Francis!

—Alles in orde?

—Alles!

—Waarschuw mij, als er soms bezoekers mochten komen!

—Het zal gebeuren.

—Ik kom om half twaalf terug—er zijn ernstige zaken te behandelen.

—Het is goed!

Raffles hing het toestel weder aan den haak en wendde zich tot den

gebonden bediende:

—Zijt gij van plan ons in te lichten omtrent de identiteit van uw

meester en aldus waarschijnlijk uw eigen vrijheid te koopen? vroeg

Raffles.

Een verachtelijk schouderophalen was het eenige antwoord.

—Dat vermoedde ik wel! zeide Raffles kalm. Nu, dan zullen wij het

zonder jouw voorlichting moeten doen!

Raffles trad nu op den grijzen bediende toe, die doodsbleek in een hoek

was blijven staan, en zeide:

—Ik geloof aan uw gelaat te kunnen zien, dat gij volstrekt niets weet

van het dubbelleven van uw meester.

—Ik weet volstrekt niets, mijnheer! jammerde de oude man. Ik begrijp

volstrekt niet, wat er gaande is. Wat wilt gij eigenlijk van mijnheer

Finn?

—Dat zul je later wel zien, vriend! antwoordde Raffles. Is er nog een

derde bediende?

—Ja, mijnheer, maar die heeft vandaag zijn uitgaansavond!

—Zooveel te beter! Ik geloof wel, dat gij part noch deel hebt aan

hetgeen uw meester op zijn geweten heeft, maar ik zal toch gedwongen

zijn u te beletten hem te waarschuwen!

Na zich te hebben overtuigd, dat de gebonden medeplichtige zich niet

verroeren kon, geleidde Raffles den ouden man naar een kleine

ontvangkamer achter in het huis gelegen, waarvan hij de deur op slot

draaide.

—Ziezoo, zeide hij, nu kunnen wij op ons gemak de zaak eens

onderzoeken, begon Raffles, zoodra de deur achter den ouden man

gesloten was.

Aanstonds werd een aanvang gemaakt met een stelselmatig onderzoek van

het geheele huis, maar, zooals Raffles wel verwachtte, kon hij niets

ontdekken in de papieren en brieven, welke hij in en op de schrijftafel

van Buster Finn ontdekte.

Als hij werkelijk de chef van de bende was, dan was hij sluw genoeg om

in zijn eigen woning geen compromitteerende stukken te bewaren.

—Natuurlijk heeft de bandiet nog een andere woning, waar wij genoeg

bezwarends zouden vinden! zeide Raffles teleurgesteld. Nu, dan schiet

er niets anders over, dan dat wij kalm zijn terugkomst afwachten en

zien, waarheen hij zich begeeft. Jij, Charly, hebt ongeveer dezelfde

figuur als Francis, en je moet zijn rol overnemen—Henderson en ik

zullen ons verbergen.

—En de oude bediende?

—Die blijft waar hij is—je moet maar zeggen, dat hij zich ter ruste

heeft begeven.

Francis werd losgemaakt, van zijn livrei ontdaan, opnieuw stevig

gebonden en gekneveld en in een zolderkamer opgesloten, waar Charly met

de hulp van Raffles zijn gelaat zoo zorgvuldig mogelijk namaakte, en

daarop de livrei aantrok.

Terwijl hij dit deed, vroeg hij op zachten toon:

—Ik zou wel één ding willen weten—als de bediende Finn waarschuwen

wilde, dan moet hij op de hoogte zijn geweest van zijn identiteit! En

ik heb altijd gehoord, dat niemand wist, wie de chef van de bende was?

—Deze man zal de eenige uitzondering zijn geweest, antwoordde Raffles.

Het is ook wel begrijpelijk, dat Finn in zijn huis een vertrouwd

persoon moest hebben, ingeval er gevaar dreigde!

Charly was nu gereed en nam plaats op de bank in de vestibule, en

wachtte, terwijl Raffles en Henderson zich achter twee zware pilasters

verborgen hielden.

Juist om half twaalf knarste de sleutel in het slot van de buitendeur,

en Finn trad binnen.

Hij ging aanstonds op den gewaanden bediende toe en zeide kortaf:

—Maak je gereed, om mij naar de plek te rijden, Francis. Er is haast

bij. Een voorgevoel zegt mij, dat er gevaar dreigt!

Zonder een woord te spreken, stond Charly op en verliet de vestibule.

Hij begreep, dat Finn gewend was zich door zijn vertrouwde naar de

plaats van samenkomst te laten rijden.

Tot het laatste oogenblik had de jonge man getwijfeld, hij kón het niet

gelooven, maar nu vielen hem eindelijk de schellen van de oogen—het

ongelooflijke was waar—Finn, de man met het bleeke, onnoozele gezicht,

de salongek, was inderdaad een hoogst gevaarlijk misdadiger!

Eenige minuten later had hij de auto uit de garage gehaald, en haar

vóór het trottoir gereden.

Finn had zich intusschen naar zijn kamer begeven en van die gelegenheid

had Raffles gebruik gemaakt, om Henderson snel naar buiten te zenden,

om een huurauto te halen, die op een honderdtal meters van het huis

moest wachten.

Finn kwam weder terug, met een klein valies bij zich—daarin bevonden

zich waarschijnlijk zijn zwarte kap en nog eenige voorwerpen, welke hij

noodig kon hebben.

Hij liep de vestibule door, opende de voordeur, zag de auto wachten en

nam er in plaats.

Nauwelijks hadden Raffles en Henderson het toeslaan van de voordeur

gehoord, gevolgd door het getoeter van de auto, of zij snelden op hun

beurt het huis uit en ijlden naar de wachtende huur-auto.

—Een pond fooi, als je die groene auto daar vóór ons uit niet uit het

oog verliest, maar zóó, dat het niet te merken is!

—Accoord, mijnheer! zeide de chauffeur grinnikend.

De achtervolging begon.

De door Charly bestuurde auto reed dwars door geheel New-York, de

Brooklyn Bridge over en stond eindelijk stil aan het begin eener nauwe

straat.

Finn stapte uit, wisselde op zachten toon eenige woorden met den man,

dien hij voor zijn vertrouwde aanzag, en liep de straat in.

Charly deed de auto keeren, maar toen sprong hij van den wagen, drukte

zich tegen den muur, trok zijn pet over zijn oogen, en begon Finn te

volgen, nog altijd meenende, dat Raffles zich moest vergissen, en dat

de jonge man hier niets anders zocht dan een of ander avontuurtje.

De straat liep uit op een onbewoond veld, en eensklaps was het, alsof

Finn door den grond was gezonken—hij was nergens meer te zien!

Charly stampvoette van woede en teleurstelling, keek nog even naar alle

richtingen en liep toen de auto tegemoet, welke de zijne gevolgd was.

Hij deelde Raffles op zachten toon mede, wat hem wedervaren was, maar

de Groote Onbekende glimlachte en zeide:

—Busto zit in de auto! Nu wij eenmaal op het spoor van onzen man zijn,

kan hij ons niet meer ontkomen! Maar wij hebben politiehulp noodig,

want wij kunnen niet weten, met hoevelen de bandieten zijn! Wacht—daar

zie ik al een politiepost!

Raffles wees op een roode lantaarn, welke op eenige meters afstand

aanduidde, dat daar een politiebureau was.

Hij wendde zich tot den chauffeur en zeide:

—Wacht hier op dezelfde plek op ons, vriend! Je zult het je niet

beklagen.

En met die woorden begaf Raffles zich naar den politiepost, waar hij

mededeeling deed van zijn vermoedens, zorg dragende, dat hij zich niet

versprak.

Hij was voorzien van brieven en kaartjes van Chesterton, en de

dienstdoende brigadier twijfelde dan ook geen seconde aan zijn

identiteit.

Een kwartier later waren er ruim dertig agenten op weg, den

kaalgeschoren Busto volgend, die door Raffles aan de lijn werd

gehouden.

—Waar brengt die hond ons toch naar toe, mijnheer Chesterton? vroeg de

inspecteur, die de leiding van de kleine expeditie had overgenomen, op

verbaasden toon. Hij voert ons naar het open veld. Daar kan de kerel

zich toch onmogelijk verscholen hebben.

—Hij is daar zoo zeker als iets! antwoordde Raffles rustig. Mijn hond

bedriegt zich niet. Als de man niet op den grond is, dan is hij er

onder.

De inspecteur gaf een schreeuw van verwondering.

—Dat is niet ondenkbaar, mijnheer! riep hij uit. De grond hier onder

onze voeten is inderdaad ondermijnd. Eenige jaren geleden zou hier het

begin zijn gemaakt van een groote tunnel onder de Hudson door, ten

behoeve van dan ondergrondschen spoorweg, maar door een onbegrijpelijke

fout werd de richting verkeerd genomen, en moest men na een maand weder

den arbeid staken en elders opnieuw beginnen. Men dekte weder zand over

het tunneldak, dat over een lengte van bijna zestig meter gereed was

gekomen, daar het de kosten niet zou loonen, de betonnen tunnel weder

stuk te slaan. Maar het is mij onbegrijpelijk, hoe men daar toegang zou

hebben weten te krijgen.

Busto zou spoedig opheldering in deze zaak geven.

Het dier bracht de politiemannen tot voor een zeer grooten hoop

steenen, en bleef daar zacht grommend en snuffelend stilstaan.

—Hier is de ingang! zeide Raffles eenvoudig.

—Ja, op deze hoogte heb ik Finn eensklaps zien verdwijnen! fluisterde

Charly.

De inspecteur wierp een blik om zich heen.

Hij en zijn mannen bevonden zich nu op een zeer groot, woest terrein,

voornamelijk uit zand en steenen bestaande, en door een schutting aan

drie zijden omgeven.

—Het is niet mogelijk, dat hier veel mannen zijn vergaderd, want het

zou zijn opgevallen! zeide hij zacht. De vraag is maar—hoe komen wij

hier naar beneden? Er moet bepaald een geheime ingang zijn.

—En een geheime uitgang elders ook! voegde Raffles er aan toe. Er is

maar een middel—gij moet die hoop steenen opblazen. Daaronder is de

ingang.

—Maar ik heb geen dynamiet! riep de inspecteur uit.

—Ik wel, of althans iets dat er op gelijkt, zeide Raffles lakoniek. Ga

wat achteruit, en storm dadelijk de trap af, zoodra de losbarsting

heeft plaats gehad.

En zonder het antwoord van den inspecteur af te wachten, drong Raffles

de agenten achteruit, haalde een zijner werpgranaten te voorschijn, en

slingerde die met kracht tegen den hoop steenen.

Een oorverdoovende losbarsting deed zich hooren en een regen van

steengruis daalde neder.

Door de stofwolk stormden de agenten vooruit, en wierpen zich in de

gevormde opening.

Raffles greep den inspecteur op het laatste oogenblik bij den arm en

zeide:

—Als uw man een snede in de pink heeft, dan is het de Moloch. Ik zelf

heb hem vanmiddag die wonde met opzet toegebracht, om hem later te

kunnen herkennen, in geval hij zich mocht vermommen.

Terwijl de inspecteur zich op zijn beurt in den tunnelingang stortte,

wendde Raffles zich tot zijn metgezellen en zeide op zonderlingen toon:

—Ik beschouw onze taak als geëindigd, vrienden! Ik wil niet afwachten,

wat Finn zal zeggen, als hij mijn hond ziet. Dat zou wel eens gevaar

kunnen opleveren. De auto wacht ons—het oogenblik om voorzichtig te

retireeren is aangebroken.

Den volgenden morgen bevatten de bladen het relaas van de gevaarlijke

arrestatie van Buster Finn, en tien zijner luitenants, die zich slechts

na een bloedig gevecht hadden laten grijpen, hetwelk vijf dooden had

gekost, en zeven zwaargewonden.

New-York mocht nu inderdaad hopen, van een afschuwelijke plaag verlost

te zijn.

En dat wederom door toedoen van den gevreesden vijand der politie—den

Gentleman-inbreker—John Raffles.

Lord Lister No. 0301: Het einde van een schrikbewind · 第 4 / 4 段