van La Rochejaquelin en van Charette in witte buizen van bokke- en
schapevel en hoeden met breede randen. De meeste menschen hier zijn
kalm en rustig, maken niet meer bewegingen dan noodig is en blijven
stilletjes bij hun vee staan. Komt er een kooper, dan wordt de koop
met weinig woorden gesloten. De kooper betast het dier, ziet het in
den bek, doet eenige korte vragen. De verkooper antwoordt en wacht
af. Enkelen echter zijn demonstratief, worden opgewonden, houden
redeneeringen en trachten te overtuigen. De opgewondenheid houdt aan;
bretonsche opgewektheid doet zich eindelijk gelden, loskomend na het
ontbijt met koffie, appelwijn en glazen brandewijn, die telkens een
koop bezegelen. De herbergen en hôtelletjes doen geuren van gebraad en
sterken drank opstijgen. Maar over alle détails ligt de bekoring van
den arbeid, en in het mooie licht van den namiddag ligt het dal der
Aulne in de zomerzon. De aarde met haar oogsten en groene velden is
de achtergrond voor dit menschendrama van verwachting en bezorgdheid,
van belangen en van aandoeningen.
In de omliggende straten is ook nog markt. Hier ligt aardewerk
uitgestald op den grond, en kleedingstukken worden er geëtaleerd met
katoentjes en wollen stoffen. Een vrouw, die liedjes verkoopt, heeft
een kring van menschen om zich heen; zij declameert op treurspeltoon
het laatste dichterlijke voortbrengsel van een locale beroemdheid. 't
Gaat in veertig coupletten over de ramp van Martinique. Hier hebt
ge de reizende krant van straat en kerkplein. Men moet wel denken,
dat zulk gezongen nieuws nog reden van bestaan heeft in Bretagne,
want er staat een menigte om de zangeres, een leelijke oude vrouw,
heen, en later koopt er ieder een liedje. De muziek trekt in de eerste
plaats, en dit lijkt op den kring, dien de liedjeskoopman in Parijs
om zich verzamelt, als hij 's avonds nieuwe romances leert aan de
vrouwen uit de voorsteden, die in een kring om hem heen staan. Maar
hier is het ook om 't feit van den dag.
Men denke eraan, dat er vandaag te Châteauneuf-du-Faou menschen zijn
gekomen, die nooit een krant lezen, die in hun hutten leven in de
meest afgelegen uithoekjes der streek, midden in het veld, ver van alle
stadsgeruchten, zelfs ver van 't kleinste, stilste, diepst ingeslapen,
doove en stomme stadje. Zulke geïsoleerden vangen zoo nu en dan
onderweg eens een woordje op over wat er elders gebeurt. Ik geloof wel,
dat zij hebben hooren spreken over de ramp van Martinique, en ik heb
al gezegd, dat de uitbarsting van de Montagne Pelée een punt van groote
belangstelling was in Bretagne. Maar juist over zoo iets willen ze dan
graag bijzonderheden hooren, en het verbaast mij niets, dat ze daar
staan in dichte gelederen, met ernstige gezichten en starende oogen,
geen woord verliezend van 't verhaal der schrikwekkende gebeurtenis.
De kerk en de kapel van Châteauneuf zijn enkel de moeite waard door
het mooie landschap, waarvan zij deel uitmaken. Ik trok erdoor en kwam
tegen den avond te Pleyben. Hier ben ik op bekend terrein. Dikwijls
ben ik te Pleyben geweest, want het ligt op een plateau, waar veel
wegen samenkomen, zooals die naar Morlaix en naar Quimper, naar
Châteaulin en naar Carhaix. Ik ga in de richting van Châteaulin,
maar eerst wil ik hier nog weer het groote marktplein zien met de
onregelmatige rijen huizen eromheen. De markt is een der grootste
uit Midden-Bretagne, en ik zou hier wel eens een kermis of een groot
feest willen bijwonen. Nu tref ik het niet, want ik zou geen grooter
tegenstelling kunnen vinden met de drukte in Châteauneuf-du-Faou als
nu ik hier in de eenzaamheid uit het rijtuig stap.
Toch is er nog wel eenig leven. Een paar kinderen houden elkander bij
de hand en enkele silhouetten bewegen zich langs de huizen of staan
in de deuren. Ik zie, hoe hier en daar gordijnen worden opgetrokken,
en door de winkelramen kijken de nieuwsgierigen den vreemdeling na. Die
belangstelling is verklaarbaar, en zulke kluizenaars hebben het recht
een reiziger goed op te nemen. Ze zouden nog wel meer kijken, als ze
vermoedden, dat die vreemdeling komt om hen te bekijken, indrukken
op te doen over de décors van hun leven, en gewaar te worden wat hij
kan over hun bestaan en hun gedachten.
Wat ik steeds duidelijker inzie, is, dat het leven van zulke
dorpsmenschen en dat, wat in gehuchten en in kleine stadjes wordt
geleefd, lang niet zoo doodsch is als men op 't eerste gezicht geneigd
is te gelooven. Vooreerst zijn er dezelfde groote gebeurtenissen
als in de groote steden, gebeurtenissen, die verband houden met het
overal gelijke fond in 't lot der menschen en in hun gevoelens. Overal
heeft men de hoop der jeugd, de liefde, het gezin, de geboorte en
de opvoeding der kinderen. Alom kent men de ziekte, den ouderdom
en den dood. En 't overige, waarlijk, dat overige is bijzaak. Een
boer heeft het even druk als een fabrieksarbeider of een ambtenaar,
en als hij er over ging nadenken, zou hij zijn velden ver verkiezen
boven de stad en de opsluiting in een fabriek of op een kantoor.
Wat den handelsstand betreft in kleine stadjes en in dorpen, die
behoeven niet zoo groote werkzaamheid aan den dag te leggen als de
leiders van de grootindustrie en den groothandel en de directeuren van
internationale handelshuizen. Maar toch, die groote chefs, ze zijn te
tellen. Ook in Parijs zijn een massa kleine provinciale winkeltjes. De
beteekenis hangt maar af van de belangstelling. De winkeliers van
Pleyben kunnen ook hun slimheid en vernuft aan den dag leggen, als
zij katoentjes verkoopen en wollen stoffen, ijzerwerk en koloniale
waren. De dagen zijn hun volstrekt niet te lang. En bedenk dan, dat
van elke zeven dagen van de week er één een Zondag is, een dag van
genoegen en rust en een goed soort van verveling; dat er verder de
marktdagen zijn, terwijl men op de vijf overige dagen, als men wil,
de markt in de omliggende dorpen kan bezoeken. Zulke overdenkingen
houd ik op de groote markt van Pleyben en in de paar winkels, waar ik
binnenga, om een praatje te houden met winkeliers en winkeliersters,
die mij zeer verstandig en opgewekt en snaaksch voorkomen. Ze vertellen
mij onder meer van kleine zwarte mutsjes van zeer antiek model, die
nog gedragen worden en die ik dan ook op de kopjes van verscheiden
kleine meisjes zie. Er worden veel van die mutsjes te Pleyben gemaakt,
van de eenvoudigste af tot de meer sierlijke van fluweel en zijde.
En Pleyben heeft nog een aantrekkelijkheid, een dubbele zelfs, de
kerk en den kruisheuvel. De kerk, een gothisch gebouw, heeft drie
torens en mooie geschilderde ramen van 1564. De kruisheuvel dagteekent
van 1650, en is de laatste der in Bretagne gemaakte kruisheuvels. De
personen zijn gekleed in costumes uit de 16de eeuw, maar toch staat het
jaartal 1650 met den naam van den bouwmeester, Yves Ozane uit Brest,
op de Avondmaalstafel.
Voor mij was het van veel belang, dat het fraaie kunstwerk in de
schoonste harmonie was met de omgeving en met het uur van den dag. Op
het groote plein nam in de schemering alles een grijze tint aan en
de regen dreigde. Er stond nu niemand meer in een winkeldeur, en de
oude kruisheuvel werd als iets levends, nu hij daar zoo eenzaam lag,
een soort van klein theater, waar de lijdensgeschiedenis van Jezus
werd gespeeld. Ik meen de steenen beeldjes te zien bewegen, en hun
armen en beenen gaan op en neer, als waren het marionetten. Maar 't
is alleen de vochtige lucht en de nevel, die zulk een fantastisch
aanzien aan alles geven, dat men beweging meent te zien. Ik laat
hen bij hun voorstelling; ze zullen geheel alleen zijn 's avonds en
's nachts, en ze zullen voortgaan met hun drama zonder publiek en
zonder sterrenlicht ook, alleen waarschijnlijk onder de begeleiding
van een flinke stortbui.
Het is zoo goed als nacht, toen ik te Châteaulin kom; maar ik heb de
mooie bocht van de rivier meenen te onderscheiden, met de witte huizen
van Port-Launay zich spiegelend in het water, en ook zie ik de blauwe
kleuren van de vroegere leisteengroeven, die op de stad neerzien. Van
avond komt er hier geen regen. 't Is een heerlijk zachte avond. De
maan schittert aan een hemel zonder wolken. Châteaulin lijkt mij
nog stiller dan Pleyben. De ligging van de stad, gebouwd op beide
oevers van de Aulne, tusschen twee muren van heuvels, is liefelijk
en rustig; alles is in 't plaatsje netjes en afgewerkt, rechtlijnig
en goed onderhouden. 't Hôtel is zeer groot en nog al donker, maar
ik heb een goede herinnering bewaard aan de tafel en vooral aan het
onvergelijkelijk dessert van aardbeien van Port-Launay, het dorpje,
dat wij bij een bocht van de rivier zagen liggen. "Ze zijn nog beter
dan die van Plougastel", zei een gast tot mij, toen ik hem van mijn
voorliefde sprak voor die vruchten, die zoo prachtig waren, wit en
rood en frisch en geurig en stevig en zeker pas waren geplukt. Daar de
aardbeien uit Plougastel, die ik kende als uitstekend, niet present
waren, beijverde ik mij net als mijn buurman, om aan de aardbeien
van Port-Launay de voorkeur te schenken.
In weinig woorden is de historie van het stadje verteld. De eerste
inwoner van Châteaulin was, naar men zegt, de heilige Idunet, die
een hermitage op den heuvel bezat. De kluizenaarshut werd vervangen
door een klooster aan de overzijde der rivier, en bij het klooster
voegde zich later, in de tiende eeuw, de vesting. In de 12de eeuw
was de stad het tooneel van twisten tusschen den vicomte du Faou en
den graaf van Léon, maar daarna bleef het rustig tot den strijd der
Ligue en het doortrekken van plunderende benden. Dat is alles.
Het voorkomen van het stadje is stil en vreedzaam; 't is, of het geen
andere bezigheid heeft dan zich te spiegelen in het water. Behalve de
beweging van enkele booten en schepen is er bijna niets te doen. De
leisteengroeven, die vroeger beroemd waren, hebben, zoo wordt mij
gezegd, veel van hun beteekenis verloren. Twintig jaren geleden
herinner ik mij, dat er in zake die groeven veel te doen was in de
plaats; maar nu bespeur ik daar niets van. Ze schijnen thans geen
ander doel te hebben dan de stad te overschaduwen met hun zwarte
en blauwachtige donkere kleuren. Maar men moet niet afgaan op den
schijn. Dit kalme stadje is niet dood, want het is uiterst helder
en zindelijk en wekt gedachten aan orde en welvarendheid. Het is het
eerste stadje geweest, dat electrisch licht had in Bretagne, 't geen
op een geest van initiatief wijst onder het stille uiterlijk. Maar 't
voorkomen van een plaats wisselt sterk en hangt af van den dag, waarop
de reiziger er komt. Ik ben er zeker van, dat het er druk en aardig kan
zijn op sommige feestdagen en bij vergaderingen of op marktdagen. Als
't stadje al haar levendigheid bestemt voor de uren, waarop het die
kan gebruiken, doet het goed; laat het dan verder maar uitrusten.
Thans is het een rustdag en ik loop ongeveer in mijn eentje langs de
350 meter kade aan de Aulne. Op de schepen zelfs zie ik niemand. Ik
word ten slotte beu van al die stadseenzaamheid en zoek de eenzaamheid
van het vrije veld. Ik behoef dan maar voort te loopen langs den
rechteroever der rivier, die drie kilometer verder op Port-Launay
aanloopt. Dit is een prettige wandeling en men moet altijd Châteaulin
aanvullen met dit andere plaatsje, dat 838 meter kade heeft en
waar de waren van Châteaulin verscheept worden. Zoo wordt de rust
van de stad verklaard; de rivier werkt voor haar, en ze doet dat te
Port-Launay. Daar kunnen schepen van 150 ton aanleggen, beter dan te
Châteaulin. Er wordt vooral met Brest handel gedreven. Men kan die
stad per stoomboot bereiken. Daarheen gaan de leien en 't gevogelte,
de groenten en de aardbeien. "Maar verlaat Port-Launay vooral niet,
mijnheer, zonder den viaduct van den spoorweg te hebben gezien."
Ik heb al de haven bekeken en de kerk en de fontein, en alles heeft
mij aangenaam aangedaan. Ik kan begrijpen, dat menschen uit Brest
en van elders hier buitenpartijen geven, want men heeft opgemerkt,
dat ook menschen van buiten nog schik hebben aan buitenpartijen
ergens anders heen dan bij hen thuis. Het komt er maar op aan, zich
te verplaatsen, en dat is inderdaad voor den mensch noodig. Ik heb
dus al, wat ik daar noemde, gezien en ik wil den viaduct nog wel gaan
bekijken. Daarvoor moet ik den weg langs de rivier nog drie kilometer
verder volgen. Dat doe ik, en ik kom bij de beroemde spoorwegbrug,
die haar beroemdheid verdient. Zij is, om het precies te zeggen, 375
meter lang, 50 M. hoog en bestaat uit twaalf bogen van 22 M. wijdte. Ik
heb geen spijt gehad van de wandeling, want al is de schoonheid van
een kunstwerk hier niet aanwezig, er is een andere, geheel nieuwe
schoonheid, en men moest wel blind zijn, als men die niet opmerkte,
en wel dwaas, als men haar niet hoog stelde. Hier is menschenwerk, vol
kracht en gratie en schoone harmonie. Zij, die een viaduct als dezen
hebben ontworpen en uitgevoerd in dienst van de betere en snellere
gemeenschap der menschen onderling, deden een nuttigheidswerk, dat is
zeker, maar toch mogen zij artisten heeten, omdat ze een sierlijken
en een passenden vorm voor hun conceptie wisten te vinden. Ze worden
wel eens beschuldigd, dat ze 't landschap met hun bruggen ontsieren;
maar dat is een gemeenplaats. Men moet liever zeggen, dat zij er een
nieuw element van schoonheid aan toevoegen.
Natuurlijk moet men met deze "verfraaiingen" niet al te kwistig zijn;
maar daar, waar zij in een behoefte voorzien, ontsieren ze in geen
enkel opzicht. Wat een landschap leelijk maakt, zijn vuile, armoedige,
sombere woningen, waar menschelijke ellende huist in vuil en slijk en
ongezonde lucht. Toch zijn er reizigers genoeg, die zulke huizen kunnen
bewonderen. Ze zien daarin iets schilderachtigs, een "ick en weet
niet wat", dat het "doet" in een landschap. Zij zouden er voorzeker
niet willen wonen, want ze kunnen hun modern huis in 't geheel niet
missen met zijn waterleiding, gas, electrisch licht en afvoer van
vuil, met al het comfort en de hygiëne. Daar hebben ze gelijk in,
maar dan moeten zij het ook niet al te natuurlijk vinden, dat anderen
in krotten wonen, waarvan zijzelven een aquarel kunnen maken. Ik geef
de voorkeur aan den viaduct, die het verkeer vergemakkelijkt en de
welvaart verhoogt. Ik bewonder den kruisheuvel, als hij aan de eischen
van de kunst voldoet; maar ik vraag tevens vrijheid, om den viaduct,
de locomotief en den goederentrein te bewonderen.
Gedurende mijn verblijf te Châteaulin, van waar men uitstekend in
alle richtingen uitstapjes kan doen, besloot ik, naar Douarnenez te
gaan en dat deel van Finistère beter op te nemen. Ik weifel tusschen
den spoorweg en een rijtuig en kies ten slotte het laatste. Gelukkig,
want nu werd ik bijna 200 M. de Zwarte Bergen opgevoerd, van waar ik
de geheele streek kon overzien tot aan de zee, vóór ik bij het dorp
Cast kwam. Dit zijn de hellingen van den Menez-Gueltas, begroeid met
heide en varens, waartusschen eenige beekjes ritselen.
De wind voert mij de zeebries toe uit de baai van Douarnenez, en
terwijl ik daal langs de met vruchtboomen bezette heuvels, stuit ik
vóór ik Cast bereik op lage moerassen, die een scherpe tegenstelling
vormen met de vruchtbare streken. Te Cast gaan wij het kerkportaal
bezien met de vele beelden, en achter de kerk vindt men op een muur
nog sporen van oud beeldhouwwerk.
Te Locronan zag ik met genoegen het groote marktplein terug met zijn
huizen uit de 17de eeuw, de massieve kerk uit de 15de eeuw en haar
dikken toren met balustrades, het kleine kapelletje en zijn mooien
klokketoren. Die decoraties van Locronan zijn prachtig, stevig van
bouw en met mos begroeid. De hoofdpersoon hier is een heilige Renan,
wiens graf in de kerk van Locronan wordt aangewezen. Waarschijnlijk is
hij een voorvader geweest van Ernest Renan. Hij moet als kluizenaar een
groot deel van zijn leven op een berg hebben doorgebracht. De heilige
Renan trok elken dag om den berg heen, op welks top hij zijn kluis had,
en droeg een bel in de hand, ter waarschuwing als hij voorbijging. Nu
en dan speelde hij zijn rol van beschaver, gaf aan de bewoners uit
de buurt les in de kunst van linnenweven, en van dien tijd af namen
linnen zeilen de plaats in van de dierenvellen, die men aan de masten
van de schepen heesch. Dat traject van vier mijlen rondom den berg
leggen nu de pelgrims af bij hun jaarlijksch bezoek op den 2den Juli
en bij de groote bedevaart, die alle zeven jaren plaats heeft. De weg,
dien de processie aflegt, is die, welken de beide ossen volgden, toen
zij voor een kar gespannen waren, waarop het lijk van den heiligen
Locronan lag en hun eigen weg mochten gaan. Zij trokken om den berg,
waarop de raderen van de kar hun indrukselen nalieten. Alle pelgrims,
die tot een getal van 40000 komen opdagen, meenen, dat het pad ten
hemel leidt.
Terwijl ik te Locronan vertoef, kan ik geschikt aan de kust
Plonévez-Porsay bezoeken, om de kapel der H. Anna te zien. De bewaker
is een pachter uit de buurt. Hij maakt de deur voor mij open en wijst
het granieten beeld der H. Anna, goed beeldhouwwerk uit de zestiende
eeuw. Ex-voto's hangen aan de wanden, krukken, wandelstokken en
lappen stof. De laatste Zondag van Augustus is de dag, waarop men
hierheen gaat ter bedevaart. De dag tevoren is die der bedelaars,
die dan niet weer mogen terugkomen.
De verhalen omtrent de heilige van deze kapel hebben de
eigenaardigheid, dat ze Jezus Christus tot een echt kind van Bretagne
maken. Luister maar. Anna was uitgehuwelijkt aan een boozen heer,
die kinderen verfoeide en er geen wilde hebben. Anna werd mishandeld
en op een avond door haar echtgenoot weggejaagd, toen deze bemerkte,
dat zijn vrouw moeder worden ging. De arme vrouw verliet het kasteel
Moëllieu en trok naar de zee, waar ze een licht zag verschijnen. Het
was een door een engel bestuurde boot. Zij nam er in plaats en voer
lang en ver, tot ze eindelijk in Judaea aan land ging; waar ze de
Maagd Maria ter wereld bracht.
Zij kwam op dezelfde wijze in Bretagne terug, werd er met groote
vreugde ontvangen, omdat men geloofde, dat zij de macht had, de
golven tot rust te brengen en de zieken te genezen. Jaren en jaren
na haar terugkeer kreeg zij bezoek van haren kleinzoon Jezus, die
kwam om haar zegen af te smeeken, vóór hij het Evangelie prediken
ging. Jezus liet op verzoek zijner grootmoeder een bron springen,
waarbij de kapel werd gebouwd, die een schuilplaats zou worden voor
zieken en ongelukkigen. Toen Anna stierf, zocht men overal te vergeefs
naar haar stoffelijk overschot; men vond het eerst vele jaren later
in zee, waar er zich een korst van schelpen op had afgezet.
Van Locronan naar Douarnenez gaat een weg direct naar de baai, langs
het bosch van Névet, 't kasteel Coz-castel en het gehucht Kerlaz,
welks klokketorens boven de geheele omgeving uitsteken. De streek is
prachtig en schaduwrijk, en plotseling heeft men dan den bekorenden
aanblik van de baai van Douarnenez, die geheel open vóór ons ligt. Over
het talud van den weg ziet men uit op de wijde uitgestrektheid der zee,
door de kust omsloten; men ziet de rotsen van Morgat in de verte en
de kapen Bellac, Talagrip en Trefuntec. Douarnenez ligt vrij beschut
links in het verste hoekje van de baai, met het eiland Tristan als
golfbreker, terwijl de kust dan verder met een kleine afwijking naar
het Zuiden tot kaap Raz doorloopt. Bij mooi weêr en blauwe lucht,
als de zee ook blauw is en het zilveren schuim der golven schittert
in de zon, zou men niet gelooven, dat men in het ruwe Armoria,
't land van Bretagne is, de streek van regen en nevel, maar aan de
kusten van een italiaansche of grieksche zee.
De boomen met hun afgeronde toppen groeien bijna tot den rand der
golven, werpen schaduw op het witte zand van het strand, en men gaat,
als 't ware, instinctmatig zoeken op een in zee vooruitstekende punt
naar de sierlijke en regelmatige vormen van een marmeren tempel,
opgericht ter eere van de macht der goden en van menschelijke
heldendaden.
Ik heb hier vroeger lange vacanties doorgebracht, dichtbij, daar aan
den kant van den weg in het huis der Vier Winden, dat terecht dien
naam droeg. De kamer was heerlijk, met het venster dat op de zee
uitzag, en mijn werkhokje was niet minder prettig. Het grensde aan
de groote kamer en was geheel met hout beschoten, terwijl het door
een klein venstertje ook op de zee uitzag. Veel meer dan een hut kon
men het niet noemen; voor niets anders was er plaats dan voor een
tafel, een stoel en mijzelven. Maar de zee, zij was dichtbij, en ik
heb er den Oceaan gezien in allerlei tinten en schakeeringen en met
duizenderlei uitdrukking, groen, blauw, lila, grijs, verguld, rood,
glimlachend, teeder, liefkoozend, somber, plechtig, boos, woedend,
al zijn gratie toonend of al zijn toorn uitend.
Mijn hut schudde soms als een boot in volle zee, maar 't huis van
de Vier Winden was stevig gebouwd achter zijn aarden walletje, en
de stormen deden er geen kwaad aan. Er was trouwens geen weêr zóó
slecht, dat het mijn kostvrouw en haar dochter somber maken kon. Ze
waren beide luchthartige zielen, en ik heb nooit ergens zoo hartelijk
hooren lachen. Ook van dat lachen schudde het huis. Ik hoorde het
telkens en telkens van beneden opklinken naar boven; het drong door
alle deuren en deed de ruitjes van het kleine venster rammelen.
Ik bracht in mijn hokje lange uren door. Ik was toen bezig
met een boek, dat l'Enfermé getiteld was en ik was zelf een
opgeslotene van mijn onderwerp, daar levend als een gevangene in
zijn cel en de gevoelens van mijn held begrijpend door mijn eigen
gewaarwordingen. Maar de eenzaamheid was geen stilte. Ik schreef
steeds tusschen het eentonige, heerlijke geluid der zee, welker
golfjes fluisterend braken op het strand, en het geluid van 't lachen
mijner dienende geesten, dat ook altijd voortging als de rijzende en
dalende zee. Toch moet ik erkennen, dat die vroolijke schepseltjes
ook smart kenden, want ik hoorde op enkele avonden 't geluid van
tranen, dat den klank van 't lachen had vervangen, en ik kon niet,
zooals ik eerst gedacht had, de herinnering meenemen van een woning,
waar men altijd lacht.
Ik was, zooals men zal begrijpen, niet onophoudelijk de gevangene
van mijn werk. Ik brak er wel eens uit en deed tochtjes op zee en
landwaarts in. In een boot heb ik de kust bekeken, ben om de Geitenkaap
gevaren en heb de hooge rotsen van de Tas de Pois bezocht. Achter
het huis wandelde ik tot diep in het Juchbosch, waar ik nu en dan
onder de mooie boomen den een of anderen ouden boer ontmoette,
in antieke kleedij met grijze linnen broek, blauwe kiel en kleinen
ronden hoed. Ook op de rotsen liep het goed over de lage planten en
het heidekruid, dat met zijn rose bloemen uitnoodigde tot rusten,
terwijl het voetpad der douane geheel rondom de prachtige baai liep,
en iemand noopte om bij elke honderd schreden rond te kijken. Maar
dat alles is naast Douarnenez. Ik moet wat van de stad vertellen.
Want het is een stad, Douarnenez, niet meer dan een eenvoudige
kantonnale hoofdstad; zij telt omstreeks 12000 inwoners
en is gebouwd op een rots aan de monding der rivier Pouldavy
tegenover 't kleine eiland Tristan, waar men een fabriek heeft voor
sardinebereiding. Douarnenez is inderdaad als zooveel andere plaatsjes
een zeehaven, die bekend is om haar sardines. Er lag in oude tijden
op het eilandje een klooster, dat door den roover Fontenelle werd
ontruimd, waarna hij zich er vestigde. Hij bleef er drie jaren,
ofschoon er door het garnizoen van Brest pogingen werden gedaan,
om hem de plaats te doen ontruimen.
Volgens de overlevering zou het eiland Tristan zijn naam gekregen
hebben naar een der helden van de Ronde Tafel. Nu ruikt het er in
de straatjes sterk naar visch, en aan ridderverhalen wordt men niet
herinnerd. Aan 't eind van ieder straatje ziet men de zee, en in de
haven liggen booten op het strand of zijn er voor anker gelegd, terwijl
er voortdurend zeilen geheschen en gestreken worden op vertrekkende
of thuiskomende schepen. Zeelui loopen overal rond op klompen, die
zwaar en dof hun stappen doen klinken en dragen manden met visch of
sleepen netten achter zich aan.
Ook vischvrouwen ziet men veel, naar de fabriek gaande of ervan
terugkeerend, en kinderen gaan òf al mee naar de fabriek òf leeren
de vischvangst. Hier als elders wordt veel leed geleden, waarvan de
terugslag soms zelfs in Parijs gevoeld wordt. Er heerscht ellende,
wanneer de schoolen van sardines schaarsch zijn, of de vangst te
wenschen overlaat, wanneer de prijzen laag zijn, die aan de fabrieken
worden betaald. De menschen kennen hier de werkeloosheid en 't gebrek
en den honger.