De grijsaard is soldaat geweest onder Karel X en Louis Philippe, en

hij spreekt langzaam en duidelijk Fransch, maar de vrouwen verstaan er

niets van. Ik praatte met den heer des huizes. Hij herinnert zich nog

wel de dwangarbeiders en de soldaten, die hen moesten bewaken met hun

vuursteengeweren, de bajonet op den loop, en hoe de jongelieden zich

aansloten bij de soldaten van het kamp. Men bespeurt, dat de aanleg

van het kanaal de groote zaak in zijn leven is geweest en in het leven

van Glomel. Het kanaal heeft volgens hem het land goed gedaan, dat

in dien tijd het armste en minst beschaafde van geheel Bretagne was;

maar alle bronnen en putten zijn erdoor uitgedroogd, en men moet in

tonnen het water aansleepen tot van den rand van het réservoir. Hij

vat zijn denkbeelden samen in korte zinnen, op ernstigen toon gezegd,

terwijl hij met over elkaâr geslagen armen rechtop stond met de pijp

in den mond.

Van Menhir volgden wij door de varens een voetpad, parallel met het

aanvoerkanaaltje, dat bij het jaagpad uitkomt. Dit werd beschut door

een met gras begroeide helling, met boomen beplant, om aan het terrein

stevigheid te geven. Tusschen het gras groeiden veel paddestoelen. Op

eenigen afstand woonde een sluiswachter in een bekoorlijk, vierkant

huisje met gewitte muren, een leien dak en een tuintje, dat zich in

het heldere water spiegelde. Verder volgt de weg. Van dit punt af

loopt het kanaal tusschen twee wallen, met boomen van verschillende

soort beplant, eiken, berken, sparren, esschen, een echt bosch,

dat zich in het rimpellooze water spiegelt.

Hier vindt men volledige eenzaamheid, een volmaakte wandeling, een

heerlijke rust langs het kanaal, dat recht voortloopt onder het geurige

groen. Zoo loopen wij meer dan twee kilometer, en aan 't einde van de

dubbele laan staat weer een sluiswachterswoning; het kanaal maakt een

rechthoekige bocht, mengt zijn water met dat van een kleinen vijver

en komt weer in de vlakte, een moerassige vlakte, waarin wij vele

honderden meters ver moesten loopen, vóór we een weg vonden, die ons

weer langs 't Westen naar Glomel bracht, een weg, die in sommige tijden

van het jaar in een stroompje verandert. Hier en daar komen uit het

groen de daken van kasteelen voor den dag, Saint-Péran, Coatcouraval,

Bodennou, Kersaint-Eloy. De beide eerste zijn oude landgoederen, die,

als het dorp zelf, eertijds onafhankelijk waren van den koning en van

het bisdom Quimper. Toen ik het dorp weer bereikte, zei ik mijn gids

vaarwel, die mij in enkele eenvoudige woorden zijn werkleven heeft

beschreven, hij bakker te Glomel, zijn vrouw naaister te Rostrenen.

Van Rostrenen moet ik in een zigzaglijn verder reizen om dat deel

van Bretagne te onderzoeken, dat het Zuiden vormt van het departement

Côtes-du-Nord. Ik stel mij voor, de vier hoeken te gaan zien van den

vierhoek Saint-Nicolas-du-Peleur, Goarec, Mur, Corlay, om van daar

Quintin te bereiken.

Ik begin dus bij Saint-Nicolas-du-Peleur. Het is een eentonig

traject, dat door sommige gehuchten gaat met enkele boerenhoeven. Men

ontmoet veel mannen te paard. Dit is het land der paarden. Het dorp

Saint-Nicolas ligt op een hoogte, waarboven zich in de 15de eeuw een

versterkt kasteel verhief, dat nu verdwenen is. Alleen de herinnering

aan een der heeren van het kasteel is blijven bestaan, namelijk aan den

beruchten Fontenelle, wiens wreedheid legendarisch is gebleven. Zijn

heele leven sleet hij in roof en plundering en moord. Hij had een

meisje ontvoerd, dat hij in een klooster liet opvoeden en dat zijn

vrouw werd en hem hartstochtelijk beminde.

Als Fontenelle een burcht vermeesterde, zegt een der vertellers uit

Bretagne, Pitre Chevalier, "martelde hij den burchtheer, tot deze

hem van de eene kamer in de andere leidde en hem al zijn schatten

had aangewezen. Dan liet de roover de vrouwe van het kasteel vóór

zich komen, zoo zij mooi was, en haar kinderen, als ze die had; hij

doorstak den echtgenoot voor de oogen der vrouw, dwong deze hem te

volgen en bedronk zich met zijn soldaten te midden der zieltogende

slachtoffers." Zulk een droom van bloed en tranen zweeft over dit

slapende slot.

De kerk bezit een mooie reliquieënkast; maar interessanter is de kapel

van den H. Eloïsius, bedevaartplaats, waar men paarden heen voert,

om ze sterk te maken en voor ziekten te behoeden. De legende verhaalt,

dat Eloïsius, die zich als hoefsmid in de streek had gevestigd, op zijn

uithangbord geschreven had: "Baas boven baas en baas boven allen." Om

hem voor zijn hoogmoed te straffen, zond God de Vader hem zijn zoon

in de gedaante van een collega-hoefsmid. Niet vriendelijk ontvangen,

werd Jezus toch in staat gesteld, zijn kennis te toonen door het

beslaan van een kostbaar paard, dat vóór de deur stond. Met een beitel

slaat hij het paard het been af bij den hiel, neemt den hoef mee,

herstelt dien, zet er een nieuw ijzer onder en brengt den hoef op zijn

plaats. Eloïsius wil het hem nadoen, maar het bloed blijft stroomen

uit het been van het verminkte paard. Hij vernedert zich tegenover den

werkman, die het kwaad herstelt. Een ruw beeldhouwwerk, het Mirakel

van den H. Eloïsius, in de kapel geplaatst, herinnert aan dit tooneel.

De weg naar Goarec volgt de rivier, de Corlay, die zich met de Blavet

vereenigt. Men loopt langs een zachte helling door weiden, akkers

en heidevelden, waar bloeiende distels en varens groeien. Goarec

ligt in een diepte, waar de Blavet door stroomt. Het was vroeger een

afgesloten land, geheel geïsoleerd bij gebrek aan wegen. Tegenwoordig

kan men er gemakkelijk komen langs wegen, die men kloekmoedig door

het laten springen van mijnen in de rotsen heeft uitgehold.

De huizen van leisteen hebben bijna alle tuinen of boomgaarden. In de

kerk niets bijzonders. De bekendheid van Goarec ligt, zooals in deze

streek meestal, in de paardenfokkerij, die het varkensfokken heeft

vervangen. Er worden jaarlijks wedrennen georganiseerd. De eigenaar

van het winnende paard ontvangt, al naar den welstand der vereeniging,

een os of een schaap. Behoef ik te zeggen, dat die feesten niet op

Longchamp en Auteuil gelijken en dat men er geen veelkleurige jockeys

ziet? Maar de ruiters zijn flinke kerels, moedig en bekwaam. Goarec is

de geboorteplaats van Andrein, een belangwekkend personnage, zooals

uit zijn leven blijkt. Hij was eerst onderwijzer aan 't collége te

Quimper, dan leeraar aan 't instituut Louis le Grand, afgevaardigde

naar de Nationale Conventie voor Morbihan, stemmend voor den dood

van Lodewijk XVI. Toen werd hij geestelijke, werd tot constitutioneel

bisschop benoemd van Quimper en werd in 1800 vermoord door de Chouans,

terwijl hij op reis was naar zijn bisschoppelijken zetel.

De weg van Goarec naar Mur is prachtig en gaat door het bosch van

Quénécan, dat 3600 H.A. groot is en waarvan men de donkere massa kan

waarnemen van bijna alle punten uit het mooie gehuchtje Bon Repos. Mur,

waar deze aardige weg op uitloopt, ligt op een plateau, door eiken

en kastanjeboomen omringd en bestaat uit twee gedeelten; waarvan het

hoogste Sainte-Suzanne is. De huizen liggen in wanorde rondom een

plein, waar zich een hal bevindt. Als de toeristen niet altijd van

Mur direct gingen naar de volle stranden en de weeldebadplaatsen, en

als zij de bekoorlijkheden van Midden-Bretagne wilden leeren kennen,

zou Mur een uitgangspunt kunnen zijn van niet-banale uitstapjes in

het golvende, landelijke, woeste land, dat toch zoo bekoorlijk is met

zijn steile heuvels en door de Blavet besproeide weiden. Het dal van

Pouttangre is zeer geschikt voor zulk een schilderachtig uitstapje.

De naam Mur herinnert aan den tijd, toen het plaatsje versterkt was

met een muur, die een belegering of een aanval kon weerstaan. Van al,

wat er verteld wordt, is dit mij bijgebleven, dat men vijftig jaar

geleden achter een ouden schoorsteen het geraamte heeft gevonden van

een ridder in zijn wapenrusting. Toen deed de legende haar werk en

voerde ten tooneele den burchtheer van Mur, genaamd Gwengrézangor,

zijn vrouw en den bedoelden ridder. Gwengrézangor, wiens voornaamste

bezigheid bestond in het plunderen van zijn buren en 't berooven

van voorbijgangers, ontdekte eens, dat zijn vrouw een minnaar

had. Hij verraste het paar, sloot de vrouw levend in een ton met

spijkers en liet haar in den vijver werpen, terwijl de ridder levend

in een schoorsteen werd gemetseld. De verbeelding in den dienst

der wreedheid. Mur, dat een centrum van verzet was ten tijde der

Chouans, is nu een onbeteekenend dorp, waar men zich bezighoudt met

de exploitatie van de leisteengroeven in de buurt.

Ik ging van Mur niet dadelijk naar Corlay, maar eerst over Uzel naar

Quintin. Uzel beteekent niets behalve op den marktdag, die met de

Drievuldigheidsmis samenvalt. Wedrennen met paarden worden dan op den

weg van Quintin gehouden bij het bosch van Lorges. Des avonds wordt er

gedanst, en de vrouwen komen op het bal met haar origineele coiffure,

een muts die al het haar bedekt en onder de kin met twee strikken is

vastgehecht. Vele vrouwen hebben niets meer te verbergen, omdat ze

haar haartooi hebben verkocht.

Onverschillig of men Quintin binnenkomt langs den weg of door de laan

van het station, altijd krijgt men een vreemden, maar toch liefelijken

indruk. Tuinen en wandelingen, een calvarium, een vijver, waar de

Gouët door stroomt en een half achter groen verborgen kasteel. Hoeveel

herinneringen heeft dit eigenaardige stadje, dat zoo onregelmatig

is en zoo schilderachtig en dat nu niet meer is dan een bescheiden

cantonnaal hoofdplaatsje! De heerlijkheid Quintin was in 1209 in handen

van Godfried I. In 1294 werd de plaats ontmanteld; maar later werden de

muren weer opgebouwd. In 1347 wapenden zich de tegen Engeland opstaande

boeren, namen aan den krijg deel en brachten tweehonderd-vijftig

krijgsgevangenen mee, die door de stedelingen vermoord werden.

In 1487 ontnamen Pierre le Long en Yvon de Rouef Quintin aan Pierre

de Rohan. De overweldigers werden verjaagd. Er kwam een ander voor in

de plaats. In 1592 maakte Mercoeur zich van de stad meester. In 1636

verkocht La Trémoïlle haar aan den markies de la Moussaye, die haar

op zijn beurt afstond aan Gui Aldouce de Durfort. In 1691 werd het

grondgebied van Quintin gevoegd bij de gronden van Pommerit, Avangour

en Ermitage, en samen vormden zij een hertogdom, dat bij Lorges werd

gevoegd. Quintin was een echte vesting, in 't Oosten verdedigd door

het kasteel en de beide poorten, de Nieuwe Poort en Juliuspoort; in

het Noorden door de Roospoort; in 't Westen door de Lieve-Vrouwenpoort

met een ophaalbrug en in het Zuiden door 't kasteel Gaillard.

Er golden eertijds te Quintin heerlijke rechten, waarvan enkele

vermelding verdienen. In 1519 bij gelegenheid van de kermis van 22

September moest men den heer en zijn officieren een galamaaltijd

voorzetten, "gediend door edellieden, met gebraad en witten en rooden

wijn en aan het slot warm water om de handen te wasschen en een pond

peper benevens een zak van wit leder". Op Allerheiligen moest ieder

huis rookgeld betalen, ten einde het recht om een vuur te stoken,

te bezitten.

Het oude slot van Quintin, dat wij in het begin zagen en dat ten

tijde van de Ligue ontmanteld werd, is in 1662 gedeeltelijk herbouwd

door Amaury de Gouyon en op het eind der 18de eeuw voltooid door

den vicomte de Choiseul. De werkzaamheden waren opgehouden door den

bisschop van Saint-Brieuc, die beweerde, dat het huis arsenaal en fort

der Hugenoten behoorde te zijn. Tegenwoordig behoort het weelderig

ingerichte kasteel, dat voor bezoekers gesloten is, aan de markiezin

de Courtibourne. Het bevat kostbare historische herinneringen,

gobelinbehangsels met mythologische schilderingen, als Neptunus uit

de zee verrijzend; Phoebus den zonnewagen besturend; de tuinen van

Armida; de ontvoering van Proserpina door Pluto; dan portretten en

meubels, die toebehoord hebben aan de familie Lorges, blazoenen op

gekleurd glas en eindelijk de kamer, waar Turenne logeerde, en 't bed,

waarin hij sliep, toen hij Quintin passeerde.

De Onze-Lieve-Vrouwenkerk is in den nacht van 7 op 8 Januari

1600 gedeeltelijk vernield door een brand, ontstaan door de

onvoorzichtigheid van den koster, die zijn bed in brand stak. De vlam

bereikte de sacristie en breidde zich uit. Een stuk van den gordel

der Maagd, uit Jeruzalem meegenomen door Godfried I, werd onbeschadigd

gevonden onder het puin, en deze reliek wordt nog in de kerk bewaard.

Langs den Karmelieterweg verlaat men Quintin onder mooie esschen en

eiken. Het paard, dat mij naar Corlay moet brengen, ziet er mager uit,

en niet erg aanlokkelijk lijkt mij de rit; maar de koetsier zegt,

dat het 't beste beest uit het land is. We zullen eens zien. Ik reken

op niets en daag hem niet uit, om een prijs te winnen. Wij rijden

langs de Gouët, "rivier van bloed", begrensd door wilgen, afgedamd

om beweegkracht te leveren aan een fabriek. Dan volgt een prachtig

park met groote boomen, een hoeve met een laan van reuzenhulsten en

daarna zijn we in het vrije veld.

De zon verschijnt van achter de wolken en baadt het landschap in

licht. De bladeren van de boomen, gewasschen door de stortbuien,

die den heelen nacht geduurd hebben, zijn donkergroen. 't Zijn

kastanjes en sparren. Men kan den Saint-Michel boven het dal

der Oust onderscheiden, welker beide bronnen op den Croix en den

Frouet ontspringen. Het landschap is met boekweit bebouwd en wordt

overschaduwd door appelboomen met roode en gele vruchten. Al het land

tusschen de Oust en den weg van Pontivy naar Guingamp is een met groen

bedekt, golvend terrein, hier en daar door open ruimten afgebroken,

waar men een plas ziet glinsteren tusschen 't heidekruid.

De binnenkomst in Corlay is weer schilderachtig. De ruïnen van

het kasteel spiegelen zich in een vijver. Dat is hoog Corlay,

op 1 K.M. afstands van het dorp. Corlay behoorde in de 16de eeuw

aan de Rohans, vazallen van het vorstendom Guéméné. In 1592 werd de

bewaking van Corlay toevertrouwd door Mercoeur aan Spaansche troepen,

't geen niet belette, dat de plaats in 1593 vermeesterd werd door de

Franschen onder Sourdéac. Het volgend jaar verraste de vreeselijke

partijganger der Ligue, Fontenelle, 't slot en het dorp, verwoestte

het land en versterkte er zich zoo goed, dat een groot deel van het

leger van maarschalk d'Aumont noodig was, om hem eruit te verjagen.

Het kasteel, waar al die gebeurtenissen zich afspeelden, was al in

1195 begonnen door Henri van Corlay. Voor de eerste maal werd het

gesloopt in den successie-oorlog van Bretagne; maar het werd in

1495 weer opgebouwd door Jean de Rohan. Het had den vorm van een

ruit met vier torens en er was een gevangenentoren bij, die Toren

der Geliefden heette. Om alles heen liepen grachten. In geval van

nood kon men vluchten langs twee onderaardsche gangen, een naar

Castel-Coz en een naar 't park Ar-Golifet. De hoofdtoren was de

gevangenis, waar opgravingen een halve eeuw geleden menschenbeenderen

en wapens aan het licht brachten. Men vertelt, dat, toen het slot in

de macht was van Fontenelle, deze een bal gaf, waar zooveel menschen

kwamen, dat de vloer instortte en Fontenelle een been brak. Twee

legenden houden zich met het kasteel van Corlay bezig. De eerste

heeft betrekking op de vrouw van Fontenelle, wier geest elk jaar op

Kerstmis verschijnt. Ze is te herkennen aan haar droevig gelaat en

haar kwijnenden gang van ontroostbare weduwe. De andere verhaalt,

dat een vreemdeling, die eenige jaren vóór de Revolutie vergunning

had gekregen, om de onderaardsche gangen te bezoeken, daar met een

kaars zou zijn binnengegaan en nooit zou zijn teruggekomen noch te

Ar-Golifet, noch te Castel-Coz verschijnend.

Het portaal van de kerk van Corlay is niet zonder sierlijkheid. Het

dateert van 1575. Vóór de kerk wordt elken Zondag, eer de mis begint,

een markt gehouden van boter, eieren, melk en aardewerk. Kooplieden in

den tempel dus, waarover men reeds las in overoude tijden. Die gewoonte

vindt men terug in veel andere gemeenten van Côtes-du-Nord, met name te

Uzel, te Hermitage, te Grâce, Saint-Caradec en elders. Maar meer dan

elders is hier te Corlay paardenteelt de hoofdzaak; het ras, dat er

gefokt wordt, stamt nog af van dieren, ten tijde van de Kruistochten

ingevoerd. Verscheiden malen in het jaar hebben wedrennen plaats. De

twaalf groote jaarmarkten zijn paardenmarkten, en rondom de plaats is

alles weide; men vindt er weinig bouwland. Op de wegen ontmoet men

steeds ruiters, die paarden afrijden of zich in de edele rijkunst

oefenen. 't Is een land van reuzen. De jongelui dragen de locale

dracht, breeden hoed, buis Louis XVI open op een vest met dubbele rij

knoopen, leêren broek en rijlaarzen met sporen. De vrouwen zijn geen

reuzinnen; zij spinnen graag en het garen, dat zij maken, is zoo fijn

en regelmatig, dat het gezocht is in de kant-industrie.

Van Corlay sloeg ik den weg naar Callac in, om het land tusschen

Carhaix en Belle-Ile-en-Terre te onderzoeken. Niet ver van Callac,

op den rand van het bosch van Duault bij de kapel Saint-Gervais, werd

er gevochten tusschen verschillende dorpen, om den heilige gunstig

voor zich te stemmen, en gruwelijke verminkingen werden er bedreven,

een verhaal zooals er meer zijn in de godsdienstige geschiedenis

van Bretagne.

Ik begaf mij naar Bulat, waar men een zachter eeredienst kent. Daar

staat midden in de heide een kerkje met een mooi open gewerkten

klokketoren en men vindt er een doodenhuisje, waar een doodendans op

is uitgehouwen. De naam van den kunstenaar staat erbij: "Den derden

dag van April 1552 werd dit werk begonnen door Fouquet Jehannou,

meester". In den toren boven de sacristie heeft men de "kamer van

de kluizenaars", waar twee broeders metselaars, die aan het gebouw

hadden gewerkt, de rest van hun leven sleten.

De groote mis van Bulat heeft plaats op 8 September. Dat is de mis der

bronnen. Hier wordt geen bloed vergoten, men vloekt niet en schreeuwt

niet van woede. Het zoet gemurmel van het water komt van de negen

bronnen van Bulat, één op het kerkhof, één aan den weg naar Callac, de

zeven andere vijftig meter verder. Men komt van heinde en ver naar deze

bronnen, om het geheim van gezondheid en geluk te leeren kennen. Jonge

vrouwtjes komen erheen, als ze graag moeder willen worden. Een jong

meisje legde, zegt men, 30 K.M. op de knieën af, om aan de mis te

Bulat deel te nemen in 1830. Arm kind! Die moeilijke taak zal zeker

niet van haar geëischt zijn door de weldoende geesten van de bronnen

en de beken, die door Le Braz gevierd zijn, toen hij 's avonds in den

nevel zich tot den dans groepeeren zag de dochteren van het water,

van de eenzaamheid en van den nacht, de schoone Najaden van Bretagne.

Niet ver van Bulat ligt Bourbriac, waar de beschermheilige

Saint-Briac aangeroepen wordt voor de genezing van krankzinnigheid

en epilepsie. Ook hier weer ziet men droevige tooneelen, kreten,

stuiptrekkingen en vele ongelukkigen, die gesteund worden door ouders

en vrienden, opdat zij toch den drempel van het heiligdom zullen

kunnen overschrijden.

Ze worden voortgeduwd en soms geslagen, opdat zij toch maar

binnengaan, want zij moeten, om te herstellen, zeven jaren achtereen

de bedevaart doen, en als zij struikelen, moeten ze telkens weer

opnieuw beginnen. Ik ging van daar, om naar de almachtige en stille

natuur te kijken. Vóór ik te Belle-Ile-en-Terre kom, het einde van

dit tochtje, waar ik eenige dagen denk te blijven, wil ik eerst de

binnenwegen van den omtrek leeren kennen.

Door Cludon en Kernevez begeef ik mij naar het bosch van Beffon. Dat

is nog een overblijfsel van de groote bosschen, die in zeer oude tijden

geheel Bretagne overdekten. Bretagne was zeker eens één aaneengesloten

bosch. De kolonisten hebben het moeten ontbosschen, meter aan

meter, en ze hebben er ontginningswerk verricht, om bebouwbaren

grond te krijgen. Toen maakten zij zich woningen en bleven op de

plaats gevestigd. Eiken, dennen, beuken, berken groeien op den grond

tusschen heide en varens. De punten, waar de bodem een overvloed

van humus bevatte, toonen nu de hoogste boomtoppen en de meeste

bloemen. Het is alles bosch en nog eens bosch, forêt de Coat-an-Nay,

forêt de Coat-an-Noz, Bois du Jour, Bois de la Nait, alleen door

beekjes gescheiden.

Ik houd van Belle-Ile-en-Terre in het groenende land, waar de rivier

zich door de beekjes vergezellen laat. Het plaatsje is een veilige

toevlucht, résumé van alles wat ik reeds gezien heb. Iemand, die er

gewoond heeft, spreekt mij van 't kleinsteedsche leven, de winkels en

de handelsgebruiken en van de arbeiders uit de papierfabriek ginder aan

de rivier. De ambtenaren en de burgers vormen een eigen maatschappij

met vaste gebruiken, samenkomsten, feesten. De denkbeelden houden

altijd voeling met het leven op het veld, met jacht en met die

doodgewone dingen, die in en bij de huizen van de menschen plaats

vinden. De omgeving is nu nog net als vroeger; niets is veranderd. Ook

nu nog geeft alleen de marktdag levendigheid.

Stil vlood de tijd heen met slenteren door het stadje, uitstapjes naar

Louargat, naar Plounevez, naar Menez-Bré, waar men op een driehonderd

meter hoogen heuvel een oneindigheid van bosch ziet tot den horizon. En

's morgens zocht ik dan het Bosch van den Morgen, om door het Bosch

van den Avond weer naar huis te gaan langs steile paden, waar ik in

de hooge boomen het geluid van uilen hoorde.

In Midden-Bretagne De Aarde en haar Volken, 1904 · 第 8 / 8 段