Wat mij betreft, ik denk mijn rust te nemen in La Feuillée, waar

ik eenige jaren geleden ook reeds ben geweest. Ik herinner mij een

mooien schaduwrijken weg, waar een geestelijke zijn brevier bezig

was te lezen, en een herbergje met ik weet niet welk uithangbord,

misschien het Witte Paard of de Rijzende Zon, waar ik door twee brave

vrouwen werd ontvangen als een kind des huizes, dat na een lange en

vermoeiende reis naar huis terugkeert. Het lekkere souper van koude

eend en geitevleesch en de prettige kamer met de hoog opgestapelde

veêren bedden zijn mij bijgebleven. Men klimt erin en valt dan na een

vermoeienden dag neer in het zachte, warme dons als een vogeltje, dat

in 't diepst van 't woud voor alle gevaar is beschut. Den volgenden

morgen verwenden de goede vrouwen mij opnieuw en drongen mij, van

den witten wijn te drinken, die zoo goed en gezond was op reis. Ik

hoor nog haar stemmen met het accent: "Drink toch, drink toch,

het is lekker". Ik dronk dan ook en nam de herinnering mee aan de

vriendelijke oude gezichten, zuiver van lijnen en fijn van trekken,

waarin de blauwe oogen tusschen de rimpels alle oprechtheid en

snaakschheid uit de jeugd hadden behouden. Het overige van het gelaat

heeft de sporen van het leven te dragen, vermoeienis en slijtage;

de mond vertoont nu en dan den droeven glimlach van hen, die hun

aandeel hebben gehad van rouw en smart, maar er is geen bitterheid

gebleven en geen boosheid, en de kalmte, die het leven en den dood

aanvaardt, staat op zulke gezichten geschreven, waarvan er vele in

Bretagne onder de oude vrouwen zijn te vinden.

Daar ben ik weer en zoek mijn Wit Paard of mijn Rijzende Zon, de

gastvrouwen van toen, hun herbergzaaltje, waar ik graag vertoeven

wil en waar ik mogelijk blijven zal tot den avond, om weer te slapen

in het hooge bed en 's morgens met een teug van den witten wijn op

weg te gaan. Maar, helaas, ik vind niets van dat alles terug. La

Feuillée is zoo veranderd, dat ik het plaatsje bijna niet herken. De

oudjes liggen denkelijk op het kerkhof, maar hun huis, waar is dat

gebleven? Ik ontdek op den hoek der markt een nieuw hôtel, waar ik

geen lust heb binnen te gaan. Wel vind ik mijn laan terug; maar het

gebladerte zingt niet zoo liefelijk als voorheen, en tot den voerman

zegt de reiziger, om maar spoedig verder te gaan.

Langs den grooten weg reed ik heen met een zonderling gevoel van

spijt, dat alles hier zoo veranderd was, en ook met weemoed, omdat

ik het Arréegebergte vaarwel moest zeggen en terugkeeren in wat men

de beschaafde wereld noemt. Deze weg, die naar Huelgoat geleidt,

is intusschen wel mooi met het dal in de diepte, het donkere groen,

de rotsblokken van grijs gesteente, als vallend bij de helling neer.

Huelgoat is een prachtig punt van Bretagne, bekend bij het publiek,

zelfs al te bekend, want dadelijk bij aankomst treft u de overvloed

van hôtels en pensions. Ik ben hier vroeger geweest in den tijd,

toen de spoorweg van Morlaix naar Carhaix en Concarneau nog niet

bestond, en ik geloof, dat er in die dagen slechts één hôtel was,

ingericht als een ouderwetsche herberg, kalm en rustig. Het land was

toen nog niet ontdekt behalve door een paar schilders. De tijden zijn

veranderd. Uit elk hôtel stappen nu menschen met lange haren en groote

hoeden, die doeken en kleurendoozen en schildersezels dragen. Alle

boomen en steenen uit de streek zullen eraan moeten gelooven, of ze

willen of niet.

Toen ik aankwam was het ontbijt afgeloopen, en ieder was naar zijn

"motief" vertrokken. De vliegen, de eenige gasten in de eetzaal,

gonsden en bromden en voerden hun dansen uit, hun vroolijke walsen,

nadat ze eerst gulzig suiker hadden gesnoept van de beschuitjes op de

tafel. Ik ontbijt met wat men mij voorzet, het restje van 't ontbijt

van dezen morgen of het begin van den middagmaaltijd. Terwijl ik zit

te eten, geeft de dame van 't hôtel mij alle mogelijke inlichtingen,

waarvan mijn gidsje gewaagt. Ik mag niet vertrekken, zonder de wonderen

van het land te hebben gezien, den Vijver.... den Molen.... het Gezin

van de H. Maagd.... den levenden Steen.... den Draaikolk.... den Plas

der Wilde Zwijnen.... de Kerk en den Waterval van Sint-Herbot....

"Huelgoat, Mijnheer, is 't Fontainebleau van Bretagne, met het water

nog bovendien erbij!"

Zeker ga ik dit alles weer bekijken, vooral Sint-Herbot. Op het

oogenblik, dat ik naar buiten treed, biedt zich een jongen aan,

om mij te vergezellen, en wordt door een tweeden gevolgd, dan door

een derden en vierden en nog veel meer. Ik werd door een heel

geleide geëscorteerd naar den levenden Steen. Daar is de vijver

en de molen, met klimop begroeid, nu veranderd in een fabriek van

electriciteit. Wij loopen door een boschje en staan aan den toegang

tot een groote open ruimte vol rotsblokken. Er zijn hooge, ronde,

spitse, platte, holle en gewelfde. Iedere steen heeft een naam en

de eene of andere eigenaardigheid. Bij den chaos van het Gezin der

H. Maagd vloeit het water door een grot. Bij het uiteinde gekomen,

moet men zich bukken, om in een nauwe gang te komen en van daar ziet

men dan, als men ze wil zien, een Ketel, een Leuningstoel, een Bed,

een Schotel, een Lepel, een Vork. Om over de steenen heen te komen,

zou men gemakkelijk den eenen voet vóór den anderen kunnen plaatsen;

maar de gidsen van de levende Steenen staan dat niet toe.

Zij hebben ladders bij zich en planken en stokken en kleine stoeltjes,

die men volstrekt moet gebruiken, daar noodzaken zij u toe. "Wacht,

Mijnheer, gaat u hierop staan... kijk, Mijnheer, zóó moet u

leunen... Klim maar op mijn laddertje, Mijnheer."

Alles is hier bij elkaâr, om iemand de beenen te breken en den prijs

voor dit genoegen te betalen. En 't is nog niet afgeloopen. Twee

jongens staan mij af te wachten vóór een reuzengrooten steen, die

op één van zijn smalle kanten staat. Dat is de levende Steen, de

Bevende Rots, de mooiste uit Bretagne. Hij is 7 M. lang, meer dan

5 M. breed en bijna even dik; men meent, dat hij meer dan 100 000

K.G. weegt. De massa is in evenwicht op den rotsachtigen rand, maar

zoo volkomen juist in evenwicht, dat zij elk oogenblik in beweging

is te brengen. Het recht om de schommelingen teweeg te brengen, komt

toe aan de beide jongens, die de anderen bezig hebben gelaten bij het

Gezin der H. Maagd, en die hier 't eerste zijn geweest. "Kijk eens,

Mijnheer!" En een der kleinen is onder den steen gegleden, draagt

dien, als 't ware op zijn rug, en werkelijk de reuzenmassa schommelt

heen en weer; er is geen twijfel mogelijk. 't Is afgeloopen. Ik moet

heen. Zij waren wel met hun twintigen jongens, en al dat werk is meer

dan een dubbeltje waard. Ik verdeel een tiental franken onder hen. De

kinderen uit Huelgoat hebben hier voor 't voorjaar en den zomer een

goede bron van inkomsten.

Ik ging geheel alleen den Draaikolk zien, een indrukwekkend

verschijnsel in zijn soort. Het water komt er met geweldige kracht

in neer en schijnt naar het diepst der aarde af te dalen. Maar al

spoedig voegt zich de meest obstinate van mijn gidsen weer bij mij,

en met alle geweld wil hij mij naar het kamp van Arthur brengen. Ik

blijf nog toeven in het bosch, luister naar 't geluid van het water,

sta stil en zet dan weer mijn weg voort tusschen nauwelijks te

onderscheiden paadjes door gras en mos en heide en varens, en kijk

naar de eiken en de beuken, de dennen en de rotsen, opmerkend, hoezeer

de onvermoeide natuur de geschiedenis vermeestert en overweldigt.

Weer kom ik bij den vijver, waar het zilveren riviertje doorloopt, dat

door 't groen verder gaat en dan in watervalletjes het dal bereikt,

waarlangs het ten slotte in de Aulne zal verdwijnen. Dan betreed ik

het dorp en stap naar de markt, waar ik nog altijd de schilderachtige

drukte denk te vinden met de groote, magere mannen in hun wijde

broeken, kleine, open vesten en breedgerande hoeden. De omgeving is

nog dezelfde, oude huizen en een kerk uit de zestiende eeuw.

Ik moet naar Sint-Herbot terug. Daarheen zou ik graag diegenen brengen,

die op eens en in zijn geheel een indruk verlangden te krijgen van

het land Bretagne, het binnenland. Er is geen meer verscholen hoekje,

geen, dat geheimzinniger en meer ontroerend is. In een woest en zwart

land heeft men hier den dood en de vereenzaming der dingen. Men moet

daar alleen zijn geweest, terwijl de regen aanhoudend neerviel op

de oude steenen en de vervallen ruïnen, om een diepen indruk van de

plek te krijgen. Hier ligt het donkere hart van 't oude, ernstige,

verscholen Bretagne, dat niet op toeristen wacht, en waar men niet kan

naderen dan in eerbiedig zwijgen. Tusschen Huelgoat en Sint-Herbot

liggen zeven kilometers, en reeds bereidt het ernstige, trotsche

aanzien van het landschap u voor op het schouwspel dat u wacht. Ik

weet niet, hoe de meeste bezoekers de dingen aanzien, die daar zijn,

maar op mij maakt het alles een diep treurigen indruk.

De helling die wat steil is, een kilometer lang, loopt door een

moerassige heide, waar bronnen murmelen. Vrij ver naar links ziet

men den klokkentoren van Plouyé, rechts den Saint-Michel en den

vierkanten toren van Sint-Herbot. Aan twee kanten heeft de kerk

reeksen lage huizen naast zich, alles oud en somber, maar alles in

overeenstemming met de omringende natuur. De stammen van de bij de

kerk geplante boomen hebben dezelfde granietkleur als de steenen van

't portaal van den toren. Hier kan men zien, dat de gothische kunst,

die vaak ruw en onbehouwen lijkt, werkelijk voortkomt uit de natuur en

daar haar kracht uit put, haar leven en beweging. Zijn inderdaad die

boomen zuilen, van 't gebouw gescheiden en achtergebleven zonder dak of

gevel? Die gebeeldhouwde steenen, die versieringen, die beelden, zijn

het stukken rots, die door den tijd en de seizoenen zijn gemodelleerd

tot beeldhouwwerk van bladeren en figuren? Al wat hier is, schijnt

voortgekomen uit den grond, schijnt daar te zijn geboren en gegroeid;

alles schijnt op die plek ook te moeten sterven en stukje voor stukje

te moeten terugkeeren in de met mos en steenen overdekte aarde.

Het portaal is versierd met fijne arabesken van klimplanten, zooals

zich slingeren door de heggen, en de beelden der apostelen in de

nissen lijken op rotsen en boomstammen. Het licht valt door een

gekleurd venster, verlicht een aardig houten koortje en het graf van

Sint-Herbot, den kluizenaar, beschermer van het hoornvee. Hij heeft

hun goed gedaan in Bretagne. Bekend zijn de eigenschappen van het

runderras, de fijne pooten, de breede borst, de teêre huid met glanzig

haar en de kleine koeien, die zoo overvloedig melk geven. De dankbare

stallen kwamen hierheen dan ook herhaaldelijk bedevaarten doen. In

Juni is er elk jaar bij de kerk een groote bijeenkomst, een echte

kermis lijkt het wel, en op die groote rundermarkt worden de dieren

juist als pelgrims om de kerk geleid. Tegenwoordig is het voldoende,

in een steenen drinkbak aan den voet van een pilaar een bundel haren

neer te leggen uit den staart van een paard, om het voor ziekten te

behoeden. Het is een feit, dat, als de markt eenige dagen voorbij is,

de bak veel roode, zwarte en witte haren bevat. Het is een soort van

belasting, die Bretagne aan Sint-Herbot betaalt, want men beweert,

dat in jaren van veeziekte de verkoop van het paardehaar tot 3600

francs opbrengt.

Ik vind terug, wat ik verder zocht, den waterval, die van een hoogte

van 70 M. neerstort langs een met boomen bedekte helling. Een klein

meisje springt van steen op steen, een lief en lachend kind met blauwe

oogen en een beschroomd gezichtje, onschuldige symbolizeering van het

landschap. In een oude hut zit een koehoeder in een versleten boek te

lezen. En boven verrijst de molen van Rusquec en het kasteel Rusquec

of wat ervan is overgebleven, dat is bijna niets, enkele brokken muur

en een woonhuis, dat als boerenhoeve wordt gebruikt. Men loopt er

rond omheen en raadt, hoe 't mag geweest zijn, toen alles nog niet

zulk een diep weemoedigen indruk maakte. Aan een enkel ongeschonden

gebleven fragment kan men zien, dat het geheel schoon en bevallig moet

geweest zijn. Het is een groote vaas op voet, een stuk graniet met

wapens erin, waar nu mossen over groeien en dat vol droge bladeren

en dood hout ligt, terwijl alleen het water uit den hemel erin wordt

opgevangen. Het is een mooi en eenvoudig geheel, dat ook, evenals

de muren der kerk, uit den grond schijnt voortgekomen, en als een

groote steenen bloem zich schijnt te ontsluiten. Maar hoezeer wordt

de schoonheid verhoogd door al wat er omheen is, het grasperk en

de hooge boomen, die ritselen onder de grijze lucht, en de groote

beukenlaan, die langs een helling leidt. Welke levens, welke geheimen

zijn hier begraven in de schaduw van deze ingestorte muren, in de

holte der vaas en onder de hooge boomen? Welke stemmen zijn er tot

zwijgen gebracht? De tragische beteekenis van 't leven dringt zich

aan ons op bij 't zien van deze dingen, zoowel op een vriendelijken

voorjaarsmorgen als op de sombere schemeravonden van den herfst.

Carhaix zag ik het eerst op de hoogte liggen, toen ik uit het kleine

spoorwegstation naar buiten trad. Carhaix is 't oude Vorganium, dat een

romeinsche plaats was en later een belangrijke stad van het koninkrijk

Cornwallis, verblijfplaats van Grallon's dochter Ahès. Ker-Ahès,

stad van Ahès, werd Carhaix. Jean de Montfort en Charles de Blois

leverden er elkaâr slagen in de jaren 1341 tot 1347; Du Guesclin trok

er in 1363 binnen. Daarna raakten er de Koningsgezinden en de Ligue

slaags in 1590, en ten slotte woedde er de Chouannerie. Het kleine,

rustige stadje is dus als zooveel andere een plaats van moord en

doodslag geweest.

Als men de Saint-Augustinstraat oploopt, ontmoet men het uithangbord

"Café de la Tour d'Auvergne-Lafleur". Dit is dan ook inderdaad de stad

van den Eersten Grenadier van Frankrijk, en de naam Lafleur, die aan

de 18de eeuw doet denken, is zeer geschikt, om de herinneringen aan

het leger van 't ancien régime en dat van de eerste Republiek samen te

verbinden. Eenige honderden meters verder volgt het Slagveldplein met

een terras, waar men een grootsch panorama ziet van de Zwarte Bergen,

het dal der Hière, de oevers van 't kanaal van Brest en de in verre

verten wegdeinende heuvels met hun blauwe tint.

Midden op het plein staat het standbeeld van La Tour d'Auvergne

met zijn grenadiersmuts en het geweer in de hand. Hij draagt zijn

eeresabel. Het beeld werd in 1841 door Marochetti gemaakt en staat

op een voetstuk, welks vier zijden opschriften dragen en bronzen

basreliëfs: La Tour d'Auvergne neemt afscheid van het echtpaar Le

Brigant; La Tour d'Auvergne redt een gewonden soldaat; La Tour

d'Auvergne bestormt de poorten van Chambéry; La Tour d'Auvergne

wordt met een lanssteek gedood te Oberhausen in Beieren. Carhaix,

dat is La Tour d'Auvergne. De uithangborden dragen zijn naam; het

stadhuis heeft zijn portret, een zijner tanden, een lok van zijn

haren en de knoopen van zijn slobkousen. Men kent zijn militaire

leven. Zoon van een bastaard uit het huis de la Tour d'Auvergne,

afstammeling van Turenne, ging de groote man van Carhaix tot het

militaire leven over, om een betrekking te hebben, die hem tijd

zou laten voor de studie. Deze krijgsman was inderdaad in de eerste

plaats een geleerde. Hij kende de meeste europeesche talen, en zoo

hij alle bevordering boven den rang van kapitein weigerde en later ook

't mandaat voor de Wetgevende Vergadering, dan gebeurde dat ter wille

van andere plannen, die hem zeer ter harte gingen.

Hij verliet den dienst reeds vroeg, om zich geheel te kunnen wijden

aan zijn onderzoekingen over de geschiedenis van Gallië, die hij op

nieuwen grondslag hoopte te vestigen, door zich ijverig toe te leggen

op de studie der betrekkingen, die er tusschen Britten en Galliërs

hebben bestaan. Ook hoopte hij de identiteit der talen van de beide

volken te kunnen aantoonen, de geschiedenis en de theogonie der

heidenen te kunnen doen herleven en de taal der Kelten meer bekend

te maken. Dit door La Tour d'Auvergne begonnen werk gaf aanleiding

tot de stichting in 1807 van de Keltische Academie. Maar La Tour

d'Auvergne zou haar niet meer in werking zien. Uit edelmoedigheid

verving hij in 1796 den laatsten zoon van zijn vriend Le Brigant in

het leger van Helvetië en daar vond hij den dood.

Een wandeling door de straten van het stadje, de Groote Straat, de

Plaveiselstraat en 't Raadhuisplein, laat zeer zonderlinge huizen zien,

allergrappigste soms, zooals op teekeningen van Gustave Doré bij Victor

Hugo. Men ziet een rez de chaussée van graniet; verdiepingen tusschen

balken ingevat; gevels, ingelegd met leien, of waar stukjes zijn in

gezet op een vreemde en kinderachtige manier. Zoo bij voorbeeld de

bakkerij van Pinson, het kantoor van den ontvanger e. a. Enkele der

huizen zijn geheel zwart, het hout en de leien beide. Andere zijn

wit, overgekalkt, alsof ze in room zijn gedompeld. O, die amusante

huizen! Dat echte feeënspel! Wat kan men zich te Carhaix amuseeren,

als men die oude gerimpelde aangezichten tracht te ontcijferen, die

den mond openen door de deur beneden en met de oogen knippen door de

venstertjes in het dak.

De gothische kerk is zeer mooi met haar vierkanten toren, haar portiek

en haar rozet in passenden stijl. De kerk van Plouguer, die uit de

15de eeuw en dus nog ouder is, heeft ook een vierkanten toren en

bezit een beroemd altaarstuk. Ik meen alles gezegd te hebben, als ik

er nog bijvoeg, dat Carhaix een der belangrijkste beestenmarkten van

Bretagne heeft. Buiten de markten op Zaterdag, heeft men verscheiden

groote jaarmarkten, eigenlijk kermissen op 13 Maart, den Donderdag

na Paschen, den dag vóór Hemelvaart, den 30sten Juni, twee nog in

Augustus, op 20 September, den 2den November en volgende dagen en de

laatste op 29 November.

Ik ging per spoor van Carhaix naar Rostrenen om Glomel te bereiken,

dat weinig bekend is en wel interessant. Maar toen ik te Rostrenen

was aangekomen, hield ik mij er langer op. Rostrenen ligt op een 250

M. hoogen heuvel en heeft vier of vijf straten, amphitheatersgewijze

aangelegd met huizen, die zwart zien en waaronder er zijn uit de 16de

en 17de eeuw. De kerk, gewijd aan de H. Maagd van Rostrenen, want hier,

evenals te Josselin, heeft men een Mariabeeld onder de braamstruiken

gevonden, is uit de 16de eeuw, behalve het portaal en den klokketoren,

die de data 1749 en 1776 dragen. Het massieve geheel ziet er goed uit,

en ik bracht een nog al dragelijken avond door met enkele winkels

binnen te gaan en op het onregelmatige plein rond te wandelen.

Om van Rostrenen naar Glomel te gaan, volgt men den weg naar Morlaix

tot voorbij het gehucht Lanhellen, slaat dan een weg links in, die

over het kanaal van Nantes naar Brest gaat boven Trébel en daarna

tot het bedoelde dorp doorloopt. Reeds van dezen kant wordt het

landschap indrukwekkend met den rijken plantengroei en de lage in

't gebladerte verscholen woningen, waar mesthoopen rondom liggen en

stapels boekweit. De gezonde buitenlucht hangt over alles en verjaagt

de minder lekkere geuren; de winden strijken over de velden, zonder

eenigen tegenstand te ontmoeten, want er zijn geen hoogten in de

buurt dan die bij den Coronvijver.

Het dorp was rustig en stil, bestaande uit een paar straatjes en een

breede straat, waar de huizen ongeregeld staan. 't Zijn steenen huizen

met leien daken, die er nog al comfortabel uitzien. In het midden

ligt een groepje winkels van kleine kooplui, kruidenier en bakker,

tabakshandelaar en koperslager. Op den drempel van een huis stond een

man in meelkleur, met klompen aan de voeten. Hij is bakkersknecht;

zijn patroon woont in Rostrenen en heeft hem 't bakken opgedragen van

het brood, dat door een zetbazinnetje verkocht wordt. De brave man

hier verdient twee gulden per dag; hij is zachtzinnig en vriendelijk

en na mij een korteren weg te hebben gewezen, om den Coronvijver te

bereiken, biedt hij aan, met mij mee te gaan.

Dat neem ik aan en daar ben ik op weg met den meelman met zijn

geschoren gelaat; hij lijkt wel de Pierrot van Glomel. Om bij den

vijver te komen, moesten wij een weg vol plassen volgen en een paar

kronkelende paden. Maar daar ligt de groote plas met een gemetseld

dijkje eromheen, dat 100 M. lang en 12 M. hoog is. Er is een toegang

open gebleven waar men een uitzicht heeft op het brugje, onder

hetwelk het aanvoerkanaal door stroomt. Rechts heeft men heuvels

met dicht kreupelhout, waar 't lichte loof der berken zich mengt

met het glanzig groen van de kastanjes en 't doffe blauwgroen van

de dennen. Lager liggen moeras en veen. Links ziet men een vlakker

terrein en bouwland. In de verte blauwe, met bosch bedekte heuvels,

waarachter meer plassen liggen, de vijvers van Botcanou, die ook al

dichtbij Sainte-Christine het kanaal voeden. En dichterbij het Kamp.

Om de beteekenis van dit kamp te begrijpen, moet men opklimmen tot den

tijd, toen het kanaal van Nantes naar Brest werd aangelegd. Het stuk,

dat door Côtes du Nord gaat, waar wij ons nu bevinden, heet het kanaal

van Glomel.

De voorbereidende studie voor dezen waterweg dateert al van vóór de

Revolutie. De Staten van Bretagne hadden in 1785 aan een groep van

geleerden, tot wie Condorcet behoorde, opgedragen, een rapport over

de quaestie in te dienen. De uitvoering werd uitgesteld, ten eerste

om de kosten en ten tweede vanwege de troebelen, die de provincie

verontrustten. Het doel was, in oorlogstijd de haven van Brest van

het noodige te kunnen voorzien en in vredestijd den landbouw in deze

streken te ontwikkelen, door den afvoer der producten gemakkelijk

te maken. De werken werden in 1806 begonnen, maar toen men in de

noodzakelijkheid was, het hoogste deel van het kanaal onder handen

te nemen, bleken de moeielijkheden van het aanleggen der réservoirs

zoo groot, dat men besloot, militaire veroordeelden in het werk te

nemen. Op de werven is eraan gearbeid van 1823 tot 1836.

Al dien tijd kampeerden de veroordeelden op deze plaats, die den naam

van het Kamp heeft behouden.

In den tegenwoordigen staat heeft de plas een oppervlakte van 76

H. A. en heeft zij een reserve van 2 770 000 kubieke meter water.

Van daar begaf ik mij naar het gehucht Menhir, zoo genoemd naar

den menhir of steenhoop in den vorm van een afgeknotte pyramide,

die 11 M. hoog moet zijn geweest, maar nu verzakt is tot ongeveer 8

M. In een boerenhuis, waar ik binnenging, trof ik een man, die zelf

ook een soort van menhir is, zoo stijf en strak en rechtlijnig. Hij

is bijna honderd jaar, 97 precies, en het is prachtig, hoe kalm

verstandig hij praat. Zijn stem is vast; hij kijkt u recht aan met

zijn helderblauwe oogen en heeft veel uitdrukking in zijn gezicht,

als van een man, die geleefd heeft, die de waarde van het leven kent

en kalm het einde afwacht. Hij bood mij melk aan en rookte rustig

zijn aarden pijpje, terwijl vrouwen van verschillenden leeftijd, een

oude, een jonge, en een meisje, boter karnen en bij den haard bezig

zijn. Het eenige vertrek, waar de gestampte grond tot vloer dient

en waar kippen in rondloopen, herbergt een vrij talrijke familie,

want er zijn drie gesloten dubbele bedsteden en nog een open bed,

bij een baktrog staande. Onder den grooten schoorsteen diende een

enorme steen tot haard, terwijl er vierels spek en worsten hingen.

Aan de balken van de zoldering hingen andere stukken spek, blazen met

reuzel, kannen, broodmandjes, en een broodplank, als in kazernen wordt

gebruikt. Het licht kwam erbinnen door twee kleine venstertjes van

ongeveer één vierkanten meter. Aan de gewitte muren hingen prenten,

eenige photografieën, een meisje, ter communie gaande, een bruid,

een matroos, portretten van wie overleden zijn of naar den vreemde

togen, een résumé van een nederig bestaan.

Een kruis met een palmtakje en een gekleurd wijwaterbakje hangen

tegen de bedstede. Verder zag men er een tafel en banken van dik

hout, benevens een lepelbak. Zoo is 't bretonsche intérieur, altijd

gelijk gebleven sedert vele eeuwen. De meubels hebben mogelijk aan

tien geslachten hun diensten bewezen. De kleeding is met de personen

veranderd, maar is niet gewijzigd in snit of kleur. De man draagt nog

een wijde broek, geruit vest, kleinen ronden hoed; de vrouwen hebben

het mutsje stijf om het hoofd en dragen wijde, zware rokken.

In Midden-Bretagne De Aarde en haar Volken, 1904 · 第 7 / 8 段