LORD LISTER
GENAAMD RAFFLES
DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 301 HET EINDE VAN EEN SCHRIKBEWIND.
HET EINDE VAN EEN SCHRIKBEWIND.
HOOFDSTUK I.
WIE IS DE MOLOCH?
John Raffles alias Lord Lister, de gentleman-inbreker, bevond zich nog
steeds te New-York, want het geheim van de bende van Het Kwade Oog
hield nog steeds al zijn aandacht gevangen.
Reeds verscheidene weken geleden was hij, vergezeld door zijn trouwen
vriend Charly Brand en den chauffeur Henderson, die hem eveneens in
menig gevaarlijk avontuur trouw ter zijde had gestaan, naar de
Vereenigde Staten gekomen.
En dat niet langs den gewonen weg, maar met het meest moderne voertuig,
de vliegmachine.
Het was de „Duivel der Lucht”, ontsproten aan het geniale brein van den
Grooten Onbekende, die de drie mannen had overgebracht, in iets minder
dan tien uren.
Wat had Raffles wel kunnen bewegen, den nog altijd gevaarlijken
overtocht te volbrengen?
Niets anders dan zijn zucht naar avonturen—en dan ook zijn behoefte om
den strijd voort te zetten met den man, dien hij als zijn doodsvijand
beschouwen moest, den aanvoerder van het wijdvertakte
misdadigersgenootschap, dat van den Gouden Sleutel.
De naam van dezen man was Dokter Fox, en hij was op zijn beurt naar
Amerika gegaan, ten einde daar door eigen aanschouwing zich een
denkbeeld te vormen van de wijze waarop de bende van Het Kwade Oog
optrad.
Slechts een paar maanden geleden was deze bende gesticht, en in dat
korte tijdsverloop had zij schrik en angst weten te verspreiden door
haar meedoogenlooze wreedheid, de geheimzinnigheid waarmede zij te werk
ging, de onafwendbaarheid van haar vonnissen, en haar groot aantal
leden.
Maar ook Raffles was spoedig in aanraking gekomen met deze vreeselijke
bende en dat op eene wijze, welke voor de bandieten zeer ernstige
gevolgen had—binnen enkele weken waren er eenige dozijnen leden in
gevechten met de politie gedood, gewond, of gevangen genomen.
En dit alles was geschied door toedoen van John Raffles.
De oorsprong van zijn bemoeiingen lag in de omstandigheid dat de Bende
van het Kwade Oog aan een der rijkste inwoners van de stad, den
staalfabrikant Peter Vandyke, den eisch had gesteld om een ontzaglijke
groote som, niet minder dan vijf millioen dollar, op een bepaalde
plaats te deponeeren.
Dit geheele plan was in duigen gevallen toen Raffles er zich mede
bemoeide, en hij zelf was met een groot deel van den buit gaan
strijken.
Daarna had hij nog menig gevaarlijk avontuur beleefd, en na eenigen
tijd had het den schijn alsof de bende zoo goed als vernietigd was toen
bijna alle luitenants van den aanvoerder, op slechts weinigen na, in
handen der politie vielen, alweder door toedoen van Raffles.
Maar de inwoners van New-York hadden te vroeg gejuicht.
Want de vreeselijke bende leek niet in den wortel te zijn aangetast, de
geheimzinnige aanvoerder, die door zijn volgelingen „De Moloch” werd
geheeten, was en bleef onvindbaar.
Door een toevalligen samenloop van omstandigheden was Raffles er, een
paar dagen voor de gebeurtenissen welke wij thans zullen beschrijven,
bijna in geslaagd, het geheim te doorgronden, het geheim van den
Moloch.
Maar door een onvoorzichtigheid liep hij in een val, en het was slechts
te danken aan de stoutmoedigheid van Charly Brand en Henderson dat hij
bevrijd werd uit de cel, waarin de geheimzinnige aanvoerder hem had
doen opsluiten, na hem te hebben verklaard dat hij niet meer dan vier
en twintig uren zou krijgen om te bewijzen dat hij inderdaad de man was
voor wien hij zich te New-York had uitgegeven, namelijk Willem van den
Heuvel, een Nederlandsch staalhandelaar, die zaken kwam doen met Peter
Vandyke.
Daar Raffles dat onmogelijk zou hebben kunnen aantoonen, en een enkel
telegram aan den Amerikaanschen consul-generaal in Nederland voldoende
zou zijn geweest, om het bedrog aan den dag te brengen, wist Raffles
wel dat de dood hem wachtte, en hij zou waarschijnlijk reeds niet meer
tot de levenden behooren als Charly en Henderson, om den terriër Busto
niet te vergeten, hem niet ter hulp waren gekomen.
En zoo was Raffles dus weder in vrijheid, in ervaring rijker, maar nog
steeds in het onzekere verkeerend, wat betreft de identiteit van den
Moloch.
Zeker, hij was bij dit vreeselijke wezen in een vertrek geweest—maar
hij was gebonden, en van het bendehoofd gescheiden door een gazen
scherm. De Moloch zat in het donker—, hij zelf daarentegen stond in het
volle licht. En van den geheimzinnigen bandiet had hij dus niets anders
kunnen waarnemen dan zijn eigenaardige oogen en blijkbaar met opzet
veranderde stem.
Het was omstreeks zeven uur in den morgen, toen Raffles en zijn beide
makkers zich bevonden in de eenvoudig gemeubelde kamer van een huis in
een der volksbuurten.
In deze woning hadden zij eenigen tijd vertoefd onder het mom van
vertalers en copiisten, en Henderson had er gewoond gedurende den tijd,
dat de zoogenaamde Willem van den Heuvel en zijn secretaris, welke rol
door Charly Brand vervuld werd, in het Washington Hotel hadden
gelogeerd.
Busto, de moedige terriër van Raffles, lag aan de voeten van zijn
meester en scheen er innig over verheugd te zijn, dat hij hem zulk een
grooten dienst had kunnen bewijzen.
Raffles had Charly en Henderson de hand toegestoken en zeide nu met een
klank in zijn stem, die er slechts zelden in te hooren was:
—Zonder jullie, mijn vrienden, zou mijn lot beslist zijn geweest, en
zou de aanvoerder van de bende van Het Kwade Oog mij stellig ter dood
laten brengen, want hij kent geen medelijden voor iemand, die hem in
den weg staat.
De oogen van Charly Brand schemerden vochtig, toen hij met trillende
stem antwoordde:
—Ik dank den Hemel, Edward, dat wij Busto hebben medegenomen, want ik
twijfel er aan, of wij zonder hem je verblijfplaats wel zouden hebben
ontdekt!
—Ja, de hond heeft zich dapper gedragen! hernam Raffles, terwijl hij
het fraaie dier over den kop streelde, hij heeft den hond van den
Moloch zijn tanden laten voelen, en hem verscheurd! Apropos—herinnerd
jullie je nog, hoe dat dier er uit zag? Dat zou wel eens een kostbare
aanwijzing kunnen zijn!
—De hond was gitzwart, met wollig haar, op den kop na, die rood was met
een zwart masker! antwoordde Charly onmiddellijk.
—Een vreemde combinatie—een zwart lichaam met een rooden kop, zeide
Raffles hoofdschuddend, welk ras had de hond?
—Dat zou ik je waarlijk niet kunnen zeggen, antwoordde Charly, het dier
had de grootte en den vorm van een Duitschen staanden hond, of ook wel
van een Aire Dale Terriër—maar het haar geleek wel dat van een poedel
of van een krulharigen Herdershond, een Rotweiler bijvoorbeeld.
—Het dier was daar zeker in den kelder van het huis, waar ik gevangen
zat, vastgemaakt, om alarm te maken en indringers tegen te houden,
zeide Raffles nadenkend.
—Is het niet mogelijk, Mylord, dat de hond aan een ander dan aan den
Moloch toebehoort? vroeg Henderson nu.
—Neen, mijn vriend, dat komt mij niet waarschijnlijk voor, antwoordde
Raffles; geen van de tien mannen die daar waren, en die een soort
rechtbank samenstelden, zou het gewaagd hebben op eigen gezag een hond
mede te brengen.
—Wat ben je nu eigenlijk van plan, Edward? vroeg Charly. Wordt het niet
tijd om maar eens naar Londen terug te keeren, begin je niet genoeg van
New-York te krijgen?
Raffles keek Charly strak aan, schudde het hoofd, en antwoordde:
—Teruggaan? Op dit oogenblik? Dat kan je geen ernst zijn! Ik ben in
handen geweest van den Moloch, en ik zou mijn pogingen om hem te
ontdekken opgeven? Nooit! De bende is nog niet vernietigd, zoolang de
Moloch aan het hoofd er van staat—en ik wil en zal ontdekken wie hij
is!
—Maar je hebt volstrekt geen aanknoopingspunt, Edward! riep Charly uit.
—Daarin vergis je je, mijn waarde, wij hebben integendeel een zeer
kostbaar aanknoopingspunt—de lucht van den bandiet! Busto heeft een
klein stuk geroken van de zwart gazen kap, welke het bendehoofd steeds
schijnt te dragen als hij met zijn luitenants confereert—ik heb dat
stukje gaas nog altijd en Busto heeft een goeden neus!
—Het is zeker, dat hij in het Central Park op een auto is toegevlogen,
die ons voorbij reed en waarin zeven heeren gezeten waren!
—En een van die zeven mannen moet zonder den minsten twijfel de Moloch
zijn geweest! riep Raffles uit. Mijn hond vergist zich niet!
—Maar ons onderzoek dienaangaande heeft volstrekt niets opgeleverd,
Edward! hield Charly vol.
—Omdat wij geen tijd hebben kunnen vinden, het lang genoeg voort te
zetten, dat is alles! In die auto zat om te beginnen Flannagan, de
verloofde van miss Cissy Vandyke, de dochter van den staalkoning. Hij
is inspecteur van politie, en daar hij zelf door een paar leden van de
bende niet lang geleden bijna is vermoord, en er ternauwernood het
leven heeft afgebracht, moet hij al dadelijk worden uitgeschakeld. Dan
zat Buster Finn in de auto, de halfgare neef van Peter Vandyke, een
sukkel, die eeuwig lacht om de kinderachtigste dingen, wiens aandacht
bijna geheel en al in beslag wordt genomen door zijn dassen en
overhemden, zijn zijden sokken en zijn wandelstokjes, en die niet meer
hersens heeft dan een garnaal! Ook hij valt buiten iedere verdenking.
Wij weten nu ook wel zeker, dat de heeren Chesterton en Brain, twee
vrienden van den huize Vandyke, onmogelijk aan het hoofd van zulk een
bende kunnen staan. Maar naar de levensomstandigheden van de drie
overigen wil en zal ik nader onderzoek doen!
—Je weet, dat je op ons beiden kunt rekenen, antwoordde Charly
eenvoudig. Als je werkelijk gelooft, dat de Moloch onder die drie
mannen moet schuilen, dan moet het, dunkt mij, niet onmogelijk zijn,
tenslotte achter zijn geheim te komen! Maar intusschen kun je nu
bezwaarlijk als Willem van den Heuvel blijven voortleven!
—Waarom niet?
—Wel, het is nu wel glashelder dat de Moloch je doorzien heeft, en je
ontvluchting uit zijn huis aan de grens van de stad zal het laatste
restje van twijfel bij hem wegnemen! Als je werkelijk de Hollandsche
staalhandelaar was geweest, dan zou het je niet moeilijk zijn gevallen,
binnen vier-en-twintig uur je identiteit te bewijzen! En dan is er nog
iets!
—Laat hooren!
—Je bent in de val geloopen, die de Moloch voor je had opgezet, doordat
je gevolg hebt gegeven aan een gefingeerd schrijven van miss Cissy, die
al eens in persoonlijke aanraking met Raffles is geweest! Zij schreef
je een briefje, om je bij haar te ontbieden, daar ze je hulp noodig
heette te hebben, en je bent op weg naar het huis van haren vader door
de bandieten overvallen, bewusteloos geslagen en weggevoerd!
—Zeker! Wat zou dat alles?
—Wat dat zou? riep Charly uit. Toen ik een uur later nog niets van je
vernam, en in doodelijke ongerustheid in onze hotelkamer op je
terugkomst wachtte, daar je niet op het afgesproken uur had
getelefoneerd, dat je goed en wel in het huis van den staalkoning zat,
heb ik het jonge meisje opgebeld, en toen kwam de waarheid aan het
licht, zij had je in het geheel niet geschreven! Het briefpapier moet
haar zijn ontstolen en een bekwaam falsaris had haar handschrift
nagebootst! Evenmin had zij je later een telefonische bevestiging van
haar schrijven gegeven, de bandieten hadden je vraag opgevangen door
den draad af te tappen!
—En welke beteekenis heeft dit alles nu volgens jou?
—Dat zul je hooren! Cissy Vandyke moet nu immers begrijpen, dat de man,
dien zij om hulp heette te hebben verzocht, en Willem van den Heuvel
een en dezelfde persoon zijn, anders had de truc van de bandieten geen
doel! Die moeten geweten hebben, dat het jonge meisje met Raffles in
verbinding had gestaan, en dat deze haar reeds menigmaal bij had
gestaan! Begrijp je mij nu?
—Ik begrijp je, maar ik kan je vrees niet deelen! antwoordde Raffles
kalm. En al kon ik dat wel, ik moet mijn rol van Willem van den Heuvel
nog eenigen tijd blijven spelen, ook al zou er gevaar aan verbonden
zijn!
—En waarom, als ik vragen mag?
—Omdat het de eenige wijze is, de bandieten op mijn spoor te houden!
—Maar voor den duivel ben je daar dan zoo op gesteld? vroeg Charly
opgewonden.
—Dat niet bepaald, antwoordde Raffles glimlachend, maar ik zie geen
ander middel, om den Moloch te ontmaskeren! Hij zal nu alles in het
werk stellen, om zich van mij te ontdoen, en daartoe is het noodig, dat
hij zich persoonlijk met de zaak bemoeit. Vroeg of laat, moet ik dus
weder met hem in contact komen, en dan zal de slimste de sterkste
overwinnen!
—Maar je stelt je op die wijze aan het vreeselijkste gevaar bloot! riep
Charly uit.
—Ik erken, dat mijn weg niet over rozen zal gaan, hernam Raffles. Maar
het moet! Ik wil en zal dien ellendeling, die in den korten tijd van
zijn misdadige loopbaan reeds tientallen menschen heeft vermoord of
doen vermoorden, alleen om hen te berooven, overwinnen, evenals ik
thans dr. Fox overwonnen heb!
—Ja, de chef van het Genootschap van den Gouden Sleutel zit thans
opnieuw achter slot en grendel, maar vergeet niet, dat dit hier te
New-York reeds eenmaal het geval is geweest en dat de bende er toch in
geslaagd is, hem met waarlijk duivelsche list te doen ontsnappen.
—Ik hoop, dat men hem ditmaal beter zal bewaken! zeide Raffles kortaf.
—En je wilt dus weder naar het Washington Hotel terugkeeren?
—Ja!
—Maar het geheele geval van je ontvoering zal heden reeds in geuren en
kleuren in alle bladen staan! hield Charly aan.
—Ga jij het dan aan de redacties vertellen? vroeg Raffles spottend.
—Dat is dwaasheid—maar het zal wel op een andere wijze bekend worden.
—Als je mij dan maar eens wil zeggen, op welke manier! hernam Raffles,
een weinig ongeduldig. De bandieten zelven, en de chauffeur van de auto
incluis, die natuurlijk in het complot is geweest, zullen er zeker niet
over spreken.
—Maar de portier van het hotel, die de auto besteld heeft.
—Welnu? Weet die man dan, wat er een kwartier rijdens verder met mij
gebeurd is?
—Dat niet...... zeide Charly aarzelend, maar miss Cissy Vandyke......
—Die zal zeker niets zeggen, zeide Raffles op vasten toon. Neen,
daarvoor is het meisje te edel. Ik weet niet, wat zij vermoedt, wat zij
denkt, maar ik ben vast overtuigd, dat zij mij tot geen prijs in het
verderf zou willen storten. Vergeet niet, dat ik haar en haar vader het
leven heb gered. En als je zelf je mond niet hebt voorbij gepraat, dan
is er niemand die kan weten, wat er in den afgeloopen nacht met Willem
van den Heuvel is geschied.
—Je hebt misschien gelijk! mompelde Charly. Maar toch blijf ik het
gevaarlijk noemen.
—Zooveel te beter! zeide Raffles droogjes. Zonder gevaar zou het leven
voor mij geen waarde hebben.
—Nu, dan kun je nu tevreden zijn! riep Charly half boos, half lachend
uit. Er is gevaar in overvloed.
Henderson had gedurende dit geheele gesprek geen woord gesproken en had
zijn meester onophoudelijk aangezien.
Nu zeide hij met trillende stem:
—Neem mij niet kwalijk, Mylord, maar als het gevaar werkelijk groot is,
dan zou ik u willen verzoeken, u te mogen vergezellen, en niet meer
hier te worden gelaten.
—Ik waardeer je goede bedoeling, Henderson, zeide Raffles op zachten
toon, maar het is voor alles beter, dat je voorloopig hier blijft. Je
kunt ons beiden, van groot nut zijn, geloof me.
—Zooals Mylord beveelt, zeide de reus eenvoudig.
Voor hem was van dit oogenblik af de zaak afgedaan!
HOOFDSTUK II.
EEN POLITIEVERSLAG.
Denzelfden morgen trok Raffles weder naar het Washington Hotel, alsof
er niets was gebeurd.
Hij wist maar al te goed, dat er onder het personeel minstens eenige
spionnen van de Bende van het Kwade Oog waren, maar hij nam zich voor,
een oogje in het zeil te houden, en zich niet bloot te geven.
De strijd tegen den Moloch, den aanvoerder van de vreeselijke
misdadigersbende was thans opnieuw ontbrand, en Raffles had een duren
eed gezworen, dat hij hem tot het bittere einde zou voortzetten.
In Londen had hij het weten op te nemen tegen het Genootschap van den
Gouden Sleutel—en niet zonder succes—hier zou hij de Bende van het
Kwade Oog uitroeien, al zou het hem het leven kosten.
Met deze voornemens bezield, betrok Raffles zijn kamer weder.
De portier keek wel eenigszins verbaasd, dat hij den Hollandschen
staalhandelaar op zulk een uur zag terugkomen, terwijl hij wist, dat
hij den nacht niet in het hotel had doorgebracht, maar de zaak liet hem
verder onverschillig.
Ten koste van een groote fooi had Raffles verkregen, dat Busto, de
terriër, steeds bij hem moest zijn.
Hij had begrepen, dat de bende er alles op zou zetten, den hond, nu hij
eenmaal lucht had gekregen van den Moloch, uit den weg te ruimen.
En Busto was juist het eenige, die hem weder op het spoor zou kunnen
brengen.
De beide vrienden bewoonden te zamen drie kamers, waarvan twee
slaapkamers en één, die als werkvertrek was ingericht.
Zij liepen alle ineen en kwamen bovendien ieder met een deur op de
breede gang uit.
Zij waren nog niet lang op hun kamers terug of de middagédities van de
groote bladen werden afgeroepen.
Charly haastte zich naar buiten, teneinde snel een blad te gaan koopen.
Met een nummer van de „New-York World” keerde hij terug.
Hij vouwde het blad haastig open, en doorliep vlug den inhoud, terwijl
Raffles hem met de oogen volgde.
Eindelijk slaakte de jonge man een lichten kreet en zeide op
fluisterenden toon:
—De heeren journalisten zijn er vlug bij geweest! Er staat een heel
relaas over de geschiedenis van vannacht in het blad!
—Maar toch zeker niet over mijn gevangenneming? vroeg Raffles. Want dat
is onmogelijk. Dat kan niemand weten, als de bandieten het niet zelf
verraden hebben.
—Neen, daar staat niets van in, maar wacht, dan zal ik het je
voorlezen.
De beide mannen namen plaats, en Charly begon met vaste stem voor te
lezen:
„EEN GEHEIMZINNIGE ZAAK.
Het huis aan de stadsgrens.
In den afgeloopen nacht heeft de politie een vondst gedaan, welke
tot allerlei vermoedens aanleiding geeft, en waarvan zij denkt, dat
zij in verband moet staan met een of anderen aanslag van de Bende
van het Kwade Oog.
Omstreeks drie uur in den nacht reed een politie-agent de ronde in
de Pershing Street, een straat in het uiterste Noorden van de stad,
die nog slechts aan één zijde is volgebouwd.
De huizenrij, die aan het onbebouwde veld grenst, is nog lang niet
gereed.
Ongeveer in het midden van deze nieuwe straat bevindt zich een huis
van zes verdiepingen, dat eveneens pas gereed is gekomen, en dat
verhuurd was aan een groote maatschappij, die er echter slechts
eenige vertrekken gemeubeld had. Laten wij er hier aanstonds aan
toevoegen, dat de huur voor drie maanden vooruit betaald was, maar
de politie er niet in geslaagd is, deze maatschappij terug te
vinden!
Zooals uit het volgende duidelijk blijkt, bestond zij dan ook niet,
en heeft zij ook nimmer bestaan.
Naast dit huis staan aan weerszijden twee andere gebouwen, die nog
slechts voor de helft voltooid zijn.
De agent liep langzaam langs den zijmuur van een dier huizen, om
zich te overtuigen, dat alles in orde was, want in de laatste
nachten was hier hout en ijzer weggesleept door nachtelijke
bezoekers.
De ordebewaarder vond echter niets verdachts, totdat hij de
achterzijde van het zooeven genoemde huis bereikte.
Daar zag hij een man op den grond uitgestrekt liggen, met het
gelaat naar den grond gekeerd.
Meenende, dat de man wellicht beschonken was, wilde hij hem bij den
arm grijpen, toen hij zijn hand verschrikt terugtrok—zij was nat
van bloed!
Dadelijk deed hij zijn dienstlantaarn ontgloeien en een enkele blik
was voldoende, om hem te doen zien, dat hij een lijk gevonden had.
In de keel van den man gaapte een vreeselijke wond, die slechts
afkomstig kon zijn van den beet van een hond; de sporen van de
nagels van het dier waren nog duidelijk te zien.
De agent keek om zich heen, maar hij kon volstrekt niets verdachts
ontdekken.
Daarop onderzocht hij de kleederen van den doode.
De man had alles nog bij zich—portefeuille, portemonnaie, ringen,
een gouden sigarettenkoker en een brillanten doekspeld—in ieder
geval mocht men hier niet aan roof denken.
De agent trachtte de achterdeur van het huis te openen, maar deze
was stevig op slot.
Hij wendde den blik naar de onbebouwde vlakte, en toen viel hem een
hooge, stalen telefoonmast in het oog.
Onwillekeurig wendde hij zijn blik naar de werkkooi in den top van
den mast, toen een kreet van verbazing hem ontsnapte—deze kooi was
met een venster op de bovenste verdieping verbonden door een touw
of een stalen tros, waarvan de rechte lijn scherp afstak tegen den
reeds lichter wordenden hemel.
De agent begreep nu, dat er in dit huis iets geheimzinnigs, iets
vreeselijks moest zijn voorgevallen, en hij ging dadelijk
assistentie halen.
Een half uur later waren ongeveer 10 agenten, onder aanvoering van
een inspecteur en twee detectives, ter plaatse.
Men moest de voordeur met geweld openen, want ook deze was op slot.
Dadelijk verspreidden de agenten zich door het geheele huis en
begonnen het van den kelder tot den zolder te doorzoeken.
En in den kelder deden zij een hoogst verrassende vondst!
Daar lag het lijk van een tamelijk grooten hond, met een zwarte
vacht, die blijkbaar in een gevecht met een soortgenoot,
waarschijnlijk dezelfde, die den man aan de achterzijde van het
huis den strot had doorgebeten, het leven had gelaten.
Men wilde het kadaver van den hond reeds in een hoek werpen toen
een der agenten een merkwaardige ontdekking deed.
Het zwarte vel van den hond was hier en daar bij lappen van het
lichaam gescheurd, maar toen de agent wat nauwkeuriger toekeek, zag
hij onder de zwarte huid—een tweede vel!
En dat vel was roestbruin, rood, zooals hondenliefhebbers het
noemen.
Wie schetst de verbazing van de ordebewakers, toen het bleek dat de
zoogenaamde zwarte hond over zijn geheele lichaam even rosbruin was
als aan den kop, en dat hij gestoken was in wat wij een overjas
zouden noemen—een voortreffelijk gemaakte tweede huid, met echt,
zwart, krullend hondenhaar begroeid.
Er was een kleine opening voor het korte staartstompje gelaten en
de „overjas” hield op bij den halsband, die nauw om den hals van
het dier sloot.
En het was vrij gemakkelijk, door dezen halsband te openen, het
dier zijn jasje aan- en uit te trekken, dat onder den buik was
dichtgeregen.
Een oogenblik stonden de agenten sprakeloos en vroegen zich af, wat
het doel van deze zonderlinge kleedij kon zijn, maar de inspecteur
wilde geen tijd verliezen, beval een der agenten den hond mede te
nemen, en zette het onderzoek voort.
In een kamer gelijkvloers vond men een lange tafel met een vuurrood
kleed bedekt, waarachter tien stoelen stonden.
Een groote hoek van het vertrek was afgesloten met een zwart gazen
scherm, dat tot de zoldering reikte en waarachter, toen men het had
stukgesneden, niets anders dan een gemakkelijke leunstoel was
geplaatst.
Men zal zich herinneren, dat men eenzelfde inrichting niet lang
geleden eveneens heeft aangetroffen in de Boston Street in een
afgelegen huis, waar na een hevig gevecht anderhalf dozijn
luitenants van den chef der „Bende van het Kwade Oog” gevangen
werden genomen.
Daar was echter in den afgeschoten hoek een luik, dat met een
onderaardsche gang in verbinding bleek te staan—hier was slechts
een deur aanwezig, uitkomende op een smalle gang, die regelrecht
naar de achterdeur voerde.
De inspecteur wist nu wel reeds, waaraan hij zich te houden had,
maar toch werd het onderzoek voortgezet.
Men doorzocht alle étages, maar vond slechts volkomen leege kamers,
zonder een enkel meubelstuk.
Zoo bereikte men de zesde verdieping, en daar zou de verbazing van
de agenten nog toenemen.
Want aan het einde van een vrij breede gang vond men een cel, met
een stevige stalen deur, en een getralied venster.
En dat de patrouilleerende ordebewaarder goed gezien had, bleek
spoedig, want aan een der tralies van het venster was een sterke,
ijzeren haak geslagen, die aan het uiteinde van een stevig touw
bleek te zitten, waarvan het andere eind bevestigd was aan den
telegraafmast.
Twee der tralies waren met geweld uit het metselwerk gedrukt,
klaarblijkelijk door een man met meer dan gewone lichaamskracht.
Dicht bij de deur van deze cel vond men twee mannen bewusteloos op
den grond liggen, beide met een zware hoofdwonde, juist op dezelfde
plek—alsof zij met de hoofden tegen elkander waren gebotst.
De inspecteur herkende aanstonds een dezer mannen als een
gevaarlijk inbreker, die reeds een tiental jaren gevangenisstraf
achter den rug had, en die pas onlangs weder op vrije voeten was
gesteld.
Er kon nu niet meer aan getwijfeld worden—men was hier in een der
huizen, waarover de Bende van het Kwade Oog de beschikking had, en
in deze cel had een man gevangen gezeten, die, blijkbaar geholpen
door andere personen van buiten, geslaagd was om te ontkomen.
Dat is alles wat men weet, voor de rest tast de politie in het
duister.
Waarom de man daar gevangen zat—wie het was—hoe de man aan de
achterzijde van het huis doodgebeten is—wie daar dien nacht in het
huis bijeen waren—dat alles is volmaakt onbekend.
Ook weet de politie niet aan wien de zonderlinge hond toebehoorde,
de hond met zijn twee vachten en zijn twee kleuren, want de twee in
de cel gevonden mannen, die na eenigen tijd uit hun bewusteloosheid
ontwaakten, willen geen opheldering geven.
Zij zwijgen halsstarrig, en halen slechts de schouders op als hun
wat gevraagd wordt.
Indien de politie er nog in slaagt, den sleutel tot dit
geheimzinnig voorval te vinden, zullen wij niet nalaten er onze
lezers onmiddellijk van in kennis te stellen.”
Charly liet het blad zakken, en keek Raffles vragend aan.
Deze had zwijgend geluisterd voorover gebogen, met gefronst voorhoofd,
en zeide nu op zachten toon:
—Wat daar geschreven staat wisten wij al, mijn jongen, want wij zijn de
voornaamste acteurs in het drama geweest. Maar er is iets wat mij meer
bezig houdt dan het geheele relaas—en dat is de hond. Ik kan je niet
zeggen hoe het mij nu spijt, dat wij het dier niet wat nader onderzocht
hebben.”
—Misschien kan dat nog wel gebeuren, Edward. De politie zal toch het
kadaver niet aanstonds begraven, maar eerst eens trachten den eigenaar
van het dier te vinden.
—Als zij dien eigenaar vindt, dan heeft zij meteen den Moloch in
handen! ging Raffles op zachten toon voort. Daaromtrent bestaat voor
mij geen twijfel. Iemand als hij heeft een speurhond noodig, een zeer
goede, en daar hij een dubbel leven leidt, moet zijn hond het ook wel
doen, daar een herkenning onder sommige omstandigheden gevaarlijk zou
kunnen zijn.
Raffles bleef zwijgend eenigen tijd op en neer loopen en hernam toen:
—Ja, wij moeten dien hond tot iederen prijs eens trachten te zien. Dat
kan ons van het grootste nut zijn.
Hij streelde Busto over den ruigen kop en zeide:
—Dat is jouw werk geweest, mijn hond. Wie weet, waartoe dit alles
leidt.
Hij richtte zich op, en vervolgde:
—De politie mag zooveel onderzoeken als zij wil—ik vrees, dat zij niet
veel verder zou komen. En nu ga ik aanstonds een bezoek brengen aan
Cissy Vandyke.
—Met welk doel?
—Misschien kan zij mij wel mededeelingen doen, die mij op een spoor
kunnen brengen. Zij weet allicht wat meer van die heeren in de auto,
die toch zeker vrienden van haar verloofde moeten zijn.
Raffles had zijn hoed en zijn wandelstok gegrepen, en drukte Charly de
hand.
—Je kunt hier op mij wachten, ik denk over een uur terug te zijn.
—Zul je je in acht nemen?
—Ik beloof het je, Charly, zeide Raffles glimlachend. In een auto
zullen zij mij niet meer vangen.
Raffles knikte Charly nogmaals toe, en verliet het vertrek.
Hij daalde met de lift naar beneden, en stak de breede vestibule over,
waar zich op dat oogenblik slechts zeer weinig personen bevonden.
Hij ging op de breede ingangsdeur toe, en stapte op het groote terras,
dat met een tiental treden naar het trottoir voerde.
Hij was bezig zijn handschoenen dicht te knoopen, toen hij plotseling
het hoofd ophief, en op dezelfde plek onbeweeglijk bleef stilstaan, met
een flikkerenden glans in zijn oogen en eenigszins gebogen, als een
buffel, die een tijger op de punt van zijn horens wil opvangen, als het
ondier den sprong wil wagen...
Op geen tien meter afstand kwam een politieauto aanrijden.
HOOFDSTUK III.
VERANDERING VAN TOONEEL.
Raffles was voor alles een man van instincten en ingeving.
Nog in dezelfde seconde begreep hij dat het op hem voorzien was.
Hij had het ernstig gelaat van Flannagan ontdekt, en de chauffeur remde
de groote auto reeds, die vlak voor het groote hotel zou stilstaan.
En op hetzelfde oogenblik overdacht Raffles, dat een arrestatie op dit
oogenblik zeer noodlottige gevolgen zou hebben, want aan de politie zou
hij al evenmin kunnen bewijzen, dat hij Willem van den Heuvel was, als
eenige uren geleden aan den Moloch!
Dat beteekende, de vlucht!
Nu was Raffles ook een man van daden, en als hij zich iets voornam, al
was het dan om te vluchten, dan treuzelde hij niet, maar deed dadelijk,
wat er te doen was.
De weg naar buiten was hem reeds afgesneden, want een ondeelbaar
oogenblik zou de auto stilstaan en Flannagan had hem reeds gezien.
Raffles begreep aanstonds wat er geschied moet zijn.
De Moloch, nu zeker wetende wie er achter den persoon van Van den
Heuvel school, had den Commissaris van Politie een briefje geschreven,
met alle bijzonderheden waarschijnlijk, en deze functionaris begreep
dat hij tot de arrestatie moest overgaan al had Raffles aan de politie
ontegenzeggelijk groote diensten bewezen.
Raffles liet Flannagan zijn hielen zien, en vloog pijlsnel de vestibule
door.
Bij de lift stonden juist eenige personen te wachten op de liftkooi,
die naar beneden kwam.
Raffles slingerde hen met kracht terzijde, trok de paar reizigers en de
liftboy uit de kooi, die juist beneden was gekomen, sprong er in,
klapte de ijzeren deuren dicht, en haalde tegelijkertijd den kleinen
hefboom over, die de lift pijlsnel weer naar boven deed schieten,
terwijl onder hem het gevloek en het getier der verontwaardigde
hotelgasten klonk.
De Groote Onbekende betrad nooit een hotel, of hij onderzocht dadelijk
de geheele inrichting, of hij had juist de expreslift uitgezocht, die
hem met verbazende vaart tot de twintigste verdieping voerde, dat wil
zeggen een verdieping lager, dan waar zich zijn kamers bevonden.
De lift kwam met een hevigen schok op de twintigste verdieping tot
staan. Raffles sprong er uit, en wipte bij vier treden tegelijk de
breede trap op.
Het was hier nog stil, een stilte die zonderling aandeed, nu hier een
man om zijn vrijheid, misschien wel om zijn leven liep!
In een paar tellen was hij op de volgende verdieping, vloog naar zijn
kamer, rukte de deur open, en riep den verschrikten Charly toe;
—Zet een pet op en kom mee! Er is onweer aan de lucht! De politie zit
ons op de hielen!
Misschien had Charly wel wat willen vragen, maar hij zag aan het gelaat
van Raffles, dat het oogenblik daartoe minder gunstig gekozen was.
Hij griste zijn pet van de tafel, liet vliegens vlug een paar
voorwerpen in zijn zak glijden, met een snelheid die op ijverig
repeteeren wees, en vloog Raffles na, die het vertrek reeds weder had
verlaten.
—Doe de deur op slot, dat zal hen misschien eenigen tijd ophouden, als
zij denken, dat wij ons hier verscholen hebben! beval Raffles.
Charly gehoorzaamde, en stak den sleutel weer in zijn zak.
Er waren nog tien verdiepingen boven de 21ste.
—Waar gaan wij heen? vroeg Charly.
—Naar het dak, antwoordde Raffles lakoniek.
—En dan?
—Er loopen telefoondraden over, die dwars over de straat gaan, en als
we eenmaal aan de overzijde zijn, kunnen we ons gemakkelijk in
veiligheid brengen—daar zijn vensterluiken in overvloed.
Onder het spreken waren de beide vrienden voortgerend naar de
liftschacht van de zoogenaamde boemellift, die tot bijna aan de
zolderverdieping doorliep.
Raffles wilde de deur openrukken, maar dit bleek onmogelijk, er was
juist een lift onderweg, en daardoor bleven de deuren automatisch
gesloten, om ongelukken te voorkomen.
Door het traliewerk heen hoorde hij duidelijk de opgewonden stemmen van
de personen, die zich in de liftkooi bevonden.
—Te laat! zeide hij lakoniek. Wij zullen van onze voeten gebruik moeten
maken.
Het werd hoog tijd, want reeds kwam de bovenzijde van de lift te zien.
Raffles en Charly stormden de trap op, die juist tegenover den
liftuitgang gelegen was.
Maar nu scheen ook het geheele hotel in rep en roer te zijn, want
overal klonken alarmschellen en het geschreeuw van achtervolging, het
dichtslaan van deuren en de luide bevelen van den inspecteur en zijn
brigadiers.
De eerste auto was zeker aanstonds door anderen gevolgd, te oordeelen
naar het stemmenrumoer.
Vlak naast elkander vlogen de twee mannen trap na trap op, nu en dan
een lastigen kellner neervellend, die zoo onvoorzichtig was hun den weg
te willen versperren, ofschoon hij nog volstrekt niet begreep, wat er
eigenlijk aan de hand was.
Dicht op hun hielen klonk het geluid van de voetstappen der dravende
agenten.
De toestand werd ieder oogenblik hachelijker.
Maar Raffles en Charly waren geoefende hardloopers—en zij bereikten de
zolderverdieping vóór hun achtervolgers!
Door een openstaand vensterraam, dat zij weder achter zich sloten,
klauterden zij op het reusachtige dak, waarvan des zomers een groot
gedeelte als wintertuin was ingericht.
Midden op het dak stond een reusachtige stellage, die de honderden
telefoondraden torste, welke zich naar alle richtingen verspreidden.
Een dikke bundel draden stak de straat over en daalde schuin neer op
het dak van het huis aan de overzijde, dat minstens een tiental meter
lager gelegen was.
—Doe zooals ik! beval Raffles.
Hij had zijn slappen vilten hoed gegrepen, snelde naar den rand van het
dak, en boog den hoed om een viertal draden heen, waarna hij de
uiteinden zoo dicht mogelijk bij de draden stevig vasthield.
Charly deed hetzelfde met zijn pet, van het beste Schotsche laken
vervaardigd—en toen waagden de beide mannen den overtocht.
Met groote vaart gleden zij langs de schuin gespannen draden over de
straat, die hier ongeveer 40 meter breed was.
Hun hoofddeksels schroeiden door de hevige wrijving—maar zij kwamen
behouden aan den overkant, al was het dan ook met een vrij gevoeligen
smak.
Halfverdoofd krabbelde Charly weder overeind, en zeide:
—Als je het mij vraagt, Edward—ik zou dat kunststukje liever niet
herhalen!
—Ik vraag het je niet, Charly! antwoordde Raffles kalm. Wij hebben nu
niets te doen dan een gastvrij dakluik op te zoeken—na ons uiterlijk
een weinig veranderd te hebben!
Reeds terwijl hij sprak, had Raffles den prachtigen, witten baard
afgedaan, zij het niet zonder moeite, want het voorwerp was zeer stevig
bevestigd!
Hij wischte zijn gelaat snel schoon met den inhoud van een klein
fleschje, dat hij in de palm van zijn hand leeggoot, deed de witte
pruik verdwijnen, evenals de witte wenkbrauwen, en wijdde zich toen aan
zijn kleeding.
Hij trok zijn bovenkleeding uit—keerde ze eenvoudig binnenste buiten en
trok ze weder aan.
Zij waren eerst zwart geweest, nu waren zij lichtgrijs.
De hoed werd weggeworpen, en maakte plaats voor een anderen, die uit
een der achterzakken te voorschijn werd gehaald.
Ook Charly had met behulp van een kastanjebruin snorretje en een pruik
met lange lokken zijn uiterlijk volkomen veranderd, en het zouden
scherpe oogen moeten zijn, die de gedaanteverwisseling opmerkten.
De daken waren hier zeer grillig van vorm en zij moesten nu en dan een
moeilijke klauterpartij ondernemen.
—Zouden ze onzen overtocht daar beneden niet voorzien hebben? vroeg
Charly, hijgend van de inspanning.
—Ik denk het niet—daarvoor ging het wel wat te vlug. Maar al was dat
wel het geval, dan komt het er nog niet erg op aan. Daar zie ik al een
luik, dat ons als het ware uitnoodigt, er in af te dalen.
Raffles wees op een groot, openstaand dakluik, dat met een ijzeren bout
overeind werd gehouden.
Er bleek een ladder tegen aan te staan, en na zich te hebben overtuigd,
dat zij op een leegen zolder terecht zouden kamen, klommen de twee
mannen er af.
Charly, die achteraan kwam, trok de ijzeren staaf weg, en liet het luik
behoedzaam dichtvallen.
De zolder kwam met een deur uit op een smalle gang, en na eenigen tijd
aandachtig geluisterd te hebben, daalden de beide mannen de trap af—en
van dat oogenblik af, konden zij zich als in veiligheid beschouwen.
Inderdaad, zij bevonden zich in een groote huurkazerne, waarin een
vijftigtal gezinnen woonden, en men zou in het geheel geen acht op hen
slaan.
Dat bleek hun ook spoedig genoeg, want hier en daar ging een deur open
op een der portalen, maar daar de beide vrienden op hun gemak en zonder
zich te overhaasten verder liepen, nam niemand notitie van hen, en zij
bereikten dan ook ongehinderd de straatdeur.
Juist kuierde een agent met de handen op den rug voorbij—en het was een
zonderlinge gewaarwording, dien ordebewaarder daar zoo kalm te zien
voortschrijden, terwijl zij beiden nog geen tien minuten geleden als
het wild door den jager waren achtervolgd door een geheelen troep van
zijn soortgenooten.
De man keek hen onverschillig even aan en ging verder.
Raffles wisselde een glimlach met Charly en zeide:
—Wij schijnen niet de eer te genieten, zijn aandacht waardig te zijn.
Kom spoedig mede—en hoe eerder wij deze plek verlaten hoe beter het ook
is.
—Maar waar zullen wij nu heengaan?
—Natuurlijk dadelijk Henderson waarschuwen; er is een telefoon in het
huis.
De twee mannen stapten de eerste de beste drogisterij binnen, om te
kunnen telefoneeren.
Raffles ging naar het toestel, terwijl Charly voor de leus een doosje
cigaretten kocht.
Reeds weinige minuten later keerde hij terug naar de plek waar Charly
stond.
Zijn gelaat had een ernstige uitdrukking.
—Wat is er gebeurd? vroeg Charly ongerust.
—Er is daar ginds iets geschied—iets wat niet in den haak is.
—Wat antwoordt Henderson je dan?
—Hij antwoord niets—hij is niet thuis.
—En neem je dan maar aanstonds aan dat er iets ernstigs is
voorgevallen?
—Ja Charly, want ik had hem nadrukkelijk gelast onder alle
omstandigheden thuis te blijven en mijne instructies af te wachten. Wij
moeten er dadelijk heen.
De twee mannen verlieten den winkel weder, en sprongen in een huurauto,
nadat Raffles den chauffeur had gelast hen naar de Pershing Street te
brengen.
Aangespoord door de belofte van een goede fooi liet de chauffeur zijn
wagen zoo snel mogelijk loopen, en nog geen half uur later stond de
auto stil bij het begin van de Pershing Street.
Raffles stapte uit, betaalde, en snelde de straat in, door Charly op de
hielen gevolgd en voortgedreven door een somber voorgevoel, dat hem
vleugels scheen te geven.
Maar spoedig vertraagde hij zijn schreden, want voor de deur van het
huis waar de drie mannen eenigen tijd gewoond hadden, stond een groot
aantal nieuwsgierigen druk ergens over te spreken, terwijl een paar
agenten met de handen op den rug voor het huis heen en weder liepen.
Raffles begreep dat het argwaan zou baren, als hij zoo overhaast kwam
toesnellen, en daarom matigde hij dadelijk zijne vaart, en wendde zich
tot Charly met de woorden:
—Wij zullen ons maar voor verslaggevers uitgeven—op die wijze zullen
wij wel te weten komen wat er geschied is.
En daarop stapten de twee mannen onvervaard op een der op post staande
politieagenten toe.
—Iets bijzonders te doen? vroeg Raffles, terwijl hij reeds een paar
stukjes papier en een potlood te voorschijn haalde.
—Wij zijn van de „New-York Sun”, voegde Charly er aan toe, een brand of
iets dergelijks? Waarom staan al die menschen daar?
—Heel iets anders dan een brand, mijnheer, een gevecht met een soort
wildeman!
—Een krankzinnige ontsnapt? vroeg Raffles, ofschoon hij de waarheid
reeds begon te vermoeden.
—Of de man krankzinnig is, weet ik niet, maar in ieder geval ging hij
te keer als de baarlijke duivel.
—Maar waarom dan? vroeg Charly, was hij beschonken? Wat was er dan met
dien man?
—Ik hoor dat hij een medeplichtige moet zijn geweest van een bekenden
Londenschen inbreker, die mijn collega’s hier wilden arresteeren. Zij
waren met hun achten—en we hopen dat zij er alle acht bovenop zullen
komen.
—Dus—is die man niet gevat? vroeg Raffles, terwijl hij zijn adem
inhield, en den agent met een onwillekeurig gebaar bij den arm greep.
—Gevat? Het mocht wat, antwoordde de agent op schamperen toon, hij
heeft hen half dood geslagen, dat is de zaak! Zij zeggen dat hij een
ware reus was, en dat hij ook wel tien had aangekund.
Raffles en Charly hadden zoogenaamd eenige aanteekeningen gemaakt en nu
kwam een der bewoners van het huis zich bij hen voegen, met de
opmerking: Ik heb het op een afstand gezien, mijnheer, en ik zeg u, het
was een formeele veldslag! Die man smeet de agenten heen en weer alsof
het kegels waren, en als er een overeind gekrabbeld was, sloeg hij er
twee andere voor neer, op een gegeven oogenblik zaten er drie op zijn
nek, en hij schudde hen af, alsof zij stofjes waren! Het was een helsch
kabaal en de agenten schreeuwden om assistentie, voor zoover ze nog
geluid konden geven, maar niemand durfde tusschenbeide komen, die man
had vuisten als smidshamers, en wat hij er mee trof, dat had niets meer
in te brengen.
De agent had een weinig ongeduldig toegeluisterd, uit zijn humeur omdat
men zijn verhaal onderbroken had, en zeide nu:
—Je beschrijving kan goed zijn, vriend, maar in het aantal
politieagenten vergis je je, het waren er acht.
Raffles en Charly hadden elkander een snellen blik toegeworpen, waaruit
hun groote vreugde sprak.
Henderson was in ieder geval ontsnapt.
—Waar heeft die homerische strijd plaats gehad? vroeg Raffles zonder
dat zijne stem eenige ontroering verried.
—In de kamer waar die man woonde, mijnheer, antwoordde de agent, maar
zij is niet meer te herkennen. U zoudt er geen enkel meubelstuk meer
kunnen vinden, dat nog bruikbaar is, of waarvan u den oorspronkelijken
vorm nog zoudt herkennen, ik zeg u, de man sloeg met de stoelen om zich
heen als Simson met het ezelskinnebak. Mijn collega’s niet te na
gesproken.
—Wij zouden die kamer gaarne eens willen zien, zeide Raffles, terwijl
zijn vingers als toevallig naar zijn vestzakje afdwaalden.
De man met wien hij sprak zou geen New-Yorksche agent zijn, als hij het
gebaar niet onmiddellijk begrepen had.
Hij gaf den beiden gewaanden verslaggevers een knipoogje en zeide:
—Gaat u dan maar even met mij mee, ik zal u de ruïne laten zien, allee,
een beetje op zij, menschen!
Dit laatste was tot de nieuwsgierigen, die zich nog altijd voor de
huisdeur verdrongen, en die nu terzijde weken om plaats voor de drie
mannen te maken.
Zoodra Raffles en Charly waren binnengetreden kregen zij reeds een
voorproefje van wat hen te wachten stond!
De ijzeren spijlen van de trapleuning waren voor het meerendeel
kromgebogen en sommigen waren zelfs uit het hol gerukt terwijl de
leuning zelve over de lengte van een paar meters versplinterd was.
—Dat ziet er uit alsof er een piano tegen aan is gekwakt nietwaar
mijnheer, vroeg de agent, terwijl hij op de gehavende plek wees als een
oppasser van een of ander museum die een bijzondere merkwaardigheid
heeft aan te wijzen.
De drie mannen beklommen de trap, gingen het portaal over en bereikten
zoo de deur van de kamer, welke Raffles en Charly eenige weken tot
verblijf had verstrekt.
Zij bleven verbaasd op den drempel staan, en keken elkander even
glimlachend aan.
De agent had niets te veel gezegd, een troep wilde buffels, die dwars
door het vertrek zou zijn gegaloppeerd had onmogelijk een grooter
verwoesting kunnen aanrichten.
De tafel, die steeds bij het raam gestaan had, lag in een hoek en drie
van de pooten ontbraken er aan, de vierde stak als een dreigende
wijsvinger omhoog.
Tijdens de hevige worsteling was er zeker een kluwen worstelende mannen
op het ijzeren ledikant terecht gekomen, want het was bezweken, en door
midden geknakt.
Hier en daar hing het behang aan flarden, de electrische lamp bungelde
alleen nog maar heen en weder aan het geleidingssnoer, de vijf stoelen
waren versplinterd, en van enkele was zelfs de zitting opengereten,
zoodat het paardenhaar naar buiten puilde.
Zelfs de twee ordinaire oleogravuren, die in hunne vergulde lijsten
hoog aan den muur hadden gehangen, vertoonden vuistgroote gaten en
hingen scheef aan de koorden.
Alles wat van glas of aardewerk was lag aan gruizels op den vloer, die
er geheel mee overdekt was.
De deur die naar de kleine slaapkamer voerde, waar Raffles en Charly
gerust hadden, hing nog slechts scheef aan een hengsel en het bovenste
paneel was ingeslagen.
Alle ruiten van de vensters waren gebroken.
Kortom, het vertrek leverde een aanblik op, alsof er weken lang door
een dronken bende was huis gehouden.
—Wat zeg u daar wel van? vroeg de agent van politie op den toon van den
concierge van een historisch kasteel, die eenige gruwelwerktuigen aan
de bezoekers laat zien.
—Ik zeg, dat de man die zich hier verdedigde tegen acht agenten
waarschijnlijk over reuzenkrachten beschikt, antwoordde Raffles
glimlachend, ik geloof niet dat er in het geheele vertrek nog een
voorwerp is, de moeite van het repareeren waard!
—En het heeft geen tien minuten geduurd, mijnheer, riep de agent uit,
ik hoor dat er eerst vier van mijn collega’s waren binnengetreden, maar
er had evengoed niemand kunnen zijn, die kerel speelde met hen als de
kat met de muis en de vier andere moesten ter hulp komen, en toen bleek
er nog niet voldoende te zijn! Hij wist de kamer uit te komen, met de
drie agenten achter zich aan, die zich nog zoo een beetje bewegen
konden, de vijf andere lagen plat op den vloer, maar op de trap moet
hij hen van zich hebben afgeschud, als een poedel die in het water
gelegen heeft, de druppels! Hij kon de voordeur bereiken, vloog den
chauffeur van de politie-auto omver, die hem nog trachtte tegen te
houden, zoodat de stumper een meter of vijf verder tegen de steenen
rolde en was reeds lang uit het gezicht, toen mijn makkers in deze
kamer tot het inzicht kwamen, dat zij nog tot de levenden behoorden,
het heele vrachtje moest met de politie-auto direct naar een gasthuis
worden vervoerd. En zoo heeft het voertuig dan toch nog dienst gedaan!
voegde hij er op grimmigen toon aan toe.
Raffles en Charly hadden glimlachend naar het verhaal staan luisteren,
en nu en dan een aanteekening gemaakt.
Zij keken nog even rond en daarop drukte Raffles den agent tersluiks
een geldstuk in de hand, en zeide tot Charly.
—Kom maar mee, collega, er zit een mooi stukje aan!
De twee mannen knikten den agent toe, en verlieten de kamer en het
huis.
Op straat riepen zij dadelijk een huurauto aan, en Raffles gaf den
chauffeur bevel hem naar het administratiegebouw van de „New-York
Times” te brengen, om daar een advertentie ter plaatsing op te geven
van den volgenden inhoud:
„Chauffeur gevraagd voor spoedige indiensttreding, niet onder de
vijf-en-dertig jaar. Aanmelden Astoria Hotel.”
Nog dienzelfden avond stond de advertentie in het blad, en om drie uur
vijftig minuten in den nacht—dat was de beteekenis van het cijfer
vijf-en-dertig in de advertentie—kwam een man van reusachtigen
lichaamsbouw vóór het Astoria Hotel, waar Raffles en Charly sedert een
paar minuten op en neer liepen—het was James Henderson, die de
advertentie gelezen had, haar beteekenis kende en zich na zijn
gelukkige ontsnapping bij zijn meester kwam voegen!
Maar de gérant van het Astoria Hotel had aan een laffe grap gedacht,
toen zich dien avond honderden werklooze chauffeurs voor een baantje
kwamen aanmelden, en niet dan met moeite waren weg te krijgen.
HOOFDSTUK IV.
OP CONEY ISLAND.
Met tranen in de oogen had Henderson de hand van zijn meester gegrepen
en die krachtig gedrukt, en daarna had Charly Brand dezelfde betuiging
van vriendschap moeten ondergaan, die hem zijn vingers met een pijnlijk
gezicht deden betasten.
Hij wist het bij ondervinding—als de reus iemand hartelijk de hand
drukte, dan voelde men het dagen later nog!
Het bleek, dat Henderson in een der avondbladen reeds het relaas had
gelezen van de stoutmoedige ontvluchting van den gewaanden Willem van
den Heuvel en zijn zoogenaamden secretaris, uit het Washington Hotel.
En zoo behoefden de drie mannen elkander niets meer mede te deelen.
—Wij kunnen hier niet blijven, vrienden! zeide Raffles op zachten toon,
het is noodig, dat de onrust een weinig bedaart en dat wij ons een
weinig afzijdig houden gedurende eenige dagen.
—Als wij eens de plek opzochten, waar wij den „Duivel der Lucht” hebben
ondergebracht, en doodeenvoudig naar Londen terugkeerden, kwam Charly
langs zijn neus weg!
—Weet je dan wie de Moloch is? vroeg Raffles, terwijl hij zijn
doordringende grijze oogen strak op het gelaat van den jongen man
vestigde.
—Neen, Edward, dat weet ik niet!