hij spreekt langzaam en duidelijk Fransch, maar de vrouwen verstaan er
niets van. Ik praatte met den heer des huizes. Hij herinnert zich nog
wel de dwangarbeiders en de soldaten, die hen moesten bewaken met hun
vuursteengeweren, de bajonet op den loop, en hoe de jongelieden zich
aansloten bij de soldaten van het kamp. Men bespeurt, dat de aanleg
van het kanaal de groote zaak in zijn leven is geweest en in het leven
van Glomel. Het kanaal heeft volgens hem het land goed gedaan, dat
in dien tijd het armste en minst beschaafde van geheel Bretagne was;
maar alle bronnen en putten zijn erdoor uitgedroogd, en men moet in
tonnen het water aansleepen tot van den rand van het réservoir. Hij
vat zijn denkbeelden samen in korte zinnen, op ernstigen toon gezegd,
terwijl hij met over elkaâr geslagen armen rechtop stond met de pijp
in den mond.
Van Menhir volgden wij door de varens een voetpad, parallel met het
aanvoerkanaaltje, dat bij het jaagpad uitkomt. Dit werd beschut door
een met gras begroeide helling, met boomen beplant, om aan het terrein
stevigheid te geven. Tusschen het gras groeiden veel paddestoelen. Op
eenigen afstand woonde een sluiswachter in een bekoorlijk, vierkant
huisje met gewitte muren, een leien dak en een tuintje, dat zich in
het heldere water spiegelde. Verder volgt de weg. Van dit punt af
loopt het kanaal tusschen twee wallen, met boomen van verschillende
soort beplant, eiken, berken, sparren, esschen, een echt bosch,
dat zich in het rimpellooze water spiegelt.
Hier vindt men volledige eenzaamheid, een volmaakte wandeling, een
heerlijke rust langs het kanaal, dat recht voortloopt onder het geurige
groen. Zoo loopen wij meer dan twee kilometer, en aan 't einde van de
dubbele laan staat weer een sluiswachterswoning; het kanaal maakt een
rechthoekige bocht, mengt zijn water met dat van een kleinen vijver
en komt weer in de vlakte, een moerassige vlakte, waarin wij vele
honderden meters ver moesten loopen, vóór we een weg vonden, die ons
weer langs 't Westen naar Glomel bracht, een weg, die in sommige tijden
van het jaar in een stroompje verandert. Hier en daar komen uit het
groen de daken van kasteelen voor den dag, Saint-Péran, Coatcouraval,
Bodennou, Kersaint-Eloy. De beide eerste zijn oude landgoederen, die,
als het dorp zelf, eertijds onafhankelijk waren van den koning en van
het bisdom Quimper. Toen ik het dorp weer bereikte, zei ik mijn gids
vaarwel, die mij in enkele eenvoudige woorden zijn werkleven heeft
beschreven, hij bakker te Glomel, zijn vrouw naaister te Rostrenen.
Van Rostrenen moet ik in een zigzaglijn verder reizen om dat deel
van Bretagne te onderzoeken, dat het Zuiden vormt van het departement
Côtes-du-Nord. Ik stel mij voor, de vier hoeken te gaan zien van den
vierhoek Saint-Nicolas-du-Peleur, Goarec, Mur, Corlay, om van daar
Quintin te bereiken.
Ik begin dus bij Saint-Nicolas-du-Peleur. Het is een eentonig
traject, dat door sommige gehuchten gaat met enkele boerenhoeven. Men
ontmoet veel mannen te paard. Dit is het land der paarden. Het dorp
Saint-Nicolas ligt op een hoogte, waarboven zich in de 15de eeuw een
versterkt kasteel verhief, dat nu verdwenen is. Alleen de herinnering
aan een der heeren van het kasteel is blijven bestaan, namelijk aan den
beruchten Fontenelle, wiens wreedheid legendarisch is gebleven. Zijn
heele leven sleet hij in roof en plundering en moord. Hij had een
meisje ontvoerd, dat hij in een klooster liet opvoeden en dat zijn
vrouw werd en hem hartstochtelijk beminde.
Als Fontenelle een burcht vermeesterde, zegt een der vertellers uit
Bretagne, Pitre Chevalier, "martelde hij den burchtheer, tot deze
hem van de eene kamer in de andere leidde en hem al zijn schatten
had aangewezen. Dan liet de roover de vrouwe van het kasteel vóór
zich komen, zoo zij mooi was, en haar kinderen, als ze die had; hij
doorstak den echtgenoot voor de oogen der vrouw, dwong deze hem te
volgen en bedronk zich met zijn soldaten te midden der zieltogende
slachtoffers." Zulk een droom van bloed en tranen zweeft over dit
slapende slot.
De kerk bezit een mooie reliquieënkast; maar interessanter is de kapel
van den H. Eloïsius, bedevaartplaats, waar men paarden heen voert,
om ze sterk te maken en voor ziekten te behoeden. De legende verhaalt,
dat Eloïsius, die zich als hoefsmid in de streek had gevestigd, op zijn
uithangbord geschreven had: "Baas boven baas en baas boven allen." Om
hem voor zijn hoogmoed te straffen, zond God de Vader hem zijn zoon
in de gedaante van een collega-hoefsmid. Niet vriendelijk ontvangen,
werd Jezus toch in staat gesteld, zijn kennis te toonen door het
beslaan van een kostbaar paard, dat vóór de deur stond. Met een beitel
slaat hij het paard het been af bij den hiel, neemt den hoef mee,
herstelt dien, zet er een nieuw ijzer onder en brengt den hoef op zijn
plaats. Eloïsius wil het hem nadoen, maar het bloed blijft stroomen
uit het been van het verminkte paard. Hij vernedert zich tegenover den
werkman, die het kwaad herstelt. Een ruw beeldhouwwerk, het Mirakel
van den H. Eloïsius, in de kapel geplaatst, herinnert aan dit tooneel.
De weg naar Goarec volgt de rivier, de Corlay, die zich met de Blavet
vereenigt. Men loopt langs een zachte helling door weiden, akkers
en heidevelden, waar bloeiende distels en varens groeien. Goarec
ligt in een diepte, waar de Blavet door stroomt. Het was vroeger een
afgesloten land, geheel geïsoleerd bij gebrek aan wegen. Tegenwoordig
kan men er gemakkelijk komen langs wegen, die men kloekmoedig door
het laten springen van mijnen in de rotsen heeft uitgehold.
De huizen van leisteen hebben bijna alle tuinen of boomgaarden. In de
kerk niets bijzonders. De bekendheid van Goarec ligt, zooals in deze
streek meestal, in de paardenfokkerij, die het varkensfokken heeft
vervangen. Er worden jaarlijks wedrennen georganiseerd. De eigenaar
van het winnende paard ontvangt, al naar den welstand der vereeniging,
een os of een schaap. Behoef ik te zeggen, dat die feesten niet op
Longchamp en Auteuil gelijken en dat men er geen veelkleurige jockeys
ziet? Maar de ruiters zijn flinke kerels, moedig en bekwaam. Goarec is
de geboorteplaats van Andrein, een belangwekkend personnage, zooals
uit zijn leven blijkt. Hij was eerst onderwijzer aan 't collége te
Quimper, dan leeraar aan 't instituut Louis le Grand, afgevaardigde
naar de Nationale Conventie voor Morbihan, stemmend voor den dood
van Lodewijk XVI. Toen werd hij geestelijke, werd tot constitutioneel
bisschop benoemd van Quimper en werd in 1800 vermoord door de Chouans,
terwijl hij op reis was naar zijn bisschoppelijken zetel.
De weg van Goarec naar Mur is prachtig en gaat door het bosch van
Quénécan, dat 3600 H.A. groot is en waarvan men de donkere massa kan
waarnemen van bijna alle punten uit het mooie gehuchtje Bon Repos. Mur,
waar deze aardige weg op uitloopt, ligt op een plateau, door eiken
en kastanjeboomen omringd en bestaat uit twee gedeelten; waarvan het
hoogste Sainte-Suzanne is. De huizen liggen in wanorde rondom een
plein, waar zich een hal bevindt. Als de toeristen niet altijd van
Mur direct gingen naar de volle stranden en de weeldebadplaatsen, en
als zij de bekoorlijkheden van Midden-Bretagne wilden leeren kennen,
zou Mur een uitgangspunt kunnen zijn van niet-banale uitstapjes in
het golvende, landelijke, woeste land, dat toch zoo bekoorlijk is met
zijn steile heuvels en door de Blavet besproeide weiden. Het dal van
Pouttangre is zeer geschikt voor zulk een schilderachtig uitstapje.
De naam Mur herinnert aan den tijd, toen het plaatsje versterkt was
met een muur, die een belegering of een aanval kon weerstaan. Van al,
wat er verteld wordt, is dit mij bijgebleven, dat men vijftig jaar
geleden achter een ouden schoorsteen het geraamte heeft gevonden van
een ridder in zijn wapenrusting. Toen deed de legende haar werk en
voerde ten tooneele den burchtheer van Mur, genaamd Gwengrézangor,
zijn vrouw en den bedoelden ridder. Gwengrézangor, wiens voornaamste
bezigheid bestond in het plunderen van zijn buren en 't berooven
van voorbijgangers, ontdekte eens, dat zijn vrouw een minnaar
had. Hij verraste het paar, sloot de vrouw levend in een ton met
spijkers en liet haar in den vijver werpen, terwijl de ridder levend
in een schoorsteen werd gemetseld. De verbeelding in den dienst
der wreedheid. Mur, dat een centrum van verzet was ten tijde der
Chouans, is nu een onbeteekenend dorp, waar men zich bezighoudt met
de exploitatie van de leisteengroeven in de buurt.
Ik ging van Mur niet dadelijk naar Corlay, maar eerst over Uzel naar
Quintin. Uzel beteekent niets behalve op den marktdag, die met de
Drievuldigheidsmis samenvalt. Wedrennen met paarden worden dan op den
weg van Quintin gehouden bij het bosch van Lorges. Des avonds wordt er
gedanst, en de vrouwen komen op het bal met haar origineele coiffure,
een muts die al het haar bedekt en onder de kin met twee strikken is
vastgehecht. Vele vrouwen hebben niets meer te verbergen, omdat ze
haar haartooi hebben verkocht.
Onverschillig of men Quintin binnenkomt langs den weg of door de laan
van het station, altijd krijgt men een vreemden, maar toch liefelijken
indruk. Tuinen en wandelingen, een calvarium, een vijver, waar de
Gouët door stroomt en een half achter groen verborgen kasteel. Hoeveel
herinneringen heeft dit eigenaardige stadje, dat zoo onregelmatig
is en zoo schilderachtig en dat nu niet meer is dan een bescheiden
cantonnaal hoofdplaatsje! De heerlijkheid Quintin was in 1209 in handen
van Godfried I. In 1294 werd de plaats ontmanteld; maar later werden de
muren weer opgebouwd. In 1347 wapenden zich de tegen Engeland opstaande
boeren, namen aan den krijg deel en brachten tweehonderd-vijftig
krijgsgevangenen mee, die door de stedelingen vermoord werden.
In 1487 ontnamen Pierre le Long en Yvon de Rouef Quintin aan Pierre
de Rohan. De overweldigers werden verjaagd. Er kwam een ander voor in
de plaats. In 1592 maakte Mercoeur zich van de stad meester. In 1636
verkocht La Trémoïlle haar aan den markies de la Moussaye, die haar
op zijn beurt afstond aan Gui Aldouce de Durfort. In 1691 werd het
grondgebied van Quintin gevoegd bij de gronden van Pommerit, Avangour
en Ermitage, en samen vormden zij een hertogdom, dat bij Lorges werd
gevoegd. Quintin was een echte vesting, in 't Oosten verdedigd door
het kasteel en de beide poorten, de Nieuwe Poort en Juliuspoort; in
het Noorden door de Roospoort; in 't Westen door de Lieve-Vrouwenpoort
met een ophaalbrug en in het Zuiden door 't kasteel Gaillard.
Er golden eertijds te Quintin heerlijke rechten, waarvan enkele
vermelding verdienen. In 1519 bij gelegenheid van de kermis van 22
September moest men den heer en zijn officieren een galamaaltijd
voorzetten, "gediend door edellieden, met gebraad en witten en rooden
wijn en aan het slot warm water om de handen te wasschen en een pond
peper benevens een zak van wit leder". Op Allerheiligen moest ieder
huis rookgeld betalen, ten einde het recht om een vuur te stoken,
te bezitten.
Het oude slot van Quintin, dat wij in het begin zagen en dat ten
tijde van de Ligue ontmanteld werd, is in 1662 gedeeltelijk herbouwd
door Amaury de Gouyon en op het eind der 18de eeuw voltooid door
den vicomte de Choiseul. De werkzaamheden waren opgehouden door den
bisschop van Saint-Brieuc, die beweerde, dat het huis arsenaal en fort
der Hugenoten behoorde te zijn. Tegenwoordig behoort het weelderig
ingerichte kasteel, dat voor bezoekers gesloten is, aan de markiezin
de Courtibourne. Het bevat kostbare historische herinneringen,
gobelinbehangsels met mythologische schilderingen, als Neptunus uit
de zee verrijzend; Phoebus den zonnewagen besturend; de tuinen van
Armida; de ontvoering van Proserpina door Pluto; dan portretten en
meubels, die toebehoord hebben aan de familie Lorges, blazoenen op
gekleurd glas en eindelijk de kamer, waar Turenne logeerde, en 't bed,
waarin hij sliep, toen hij Quintin passeerde.
De Onze-Lieve-Vrouwenkerk is in den nacht van 7 op 8 Januari
1600 gedeeltelijk vernield door een brand, ontstaan door de
onvoorzichtigheid van den koster, die zijn bed in brand stak. De vlam
bereikte de sacristie en breidde zich uit. Een stuk van den gordel
der Maagd, uit Jeruzalem meegenomen door Godfried I, werd onbeschadigd
gevonden onder het puin, en deze reliek wordt nog in de kerk bewaard.
Langs den Karmelieterweg verlaat men Quintin onder mooie esschen en
eiken. Het paard, dat mij naar Corlay moet brengen, ziet er mager uit,
en niet erg aanlokkelijk lijkt mij de rit; maar de koetsier zegt,
dat het 't beste beest uit het land is. We zullen eens zien. Ik reken
op niets en daag hem niet uit, om een prijs te winnen. Wij rijden
langs de Gouët, "rivier van bloed", begrensd door wilgen, afgedamd
om beweegkracht te leveren aan een fabriek. Dan volgt een prachtig
park met groote boomen, een hoeve met een laan van reuzenhulsten en
daarna zijn we in het vrije veld.
De zon verschijnt van achter de wolken en baadt het landschap in
licht. De bladeren van de boomen, gewasschen door de stortbuien,
die den heelen nacht geduurd hebben, zijn donkergroen. 't Zijn
kastanjes en sparren. Men kan den Saint-Michel boven het dal
der Oust onderscheiden, welker beide bronnen op den Croix en den
Frouet ontspringen. Het landschap is met boekweit bebouwd en wordt
overschaduwd door appelboomen met roode en gele vruchten. Al het land
tusschen de Oust en den weg van Pontivy naar Guingamp is een met groen
bedekt, golvend terrein, hier en daar door open ruimten afgebroken,
waar men een plas ziet glinsteren tusschen 't heidekruid.
De binnenkomst in Corlay is weer schilderachtig. De ruïnen van
het kasteel spiegelen zich in een vijver. Dat is hoog Corlay,
op 1 K.M. afstands van het dorp. Corlay behoorde in de 16de eeuw
aan de Rohans, vazallen van het vorstendom Guéméné. In 1592 werd de
bewaking van Corlay toevertrouwd door Mercoeur aan Spaansche troepen,
't geen niet belette, dat de plaats in 1593 vermeesterd werd door de
Franschen onder Sourdéac. Het volgend jaar verraste de vreeselijke
partijganger der Ligue, Fontenelle, 't slot en het dorp, verwoestte
het land en versterkte er zich zoo goed, dat een groot deel van het
leger van maarschalk d'Aumont noodig was, om hem eruit te verjagen.
Het kasteel, waar al die gebeurtenissen zich afspeelden, was al in
1195 begonnen door Henri van Corlay. Voor de eerste maal werd het
gesloopt in den successie-oorlog van Bretagne; maar het werd in
1495 weer opgebouwd door Jean de Rohan. Het had den vorm van een
ruit met vier torens en er was een gevangenentoren bij, die Toren
der Geliefden heette. Om alles heen liepen grachten. In geval van
nood kon men vluchten langs twee onderaardsche gangen, een naar
Castel-Coz en een naar 't park Ar-Golifet. De hoofdtoren was de
gevangenis, waar opgravingen een halve eeuw geleden menschenbeenderen
en wapens aan het licht brachten. Men vertelt, dat, toen het slot in
de macht was van Fontenelle, deze een bal gaf, waar zooveel menschen
kwamen, dat de vloer instortte en Fontenelle een been brak. Twee
legenden houden zich met het kasteel van Corlay bezig. De eerste
heeft betrekking op de vrouw van Fontenelle, wier geest elk jaar op
Kerstmis verschijnt. Ze is te herkennen aan haar droevig gelaat en
haar kwijnenden gang van ontroostbare weduwe. De andere verhaalt,
dat een vreemdeling, die eenige jaren vóór de Revolutie vergunning
had gekregen, om de onderaardsche gangen te bezoeken, daar met een
kaars zou zijn binnengegaan en nooit zou zijn teruggekomen noch te
Ar-Golifet, noch te Castel-Coz verschijnend.
Het portaal van de kerk van Corlay is niet zonder sierlijkheid. Het
dateert van 1575. Vóór de kerk wordt elken Zondag, eer de mis begint,
een markt gehouden van boter, eieren, melk en aardewerk. Kooplieden in
den tempel dus, waarover men reeds las in overoude tijden. Die gewoonte
vindt men terug in veel andere gemeenten van Côtes-du-Nord, met name te
Uzel, te Hermitage, te Grâce, Saint-Caradec en elders. Maar meer dan
elders is hier te Corlay paardenteelt de hoofdzaak; het ras, dat er
gefokt wordt, stamt nog af van dieren, ten tijde van de Kruistochten
ingevoerd. Verscheiden malen in het jaar hebben wedrennen plaats. De
twaalf groote jaarmarkten zijn paardenmarkten, en rondom de plaats is
alles weide; men vindt er weinig bouwland. Op de wegen ontmoet men
steeds ruiters, die paarden afrijden of zich in de edele rijkunst
oefenen. 't Is een land van reuzen. De jongelui dragen de locale
dracht, breeden hoed, buis Louis XVI open op een vest met dubbele rij
knoopen, leêren broek en rijlaarzen met sporen. De vrouwen zijn geen
reuzinnen; zij spinnen graag en het garen, dat zij maken, is zoo fijn
en regelmatig, dat het gezocht is in de kant-industrie.
Van Corlay sloeg ik den weg naar Callac in, om het land tusschen
Carhaix en Belle-Ile-en-Terre te onderzoeken. Niet ver van Callac,
op den rand van het bosch van Duault bij de kapel Saint-Gervais, werd
er gevochten tusschen verschillende dorpen, om den heilige gunstig
voor zich te stemmen, en gruwelijke verminkingen werden er bedreven,
een verhaal zooals er meer zijn in de godsdienstige geschiedenis
van Bretagne.
Ik begaf mij naar Bulat, waar men een zachter eeredienst kent. Daar
staat midden in de heide een kerkje met een mooi open gewerkten
klokketoren en men vindt er een doodenhuisje, waar een doodendans op
is uitgehouwen. De naam van den kunstenaar staat erbij: "Den derden
dag van April 1552 werd dit werk begonnen door Fouquet Jehannou,
meester". In den toren boven de sacristie heeft men de "kamer van
de kluizenaars", waar twee broeders metselaars, die aan het gebouw
hadden gewerkt, de rest van hun leven sleten.
De groote mis van Bulat heeft plaats op 8 September. Dat is de mis der
bronnen. Hier wordt geen bloed vergoten, men vloekt niet en schreeuwt
niet van woede. Het zoet gemurmel van het water komt van de negen
bronnen van Bulat, één op het kerkhof, één aan den weg naar Callac, de
zeven andere vijftig meter verder. Men komt van heinde en ver naar deze
bronnen, om het geheim van gezondheid en geluk te leeren kennen. Jonge
vrouwtjes komen erheen, als ze graag moeder willen worden. Een jong
meisje legde, zegt men, 30 K.M. op de knieën af, om aan de mis te
Bulat deel te nemen in 1830. Arm kind! Die moeilijke taak zal zeker
niet van haar geëischt zijn door de weldoende geesten van de bronnen
en de beken, die door Le Braz gevierd zijn, toen hij 's avonds in den
nevel zich tot den dans groepeeren zag de dochteren van het water,
van de eenzaamheid en van den nacht, de schoone Najaden van Bretagne.
Niet ver van Bulat ligt Bourbriac, waar de beschermheilige
Saint-Briac aangeroepen wordt voor de genezing van krankzinnigheid
en epilepsie. Ook hier weer ziet men droevige tooneelen, kreten,
stuiptrekkingen en vele ongelukkigen, die gesteund worden door ouders
en vrienden, opdat zij toch den drempel van het heiligdom zullen
kunnen overschrijden.
Ze worden voortgeduwd en soms geslagen, opdat zij toch maar
binnengaan, want zij moeten, om te herstellen, zeven jaren achtereen
de bedevaart doen, en als zij struikelen, moeten ze telkens weer
opnieuw beginnen. Ik ging van daar, om naar de almachtige en stille
natuur te kijken. Vóór ik te Belle-Ile-en-Terre kom, het einde van
dit tochtje, waar ik eenige dagen denk te blijven, wil ik eerst de
binnenwegen van den omtrek leeren kennen.
Door Cludon en Kernevez begeef ik mij naar het bosch van Beffon. Dat
is nog een overblijfsel van de groote bosschen, die in zeer oude tijden
geheel Bretagne overdekten. Bretagne was zeker eens één aaneengesloten
bosch. De kolonisten hebben het moeten ontbosschen, meter aan
meter, en ze hebben er ontginningswerk verricht, om bebouwbaren
grond te krijgen. Toen maakten zij zich woningen en bleven op de
plaats gevestigd. Eiken, dennen, beuken, berken groeien op den grond
tusschen heide en varens. De punten, waar de bodem een overvloed
van humus bevatte, toonen nu de hoogste boomtoppen en de meeste
bloemen. Het is alles bosch en nog eens bosch, forêt de Coat-an-Nay,
forêt de Coat-an-Noz, Bois du Jour, Bois de la Nait, alleen door
beekjes gescheiden.
Ik houd van Belle-Ile-en-Terre in het groenende land, waar de rivier
zich door de beekjes vergezellen laat. Het plaatsje is een veilige
toevlucht, résumé van alles wat ik reeds gezien heb. Iemand, die er
gewoond heeft, spreekt mij van 't kleinsteedsche leven, de winkels en
de handelsgebruiken en van de arbeiders uit de papierfabriek ginder aan
de rivier. De ambtenaren en de burgers vormen een eigen maatschappij
met vaste gebruiken, samenkomsten, feesten. De denkbeelden houden
altijd voeling met het leven op het veld, met jacht en met die
doodgewone dingen, die in en bij de huizen van de menschen plaats
vinden. De omgeving is nu nog net als vroeger; niets is veranderd. Ook
nu nog geeft alleen de marktdag levendigheid.
Stil vlood de tijd heen met slenteren door het stadje, uitstapjes naar
Louargat, naar Plounevez, naar Menez-Bré, waar men op een driehonderd
meter hoogen heuvel een oneindigheid van bosch ziet tot den horizon. En
's morgens zocht ik dan het Bosch van den Morgen, om door het Bosch
van den Avond weer naar huis te gaan langs steile paden, waar ik in
de hooge boomen het geluid van uilen hoorde.