H. Drievuldigheid. Daar kan men alle kleederdrachten van Bretagne's
uithoek, 't land van Finistère, waarnemen; de mutsen, duidelijk blijken
gevend van het oude godsdienstige karakter, en de lompen der bedelaars,
die er de stompen van hun ledematen vertoonen, hun misvormingen en
weerzinwekkende wonden, hun gezichten, waarop de ellende staat te
lezen. Men heeft dikwijls, nadat Emile Souvestre het zoo meesterlijk
deed, de optochten beschreven met de banierdragers en de kruisen en
relieken. De deelnemers waren gekleed in witte koorhemden en droegen
katoenen mutsen, terwijl de ordebewaarders in dezelfde kleedij met
een stok, dien men lig-neer betitelde, een tikje gaven aan wie vergat,
zich diep te buigen.
De bedelaars bieden zich aan, om geloften uit te spreken, houden de
voorbijgangers staande, sluiten een koop en gaan den omgang rondom de
kerk doen met bloote voeten of op de knieën. Om door een bedelaar dien
gang te laten doen op bloote voeten, betaalt men een stuiver; voor
den tocht in geknielde houding moet vijf stuivers worden betaald. De
officiëele boete wordt uitgedrukt door de mis, den avonddienst en
de processie met den optocht onder de banieren. Men vecht erom, wie
het zwaarste vaandel zal dragen, dat vaak door lood nog bezwaard is;
de mannen beijveren zich, den last te torsen, spannen zich tot het
uiterste in met gestrekte armen, zoodat hun gezicht rood ziet en
de aderen op hun voorhoofd zwellen. Er zijn er, die het niet kunnen
volhouden, onderweg neervallen en soms voor hun heele leven ongelukkig
zijn door het volbrengen van zulk een tour de force. Zoo zijn de
kinderachtige en barbaarsche oude gewoonten nog niet uit deze feesten
verdwenen. En wat ook nooit ontbreekt, is de alcohol. Als het feest
geëindigd is, eet men worst en koeken, drinkt ciderwijn en brandewijn,
en om de stroovuren slapen de bedelaars hun roes uit.
Laat ons de plaats verlaten, al is haar een middeleeuwsche
schilderachtigheid eigen en al heeft zij iets zeer romantisch. De
menschelijke ellende treedt er te voorschijn, onbeschroomd en vuil,
en zonder dat zich een greintje wilskracht openbaart in die vervallen,
huichelachtige, vuile menschenmassa. Laat ons de frissche zeelucht
zoeken en het zilte briesje proeven.
Voor de helft per boot en voor de helft per rijtuig leg ik den weg
naar Plougastel af, dat op een in de haven van Brest vooruitspringend
schiereiland gelegen is. Het gebied van Plougastel bestaat uit
verscheiden gehuchten, als Passage, Illier-an-Guen, Kerziou, Keralgin,
Lestraouen, Lanvrizan, waar te zamen bijna 8000 inwoners zijn, die
hun tijd besteden als matrozen of dien bestemmen voor het verbouwen
van groenten en fruit, vooral van zeer geurige aardbeien, en voor
de schapenteelt.
Men heeft er curiositeiten en kunstwerken genoeg, zooals 't kapelletje
van den H. Langinus met beeldjes uit de 16de eeuw; het slot Cosquer,
waar dichtbij zich een put bevindt, die met zijn water een aan eb
en vloed tegenovergestelde beweging uitvoert en rijst, wanneer de
zee daalt, om te dalen, als de vloed opkomt. Maar alles verbleekt
tegenover den Lijdensberg van Plougastel, die opgericht is midden op
het oude kerkhof, waar hij, als men er eerst naar kijkt, den indruk
maakt van een levende menigte van steen. Het is de voornaamste der
bretonsche calvariënbergen en een der mooiste. Hij werd opgericht in
het begin der 17de eeuw, ten tijde van de ellende en de ontzetting,
die er toen heerschten, want hij houdt de herinnering levendig aan
de epidemie der pest, die in 1598 een bezoeking was voor de geheele
streek, tegen het einde van de droevige pestjaren 1580 tot 1599. Het
jaartal 1602 staat als opschrift op een steen, aanduidend het jaar
der voltooiing van den lijdensberg.
De bouwtrant is eenvoudig en degelijk. Op een gemetseld platform met
bogen en een hoofdgewelf, omlijst door beeldhouwwerk, staat een altaar,
waarvan de voorzijde en de kanten versierd zijn met basreliëfs uit
het leven van Jezus en met beeldhouwwerk in nissen, terwijl meer dan
tweehonderd figuren zich scharen om de voeten der drie kruisen en,
evenals op een tooneel, de Lijdensgeschiedenis van den Heer dramatisch
voorstellen. Het groote kruis rust op een granieten zuil met twee
dwarsbalken; op den eersten wordt de Christus door de vrouwen begraven,
en op elk uiteinde van den tweeden wachten twee ruiters met opgeheven
hoofd op de laatste zucht van den gekruisigde. De beide boosdoeners,
gespijkerd aan de beide andere kruisen, wringen zich in de smarten van
den doodsstrijd. Onder de figuren, die rondom de gekruisigden verzameld
zijn, moet men geen schoonheid en geen gratie zoeken; maar het gewone,
schilderachtige leven, weergegeven in alle naïeveteit met inspanning
en op onhandige manier. Zij doen dienst als figuranten, die zich aan
de toeschouwers vertoonen, en men heeft hier, als 't ware in steen, een
herhaling van de oude mysteriespelen, die vóór de kerken werden gegeven
en op deze wijze werden vastgelegd. Achtereenvolgens worden alle
episoden uit de Lijdensgeschiedenis weergegeven; men ziet priesters,
soldaten, apostels, de menigte, en allen in de kleeding van hun tijd;
ook de boeren, die den Heer vergezellen op zijn intocht in Jeruzalem.
Sinds 1602 is er in de kleeding te Plougastel bijna niets veranderd. Ik
heb er dichtbij den berg een doopstoet zien voorbijgaan, een heelen
optocht van vrouwen in zwarte japonnen met blauwe boezelaars, korte
jakjes en vreemd gevormde mutsen; dan kleine meisjes, juist zoo
gekleed in lange jurken van allerlei kleur en een begijnemutsje op,
en verder mannen met breede gordels, geborduurde buizen en vesten en
fluweelen linten om hun zwarte hoeden.
Vooral de peter en de meter waren prachtig, toen zij uit het donkere
voorportaal der kerk naar buiten traden, het moedertje in een
Louis-Treize-japon, die openhing over prachtig geborduurde rokken,
en hij met lange haren en een grooten hoed, een blauwgeruite jas met
lange panden, korte broek en stropdas, opgewipte schoenen en veel
vesten over elkander heen, en ten slotte een met linten versierden
stok in de hand. 't Was precies of men een groot heer uit Versailles
zag in plaats van een aardbeiteler in galacostuum. Diegenen, die de
aardbeien per bootje naar Brest brengen en naar de andere havens in
den omtrek, dragen roode mutsen met een punt, die naar den kant omvalt.
Niets gaat er toch boven dit eigenaardige land en het schilderachtige
volkje, dat er woont! Plougastel ligt in een soort van oase en is
naar den zeekant beschut door een vooruitspringende kaap, bezaaid
met rotsblokken. Als men zoo over steenen en heidekruid is gegaan en
niets heeft ontmoet in de grijze oneindigheid dan wat zwarte, kleine
schaapjes, in de lucht niets heeft gezien dan enkele roofvogels,
is het een verrassing, het lachende land plotseling vóór zich te
zien liggen, open naar den zuidkant, met bloeiende vruchtboomen in
de lente, rood van aardbeien later in den tijd, en in den nazomer
met meloenen overdekt.
Het groote feest van 24 Juni wordt bij de kapel van Sint-Jan van
Plougastel gevierd aan het riviertje van Landerneau. Er is dan tevens
vogelmarkt. De kinderen verkoopen in kooitjes van wilgenteenen alle
mogelijke zangertjes en andere gevederde diertjes, die zij uit nestjes
in heggen en boomen hebben gehaald. De menschen uit Brest stappen dan
af bij het station van het dorp Passage en komen koopen en tevens de
kleederdrachten bekijken. Maar die menschenmassa haalt niet bij het
gezicht, dat ik gehad heb, toen de doopoptocht voorbijging, waarbij ik
de eenige toeschouwer was. Toen betrapte ik het leven, als het ware,
en zag de kalm in zwang gebleven gewoonte, geen maskerade, zooals op
zulk een feestdag onvermijdelijk is, wanneer de oude kleederdrachten
zich mengen onder de burgerluidjes uit Brest, die op hun zondagsch
zijn. Dan zie ik liever Plougastel eenzaam op een zonnigen zomerdag,
wanneer de hoofdstraat en de kleine steegjes leeg zijn en verlaten
en allen op het land aan 't werk zijn.
Op een avond was ik van Châteaulin naar Brasparts gegaan en nooit
heb ik mooier avondstond gezien. De laatste klaarte van de schemering
hing nog in de lucht en maakte plaats voor 't maneschijnsel; het was
als een betooverde wereld. Vanaf den stijgenden weg, die opliep van
de rivier en zich zou aansluiten bij den hoofdweg boven Pleyben, zag
ik het heele landschap als met zilver overgoten, als gleed Diana zelf
de ruimte door. Het had dien dag geregend, maar een briesje streek
de wolken weg, die zich naar alle kanten verspreidden, en 't zuivere
blauw des hemels kwam te zien; vervulde daarna het geheele hemelveld
en weldra hing de maan alleen daar boven aan den trans en overstraalde
alle dingen met haar bleek, koel licht, dat zoo ontroerend werkt.
Men kon nauwkeurig alles onderscheiden in het geheimzinnige schoone
der omgeving. Het paard voor mijn rijtuig liep stapvoets, en ik had
den tijd om de bijzonderheden van het liefelijke dal te onderscheiden,
met de rivier, die schitterde tusschen het gebladerte; de vormen der
verschillende boomen; de achter elkander oprijzende heuvels en de
begrenzingen der akkers. Ieder ding kwam tot zijn recht; maar toch was
er geen stijve preciesheid of strenge afscheiding, niets dors en droogs
in dit grootsch tooneel van de in 't maanlicht sluimerende natuur.
Vreemd ver scheen alles, bovenaardsch, zich badend in een onbekenden
melkwitten dampkring met blauwen weerschijn. Men wist, hoe alles was
gekleurd, dat de aarde bruin was en de boomen groen, de rotsen grijs;
maar al die kleuren waren als door een gaas bedekt, verzacht door het
wonder van de lichte atmosfeer, die groenachtig en blauwig daalde
van den blauwen hemel en de bleekgouden maan. Zulk een maneschijn
schijnt altijd met stilte gepaard te gaan, en de stilte was dien avond
wonderbaar. Er was niets te hooren dan de stappen van het paard op
den weg en 't scheen of dat geluid, het eenige in den stillen nacht,
gehoord moest worden door de gansche streek.
Toen op eens, toen het rijtuig een schaduwrijke plek met boomen
voorbijging, waar vele lichtjes tusschen het gebladerte beefden,
liet een nachtegaal zijn hartstochtelijk liedje hooren, vol smart
en teederheid als een lied van Schumann. Iets verder bij het rijden
tusschen hoog geboomte hoorden wij een vreemd geluid, dat iets had
van het krassen van kraaien en van het gekwaak der kikkers. "Dat is de
groene specht", zei mijn koetsier. Geen ander geluid liet zich hooren,
en geen verdere woorden werden gewisseld.
Er zijn harmonieën, zoo diep en zoo schoon, dat men zich niet moet
wagen aan eenige stoornis. Men voelde, dat de ruimte vol was van leven,
maar van zwijgend leven. Het land lag onder betoovering, en schaduwen
bevolkten de ruimten. Indien de feeën en de luchtgeesten op manestralen
kunnen rijden, doen zij dat zwijgend en geruischloos. Glimwormen
en dwaallichtjes verrieden slechts even hun aanwezigheid door een
lichte trilling van een schijnsel in het gras of door een rimpeling
van een enkel plasje. In 't goud en in het zilver van de atmosfeer
bewogen zich de nimfen, en haar bewegingen volgden een rhythme, dat
men meende te zien, een muziek, die men meende te hooren. De huizen,
hier en daar verspreid op de helling der heuvels, in de diepte der
dalen, hadden een lijkkleur en werden getroffen als door een schijnsel,
dat uit graven scheen te komen. Ook de woningen aan den kant van den
weg schenen dood met starre aangezichten; de luiken en de deuren
waren gesloten, en geen reet liet licht door, geen schijnsel deed
een kaars of lamp vermoeden. Een enkele huisdeur bij een bocht van
een hollen weg, die in de rotsen uitgehouwen was, stond open, en op
den drempel verscheen bij het voorbijgaan van het rijtuig een figuur,
die daar en toen een spook geleek.
Het paard sukkelde traag voort, en de koetsier, die op zijn plaats heen
en weer wiegde, scheen in slaap gevallen of zeer diep in gedachten
verzonken. Misschien hoort hij tot hen, die aan dwaallichtjes en
geesten gelooven; maar hij heeft een zuiver geweten, is niet bang
voor roovers en gaat zijn bekende weggetje.
De reis duurde lang, verscheiden uren, in het feeënlicht der maan. Het
kon tien of elf uur zijn, toen wij Brasparts bereikten, dat vóór ons
oprees, en waar de eerste huizen, gesloten, stil en dood als die langs
den weg, bewezen dat wij een dorpsstraat binnenreden. De herberg? Er
is slechts ééne, vroeger door drie jonge dames gehouden en met het
uithangbord In de driehonderd man, hetgeen zich in het Fransch laat
lezen als In de drie zonder man, zoodat het grappig uithangbord
vermeldde Aux trois sans hommes. Nu was er slechts ééne van over,
die ziek was en dikwijls te bed lag; maar de goede traditie van het
huis bleef, had men mij gezegd, bewaard, en een reiziger werd er goed
ontvangen en bediend. Daar dacht ik aan, terwijl de koetsier met den
steel van zijn zweep tegen de deur klopt en het paard hinnikt. Er
wordt een venster geopend; een gelaat buigt zich uit het raam, en
een stem laat zich hooren. Daarop volgt het geluid van schreden en
achter de deur klinken sleutels.
De man, die opendoet met een lantaarn in de hand, gelijkt op een
Spanjaard, met geschoren gezicht, zwarte oogen en een hooge, slanke
gestalte. Hij is de neef van de juffrouw. Wie heeft in zijn leven wel
niet eens een ongerust gevoel gehad bij zulk binnenkomen in een herberg
's nachts, als alles slaapt, als men grove schoenen een houten trap
hoort afkomen, en de deur opengaat? Het huis, de plaatsen, de trappen,
de kamers schijnen u eerst ver van veilig. Waar is men verzeild? Bij
wie? Ondanks zichzelven denkt men aan Klein Duimpje en den Reus, aan
allerlei histories, die u als kind het haar te berge deden rijzen,
en gij gaat slapen met één oog en één oor op wacht.
Hier zag het er in huis netjes uit; de meubels waren goed gewreven,
de grond was schoon; de keuken, waar ik binnentrad, zag eruit als een
museum, met de benoodigdheden, hangend aan de muren, alles op zijn
eigen plaats. Een goedig oudje, zacht en kloosterlijk, kwam voor
den dag en bracht mij naar een kamer, waar het naar schoon linnen
rook. Er stonden zware eikenhouten kasten, een mooi heiligenbeeldje van
Sint-Anna van porselein op een tafeltje. De meid vroeg, of ik nog iets
noodig had, bouillon, of melk. Dank u zeer. Goeden nacht. Ik droomde,
dat ik reisde op de maan.
Zoo ik den volgenden morgen nog eenige bezwaren had gevoeld van deze
nachtelijke aankomst in het land der bergen, dan zouden ze spoedig zijn
verdwenen. De geruststellende dag doet mij lachen om mijn inbeeldingen
van den vorigen avond. De kamer is een braaf en ouderwetsch vertrek,
en ik bekijk Sint-Anna en de platen aan den muur, de oude pendule op
den schoorsteen met een herder van het eerste Keizerrijk en twee vazen
van blauw glas met papieren bloemen, die daar nog altijd bloeien sinds
het huwelijk van een grootmoeder. Het bed is omhangen met groen saaien
gordijnen vol bladmotieven. In de groote kasten is niemand verborgen;
ze zijn gevuld met linnengoed, dat naar schoon water en zuivere lucht
riekt; de sleutel steekt in een der openslaande deuren; men mag alles
bekijken. In een hoek staat een klein waschtafeltje met een kleine kom,
een kleine lampetkan en een kleinen spiegel in mahoniehouten lijst,
alles voor een dwergenfamilie.
De trap is helder; meiden loopen heen en weer. Het is druk op de
binnenplaats; de kippen zijn er baas. Uit den stal komt u de hooilucht
tegen. De meid, die mij heeft ontvangen, komt binnen door de eene deur
en gaat heen door een andere, zonder geluid te maken. Het ruikt in de
keuken naar koffie. Ik moet al vroeg weg. Alles is klaar, zonder dat
ik iets heb behoeven te zeggen; mijn kleeren zijn geborsteld, mijn
schoenen gepoetst; een ontbijt van koud vleesch, dat er zeer lekker
uitziet, staat op tafel met lekker versch brood, goeden witten wijn
en smakelijke koffie. De meid verontschuldigt de juffrouw, die nog
niet op is. Maar al is zij nog niet bij de hand, men voelt, dat zij
de leidende geest in huis is en dat zij alles voorziet en gelast. Ik
zou daar wel graag lang willen blijven en den omtrek bekijken, om 's
avonds in het goede huis terug te keeren; maar er is meer te zien,
altijd meer, en ik moet kijken met de overtuiging, dat men toch
nooit alles kan zien. Ik zeg het gastvrij dak dus vaarwel en zal er
denkelijk nooit terugkeeren. Melancholiek gestemd, stapte ik weer in
mijn rijtuig. Ik zag toen, dat Brasparts op een heuvel is gebouwd,
waar men het Arréegebergte begint te bespeuren, en mij kwam het gezegde
in de herinnering: "Brasparts vlak maken, Berrien van steenen zuiveren
en Plouyé van gras ontdoen, dat kan zelfs Onze Lieve Heer niet."
Nu volgde spoedig het berglandschap, de kring der hoogten van het
Arréegebergte. Het is niet bijzonder hoog, want het hoogste punt,
dat ik weldra zal bereiken, de Saint-Michel, is slechts 400 M.,
maar de steile hellingen en de spitse toppen, waar de leisteen uit
opsteekt, hebben een karakter van grootschheid en ontegenzeggelijke
woestheid. De horizon wordt al wijder en wijder, naarmate men dat
punt nadert. De soepele golving van de Zwarte Bergen ziet men in het
Zuiden, terwijl het Noorden afgesloten wordt door den kam van het
Arréegebergte met de spitse, wreede punt van den Roc-Trévézel. Die
uitgestrektheid met de besliste omlijning is moeilijk op haar grootte
te schatten. Er zou plaats zijn voor een onmetelijke stad, als een
stad kon liggen in zoo'n moerassig laagland tusschen kale hoogten,
waar 's winters een doodelijke kou van neerdaalt. Menschen, die
vroeger gewoond hebben in dorpen op de hellingen van deze bergen,
hebben mij verteld, dat, als het lang gesneeuwd had, wolven zich in
de nabijheid van de eerste tuinen waagden.
Er zijn nu geen wolven meer, maar er wordt nog veel gejaagd. Heeren
uit Quimper, Châteaulin, Morlaix, Landerneau en Brest komen er
eenden en ganzen en wilde zwanen schieten in den tijd van den
trek. Men moet uiterst voorzichtig zijn, als men zich op die gronden
waagt. De sponsachtige, trillende bodem geeft mee met den voet, en
't kan gebeuren, dat een mensch wegzakt en verdrinkt in het slijk,
zooals in drijfzand aan een oever. Zoo wordt ten minste gezegd, en
er is eens iets dergelijks gebeurd. Dat is voldoende, om de slechte
reputatie van de plek te verklaren, en ook om de voorbijgangers
af te schrikken en hun een heilzame vrees in te boezemen voor die
bewegelijke gronden. Alleen de jagers, zulke onverschrokken lui, die
de terreinen goed onderzoeken, kunnen zich er vertoonen en brengen
eer en voordeel thuis.
Maar ik vergis mij. Er zijn nog andere bezigheden, die verricht kunnen
worden in de moerassen van Saint-Michel, buiten de jacht. Vooreerst
bespeur ik hier en daar vierkanten van verschillende tinten van groen,
die wijzen op enkele pogingen ter verbouwing van het een en ander,
boonen mogelijk of iets anders. Op dezen afstand kan ik het niet
onderscheiden, en mijn koetsier kent alleen hetgeen langs de wegen
groeit. En verder, daar zie ik nu wel zeer beslist en duidelijk
regelmatige turfhoopen.
Ik ging omhoog naar de kapel van Saint-Michel, een zeer gewoon
gebouwtje. Maar niet alledaagsch is het landschap in de buurt en
verder in den omtrek. Op den heuvel, die precies 391 M. hoog is,
geen boom of struik, niets dan droge heide, dof en roestig dekkleed
van den grond en de steenen. Het ziet er verlaten en doodsch uit;
maar toch is het een der mooiste natuurtooneelen, die men te zien
kan krijgen, want voor onze oogen breidt zich daar in mijlenwijde
uitgestrektheid een beeld van grootsche eenheid uit, 't geheele
panorama van de Zwarte Bergen en 't Arréegebergte.
Als het helder weêr is, kan men de klokketorens van Saint-Pol-de-Léon
zien in 't Noorden, den toren van Carhaix in het Oosten en zelfs,
zegt men, in het Westen de reede van Brest en kaap Saint-Mathieu. Die
gunst valt mij niet te beurt; maar ik zie de toppen en het bosch,
dat ik achter mij heb gelaten aan den kant van Laz en Gourin, en de
punten, waarheen ik mij richten moet naar de zijde van Carhaix. Zeker,
ik heb hooger bergen gezien in de Alpen en de Pyreneeën en heerlijke
natuurtafereelen van grootscher afmeting, de laatste weiden, vóór 't
gebied der eeuwige sneeuw begint; de gletschers van schitterend ijs; de
toppen, in de zwartheid van den nacht zich plotseling kleurend met de
eerste rose tinten van den dageraad; de smaragden en saffieren meren,
als gevulde bekers door de rots omvangen; ik heb dat alles gezien,
en toch heb ik dit landschap lief en gevoel er bewondering voor, dit
kale landschap van 't Arréegebergte, die lage, golvende terreinen met
hun stille, droeve lijnen onder den bretonschen hemel, die dreigende
rotspunten; dat sombere moeras, dat van een droevig noodlot spreekt
en van het langzame werk van verrotting en weer nieuwe ontwikkeling
voor de nederige planten; die gansche onuitsprekelijke melancholie
van deze streek, waarachter men zoo hier en ginder tusschen 't groen
de klokketorens raadt en dorpjes en bebouwde velden, alles, wat op
menschenarbeid wijst en eenige belofte inhoudt van wat veiligheid en
zoete rust.
Toen wij weer verder gingen, kwamen we te Botmeur, de oase van het
Arréegebergte. Een bescheiden oase, tegen de dorre helling gelegen,
met stijgende en dalende straten, met scheefstaande huizen, enkele
tuinen, een paar akkers en wat boomen langs den weg. Maar Botmeur is,
zooals de natuur en de menschen het maakten, dan toch geworden tot het
lustoord uit de buurt, badplaats en winterverblijf, en diegenen die
er verblijf houden, moeten er zich wonderwel bevinden, wanneer hun
oog valt op de kommen, waar de turfhoopen staan, of als zij opzien
naar de kale toppen, waar de sneeuw zich ophoopt en van waar vroeger
wolven naar beneden kwamen. Bij 't zien van het onverwachte groen,
na zooveel kilometers heide en steenen, heb ik een indruk als van een
zuidelijk dorp gekregen, en ieder oogenblik verwacht ik wijngaardranken
om de vensters te zien of glanzige bladeren van een vijgeboom tegen
een op het Zuiden door de zon beschenen muur.
Het rijtuig hotst over de steenachtige straat en door de wegen met
kuilen. Het heeft een goed geleide, vóór, achter en op zij. Zoodra de
stap van het paard zich deed hooren en het rijtuig werd gesignaleerd,
zijn scharen kinderen komen aanloopen, van waar, dat weet ik niet,
en ze hebben ineens het stille dorp tot leven gewekt. Een gezicht
van man of vrouw had zich wel eens vertoond op een drempel of aan
een raam; maar 't kind komt naar buiten, loopt hard en lacht om de
verschijning, die iets zeldzaams moet wezen, een rijtuig met paard,
koetsier en reiziger! Nooit werd een ontdekkingsreiziger in eenig
dorp van Centraal-Afrika meer geëntoureerd, en nimmer legde een
bevolking van zwarten luidruchtiger verbazing en vreugde aan den
dag. Er werd gesprongen en geduwd, gegild en geschreeuwd, dat er geen
eind aan kwam. Dat Botmeur is bepaald een bevoorrecht plekje. Er zijn
bekoorlijke jongens- en meisjesgezichten onder die aardige wilden,
die niet schijnen te lijden door de slechte lucht van de moerassen,
noch door de schaarschheid van hun voedsel, als ik mag afgaan op hun
gebruinde gezichtjes, hun frisschen lachenden mond en hun levendige
oogen.
Ze zijn tegelijk luidruchtig en beschroomd; trachten zich te verbergen,
als ik naar hen kijk of als ik een gesprek wil beginnen, maar komen
dan al gauw terug. Bij het dalen van den weg loopt de heele troep
mee in een dollen wedloop, zoo snel ze kunnen. De moedigsten trekken
hun klompjes uit en vliegen blootsvoets achter mij aan, tot ze geen
adem meer hebben en het moeten opgeven. Dan komt weer de eenzaamheid,
behalve dat we eens een koehoedster tegenkomen, want er zijn koeien,
die langs den weg loopen te grazen of zelfs een kleine, heusche weide
hebben. Komaan, laat ons maar niet ongerust zijn over de menschen uit
Botmeur! En toch, waar leven ze van? Van aardappels, volgens mijn
koetsier. Allen hebben een stukje land en houden eenige beesten en
velen hebben het bedrijf van voddenraper. Ik vraag mij af, wat die
te rapen vinden op de hellingen van het Arréegebergte of in het slijk
van de Saint-Michelmoerassen. Maar het schijnt, dat zij toch wel iets
vinden bij 't afloopen van de dorpen en de markten, en dat zij koopen
en verkoopen, om, als het dagwerk is gedaan, in hun oase uit te rusten.