stad. De kapen, die hun punten steken in de onmetelijk wijde ruimte van
lucht, geven u plotseling een sensatie van aan 't eind der wereld te
zijn aangekomen. De hemel is op dezen morgen licht en helder, de zee
is blauw en de grotten hebben een roode kleur. Met een bootje breng
ik aan de grotten een bezoek. Bekwame schippers varen er diep binnen
tot in alle hoekjes en bochten van de hooge, ruime holen. Onder de
onmetelijke gewelven van graniet moet men wel aan de eeuwen denken,
die voorbijgingen, en verder aan de oneindige toekomst. De grotten
schijnen er altijd te zijn geweest; er schijnt niets aan veranderd in
den loop der tijden. In hun zware onbewegelijkheid, in hun zwijgen,
dat alleen door het geklots der golven afgebroken wordt, vraagt men
zich af, wat zij wel hebben gezien en gehoord? Welken mythologischen
held hebben zij een schuilplaats verleend?
Welke engelen, door draken bewaakt, zijn hier door helden
bevrijd? Welke fantastische zeedieren uit de diepte hebben zich
er verborgen? Ze zijn als feeënpaleizen, versierd met rijkdom en
met glans van edele steenen. Git en onyx en turkooizen vormen met
lazuursteen in groote blokken 't hoog gewelf. De afzetting uit het
zeewater brengt steeds weer nieuwe kleuren aan op de gesteenten,
en het stille water beneden weerkaatst als een spiegel de glimmende
rotswanden. De bewoners hebben een naam gegeven aan al die holten,
al die door de natuur uitgehouwen kunstwerken. Hier ziet men een
altaar, daar een beeld, ginds een leeuw, elders een slang. De gids
zegt zijn les op als een museumbeambte; hij noemt de diepten en de
gangen en zegt, hoe ze met andere verafgelegen holten in gemeenschap
staan. Hij laat de echo's klinken, en de bezoekers verlaten voldaan
het interessante tooneel.
's Avonds wandelde op het strand een stukje Parijs, en ik ging
naar huis, om in een paar boekjes de geschiedenis van Crozon na te
lezen. Dit gansche schiereiland maakte vroeger deel uit van een land,
dat Rivoalen heette, en dat, na in de 5de eeuw te hebben toebehoord
aan een bretonschen hoofdman, achtereenvolgens in de handen kwam
van de geslachten Cornouaille, Rosmadec, le Han, la Porte d'Artois,
Rousselet, Châteaurenault en Estaing. Bij het einde van 't ancien
régime werden alle rechten, die de heeren van Crozon hadden bezeten,
omgezet in een jaarlijksche rente van 22 kronen.
Den volgenden morgen ging ik per rijtuig naar Roscanvel, waar
ik al eens eerder was geweest. De eerste maal was ik er met een
vriend per boot uit Brest heen gevaren. Toen vielen wij midden in
een kerkelijk feest met dansen en drinken in de open lucht; een
dronken boer liep toen steeds achter ons aan met iets achterdochtigs
in zijn houding. Overal was zijn schuine, boosaardige blik op ons
gericht. Weldra moesten wij wel constateeren, dat er in de menigte
iets gaande was, een zekere beweging, en dat er zich een kring om
ons heen vormde. Mijn vriend, die groot was en een blonde snor had,
bovendien uit den Elzas geboortig, zou men wel voor een Duitscher
kunnen houden. Maar neen, 't gefluister, dat wij op 't laatst heel
goed verstonden, wees hem aan als een Engelschman, en wat mij betreft,
mijn landgenooten, broeders, uit één ras gesproten, weigerden mij
als een der hunnen te erkennen. Weldra worden wij geïnterpelleerd,
en de dronken boer beschuldigt ons luidruchtig, dat wij gekomen zijn
op het schiereiland, om het plan op te nemen van 't fort Quélern. Ik
geloof wel, dat wij naar den weg hadden gevraagd en den naam van dat
fort daarbij hadden genoemd.
Andere boeren kwamen aanloopen. Die hadden gezien, dat wij
teekenden. De vrouwen met de witte mutsen zwegen, ontsteld en
verlegen. Bij al die menschen is de herinnering aan den Engelschman
nog levendig, want ze zijn nog slechts ruim twee eeuwen gescheiden
van het oorlogsrumoer, van belegeringen, gevechten te water en
bezettingen, terwijl ze meenen, dat dezelfde ontscheping, waarover
hun overgrootvader soms nog verhalen doet, altijd op het punt is om
opnieuw te worden afgespeeld.
De poging der Engelschen in 1694 is in hun geheugen blijven hangen,
zonder dat ze precies weten, wanneer zij plaats had en in welke
omstandigheden de overval geschiedde. Zij weten enkel, dat de
engelsche schepen teruggedreven zijn; maar ze meenen dat die kunnen
terugkeeren, en dat twee schijnheilige wandelaars plotseling een
rots kunnen bestijgen, met een zakdoek zwaaien, een teeken geven,
opdat er hooge oorlogsschepen aan den horizon verschijnen met monden
der kanonnen, alle op de kust gericht. Het is heel moeielijk, in
uitleggingen te treden met een boer, die onder den invloed is van een
vroolijken zondagsdronk en in wiens geest het zóó gesteld is, als ik
boven schreef. Sommige historische drama's hebben tot uitgangspunt
niets meer gehad dan dergelijke domheden en vergissingen. Indien er
honderd zulke individuen waren geweest,--wat zeg ik, honderd! twintig,
zelfs tien zouden voldoende zijn geweest, om die heele menigte op te
winden en in woede te doen ontsteken--dan had men ons als Engelschen
in het Kanaal kunnen gooien en ons met steenen kunnen werpen, om te
beletten dat wij ongedeerd wegzwommen.
Gelukkig maakte een nog al grappig incident een eind aan
alles. Ongeduldig geworden door het geklets en gezanik van den man,
die maar steeds met vragen achter ons aan liep, en doordat er al
meer nieuwsgierigen op afkwamen, die gereed waren, als rechters
op te treden, vroegen wij den maire te spreken. Deze verscheen
ten slotte. Hij zag er ernstig uit in zijn zwartlakensch pak en
hij leek niet opgewonden, als de man van de vragen. Hij luistert,
zonder iets te zeggen, ondervraagt ons dan nog niet onwelwillend
en hem gaven wij nauwkeurig onze namen op, onze betrekking en onze
woonplaatsen. Toen riep onze vijand triomfantelijk uit: "O zoo, ben
jullie uit Parijs! Welnu, ik ken Parijs; ik ben er in het jaar van
de tentoonstelling geweest. Zeg mij dan eens, welke winkel er staat
op dit en dat nummer van de faubourg Saint-Martin."
Half lachend, half knorrig, zeg ik: "O daar, daar is een wijnhuis!"
"Dat is waar," zegt onze man, verbaasd, en heeft de helft van zijn
beslistheid van optreden verloren. Als daar een bakker had gewoond, zou
men ons misschien in de gevangenis te Brest hebben gestopt. Maar nu wij
zoo blijkbaar waarheid spraken, stortte het gebouw der beschuldiging
ineen, en men liet ons vrij uitgaan. Maar 't was nog niet gedaan met
onze ellende, want onder al die besprekingen, waarbij het ons voorkwam,
of wij wilden moesten verzachten en tot rede brengen was de boot,
die ons gebracht had, zonder ons vertrokken. Dus moesten wij in dit
ongastvrije land nog blijven of naar Camaret vertrekken.
Dit laatste leek ons nog de wijste partij, en wij togen op weg. Maar
een hevige stortbui, een diluviaansche regenval, dreef ons haastig
terug naar Roscanvel, doorweekt, alsof we in zee gevallen waren, nat
tot op de huid en met onze schoenen vol water. Te Roscanvel zijn alle
herbergen vol; uit alle ramen klinken dronkemansstemmen tusschen de
regenvlagen en het gerommel van den donder. Wij krijgen ten slotte
een onderdak bij een schoenmaker, waar we ons droogden, zoo goed
en zoo kwaad als het ging, eieren lieten bakken, en rusten gingen
in een vertrek, waar liet naar oud leder rook, zoo sterk en scherp,
dat wij de ramen moesten openzetten en luisteren naar de bui, die den
geheelen nacht duurde. Den volgenden morgen gaan wij bij het aanbreken
van den dag naar buiten en tijgen op weg, voorzien van interessante
reisherinneringen, die ik nu alleen moet ophalen vandaag, want mijn
vriend is sinds dien overleden. Wij hebben dikwijls om het avontuur
gelachen, en ik geloof wel, dat we al met lachen zijn begonnen toen,
indertijd, bij den schoenmaker van Roscanvel, die eieren voor ons
bakte.
Dezen keer is het rustig te Roscanvel. Er hangt geen drama in de
lucht. De markt is leeg, de schaduwrijke lanen zijn koel en frisch en
groen. Zacht suist de zeewind. 't Is nu een heerlijk ding, naar Camaret
te wandelen en 't spijt mij, dat mijn vroegere reisgezel dit niet
meer kan ervaren. Camaret is een van die allerliefste kleine stadjes,
wier rijen witte huizen de golven schijnen tegen te houden. Alles
is hier ruim en groot. De hellingen naar zee gaan heerlijk zacht en
geleidelijk. De zee reikt ver en ligt gansch open. Bij slecht weer
ziet het er hier dreigend uit, schipbreuken komen niet zelden voor
en altijd is de zee hier een bedreiging voor de kustbewoners, die er
hun bestaan moeten vinden.
Te Camaret, net als in al die oceaanplaatsjes, krijgt men sterk
den indruk van den moeilijken strijd om het bestaan. Te Douarnenez,
Audierne en Concarneau is het evenzoo. Men kan in die dorpen niet
eenige dagen zijn, zonder onmiddellijk getroffen te worden door
de treurige omstandigheden, waarin de menschen er leven. Meer dan
de schoonheid van het land en van de zee, meer dan de grootschheid
der overhangende rotsen, en 't mooie licht der verre horizons, meer
dan dat alles treft de menschenfiguur, die zwoegt en slooft. En 't
landschap zelf wordt door die arme stumpers veranderd. Het liefelijk
groen, het geurig heidekruid, de kleur van 't water, al die gratie en
die imposante kracht, ze krijgen iets van ironie en impassibiliteit,
een decoratie, die den spot drijft met een zwak en hulpeloos pogen
en met een inspanning, die tot geen resultaat leidt.
Zonder aanspraak te maken op den ernst en de nauwkeurigheid van
werken over sociale economie, moet ik wel in deze bladen uit mijn
reisverhaal zoo nu en dan eens spreken over de gebrekkigheden van
het menschelijk bestaan en 't leed, dat de beschaving brengt. Men
behoeft niet anders te doen dan oogen en ooren open te zetten, op de
houdingen der menschen acht te slaan en de gesprekken op te vangen,
om van dat leed te kunnen getuigen. De herfst met zijn hevige stormen,
de winters en de koude lentes, bijna alle seizoenen zijn hard voor
hen, die van de zee moeten leven, wier bestaan afhankelijk is van de
samenpakking der wolken en de richting van den wind.
Men kan niet alle dagen uitgaan in zee, om van 't voorbijtrekken der
schoolen visch partij te trekken; men zou zijn boot en zijn leven
offeren. Het is daarbij ook vaak onzeker, of men het wagen kan of
niet; en ook als het weêr vast lijkt en een gunstige wind op til
schijnt te zijn, weet men nooit, of er geen zwarte stip zich vormen
zal daar aan de blauwe lucht, een stip, die zich zal uitbreiden en de
heele ruimte overspannen gaat; of niet de rustige atmosfeer uit haar
verband zal raken en de kalm voortvloeiende golfjes niet plotseling
groote sprongen zullen nemen en over 't bootje heen zullen slaan,
dat als een doodkist op de golven drijft.
Hoe moet dan wel het lot zijn van de zwakke boot op de open zee, als
al die dreigementen werkelijkheid worden en de kansen op ondergang zoo
groot zijn! Zij hebben wel gelijk, de romantische verhalen omtrent de
gevaren, die de visschers trotseeren en 't onzekere van hun terugkeer,
de schilderijen, die de vrouw en kinderen van den zeeman schetsen,
staande op de pier en bevend uitziend naar het donkere zeil, dat
nader komen wil als een vogel met gebroken vleugel. Wèl moet een
ijzeren noodzakelijkheid de schouders van die mannen drukken, een
kracht van wil moet hen in het gevaar stuwen, opdat zij de ellendige
nachten ingaan, wanneer de storm reeds aan de deuren hunner hutten
klopt. 't Is soms, alsof zij vluchten en in één slag alles op het
spel willen zetten, wanneer ze uitgaan bij een storm, die opkomt.
In die gevallen, als er meer onderworpenheid is, een fatalisme van de
dingen maar te laten gaan en aan den wal te blijven, behoeft men zulk
een thuisgebleven visscher maar te ontmoeten, om medelijden met hem
te krijgen, zooals hij daar vermoeid en haveloos en gedésoeuvreerd
rondloopt, bessen plukkend van de hagen en verdord hout rapend.
De visschers krijgen hun aandeel van de winst. Maar welk een winst is
het dan! Als men een onderzoek instelde en de lieden ondervroeg, zou
men hooren, dat de helft van de voordeelen aan den eigenaar komen van
de boot, dat de andere helft onder de bemanning wordt verdeeld, dat
de verkoopsprijzen telkens dalen, onverschillig of er veel of weinig
visch wordt aangevoerd. Parijs weet niet ten koste van hoeveel leed en
ellende en tegen welke heldendaden de moedige strijders aan de kusten
elken dag de tafels in de hoofdstad van de noodige visch voorzien.
Van af kaap Toulinguet krijgt men, als men de kust volgt, spoedig de
Tas-de-Pois te zien, rotsen in zee, die altijd in de branding staan
en met schuim zijn overdekt. Ik heb ze reeds van uit een boot gezien;
nu kom ik er over land dichterbij. Ze zien er monumentaal uit, woest
en donker, met kloven, waar de zee in binnendringt en uitgeslepen
wanden, afgeknaagd door zon en regen, wind en storm. En treffend is
het, op een plateautje van één van die blokken een klein wit huis te
zien met vuurtoren en seinstation.
Het spreekt tot de visschers van veiligheid en van de tegenwoordigheid
der menschen. Toch beteekent het weinig, dat eenvoudige huisje
boven op de rots, in vergelijking met de woede van de elementen,
van den hevigen wind, die alles wegblaast, en de zee en het land kan
geeselen, die boomen uitrukt en de steenen kan ontwrichten. Het kan
haast niets tegenover de zee, die alles kan, die een kleine spleet
kan wijder maken, steenen kan doen vallen en 't geheel ineen kan
doen storten. Wat nood! Toch is die inbezitneming van grond daar
in de wijde ruimte door het kleine huis met zijn signalen en zijn
toren een soort van geruststelling. Die zwakke mast, die touwen en
die draden, al die preciese werktuigen bij den afgrond van de wateren
en de oneindigheid der ruimte wekt een denkbeeld van vooruitziendheid
en van tijdig te verleenen hulp.
Hier worden de natuurrampen voorzien; er kan gewaarschuwd worden en
gesteund. De boot, die in de verte worstelt, ziet het witte stipje
van het huis en hoort de zwijgende taal, die het tot haar spreekt,
zij mijdt de klip en de ondiepte en spoedt zich naar de haven. Ik
kan de verzoeking niet weerstaan daar boven op te klimmen, en ik heb
geen spijt van de genomen moeite. Het uitzicht over den oceaan is
prachtig en de indruk van een veilige schuilplaats wordt er inderdaad
verkregen. Het laat zich best begrijpen, dat het hier goed leven is
op deze rots. Het huis met dikke muren is zoo stevig, dat het elken
storm trotseeren kan; de luiken vóór de vensters zijn als ijzer. Men
is er als op volle zee, maar met een vuur des winters, goede boeken om
te lezen, zou het leven er aannemelijk zijn, zooals Alphonse Daudet
het vond, toen hij zijn Plutarchus las op den vuurtoren van de Iles
Sanguinaires. En dan, de zee heeft niet alleen storm en geweld; zij
heeft ook glimlachjes en bevallige momenten, en die leert men hier
goed kennen. Welk een vreugd, zijn raam te openen op die goddelijke,
bewegelijke oneindigheid!
Maar hoe wonderlijk zijn deze rotsen gevormd! Wat grillige figuren
en geheimzinnige ruimten omsluiten zij! Nadat men de golf van Dinant
voorbij is, treft men de uitgeholde en verweerde rotspartijen met
diepe holen als 't Boudoir van de Sirene, de Korrigangrotten en de
Reuzenzaal. Op de hoogte staat het kasteel van Dinant met torens en
kanteelen, men ziet er half verwoeste zalen en een intact gebleven
brug met twee bogen. De golven hebben bouwmeestersarbeid verricht,
holden den steen uit, maakten er vensters en deuren in en gaven aan
de ruïne een eigen vorm.
Altijd somberder wordt het land; er volgen kale rotsen met zandige
vlakten en andere, die steil in zee afdalen; een enkele windmolen
rijst op en schaarsche dorpjes liggen hier en daar in de plooien van
het terrein tusschen steenen en heidevelden.
Langs een weg, die voerde naar de rivier de Châteaulin en naar
Landévennec verliet ik het schiereiland Crozon. Landévennec is een
aardig stadje aan de Aulne en de rivier van Faou. Hier is weer alles
groen. Tegenover ligt het eiland Térénez en vindt men de ruïnen der
abdij, die boven de baai van Penform uitsteken, men ziet er een
steenen beeld van een monnik met een kap. De legende ziet in dit
beeld het versteende lichaam van een monnik, die om onzedelijkheid
veroordeeld was daar tot den jongsten dag te blijven staan. Hier
eindigen boven de bochten in de rivier de Zwarte Bergen, en hier
begint het Arréegebergte met de heuvels van Méné-Hom en de rotsige
kammen van Braspart en La Feuillée, opstekend boven lagere, groene
hellingen, waaruit klokketorens en kapelletjes en daken van kasteelen
te voorschijn komen.
Het landschap is hier wondermooi. De abdij van Landévennec dateert uit
de 5de eeuw; er zijn nu nog slechts enkele brokken steen overgebleven
van het antieke gebouw en dan een romeinsch portaal; maar verder is
het een wirwar van groen, een bosch van varens. Ten slotte ontdekt
men in den bijna onontwarbaren hoop enkele losse steenen, eenige
resten van zuilen, ontwrichte treden van een steenen trap en dan,
uit het groen te voorschijn komend, door klimplanten overschaduwd,
het beeld van den bisschop met zijn mantel en zijn mijter, een boek
in de hand en met gebogen hoofd daar eenzaam peinzend. Hij is niet
meer dan een brokje der natuur, gelijk aan al het andere, de mieren
en de bijen, de hagedisjes en de vogels.
Als men naar het stadje gaat, vindt men het rustig, zelfs doodsch,
maar toch wel warm en prettig levend na al die doodsche steenen. De
bretonsche stadjes zijn verkwikkend om te zien. Ze kijken u ernstig
aan en melancholiek, zoo als past voor plaatsen, die zoo dicht
zijn bij de groote droefenissen, de zee, de verraderlijke rotsen
en de groote ruimten, door den wind gegeeseld. Het leven is er
in zichzelf gekeerd, geconcentreerd, maar het heeft toch ook zijn
waarde. Komt men uit de eenzaamheid, dan geeft het loopen over het
ongelijk plaveisel een prettige gewaarwording; men staat eens stil
vóór een horlogemakerswinkel, vóór het raam van den manufacturier,
den bakker of den slager; men is blij, een kantoor te vinden van
tabak en iemand op den drempel van zijn huis te zien staan. Iemand,
die de straat oversteekt, geeft een heele afwisseling en kinderen,
die uit school komen, zijn een evenement.
En dan de marktdag, die geeft de grootste levendigheid. Het is,
of de geheele wereld met alle mannen en vrouwen en dieren, een
afspraakje heeft gemaakt, om hier en in de aangrenzende straten zich
te vereenigen. Alle producten der lieve aarde zijn er ook, vleezen,
groenten, granen, vruchten. 't Sociale leven wordt losser bij die
zorg om koop en verkoop en bij de vroolijke teugen, waarmee een koop
beklonken wordt. Als men twaalf of vijftien jaar is, en men heeft
Robinson Crusoe gelezen en houdt van dien held, zou men willen stranden
op een verlaten eiland met honden, katten en geiten, en men zou er
zelfs niets tegen hebben, nooit den trouwen Vrijdag te ontmoeten.
Op twintigjarigen leeftijd of als men vijf-en-twintig is, zou men
in de tusschenpoozen, die de strijd om het bestaan ons laat en bij
de eerste teleurstellingen en de eerste verdrietelijkheden van den
man, wel graag een hutje bouwen op de Geitenkaap, maar altijd met de
mogelijkheid, om de boot voor Brest te pakken en den trein naar Parijs.
En als men de veertig voorbij is en men heeft een zeer juiste
voorstelling van het leven te Parijs, als men den boulevard kan
missen en al het overige, dan zou men willen gaan wonen in een
bretonsch dorpje, in die complete associatie van menschen op zeer
kleine schaal. Men ontvlucht dan niet de menschen; men weet, dat ze
zoo ongeveer overal gelijk zijn, dat ze allen hun vreugde en hun leed
hebben en dat beide veel op uwe eigene gelijken. Er is dan tusschen
u en hen de solidariteit van het bestaan. En zonder weemoed zegt men
dan al diegenen vaarwel, die maar altijd willen voortgaan hun rol te
spelen, behagen vindend in den schijn van plezier en de conventioneele
conversatie.
Hoe zal ik in bijzonderheden treden over zulk een leven zonder
afwisseling? Op den drempel van een deur zit een oud moedertje te
spinnen; een jonge vrouw is er aan 't breien, alle beide zitten
op een trede, er achter staat een stoere visschersgestalte met een
pijpje in den mond. Kinderen staan te gluren naar de heerlijkheden
van een stuiver, achter een venster uitgestald. De naaister buigt
zich met het hoofd naar 't raam en trekt meteen haar draad door de
stof. De vischvrouw staat kalm te praten met de slagersvrouw. Er
gaat een processie voorbij, waarin de mannen en de vrouwen vaandels
dragen. Allen staan even stil aan den voet van een kruisheuvel. Een
oude priester zingt; de koorknapen antwoorden; menschen knielen
neer op de straatsteenen, en anderen kijken rustig toe. Er is niets
anders te zien in Landévennec, en ik acht dit ook voldoende. En dan
zijn er nog tuinen als op Crozon, tuinen, waar men lang zou willen
blijven. Die van 't hôtel, waar ik vertoef, is één groote bouquet,
zooals die van Crozon een groentetentoonstelling was. Zooals dikwijls
in Bretagne gebeurt, in de beschutte hoekjes aan de zee, die goed aan
de zon zijn blootgesteld, groeien er in de open lucht veel planten
uit het Zuiden, als araucaria's en vijgeboomen, mimosa's en eucalypten.
Ik staak hier dit mijn uitstapje; neem afscheid van mijn koetsier,
die mij nu al verscheiden dagen voortrolt. Men kan hier niet anders
reizen dan zoo per rijtuig. Wie alleen per spoor wil gaan, krijgt
slechts de steden en haar omstreken te zien, of de enkele dorpen,
die aan de lijn liggen. 't Is beter, de groote wegen te volgen,
de ernstige wegen met de stijgingen, die naar den hemel schijnen op
te voeren, de plateaux, van waar men op eens de heele aarde meent te
kunnen overzien, en de dalingen, die u pardoes in een groene wildernis
te land doen komen. Men moet daarvoor te voet gaan, of in een rijtuig
met een stevig en bevriend paard.
In zoo'n ouderwetsche kales of berliner zit men gemakkelijk, niet
al te zacht en niet al te hard en ziet alles langzaam defileeren,
rotsen, bosschen, moerassen, gehuchten, kerken, kapellen, dieren
en menschen. Terwijl het oog geniet, en de gedachten hun weg gaan,
heeft uw gezel op zijn bankje met de teugels in de hand voorzichtig
zijn paard geleid. Die beide kennen elkander bijzonder goed, en ze
hebben allebei de gewoonte, met de vreemdelingen om te gaan, die
de omstreken komen zien. Als de heer in het rijtuig, nadat men het
over den prijs is eens geworden, plaats neemt, duurt het een heelen
tijd eer er gesproken wordt. Maar bij het verder rijden ontstaat de
behoefte aan vertrouwelijkheid. Men wil worden ingelicht, of men
wil althans den schijn aannemen van belang te stellen in hetgeen
men ziet. De koetsier kent de streek; hij dient als kaart en gids,
en in de herbergen gebruikt gij samen, waar ge trek in hebt. Dan, bij
het afscheid, hebt ge een vriendschappelijk gevoel voor den man. Hij
zegt: "Tot weerziens," steekt den prijs op voor den rit en uw royale
fooi erbij, en fluit een deuntje, als hij naar zijn dorp terugrijdt,
zonder om te kijken.
Tegenover Landévennec ontmoet men, als men het riviertje de Faou
binnenvaart, het dorp Faou onmiddellijk aan het water. De kerk ligt
op den oever, en de haven is druk en levendig, doordat van hier
vruchten en groenten worden verzonden naar Brest. Het leven der
warmoezeniers laat zich nauwkeurig nagaan, terwijl twee kilometers
verder, aan den voet van het Arréegebergte te Rumengol, de legende
weer op den voorgrond treedt. De kerk, die van 1536 dagteekent, staat
onder de bescherming van Onze Lieve Vrouwe van alle Genezing. Het is
een beeld der Heilige Maagd van massief zilver, waardoor de pelgrims
worden aangelokt en waarvoor de kaarsen branden bij honderden en
duizenden. Dicht in de buurt is een bron, waar zieken en gebrekkigen
komen drinken en zich wasschen.
Het straatje van het dorp wordt aan de ééne zijde door het kerkhof
begrensd en heeft aan den overkant eenige huizen, waar voorwerpen
voor den eeredienst worden verkocht, medailles, rozenkransen,
scapulieren en prentjes. Buiten de kerk staat een altaar voor de
zielmissen, die gehouden worden op de dagen van Maria boodschap, van
de H. Drievuldigheid, van Maria Ontvangenis en Maria Geboorte. Het
is een mis voor de Zangers, geschreven door Anatole le Braz, en zoo
genoemd ter herinnering aan de gelofte aan koning Grallon gedaan
door de H. Maagd, die, om zijn ziel te troosten over de misdaden,
door zijn dochter Ahès begaan, beloofde een geslacht van zangers te
doen geboren worden, die vroolijkheid zouden brengen in de wereld,
waar de moordenares van zooveel menschen rouw en schrik verspreid
had. Zoo zijn de laatste bretonsche barden op den heuvel van Rumengol
de klacht komen uitzingen van Plac-hik Eûssa in tegenwoordigheid van
een groote menigte, die over zee en over land was toegestroomd.