's Zomers gaat het; maar er zijn niet velen van hen die een lapje

grond bezitten en een koe, om naar de wei te brengen. 's Winters

doen ze bovenmenschelijke pogingen en wagen hun leven dikwijls te

vergeefs. Als onder regenluchten de zee vijandig is en doodsch, droomen

zij misschien van een blauwe zee, die glimlacht in den zonneschijn

en die hen mogelijk liefderijker voeden zou. Het schijnt, dat de

schuiten niet zóó ingericht zijn, dat ze ten allen tijde en voor

alle vangsten kunnen dienen. De menschen zouden daar, als de geest

van initiatief over hen kwam en zij met sleur en gewoonte braken,

misschien beter eraan toe zijn.

Er wordt hier veel aan kustvangst gedaan; geen verre tochten

worden ondernomen om walvisschen en kabeljauwen als in Paimpol en

elders. Vloten van kleine visschersschuiten steken in zee, elk met

drie man bemand, één aan de touwen, één aan 't roer en de derde

aan de netten. Ieder seizoen brengt andere visch, en men moet dan

't juiste oogenblik weten te kiezen. Sardines en haringen, die zich

in enorme massa's vermenigvuldigen, trekken in schoolen van soms 10 à

12 KM. lengte. De sardines, die met gedroogde kabeljauweieren worden

gevangen, komen aan de fransche westkust meestal in de maand Mei. Soms

gaan ze heel in de verte voorbij en komen dichtbij Spanje en Afrika. De

haringen zijn nog veel grilliger; ze zijn nu eens hier, dan daar; in

't begin van 't jaar in de Noordzee, dan op de noordelijke kust van

Schotland, later in de duitsche zeeën, en eindelijk in de laatste

maanden van het jaar in het Kanaal.

Men kan de haringschoolen aan verschillende teekenen onderkennen,

vluchten zeevogels volgen ze onafgebroken; er stijgt een eigenaardige

geur uit op; zij jagen golven op, als 't water volkomen stil en effen

is, en eindelijk nog kan men des nachts de aanwezigheid der visschen

aan de lichtende strepen als van vuur herkennen, want de dieren zijn

sterk phosforesceerend. Evenals voor sardines en de meeste andere

visch van kleine of middelmatige grootte, wordt het net bij de vangst

gebruikt. Men gaat er bij voorkeur des nachts op uit, en de lantaarns

aan lange stokken gebonden achter aan de schuiten, dienen mee als

lokmiddel. De netten van groote afmeting, verzwaard met steenen

of met stukjes lood, hebben mazen van ongeveer twee centimeters,

waarin de visch met de kieuwen verward raakt, zonder zich te kunnen

bevrijden. Het net wordt uit het water getrokken met behulp van

kaapstanders, en de visschen worden in vaten gelegd in lagen, die

door zout worden vaneen gescheiden.

Makreelen en veel andere vischsoorten, die men ten alle tijde in de

hallen en op de markten vinden kan, als rog en schelvisch, spiering,

tarbot, paling, tong e. a. worden het geheele jaar door aan de kust

gevangen, maar die vangst is het voordeeligst in Mei, Juni en Juli. De

zalm wordt aan de kust gevangen in den winter en bij de monding

van rivieren in den warmen tijd, want die visch, die zuiver water

van een zekere temperatuur behoeft, verandert in den tijd der dag-

en nachteveningen van verblijfplaats; hij overwintert in de zee en

komt in 't voorjaar 't zoete water zoeken. Hij wordt met eenvoudige

netten gevangen, en in rivieren ook wel met lijnen of in fuiken.

Bretagne is al van ouds beroemd als een visschersland. In de 15de eeuw

brachten dezelfde visschen, die nu nog gewild zijn, ook reeds vooral

niet minder op. De haring, de sardine, de makreel, de schelvisch, de

steur waren overvloedig, en de groote heeren, vertegenwoordigers vaak

van den hertog, namen aan de vischvangst deel. De opbrengst behoorde

van rechtswege aan den heer. De visschers kregen er een matig deel

van. Versche visch was zeer gezocht. Zoodra de vloot in een stad

aan de kust aan wal was, kwamen de burgers en de opkoopers, maar

het grootste deel van de vangst moest bij gebrek aan vervoermiddelen

worden gezouten en gedroogd, 't geen den landheer ten goede kwam.

Vooral in Januari en Februari deden de groote fransche heeren uit

Nantes en uit Saint-Malo hun inkoopen met het oog op den vastentijd

en 't carnaval. Dank zij het gemakkelijker vervoer is tegenwoordig

versche visch het meest gewild, maar men moet toch ook conserveeren

met het oog op slechte vischseizoenen, op perioden van storm, als

de booten in de havens moeten blijven en op tijden van hooge zeeën,

als men te vergeefs de wateren afzoekt.

Ondanks de onzekerheid gaat het bedrijf van vader op zoon over. De

kinderen zouden wel voor andere ambachten kunnen worden opgeleid;

maar de dadelijke behoefte aan hulp en de hereditaire neiging zijn

het sterkst en winnen het altijd. Zij nemen, als zoovelen, de schaduw

met het licht, en al is in de slechte tijden de kast wel eens leêg,

geen nood, dan worden de rantsoenen verkleind, en de visscher, die uit

zijn aard zorgeloos is, gaat voort, in goede tijden het verdiende

op te maken zonder voor den slechten tijd te sparen. Hij zegt:

"Een stuiver, aan den wal verdiend, is beter dan tien stuivers, op

zee gewonnen; want die van den wal kan men bewaren, maar de tien van

de zee ziet men altijd verdrinken." De onzekerheid van het bestaan

werkt wel tot die opvatting mee. Waartoe te sparen? Maar er zijn

wel uitzonderingen. Sommigen stellen er een eer in, hun eigen schuit

te hebben en niet meer in natura huur te moeten afstaan van iedere

vangst. Zij vermijden dan de herbergen en sparen; er heerscht in

hun woningen orde en netheid en ten slotte wordt de nieuwe schuit,

hun eigene, in zee gelaten; de droom is verwezenlijkt.

Wat nooit uitblijft, zijn de stormen. Jaar op jaar en telkens weer

gaan er schepen te niet. Als de storm voorbij is, geeft de tot rust

gebrachte zee de lijken van diegenen, die zij heeft gedood, terug. In

het dorp zijn er plaatsen ledig in de huizen van de visschers, en in de

haven ontbreken schuiten op 't appèl. Dagelijks gingen de vrouwen naar

het strand, maar vloed en eb, die staag elkaâr vervingen, ze brachten

geen bericht van leven of van dood den vrouwen en den kinderen, die

morgen weduwen en weezen zullen zijn. Dan op een dag vindt men een lijk

onder tegen de rotsen en de overblijfselen van een schuit. De visschers

dragen hun makker naar het kerkhof; de witte muts wordt bedekt met

een rouwsluier en de anderen helpen de ellende dragen. Maar niemand

uit een vloek of toornt op het lot en de geestelijke, die den doode

met wijwater heeft besprenkeld en op het graf een latijnschen psalm

heeft uitgesproken, zal kunnen denken, dat hier onderworpenheid is aan

een hoogeren wil en heilige aanbidding van een geheimzinnige hand,

die slaat. Misschien, maar het is ook aan een zeer reëele macht,

dat de arme visschers onzer kusten zich onderwerpen. De god, dien

zij vreezen en aanbidden, die hen voedt en hun den dood brengt naar

believen zijner wreede grillen, is de onmetelijke Oceaan, de zee,

waarmee zij zoo vertrouwelijk zijn en die zoo onbegrijpelijk is, die

nu eens zingend lief hen wiegt en dan zijn schuim hun in 't gezicht

slaat of hen tegen rotsen te pletter slaat. Voor dien god richten

zij kruisheuvels op aan den rand van steile kapen, voor hem hangen

zij ex-voto's in de kerken, nemen ze aan processies deel rondom het

dorp, de schrik, vermengd met liefde, dien zij voor hem voelen maakt,

dat zij godsdienstige zinnetjes in de cognossementen van de kapiteins

inlasschen, dat ze visschersschuiten onder de bescherming stellen

van den naam eens martelaars.

De nabijheid van het groote slagveld, de zee, moest dezelfde

gevoelens van dankbaarheid en vrees doen ontstaan, als de oude,

zwervende volksstammen op de hooge plateaux van Azië gevoelden voor

den strijd tusschen den nacht en het licht, vandaar de godsdienstigheid

der visschersvolken.

Zoo waar is deze opvatting, dat als de visscher tusschen zijn kerk en

de zee geplaatst wordt, hij niet zal aarzelen. Des Zondags juist als

andere dagen gaat hij uit ter vangst, let op de lucht en 't water en

geeft niet om de waarschuwende, klagende tonen van de kerkklok, noch

om de vermaningen van den pastoor, die machteloos is, de vluchtende

booten terug te houden, wanneer ze met gezwollen zeilen als gulzige

meeuwen wegvliegen. Dat komt, omdat men hier, als elders, den strijd

om het bestaan aanvaardt als iets noodzakelijks. Wat geeft het, of wij

praten over de onverbiddelijkheid van 't lot, het toeval der geboorte

en de onverwachte rampen? De zee is daar en biedt haar levenden buit

aan handen, die hem zullen kunnen grijpen en werpt als lokmiddelen

de heerlijke schaaldieren op het strand en krabben en garnalen,

en zeewier, waar matrassen mee kunnen gevuld, en andere wieren,

waarmee men de velden kan bemesten.

En verderop heeft zij nog banken en schoolen van visch met zilveren

schubben; doch slechts na een nacht van vischvangst staat de zee

die af en laat een mensch zooveel verdienen, dat hij eten heeft en

zich kan kleeden. Dus gaat men er op uit in de stevige schuit, die

door de zeilen vlug wordt meegevoerd. Bij de terugkomst trekken de

vrouwen en kinderen mee de schuit op het strand, lossen den inhoud,

halen het anker op. 't Gaat altijd op dezelfde wijze. En nooit denken

de mannen uit Camaret en Douarnenez, Audierne en Concarneau er over,

hun lot te veranderen; zij droomen niet van een zekerder en veiliger

bestaan, dat niet zóó vol is van gevaren.

Zij gaan naar zee en keeren telkens er weer heen terug. De zee is

een groote verleidster, die hem voor altijd en geheel bezit, en

hen niet loslaat. Ze weten, dat het bed dezer forsche echtgenoote

ook hun graf zal worden. Ze zijn door den regen gedrenkt en door de

windstooten half gestikt; ze hebben in de golvenafgronden gekeken en

ze hebben het gevoel gehad als bij een strijd van man tegen man met de

watermassa's, die op hem afkwamen, en die soms even terugweken, als

om een aanloop te nemen, om dan met verdubbelde woede weer te komen,

en als een troep wilde dieren zich op de ranke schuit te werpen,

haar schuddend en duwend en bijtend, terwijl de wilde winden zeilen

en touwen scheuren en mensch en schip gedreven worden in de richting

van den moordkuil bij de rotsen, onder het water wreed verborgen.

Welnu, wat is dat nog! Dat alles vergeet men weer. Wanneer de zee zingt

met al haar golven, als ze trilt onder den zonnekus, dan luistert

men toch telkens weer naar de zoete lokstem, en de boot gaat vlug

te water; de visscher zoekt het ruime sop. En daarom ook gaan na

een ramp de weduwe en de oudste zoon opnieuw aan 't zeilen naaien,

teren weer de booten, boeten trouw de netten en verbinden alle wonden

van de schuit. De knaap, die heer en meester op de schuit geworden

is, zal weer het leven en den dood gaan zoeken op de plek, waar de

meesten van de hunnen zijn gevallen. Hij zal niet trachten zich te

onttrekken aan de algemeene wet. Zijn intreê in het leven is in een

register geboekt; zijn dood zal mogelijk geheel obscuur zijn en geen

sporen zullen ervan blijven in de boeken van den burgerlijken stand.

't Is niet slechts een enkele maal, dat ik aan 't strand der zee een

oude vrouw stijf voor zich uit heb zien staren, met gerimpeld gelaat

en droge oogen, een vrouw met een witte muts, al wachtend maar op

het verschijnen van een zeil aan den horizon. Dit is geen valsche

gevoeligheid. 't Is alles het gewone in de drama's van de zee.

De vrouw van den visscher, wachtend op haar man, is geen romantische

figuur, gemakkelijk onderwerp voor een schilderstuk. Men kan haar zien

in werkelijkheid, als booten ginder met de winden vechten. Soms heeft

ze een kind op den arm en een tweede aan de hand, juist als men ziet

op platen. Het weêr moet wel zeer slecht zijn en haar angst zeer groot,

als zij zich waagt naar buiten uit haar huis, om 't einde van den storm

te kennen en omtrent 't lot der booten ingelicht te worden. Gewoonlijk

blijft ze thuis, bezig steeds en toch geduldig. Zij zorgt voor de

kinderen en het land, breit, kookt den avondmaaltijd voor den man,

die op zee is. Natuurlijk, het leven, dat men op zich heeft genomen,

eischt het; het heeft aan ieder zijn taak aangewezen en men verricht

die, zonder er verder over te praten.

De visscher gaat en sleept zijn netten mee, hijscht de zeilen

en verdwijnt achter de golven in den morgenzon of op den donkeren

avond. De vrouw blijft te huis, tusschen het vertrek en de terugkomst

steeds met hetzelfde werk vervuld. Zij heeft geleerd, de kansen op

een goeden afloop te berekenen. Zij weet aan de geuren in de lucht en

de richting van den wind, aan de kleur van den hemel, hoe het met de

booten, die bij vloed vertrokken, is gegaan. Zij weet zonder kaart

en kompas, dat alles geregeld gaat, of dat er gevaren dreigen. Dan

gaat ze uit in het geluid van den beginnenden storm, als de atmosfeer

loodkleurig is en zwaar hangt op het strand. Zoo doen dan alle vrouwen

uit het dorp, want ze hebben allen dezelfde waarschuwingen ontvangen

tegelijkertijd door wat er om haar heen was. De slechte voorteekenen

hebben allen getroffen en allen laten ze zich ook geruststellen door

teekenen, die op een goeden afloop wijzen.

Onder de stedelingen, die elk jaar een zeebadplaats bezoeken, en er

eenige weken of maanden blijven, zijn er velen, die niets bespeuren

van het leven der visschers en hun gezinnen. Zij kennen slechts het

strand en de baden, de wedrennen en roeiwedstrijden, 't casino en de

lieve zee, het lied der golven en de overvloed van licht en lucht. Men

moet hun vertellen, dat na de zoete zomers en de laatste mooie dagen

van den herfst, het alles hier verandert, dat de zee gaat toornen,

en dat de visschers een harden strijd te voeren hebben met den wind

en 't water, die de zwakke scheepjes dikwijls meester blijven. Als

de wandelaars en toeristen dan het volgend jaar terugkeeren met de

mooie dagen, zijn er weduwen en weezen dichtbij de plek, waar op het

elegante strand de dames wandelen in haar lichte zomerkleeding. Zij,

die alleen de glimlachjes der zee kennen, doen goed, als zij dan

medelijden toonen en helpen om, zooveel zij kunnen, te herstellen wat

de woedende buien van den storm en de fel booze zee bedorven hebben.

Aan zulke dingen denk ik, terwijl ik rondzie langs de straat, die

naar een schaduwrijken weg geleidt, en langs een andere, voerend naar

de kerk. Er is veel drukte en beweging; men maakt zich gereed voor

een langen tocht om sardines en makreelen op de kust van Schotland

te verschalken. De gansche bevolking van mannen en vrouwen is in de

weer, vervoert manden en sleept netten. En juist op den dag, toen ik

dien uittocht zag, was de vangst voordeelig, maar niet te voordeelig,

't geen ook kan, en het geval was in 1888, toen men de sardines als

mest moest verkoopen tegen een stuiver de duizend!

De drukte beperkt zich niet tot Douarnenez, gaat aan den eenen kant

tot aan Tréboul, aan den anderen tot Ploaré, een groep huizen om een

mooien klokketoren, in zekeren zin een voorstadje van Douarnenez. Het

slaat vier uur. De school gaat uit, en bijna onmiddellijk vullen

de straten zich met kinderen, een woelige, bewegelijke, babbelende

en gesticuleerende menigte. Ik heb, geloof ik, nog nooit zooveel

blauwe oogen bij elkaâr gezien. Kleine jongetjes gelijken al op

groote visschers, en kleine meisjes zijn heel duidelijk zusjes van

die ouderen, van wie Sully-Prudhomme gezegd heeft:

Te Douarnenez, het aardige stadje

Wint meisjesharten slechts, dat vat je,

Wie met haar spreekt de taal des lands.

De taal des lands is hier bijzonder levendig. In het heele gebied,

dat Quimper tot middelpunt heeft, verschilt de taal veel van die,

welke men spreekt te Morlaix en te Saint-Pol-de-Léon, en vooral de

manier van spreken geeft aan iemand, die haar plotseling te hooren

krijgt den indruk, of men met een ander ras te doen heeft. Het slepende

en zachte, de uitgerekte toon, als voor een elegie geschikt, heeft

hier plaats gemaakt voor iets korts en afgebrokens. De stem vat

moedig de zinnen aan en zegt ze kort en bondig. Dat is zoo sterk,

dat een eenigszins lang verhaal, op die manier gezegd, haastig, maar

met scherpe afscheidingen, 't effect maakt van te worden gelezen of

in een snelle redevoering te worden uitgesproken.

Als men daarbij bedenkt, dat de lach der vrouwen, zooals ik dien heb

gehoord in het huis van de Vier Winden, veel voorkomt, en rijk is

aan trillers en uithalen, terwijl de kleeding kleurig is, krijgt men

een voorstelling van een opgewekt volkje, door groote levendigheid

gekarakterizeerd.

Men zal dus niet verbaasd zijn, te vernemen, dat in den tijd van de

verkiezingen, dien ik te Douarnenez heb bijgewoond, de hartstochten

ontketend worden naar aanleiding van de nietigste incidenten van

den strijd. Ja, zelfs Parijs, met zijn vele openbare vergaderingen,

die op straat worden voortgezet bij lange nachtelijke wandelingen,

met het vuur van de arbeiderstemperamenten, Parijs is werkelijk

niet actiever dan dit eenvoudige visschersdorp. De geesten tintelen

van belangstelling bij het denkbeeld van strijd van twee partijen,

die elkaar te lijf zullen gaan, waarbij er een overwinnaar en een

overwonnene zullen wezen.

Allen worden dadelijk door een zeker vechtinstinct vermeesterd, en

de vreedzame strijd met het stembiljet wordt gekruid met heftige

interpellaties, haastig uitgestooten vloeken, vuistslagen, die

krachtig aankomen. Op den vooravond van den stemdag vooral is de

belangstelling groot; de visschers gaan niet naar zee, en tusschen

hen en de boeren komt het wel eens tot vechtpartijen, want de boer is

meer koningsgezind, de visscher heeft meer in zich van een republikein.

Daar ben ik te Châteaulin terug, en nu op weg naar Méné-Hom en 't

schiereiland Crozon. Het rijtuig moet stijgen, en weldra voelen wij

de scherpe lucht der hooge plateaux, maar gedrenkt met regen. Bij een

korte periode van helderheid onderscheid ik vaag in de verte de groote

bocht van de baai van Douarnenez en de sombere, vooruitspringende

kapen. Een oogenblik doet zich dicht in mijn buurt een strand

van blonde duinen voor, omzoomd met smallen zilveren rand. Dan

sluit de nevel alle uitzicht af. Het gaat nog harder regenen en met

druipnat gezicht en natte kleêren, gezweept door den regen, kom ik te

Sainte-Marie-du-Méné-Hom. Ik wacht daar in het eerste 't beste huis

niet het eind van den regen af, maar slechts een kleine vermindering,

om dan in 't snel doorwandelde dorp het mooie kapelletje op te zoeken,

verder het portaal van het kerkhof en den kruisheuvel, want ik ben

hier al vroeger geweest op een snikheeten dag, tegen het einde van

den zomer. Ik herinner mij een hoeve, waar men op de plaats aan het

dorschen was en den arbeid met gelach en gezang afwisselde. Er was

daar een vroolijk en arbeidzaam volkje, en het tooneel is mij in de

herinnering gebleven met die mannen en vrouwen, op de maat bewegend

in de met zon doortrokken atmosfeer en 't blonde stof van het koren.

Vandaag ziet alles er bij den regen somber en treurig uit. Een kikker

springt in een plas; een kat sluipt langs een muur uit het gezicht. Ik

kan er dezen keer niet over denken, de helling te bestijgen van

den voornaamsten heuvel, den Méné-Hom, een groep van verschillende

hoogten met lange lijnen en zacht oploopende hellingen. De grootste

hoogte bedraagt slechts 330 M.; maar ik herinner mij, dat het tooneel,

van daar boven af gezien, zeer treffend was, toen ik op dien zonnigen

dag de korte bestijging ondernam door 't bloeiende, droge heidekruid

en de steenen, terwijl op de warme, gespleten aarde insecten gonsden

en hagedissen genoten van het zonnetje.

Vóór mij lag het schiereiland Crozon, dat de baai van Douarnenez

scheidt van de reede van Brest, twee even prachtige uitgestrektheden

water, verschillend van vorm, de baai van Douarnenez ruim, rond en

wijd open tusschen kaap du Raz en de Geitenkaap, de rede van Brest

onregelmatig, bijna met een ingang als de hals eener flesch, waarin

de rotsen van Plougastel vooruitspringen. Ik heb dat alles in een

schitterend licht bij blauwe lucht gezien, gelijkend op een oostersch

landschap. Dezen keer zou ik niets te zien krijgen door den nevel,

en ik ben op 200 M. even ver als op 330, wat betreft 't zien vallen

van den regen.

Dus zet ik in het regenweêr mijn reis voort, van alle dingen afgesloten

door de fijne, grijze buien. Maar men moet niet naar Bretagne gaan,

als men niet van regen houdt. Hij heeft toch ook een zekere eentonige

bekoring, geeft rust van zonneglans en scherp geteekende kleuren en te

duidelijk omlijnde vormen. Hij hult het alles in een waas, dat haast

onzichtbaar is, zoodat men zich afvraagt, of er regen valt of dat de

mist voortschuift over alles. Hij schept een geheimzinnige ruimte,

waarin de vormen langzaam zichtbaar worden en waarin men raden moet

naar de figuren van de heuvels en de boomen, de huizen en de weinige

voorbijgangers.

Hij is daarbij de toovenaar, die geuren wekt uit het gebladerte en uit

den grond, en 't is een genot, den frisschen reuk van 't groen op te

snuiven en van de aarde, waartusschen zich de scherpe zoutlucht van

de onzichtbare zee doet gelden. Aan alles echter komt een eind; ook

in Bretagne aan den regen. Toen lag daar langs den weg, die uitloopt

op Crozon, een wazig, frisch landschap, dat er als gewasschen uitzag,

en men heeft er alles, wat op de nabijheid van den Oceaan wijst, paden

van wit zand, droog gras, pollen wier en kleine, blauwe klokjes. 't

Kasteel ligt op de hoogte, en veel gebouwen omsluiten er een groot,

met boomen beplant binnenplein. In den omtrek is de grond zoo goed

als onbebouwd, en men ziet in 't kale landschap slechts windmolens,

die draaien en die dus toch doen denken aan tarwe of rogge, haver

of gerst. De grootste werkzaamheid wordt op de zee getoond, en voor

het levensonderhoud is men aangewezen op de sardinevangst, een hoop,

die dikwijls wordt teleurgesteld.

Behalve de kerk met een mooi altaarblad, zijn er hier geen monumenten

of curiositeiten te vinden. Trouwens er zijn dagen, waarop men er

niet goed toe komen kan, beeldhouwwerken, snijwerk en schilderstukken

te bewonderen, waarop 't bekijken zelfs een lastig en vermoeiend

werk is en men alles eender vindt en alles vervelend. Dat is beslist

onrechtvaardig, maar het is een gevoel, dat door vermoeidheid ontstaat,

en 't beteekent alleen, dat men goed gedisponeerd moet wezen, om van

kunstwerken te genieten.

Een reiziger behoeft echter zijn stemmingen en gevoelens niet te

verbergen, en ik beken volmondig, dat ik vandaag, liever dan de

gloriedaden te bestudeeren van de helden en de heiligen op het

altaarstuk, mijn rustige oogenblikken slijten wil in den tuin van

het hôtel, waar ik ben afgestapt. Zoo'n tuin is een wonderding;

er gaat zulk een heerlijke, versterkende rust van uit. Men kan er

alleen zijn en voelt zich toch omringd van leven; aan alle kanten

groeit en bloeit het, en ik kan van harte mijn bewondering schenken

aan de frissche bladeren van de voorjaarsgroenten en aan de door bijen

bezochte bloemen. Ieder perkje is een wereld van vormen en kleuren,

een intieme wereld, een eenheid op zich zelve. Er zijn prachtige

groepen boomen, schaduwrijke laantjes, en de frissche zeebries blaast

door deze mooie décors en liefkoost den geheelen tuin.

Nu trekt de zee mij aan, maar ik moet bekennen, dat toen ik er langs

een aardigen weg heenging, ik nog den stillen tuin betreurde, dien ik

had verlaten. Ik stap aan zee werkelijk in een echt parijsche wereld,

want ik vind er huizen, precies als in de voorsteden van Parijs,

die op een leelijke manier de ernstige, donkere huizen van het land

vervangen. Het strand is wit en frisch en bekoorlijk. Men wordt,

als men uit het gebied der donkere, bebouwde aarde en van het zware

groen komt, als verblind door die stranden van wit zand, geborduurd

met het golvenschuim der rustige, kalme zee.

In Midden-Bretagne De Aarde en haar Volken, 1904 · 第 4 / 8 段