Saint-Fiacre en Sainte-Barbe opzoeken. De eerste is in 't Zuiden op
den weg naar Quimperlé. Men kan daar een koor zien van 1440, met een
fries, waarop tooneelen voorkomen uit de Reinaertsage en aan den kant
waarvan de beelden staan van de Heilige Maagd, Johannes den Dooper,
Gabriël, Adam en Eva, terwijl men er tooneelen ziet gebeeldhouwd uit
het werkelijke leven, voorstellend de zonden, als diefstal, gulzigheid,
woeker, spel en dans.
De Sint-Barbarakapel ligt naar het Noorden en is door een
dwarsstraatje, dat naar buiten leidt, vrij spoedig te bereiken. Eerst
heeft men rondom zich de eenzaamheid, waarin men slechts 't gezang
der vogels en 't gegons van de insecten hoort, en daarna bestijgt
men den heuvel met het kleine plateau boven de Ellé. Daar staat
een kruis met een laag huisje ernaast, dat ik binnentreed. Een oud
boertje met een zacht, naïef gezicht, waarboven een ronde hoed,
begroet mij op den drempel. Hij is gekleed in een kort buisje met
wijde broek en laat mij binnen in een vertrek, waar een vrouw in
een bedstede ligt te kreunen. Zij wendt den bezoeker een vermagerd
gelaat toe, waarin koortsoogen schitteren en mompelt een paar woorden,
door de hijgende ademhaling afgebroken. "Het is niets," zegt de oude,
"ze heeft kou gevat, ze is verkouden," en hij laat mij binnen in een
tweede kamer, waar twee weefgetouwen staan. De oude gaat weer aan het
werk. Tegenover hem is een jongen bezig. Beiden doen zij de spoelen
heen en weer vliegen tusschen de draden door, en ik ga er even bij
zitten, om naar hen te kijken. Zij gaan voort met hun eentonig werk,
dat begeleid wordt door het gedreun van den weefstoel. Ik onderscheid
tusschen de regelmatige geluiden der machine een anderen klank,
een ruw gesnork en een gekraak, alsof er iets gemalen wordt. In een
donkeren hoek der hut liggen een zwarte en een witte koe en zijn op
een hoop stroo aan het herkauwen. Zij blazen en kauwen en vullen de
kleine ruimte met hun dierlijke warmte en hun zware ademstooten. Dit
is hier stal en werkplaats; 't bescheiden, nederige werk bij de
voedsterdieren van den mensch. Meer zou een schilder uit den ouden
tijd niet hebben noodig gehad, om er de decoratie in te zien van
de voorstelling eener Heilige familie, de Maagd, de oude Jozef en
't kind Jezus. Wever of schrijnwerker, daar zou niet veel verschil
in zijn geweest voor den naïeven kunstenaar, en hij zou de kribbe
van Bethlehem hier zeer goed hebben kunnen plaatsen.
Als ik aan de wevers mijn wensch te kennen geef, om de Barbarakapel
te zien, staat de oude op, neemt een aan den wand hangenden sleutel
en noodigt mij uit, hem te volgen. Een varken staat op van het gras
en loopt achter ons aan, al zwaaiend met het staartje en de ooren
bewegend. Tot aan den klokketoren, op vier steenen palen tegenover de
hut rustend, vergezelt het dier ons. Er hangt hier onder het afdak
een klok, die door de pelgrims wordt geluid op den dag der heilige
Barbara. En als men voorbij den klokketoren is, krijgt men iets
bijzonders te zien. Op de steile helling van den heuvel, die naar de
Ellé afdaalt, staan een menigte huizen met trappen en balustrades en
een steenen brug, welker stoute boog van de eene rots naar de andere
gaat en naar een eerste kapel leidt, de Sint-Bernardskapel op een
vooruitstekende rotspunt.
Daar beneden gaapt de afgrond, en de oude Jozef toont mij met
zachten glimlach ijzeren ringen, die rondom aan de buitenmuren zijn
vastgeklonken. Dit is voor een spel, het spel der ringen, dat door
de flinke jongens van het land gespeeld wordt, die er een genoegen
in vinden op feestdagen langs die ringen rondom het gebouw zich te
bewegen, hangend boven de ledige ruimte, of terwijl zij hun handen
om de ronde ijzers vastklemmen, met de voeten eenigen steun te zoeken
in de gleuven van 't gesteente.
"Er zijn wel eens ongelukken gebeurd," zegt de oude; "eens op
een keer was een ring losgeraakt, en de jongen viel in de diepte
tusschen de steenen en het groen, die gelukkig zijn val braken,
zoodat hij er met lichte wonden afkwam." Ik ga weer over de steenen
brug, om het tweede kapelletje te bereiken, dat aan Sint-Barbara
gewijd is. Niets interessants daar binnen. Wat eenigszins verrast,
is de bouwtrant van het mooie gebouwtje, dat al van 1489 dagteekent,
en dat op een platform ligt aan den rand van een kloof, boven de
Ellé, die op honderd meters diepte als een woeste bergstroom voorbij
vloeit. De ruimte is maar zoo klein, dat men onmogelijk het altaar
aan de smalle zijde kon aanbrengen, om het naar christelijken ritus
aan den oostkant te plaatsen, maar dat men het heeft moeten zetten
aan een der lengtezijden van het kapelletje.
Wie heeft het heiligdommetje daar laten inrichten, alsof het was, om er
een weddenschap mee te winnen? 't Moet volgens de legende een ridder
zijn geweest, die op de jacht was in de kloof, en die overvallen werd
door een onweêr. De storm wierp steenen neer van de hoogte en groote
rotsblokken. Hij deed toen een gelofte, een kapel te zullen oprichten
voor de heilige Barbara op de plek, waar een enorm stuk rots zou
blijven liggen, dat naar hem toe kwam rollen. Het blok hield stil,
en op dat punt werd de kapel gebouwd. Ik verlaat dit duizeligmakend
punt niet dan nadat ik langen tijd van het natuurlijke terras heb
uitgezien over het schoone heuvellandschap met zijn groote lijnen en
zijn fraaie tinten. Ik klim den klokketoren op en keer tot de wevers
en hun toestellen terug, tot de beide koeien en de zieke vrouw.
Van Le Faouët begeef ik mij naar Gourin door een zeer mooi land,
dat in zijn stijgingen en dalingen al duidelijk laat zien, dat we
't gebied der bergen naderen. Maar Gourin zelf verschaft niet de
voldoening, die ik mij voorstelde te vinden in zijn ligging op de
zuidelijke helling van de Zwarte Bergen, en ik denk al, dat ik er een
vrij vervelenden avond zal moeten slijten, en dat nog wel in een tijd
van 't jaar, waarin de avonden zoo lang zijn. Daarom onderwerp ik mij
maar, bij gebrek aan beter, aan de comedie van de table d'hôte. Dat
is een eentonig blijspel, hoe aangenaam men zich ook kan bezighouden
met de menschenstaaltjes, die men er onder de oogen krijgt met hun
gezichten, waarop pose of nieuwsgierigheid of kijfzucht staat te lezen,
alsof de menschen vreesden, niet hun deel te krijgen van het zout en
't brood. Ik weet al zeker, dat ik er grappenmakers zal vinden, die
gemakkelijke intrigetjes beginnen met ongelukkige dienstmeisjes;
maar de table d'hôte maakt nu eenmaal deel uit van het reizen;
't is een tooneelspel, dat alle dagen wordt opgevoerd.
Laat ons eens den troep bekijken. Dit zijn de acteurs, waarvan ik er
één ben. Twee jonge menschen, habitués, of die er voor willen doorgaan,
want zij zien 't meisje, dat hen bedient, met onbeschaamdheid aan. Het
kind is mooi, te mooi zelfs, en niet wijs genoeg waarschijnlijk,
want ze luistert met een halven glimlach en ook een beetje bewogen
en ontroerd naar de banale en ruwe woorden dier twee onbeduidende
jongens. En die daar binnenkomt, is zeker een man van beteekenis,
want hij doet luid de deur open en laat een onderzoekenden blik gaan
over de weinige personen, die aan den disch zijn gezeten. Dan komen
er twee heeren van datzelfde genre en dezelfde deftigheid, die op de
eerste plaatsen gaan zitten. Alle drie praten ze te zamen, alleen met
elkander, en zij hebben gelijk, want wat ze vertellen interesseert
niemand dan enkel menschen, die ervan houden om aan een table d'hôte
voor wat bijzonders door te gaan.
Wat verder een nog vrij jong paartje. De dame is treurig en bleek
en schijnt aan hartzeer te lijden. Zij drinkt enkel water en maakt
rolletjes van haar brood, waarvan zij niet eet. Zij en hij zijn, wat
men welopgevoede menschen noemt, want zij praten niet en gebruiken
heel weinig. Bij hen een heer, die weet, dat men alleen spreekt
bij het dessert. Maar zal hij dan wat zeggen? Ook nog een oude,
brommige heer, die vindt, dat alles slecht is, jaloersch is op het
deel van zijn buurman, er over klaagt, dat hij slecht bediend wordt
en zich daarbij wendt tot den heer tegenover hem. Deze beantwoordt het
vertrouwen met de mededeeling, dat de table d'hôte niet te vergelijken
is met den familiedisch, waar de man en echtgenoot en vader, enfin,
het hoofd van het gezin, altijd het eerste wordt bediend en recht
heeft op de beste stukjes.
Dichtbij hem zit een jonge, blonde, bleeke man en zwijgt, eet tamelijk
veel en staat vóór het einde op. Hij heeft geen mensch aangekeken,
zelfs niet het aardige dienstmeisje, dat toch dikwijls naar hem
keek. Dan nog een paar, een heer en zijn vrouw, die, steeds door,
eten en lachen zonder te letten op de omgeving. Daar tegenover twee
correcte heeren met snorren, niet meer innemend dan hun eigen plaatsen,
niet 't deel verorberend van den buurman, kalm en gereserveerd,
maar niettemin toch steeds bereid, om 't olie- en azijnstel aan te
reiken. Dat zijn engelsche reizigers, en zij maken den aangenamen
indruk van welopgevoede menschen onder al dit vulgaire. Ik kan er niet
aan doen, maar, hoewel ik er trotsch op ben een Franschman te zijn
als ieder ander, toch doet het goed, hen aan te zien. Men voelt wel,
dat het "ieder voor zich" hun leus is, maar zij vallen niemand lastig,
reizen voor hun genoegen en niet om anderen te vervelen.
Eindelijk is het dîner afgeloopen. De bedoelde heer heeft aan het
dessert niet anders gepraat, dan om voor de tweede maal kaas te
vragen. Het vrij jonge paar staat op om naar hun kamer te gaan, naar
't schijnt, om daar uit te schreien. De beide onbeduidende jongens
blijven in de gang met het dienstmeisje praten. De notabiliteiten
begeven zich plechtig naar het café van het hôtel. De oude brommige
heer staat op, zonder iemand goeden dag te zeggen. Het lachend paar
gaat elders zijn gegrinnik voortzetten. De Engelschen begeven zich
naar hun eigen kamer, om daar de thee met whisky te gebruiken en hun
correspondentie af te maken. De eetzaal wordt gesloten. De maaltijd
van de muizen gaat beginnen.
Maar niet alleen de table d'hôte, die er al is als overal elders,
geeft mij een minder prettig idee van Gourin. Een maaltijd is spoedig
gebruikt, als hij u verveelt; en men gaat elders heen, om wat anders te
zien en afleiding voor den geest te hebben. 't Is echter Gourin zelf,
dat mij verbaast als een wanklank op deze reis dwars door Bretagne,
waar zulke fijne, rijke genietingen te vinden zijn. Gourin is zwart,
heelemaal leelijk zwart. Ik zoek tevergeefs naar de reden voor dien
indruk. Het is, of de regen koolteer op de straten heeft gegoten,
en of men de muren der huizen, de deuren en de binnenvertrekken
en zelfs de menschen daarmee heeft bestreken. Men moet wel denken,
dat de Zwarte Bergen door den regen zijn opgelost en nu in al hun
zwartheid door het dorp vloeien.
Ik kan mij niet voorstellen, dat ik in Bretagne ben, maar geloof
mij in de nabijheid van een industriestad uit het Noorden, dichtbij
de steenkoolmijnen. Er moeten ook in Auvergne dorpen wezen, die er
zoo uitzien, maar neen, de natuur in Auvergne heeft dat donkere en
dreigende van het sombere en schitterende bazalt, niet van het vuil,
dat overal op ligt als hier. Het helpt niet, of ik hier en daar loop,
door alle straten en straatjes wandel, overal krijg ik dienzelfden
indruk van rouw. Gelukkig tref ik beneden in het dorp een vroolijk
gezelschap bij den dans, zoo maar op straat bij een orgel.
Het is het slot van een bruiloft, vertelt mij in een pauze van het
bal een jonge man, met een goed gezicht en zachte, trouwe oogen,
en terwijl ik met hem blijf praten en hem zeg, hoe ik over Gourin
teleurgesteld ben, antwoordt hij, dat wezenlijk Gourin een leelijk
land is; maar dat hij er toch veel van houdt en dat hij in geen ander
land zou willen wonen, omdat het echt zijn eigen land is. Hij heeft
gereisd, is soldaat geweest en heeft ook Parijs gezien; maar hij is
met vreugde teruggekeerd in zijn groote, breede, oploopende straat,
die heelemaal zwart ziet, en de slikkerige straatjes en de smerige
huizen en, wat meer zegt, hij zal hier niet weer vandaan gaan.
Het zwarte Gourin werd bekoorlijk door dat troepje jongens en
meisjes, en als altijd was er één persoontje, dat 't geheel typeerde,
verpersoonlijkend de vreugde van allen en het mooie van dat avonduur
aan den voet der bergen. 't Was een mooi meisje met een klein, kanten
mutsje, in een zwart japonnetje en rood zijden boezelaartje met
mitaines om haar handjes. Zij is, met een tegenstrijdigheid die meer
bij jonge meisjes voorkomt, tegelijk zedig en overmoedig. Zij geeft
zich geheel aan de vroolijkheid over en houdt toch iets ingetogens en
waardigs, dat allerliefst is. Het bal duurt een heelen tijd. Eindelijk
houdt de muziek op; er wordt een laatste glas appelwijn gedronken,
en de dansers en danseressen gaan uiteen. Het meisje met het roode
schortje vertrekt als de anderen met een vriendelijken blik, die
allen schijnt te omvatten en voor 't plezier van den avond schijnt te
danken, maar die, al neemt hij de anderen tot getuige, meer speciaal
bestemd is voor een enkele. "Zij gaat de volgende maand trouwen,"
hoor ik iemand naast mij zeggen.
Den volgenden morgen vertrek ik in de vroegte. Terwijl het rijtuig in
orde wordt gebracht, heb ik nog tijd, een oude gerestaureerde kapel te
gaan zien, met lijdensheuvel en lijkenhuis en een paar oude gevels;
maar die toch niet bij machte zijn, mij een minuut langer te Gourin
te houden. Met vreugde begroet ik buiten de plaats de goede wegen,
't groen en de eenzaamheid. De weg stijgt, en langs de kale helling
van den Zwarten Berg gaat het weldra weer de lucht in. Men stijgt niet
tot groote hoogte; de heuvels blijven om en bij de 200 M.; maar de
golvingen van het terrein in 't bergachtig land zijn lang en schoon,
met plotselinge, mooie uitzichten. Hier is het stil en eenzaam; men
ziet geen torens van kasteelen en geen daken van huizen; afzondering
en geheimzinnigheid heeft men hier midden op den dag. De natuur van
Bretagne is altijd de omgeving voor een sprookje. Als zij niet het
betooverde paleis voorstelt van de Schoone Slaapster in het bosch,
ziet men er de dreigende en donkere verblijfplaats van den reus in.
Het dalen langs de andere zijde van den berg brengt mij te Spézet,
een nog al armoedig dorpje, maar dat er toch niet zoo akelig uitziet
als Gourin. Hier heeft niet alles een kleur van steenkool, maar meer
die van mest. Ik ga een huis binnen en praat er eenigen tijd met
boeren met geschoren gezichten en groote hoeden. Zooals in Bretagne
dikwijls het geval is, ziet het huisje er van binnen veel minder
haveloos uit dan van buiten. 't Is er netjes; de grond is stevig
aangestampt en goed geveegd; het hout en de koperen ornamenten van
de meubels glimmen als spiegels. 't Zijn meubels van perehout, dat
veel in Spézet gebruikt wordt, naar men mij vertelt.
Ik verlaat het gastvrij huisje, om de kapel van Cran te gaan zien,
waar mijn geleider mij volstrekt per rijtuig heen wil voeren. 't Is
maar een halven kilometer ver langs een mooien, groenen weg, waarop
we een pastoor tegenkwamen, die op een ezel zat. De ezel en het paard
wisselen al balkend en al hinnekend een groet; wij doen hetzelfde, maar
in woorden, met den geestelijke, en we bereiken enkele oogenblikken
daarna de kapel. Er is daar een aardige, grasrijke vlakte, door boomen
overschaduwd, waar men mogelijk wel dank- en bidstonden houdt, en waar
des Zondags en op groote feestdagen plaats in overvloed is voor allen,
die staande een praatje willen houden rondom de vrouwen met koekjes
en appelen.
De sleutel is bij een vrouwtje, dat naast de kapel woont, zegt mijn
koetsier. En hij gaat hem halen. Al gauw komt de man terug. De sleutel
is bij den pastoor van Spézet. Hij rustte zeker in den zak van den man,
dien wij juist zijn tegengekomen, kalm voortgaand met zijn ezeltje. De
koetsier draaft, zoo hard hij kan, terug om den sleutel. Maar hij
houdt het draven niet vol, of hij rust wat uit in een herberg, ten
minste het duurt zeer lang, eer hij terug komt.
Ik blijf alleen in de kleine, omsloten ruimte bij de kapel, binnen de
met gras begroeide muren en de hooge boomen. Ik kijk en luister. Het
is een nederig kapelletje, zonder iets karakteristieks, met grijze
muren, een klokketoren en lage deuren. Over den muur heen ligt het
landschap in de zon, velden, zoo ver het oog reikt, hier en daar
kleine menschen aan het werk, en een groote stilte over alles heen,
waartusschen ik zoo nu en dan het geruisch van een molen hoor en het
gemurmel van water. 't Is een doodgewoon aspect op zulk een reis,
als ik nu maak, en ik ben daarvoor hier gekomen, en ook om in dit
kapelletje geschilderde kerkramen te bewonderen, die men zegt, dat
zeer mooi moeten zijn.
Hoe kan ik dan de ontroering verklaren, die ik gevoel; de diepe
melancholie, die zich eensklaps van mij meester maakt, nu ik dit
zie, alleen in dit eenvoudige, vergeten land hier aan den voet der
Zwarte Bergen. Er zijn zulke oogenblikken, en ieder zal ze wel eens
hebben doorleefd, waarin het nietige van alles u overstelpt en u als
onherstelbaar treurig neerdrukt. Het is, alsof men plotseling de wereld
en het leven ziet als een illusie en een ledig, ondanks de aarde en de
velden en het groen, den blauwen hemel en de zon--een onverdragelijk,
vervelend raadsel.
Nadat ik het mooie landschap had bewonderd en de weelde van de
eenzaamheid genoten had, kreeg ik op eens dat gevoel van nietigheid,
dat ik daareven noemde. Ik ga hier niet de verschillende overdenkingen
herhalen, die mij bestormden, toen ik leunde tegen het aarden
walletje. Zij, die nog nooit iets dergelijks gevoelden, zullen mij
niet begrijpen. Zij, die het hebben ondervonden, behoeven zich maar
te herinneren, hoe hun leven zich voor hen afspeelde met al wat er
aan warmte in gloeide. Wat! Is dat alles reeds verleden en ligt daar
de toekomst, ach zoo kort maar, vóór ons! Was het de atmosfeer van dit
land, die mij zoo contemplatief en zoo ernstig maakte? Ik kende wel die
stemming van melancholie zonder droefheid, de opgewondenheid zonder
een schaduw van aberratie van den geest, die soort van verbazing,
dat men leeft, die iemand droomen doet terwijl hij wakker is, en die
u twijfelen doet aan uw eigen bestaan en aan alle andere leven.
Wat is dit landschap? Wat die gesloten kapel? En wat doe ik
hier? Waarom wacht ik op dien sleutel, die door een geestelijke bewaard
wordt? Waarom binnen te gaan in die ledige kapel? Al wat u omringt, op
zulke oogenblikken van nadenken, schijnt u nietig en onverklaarbaar. Ik
zag van een weg een zwarte koe komen, langzaam den kop heen en weer
schuddend, en daarachter een oude vrouw in dezelfde kleuren als de koe,
een oudje, versleten en zonder leeftijd, net als de tijd. Zij gingen
voorbij, zonder eenig geluid te maken, als schaduwen die opdoken in den
nacht en weer verdwenen. Toen verscheen de koetsier boven aan den weg,
altijd hard loopend, en bracht een grooten, een enormen sleutel, dien
ik uit de verte al moest zien, zoo groot was hij. Het kwam mij voor,
dat de man wel honderd jaren weg was geweest. Ik trad de kapel binnen.
Prachtige geschilderde vensters, die tooneelen uit den bijbel
voorstellen, in mooie harmonieuse figuren, van kunst en arbeid
getuigend. Verbeeldingswerk, dat de mensch met zijn onrustigen geest
niet kan ontberen. Ik heb het voorbeeld slechts te begrijpen en,
de deur sluitend, aanvaardde ik weer het leven, zooals het is.
Indien de beelden uit 't kapelletje van Cran nog niet voldoende waren
geweest, zou de aanblik van den kermisdag te Châteauneuf-du-Faou mij
wel de zoo noodige illusies hebben teruggegeven. Ik kon maar met moeite
het dorp binnenkomen te midden van een opeenhooping van rijtuigen
en voetgangers, en ik krijg niet dadelijk een juisten indruk van
Châteauneuf, dat amphitheatersgewijs gebouwd is op de hooge helling
van een heuvel boven het dal der Aulne. Ik zie nog wel de lichtende
ruimte, den hoogen hemel, het groen en op den voorgrond de huizen en
de kerk, waar een mis juist eindigt voor geloovigen, die binnen zijn,
en anderen, die buiten de deur knielen bij het kerkportaal. Maar het
tooneel is niet scherp omlijnd; het landschap vormt niet meer dan den
achtergrond van een tableau vivant, dat al mijn aandacht vraagt. De
menigte verdringt zich op den weg, die tegen den heuvel oploopt,
en in alle straten, uitloopend op het kermisterrein. Van de hoogte,
waar ik mij bevind, zie ik dat kermisterrein, druk wriemelend van
menschen en beesten, en zoo vol, dat het lijkt, of men er niet zal
kunnen tusschen dringen.
Toch komen er altijd nieuwe scharen marktgangers bij de compacte
massa, waaruit tot mij een flauw rumoer opstijgt van stemmen en
voetgeschuifel en dierengeluiden. Op mijn beurt kom ik met groote
moeite in de volte, stapje voor stapje loopend en voortschuifelend
tusschen groepen kooplieden en koopers, tusschen liggende of overeind
staande dieren. Ik ga er over van de eene tot de andere zijde van de
markt. Daar zijn alle boeren uit den omtrek bijeen, en het verbaast mij
niet, dat de velden er zoo eenzaam en verlaten uitzagen zooeven bij
de Cran-kapel. Zij zijn gekomen uit alle gehuchten, van alle hoeven,
met zich voerend het dier, dat ze geduldig hebben grootgebracht.
Die luidjes hebben geen tijd om midden in hun werk eens op te houden,
om zichzelf met nuttelooze vragen lastig te vallen, zich voor de
quaestie te stellen, wat de beteekenis der dingen is en wat de reden
van ons bestaan. Zij bekommeren zich niet om al die waaroms en die
hoe's, die ons telkens op de lippen komen en die wij toch niet kunnen
beantwoorden. Zij, levend te midden der natuur, maken deel uit van
het leven en gehoorzamen, zonder erbij na te denken aan de beweging,
die alles voortdrijft door een regelmatige opvolging van uren en
seizoenen. Misschien dat in de schemering, als de schaduwen langer
worden en de omtrekken, wazig als de witte nevelen, strijken over
de weiden in de buurt van plassen en moerassen, een van hen zich
vragen op de lippen voelt komen naar al die geheimenissen, die ons
omringen. Maar de vraag waagt het nauwelijks voor den dag te komen
en den geest lastig te vallen, die door het lichaam mee is afgetobd.
De man blijft met zijn zware schreden zijn gewonen dagelijkschen gang
gaan, hij ziet als alle dagen zijn horizon beperkt door zijn eigen
huis, zijn boomen en zijn kerk; hij ziet de diligence voorbijgaan of
hoort de spoortreinen fluiten; maar hij denkt niet verder na over
de bestemming van den mensch. Hij stapt naar huis toe, waar zijn
soep hem wacht, en dan zal hij gaan slapen dadelijk en rustig. Den
volgenden morgen, door de zon al vroeg gewekt, voelt hij zich voor
het werk gesterkt, en hij zal weer aan zijn taak gaan, waar hij die
had afgebroken. Rustig de eene inspanning op de andere latend volgen,
kalm met alle zekerheid en beslistheid, die uit sleur en regelmaat
voortvloeien, maakt hij zijn leven van minuut tot minuut, van dag
tot dag, van jaar tot jaar, langzaam en onveranderlijk als de natuur.
Het resultaat zijns arbeids, hij neemt het mee naar de markt te
Châteauneuf-du-Faou. 't Is 't varken, dat trillend van vet op zijn
kar ligt; het kalf met vier bijeengebonden pooten; de koe, aan
een touw getrokken; 't paard, dat bij den teugel wordt geleid; de
kippen en de eenden in de mand. Dat zijn de kunstwerken der boeren
en zijn bijdragen tot het sociale leven. Hij neemt daardoor deel
aan de ruiling van goederen, houdt voeling met de andere menschen,
voedt en onderhoudt de steden. Op dit marktplein, waar ik tusschen
de bezige en gehaaste groepen door loop, zie ik duidelijk vóór mij
de beteekenis van den boerenstand.
Het tooneel is bijzonder schilderachtig; het is van één land en
een enkel ras; maar tevens bezit het een onveranderlijk karakter;
't doet denken aan de kampen van nomaden, roept de geuren van de
voedende aarde ons te binnen, de groene weiden en de zwervende kudden
en den warmen stal. Hoe zal ik een tijdsbepaling kunnen geven aan het
tooneel, dat ik voor oogen heb? Ik bemerk wel, dat ik in Bretagne ben;
ik zie de gezichten, en ik hoor de stemmen. Maar welk Bretagne? Dat
van tegenwoordig, dat van honderd jaar geleden, of dat van vijfhonderd
jaren her? Het zou zeer moeilijk zijn, verschilpunten aan te geven. De
mannen en de vrouwen zijn al niet meer veranderd dan de dieren. Dit
zijn dezelfde gezichten als die men ziet op de geschilderde ramen van
de kerken en in 't beeldhouwwerk op lijdensheuvels. De Middeleeuwen
en de tijd der Fransche revolutie zijn hier vereenigd.