ELFDE HOOFDSTUK.

SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE INSEKTEN, VERVOLG—ORDE DER

SCHUBVLEUGELIGEN (Lepidoptera).

Vrijage bij de Dagvlinders.—Gevechten.—Tikkend geluid.—Kleuren aan

beide seksen gemeen of het schitterendst bij de

mannetjes.—Voorbeelden.—Zij zijn niet het gevolg van de

rechtstreeksche werking der levensvoorwaarden.—Kleuren die tot

bescherming geschikt zijn gemaakt.—Kleuren der

Nachtvlinders.—Pronkerij.—Waarnemingsvermogen der

Schubvleugeligen.—Veranderlijkheid.—Oorzaken van het verschil in

kleur tusschen mannetjes en wijfjes.—Nabootsing, vrouwelijke

Dagvlinders die fraaier gekleurd zijn dan de

mannetjes.—Schitterende kleuren van rupsen.—Overzicht en

slotopmerkingen betreffende de secundaire seksueele kenmerken der

Insekten.—Vergelijking tusschen Vogels en Insekten.

In deze groote Orde is het belangrijkste punt voor ons het verschil in

kleur tusschen de seksen van ééne en de zelfde soort. Bijna het geheele

volgende hoofdstuk zal aan dit onderwerp zijn gewijd; maar ik zal eerst

eenige weinige opmerkingen maken over een of twee andere punten. Men

kan dikwijls zien hoe verscheidene mannetjes rondom het zelfde wijfje

vliegen en haar vervolgen. Hun vrijage schijnt een langdurige zaak te

zijn; want ik heb dikwijls mannetjes bespied, die rondom een wijfje

fladderen, totdat het mij eindelijk verveelde, zonder het eind van de

vrijage te zien. Hoewel Dagvlinders zulke zwakke en broze schepsels

zijn, zijn ze toch strijdlustig, en men heeft een Irisvlinder [745]

gevangen, bij welken de punten van de vleugels in een gevecht met een

ander mannetje waren gebroken. De heer Collingwood zegt, sprekende van

de veelvuldige gevechten tusschen de kapellen van Borneo: „Zij

dwarrelen met de grootste snelheid om elkander heên en schijnen met de

grootste verwoedheid te zijn bezield.”

Er is een geval bekend van een Dagvlinder, namelijk Ageronia feronia,

die een geluid maakt, gelijkende op dat hetwelk wordt voortgebracht

door een tandrad dat onder een springhaak doorloopt en dat op den

afstand van verscheiden ellen kan worden gehoord. Te Rio de Janeiro

werd dit geluid alleen door mij opgemerkt, als twee dergelijke kapellen

elkander in onregelmatige vlucht nazaten, zoodat het waarschijnlijk

alleen wordt gemaakt gedurende de vrijage van de seksen; maar ik

verzuimde op dit punt nauwkeurig acht te slaan. [746]

Ook sommige nachtvlinders brengen geluiden voort; bij voorbeeld de

mannetjes van Thecophora fovea. Bij twee gelegenheden hoorde de heer F.

Buchanan White [747] een scherp, kort geluid, voortgebracht door het

mannetje van Hylophila prasinana, en dat hij gelooft, dat evenals bij

Cicada door een veerkrachtig vlies, van een spier voorzien, wordt

voortgebracht. Hij haalt ook Guenée aan om te bewijzen, dat Senita een

geluid voortbrengt, dat op het tikken van een horloge gelijkt, naar het

schijnt met behulp van twee groote trommelvormige blazen, in de

borststreek gelegen; en deze „zijn veel ontwikkelder bij het mannetje

dan bij het wijfje.” Vandaar schijnen de geluidvoortbrengende organen

bij de Schubvleugeligen (Lepidoptera) in eenige betrekking te staan met

de seksueele functies. Ik heb geen melding gemaakt van het welbekende

geluid dat de doodshoofduil voortbrengt; want dit wordt over het

algemeen gehoord kort nadat de uil uit de pop is gekomen. (1)

Girard heeft altijd opgemerkt, dat de muskusgeur, welke door twee

soorten van pijlstaart-vlinders (Sphinx) wordt voortgebracht, alleen

aan de mannetjes eigen is [748]; en bij de hoogere dieren zullen wij

talrijke gevallen ontmoeten, waarin alleen de mannetjes een bijzonderen

geur hebben. (2)

Iedereen heeft de buitengewone schoonheid van vele Dagvlinders en van

sommige Nachtvlinders bewonderd; en wij worden er toe gebracht om te

vragen, hoe zij deze schoonheid hebben verkregen? Zijn hun kleuren en

de zooveel verscheidenheid vertoonende teekeningen op hun vleugels

eenvoudig het gevolg van de physische toestanden waaraan deze insekten

zijn blootgesteld geweest, zonder dat daardoor eenig voordeel is

verkregen? Of hebben opeenvolgende veranderingen zich opeengehoopt, en

zijn zij ontstaan, hetzij ter bescherming, hetzij met een of ander

onbekend doel, of opdat de eene sekse aantrekkelijker zou worden

gemaakt voor de andere? En wat beteekent het daarenboven, dat bij

sommige soorten de kleuren van de mannetjes zeer veel van die der

wijfjes verschillen, terwijl bij andere soorten beide seksen op de

zelfde wijze zijn gekleurd? Voor wij beproeven om een antwoord op deze

vragen te geven, moeten wij eenige feiten mededeelen.

Bij de meeste van onze Engelsche Dagvlinders, zoowel bij die welke

schoon zijn, gelijk de Nommerkapel, de Dagpauwoog en de Distelvink

(Vanessae) als bij die welke effen zijn gekleurd, zooals de Zandoogjes

(Hipparchia), gelijken de beide seksen op elkander. Dit is ook het

geval bij de prachtige Heliconiden en Danaïden der Keerkringslanden.

Bij sommige andere groepen uit de verzengde luchtstreek echter, en bij

sommige onzer Engelsche kapellen, zooals den Irisvlinder, den

Peterselievlinder enz. (Apatura Iris en Antocharis cardamines),

verschillen de seksen hetzij zeer sterk, hetzij een weinig in kleur.

Geen taal is in staat om de pracht der mannetjes van sommige soorten

uit de verzengde luchtstreek te beschrijven. Zelfs in één en het zelfde

geslacht vinden wij dikwijls soorten, bij welke de seksen buitengewoon

sterk van elkander verschillen, terwijl zij bij andere zeer sterk op

elkander gelijken. Zoo verhaalt mij de heer Bates, aan wien ik zeer ben

verplicht, daar hij mij de meeste der volgende feiten mededeelde, en

zoo goed was dit geheele hoofdstuk na te zien, dat hij in het

Zuid-Amerikaansche geslacht Epicalia twaalf soorten kent, waarvan beide

seksen de zelfde plaatsen bezoeken (en dit is met kapellen niet altijd

het geval), en waarop daarom de uitwendige toestanden geen

verschillenden invloed kunnen hebben uitgeoefend. [749] Bij negen dezer

soorten behooren de mannetjes tot de schitterendste van alle vlinders

en verschillen zoo sterk van de vergelijkenderwijze dof gekleurde

wijfjes, dat zij vroeger tot verschillende geslachten werden gebracht.

De wijfjes dezer negen soorten gelijken op elkander in de algemeene

type van hun kleuring en gelijken eveneens op beide seksen in

verscheidene verwante geslachten welke in verschillende deelen der

wereld worden gevonden. Wij mogen daaruit in overeenstemming met de

afstammingstheorie afleiden, dat deze negen soorten, en waarschijnlijk

al de andere van het geslacht, afstammen van éénen stamvorm, die op

ongeveer de zelfde wijze was gekleurd. Bij de tiende soort behoudt het

wijfje nog de zelfde algemeene kleuring, maar het mannetje gelijkt op

haar, zoodat hij op veel minder fraaie en afwisselende wijze is

gekleurd, dan de mannetjes der vorige soorten. Bij de elfde en twaalfde

soort wijken de wijfjes af van de type van kleuring, die gewoonlijk in

dit geslacht aan haar sekse eigen is; want zij zijn sierlijk gekleurd

op ongeveer de zelfde wijze als de mannetjes, maar in iets mindere

mate. Vandaar schijnt het, dat bij deze beide soorten dus de

schitterende kleuren der mannetjes op de wijfjes zijn overgebracht;

terwijl het mannetje der tiende soort de effen kleuren van het wijfje

en van den stamvorm van het geslacht hetzij behouden, hetzij

teruggekregen heeft; in beide gevallen zijn dus de seksen, hoewel op

tegenovergestelde wijze, aan elkander gelijk gemaakt. Bij het verwante

geslacht Eubagis zijn beide seksen van sommige soorten effen gekleurd

en gelijken zeer op elkander, terwijl bij de meeste soorten de

mannetjes met fraaie metallieke kleuren met zeer veel verscheidenheid

zijn gekleurd, en veel van de wijfjes verschillen. De wijfjes behouden

in dit geheele geslacht, wat haar kleuring aangaat, de zelfde algemeene

type, zoodat zij gewoonlijk veel meer op elkander dan op de mannetjes

van haar eigen soort gelijken.

In het geslacht Papilio zijn al de soorten van de Aeneasgroep

opmerkelijk wegens haar opzichtige en sterk tegen elkander afstekende

kleuren, en zij geven een voorbeeld van de veelvuldig voorkomende

neiging tot langzame overgangen in de hoegrootheid van het verschil

tusschen de seksen. Bij eenige weinige soorten, bij voorbeeld bij P.

Ascanius, zijn de mannetjes en wijfjes gelijk; bij andere zijn de

mannetjes een weinig of zeer veel prachtiger gekleurd dan de wijfjes.

Het met onze Schoenlappers (Vanessae) verwante geslacht Junonia biedt

een bijna overeenkomstig geval aan; want hoewel de seksen der meeste

soorten op elkander gelijken en geen rijke kleuren bezitten, zoo is

toch bij zekere soorten, zooals bij J. oenone, het mannetje iets

levendiger gekleurd dan het wijfje, en bij eenige weinige (bij

voorbeeld J. andremiaja) is het mannetje zoo verschillend van het

wijfje, dat hij bij vergissing voor een andere soort zou kunnen worden

gehouden.

Op een ander treffend geval werd in het Britsch Museum mijn aandacht

gevestigd door den heer A. Butler, namelijk op een der Page’s (Theclae)

uit tropisch Amerika, bij welken beide seksen bijna gelijk en

verwonderlijk schitterend zijn gekleurd; bij een anderen is het

mannetje op overeenkomstige prachtige wijze gekleurd, terwijl bij het

wijfje de geheele bovenste oppervlakte dof effen bruin is. Onze gewone

kleine Engelsche blauwe kapellen van het geslacht Lycaena geven een

bijna even goed, hoewel minder treffend voorbeeld van de onderscheidene

verschillen in kleur tusschen de beide seksen, als de bovengenoemde

exotische geslachten. Bij Lycaena agestis hebben beide seksen vleugels

van een bruine kleur, omzoomd met kleine oogvormige oranje vlekjes, en

zijn derhalve gelijk. Bij L. aegon zijn de vleugels van het mannetje

fraai blauw, met zwart omzoomd, terwijl de vleugels van het wijfje

bruin en evenzoo omzoomd zijn, en zeer op die van L. agestis gelijken.

Bij L. arion eindelijk zijn beide seksen van een blauwe kleur en bijna

gelijk, hoewel bij het wijfje de randen der vleugels iets donkerder,

met effener zwarte vlekken zijn, en bij een helderblauwe Indische soort

gelijken de beide seksen nog meer op elkander.

Ik heb de voorgaande gevallen eenigszins uitvoerig behandeld om aan te

toonen, in de eerste plaats, dat, wanneer de seksen der kapellen

verschillen, de algemeene regel is, dat het mannetje fraaier is en het

meest afwijkt van de gewone type van kleuring van de groep waartoe de

soort behoort. Vandaar gelijken in de meeste groepen de wijfjes van de

onderscheidene soorten veel meer op elkander, dan de mannetjes. In

sommige exceptioneele gevallen waarop ik later zal wijzen zijn echter

de wijfjes schitterender gekleurd dan de mannetjes. In de tweede plaats

zijn deze gevallen behandeld om helder voor den geest te brengen, dat

in één en het zelfde geslacht de beide seksen dikwijls allerlei

overgangen vertoonen tusschen geen verschil in kleur en een zoo groot

verschil, dat het lang duurde, voor beide door de insektenkenners in

het zelfde geslacht werden geplaatst. In de derde plaats hebben wij

gezien, dat, wanneer de seksen veel op elkander gelijken, dit

waarschijnlijk een gevolg daarvan is, dat het mannetje, hetzij zijn

kleuren op het wijfje heeft overgebracht, of dat het de oorspronkelijke

kleuren van het geslacht waartoe de soort behoort, hetzij heeft

behouden of herkregen. Het verdient opmerking, dat in die groepen bij

welke de seksen eenig verschil in kleur vertoonen, de wijfjes

gewoonlijk tot op zekere hoogte op de mannetjes gelijken, zoodat, als

de mannetjes buitengewoon schoon zijn, de wijfjes bijna zonder

uitzondering een zekere mate van schoonheid vertoonen. Wegens de

talrijke gevallen van overgang in de hoegrootheid van het verschil

tusschen de seksen, en wegens het heerschen van de zelfde algemeene

type van kleuring door een geheele zelfde groep heên, mogen wij

besluiten, dat de oorzaken, welke zij dan ook mogen zijn geweest, die

de schitterende kleuren bij sommige soorten alleen van de mannetjes en

bij andere soorten van beide seksen in meer of minder gelijken graad

hebben bepaald, over het algemeen de zelfde zijn geweest.

Daar zoo vele prachtige kapellen de tropische gewesten bewonen, heeft

men dikwijls verondersteld, dat zij haar kleuren aan de groote hitte en

vochtigheid van die streken zijn verschuldigd; maar de heer Bates [750]

heeft door de vergelijking van onderscheidene nauw verwante

insektengroepen van de gematigde en verzengde luchtstreek aangetoond,

dat deze meening niet houdbaar is, en het bewijs wordt onwederlegbaar,

wanneer schitterend gekleurde mannetjes en effen gekleurde wijfjes van

de zelfde soort de zelfde landstreek bewonen, zich met het zelfde

voedsel voeden en volkomen de zelfde levenswijze leiden. Zelfs als de

seksen op elkander gelijken, kunnen wij moeielijk gelooven, dat haar

prachtige en fraai geschikte kleuren het doelloos gevolg van den aard

harer weefsels en van de werking der omringende omstandigheden zijn.

Bij dieren van alle soorten is, wanneer ook de kleur voor eenig

bijzonder doel is gewijzigd, dit, voor zoover wij er over kunnen

oordeelen, steeds geschied, hetzij tot bescherming, of om de andere

sekse aan te trekken. Bij vele soorten van kapellen zijn de bovenste

oppervlakten der vleugels donker gekleurd, en dit dient naar alle

waarschijnlijkheid om aan de opmerkzaamheid en aan gevaar te

ontsnappen. Kapellen moeten echter, vooral wanneer zij rusten, aan de

aanvallen harer vijanden zijn blootgesteld, en bijna alle soorten

richten, wanneer zij rusten, haar vleugels rechtop, zoodat alleen de

ondervlakten kunnen worden gezien. Vandaar is het deze zijde die in

vele gevallen blijkbaar zoodanig is gekleurd, dat zij de oppervlakten

nabootst, waarop deze insekten gewoonlijk rusten. Dr. Rössler was,

geloof ik, de eerste die de gelijkenis der gesloten vleugels van zekere

Schoenlappers (Vanessae) en andere kapellen op de schors van boomen

opmerkte. Vele overeenkomstige en treffende gevallen zouden kunnen

worden medegedeeld. Het meest belangwekkende is dat hetwelk de heer

Wallace [751] vermeldt van een in Indië en op Sumatra algemeen

voorkomende kapel (Kallima), die als door een tooverslag verdwijnt, als

zij zich op een struik nederzet; want zij verbergt haar kop en sprieten

tusschen haar gesloten vleugels, en deze kunnen in vorm, kleur en

aderbeloop niet worden onderscheiden van een verlept blad met zijn

bladsteel. In sommige andere gevallen zijn de ondervlakten der vleugels

schitterend gekleurd en dienen toch tot bescherming; zoo zijn bij de

Bramenpage (Thecla rubi) de vleugels, als zij zijn gesloten,

smaragdgroen en gelijken op de jonge bladeren van de braamstruik waarop

men dezen vlinder in de lente dikwijls kan zien zitten.

Hoewel de donkere tinten van de boven- en ondervlakten van vele

kapellen ongetwijfeld dienen om haar te verbergen, kunnen wij deze

beschouwingswijze bij geen mogelijkheid toepassen op de schitterende en

in ’t oog vallende kleuren van vele soorten, zooals van onze

Nommerkapel en Dagpauwoog (Vanessae), onze witte Koolvlinders (Pieris)

of den grooten Venkelvlinder (Papilio), die de open vlakten

bezoekt;—want deze kapellen worden daardoor voor elk levend wezen

zichtbaar gemaakt. Bij deze soorten gelijken de beide seksen op

elkander; maar bij den gewonen Citroenvlinder (Gonopteryx rhamni) is

het mannetje levendig geel gekleurd, terwijl het wijfje veel bleeker

is; en bij den Peterselievlinder (Anthocharis cardamines) hebben alleen

de mannetjes helderoranje punten aan hun vleugels. In deze gevallen

zijn de mannetjes en de wijfjes even opzichtig, en het is niet

geloofbaar, dat hun verschil in kleur in eenige betrekking tot gewone

bescherming staat. Desniettemin is het mogelijk, dat de opzichtige

kleuren van vele soorten haar op indirecte wijze voordeelig kunnen

zijn, zooals later zal worden verklaard, door te maken, dat haar

vijanden dadelijk zien, dat zij oneetbaar zijn. Zelfs in dit geval

volgt hier nog niet met zekerheid uit, dat haar levendige kleuren en

fraaie teekeningen voor dit bepaalde doel werden verkregen. In sommige

andere merkwaardige gevallen is schoonheid verkregen tot bescherming

door de nabootsing van andere schoone soorten die de zelfde streek

bewonen en tegen een aanval zijn beveiligd, omdat zij langs den eenen

of anderen weg haar vijanden schade kunnen berokkenen.

Het wijfje van den bovenvermelden Peterselievlinder en van een

Amerikaansche soort (Anth. genutia) vertoonen ons waarschijnlijk,

gelijk de heer Walsh mij deed opmerken, de oorspronkelijke kleuren van

de stamsoort van het geslacht; want beide seksen van vier of vijf, in

zeer ver uiteengelegen streken levende soorten zijn bijna op de zelfde

wijze gekleurd. Wij mogen hieruit afleiden, gelijk in verscheidene

vroegere gevallen, dat het de mannetjes van Anth. cardamines en genutia

zijn, die van de gewone type van kleuring van hun geslacht zijn

afgeweken. Bij Anth. sara uit Californië zijn de oranje punten ook bij

het wijfje tot gedeeltelijke ontwikkeling gekomen; want haar vleugels

bezitten roodachtig oranje punten, maar bleeker dan die van het

mannetje en ook in enkele andere opzichten eenigszins verschillend. Bij

een verwanten Indischen vorm, den Iphias glaucippe, zijn de oranje

punten bij beide seksen geheel ontwikkeld. Bij dezen Iphias gelijkt de

ondervlakte der vleugels, gelijk de heer A. Butler mij aanwees,

verwonderlijk veel op een bleek gekleurd blad; en bij onzen Engelschen

Peterselievlinder gelijkt de ondervlakte op de bloemhoofdjes van de

wilde peterselie waarop men hem ’s nachts kan zien gaan rusten. [752]

Het zelfde redeneerend vermogen dat ons aandrijft om te gelooven, dat

de ondervlakten hier zijn gekleurd ter wille van de bescherming, brengt

ons er toe om te ontkennen, dat de punten der vleugels met dit zelfde

doel oranjekleurig zijn gemaakt, vooral daar dit kenmerk tot de

mannetjes beperkt is.

Laten wij nu tot de Nachtvlinders overgaan: de meeste van deze blijven

gedurende den geheelen of het grootste gedeelte van den dag

bewegingloos met neêrgeslagen vleugels zitten; en de bovenste

oppervlakten van hun vleugels zijn dikwijls, gelijk de heer Wallace

[753] heeft opgemerkt, op bewonderenswaardige wijze geschakeerd en

gekleurd om aan de ontdekking te ontsnappen. Bij de meeste Spinners

(Bombycidae) en Uilen (Noctuïdae) overdekken en verbergen, wanneer zij

rusten, de voorvleugels de achtervleugels, zoodat deze laatsten zonder

veel gevaar levendig zouden kunnen zijn gekleurd; en zij zijn bij vele

soorten van beide families aldus gekleurd. Gedurende het vliegen moeten

nachtvlinders dikwijls in staat zijn om hun vijanden te ontsnappen;

desniettemin moeten, daar hun achtervleugels dan geheel zichtbaar zijn,

hun levendige kleuren ten koste van eenig gevaar zijn verkregen. Het

volgende feit bewijst echter, hoe voorzichtig wij moeten zijn met

hieromtrent besluiten te trekken. De soorten van het geslacht Triphaena

vliegen dikwijls over dag of in den vroegen avond rond en vallen dan

door de gele kleur harer ondervleugels zeer in het oog. Men zou

natuurlijk denken, dat dit een bron van gevaar was; maar de heer J.

Jenner Weir gelooft, dat dit haar werkelijk dient tot een middel om te

ontsnappen; want de vogels treffen gewoonlijk deze levendig gekleurde

en broze oppervlakte in plaats van het lichaam. De heer Weir bracht bij

voorbeeld een prachtig voorwerp van den Hooivlinder (Triphaena pronuba)

in zijn vogelhuis; het werd dadelijk door een roodborstje vervolgd;

maar daar de oplettendheid van den vogel zich richtte op de gekleurde

vleugels, werd de uil niet gevangen dan na ongeveer vijftig vergeefsche

pogingen, en werden herhaaldelijk kleine stukjes van de vleugels

afgebroken. Hij deed de zelfde proef in de open lucht met een

Zoombandvlinder (Triphaena fimbria) en een zwaluw; maar de aanzienlijke

grootte van dezen uil verhinderde waarschijnlijk, dat hij werd gevangen

[754]. Wij worden hierdoor herinnerd aan een mededeeling van den heer

Wallace [755], namelijk dat in de Braziliaansche bosschen en in

Insulinde vele algemeen voorkomende en zeer fraaie vlinders slechte

vliegers zijn, hoewel zij van bijzonder groote vleugels zijn voorzien,

en dat zij „dikwijls worden gevangen met doorboorde en gebroken

vleugels, alsof zij door vogels waren gegrepen, maar aan deze ontsnapt;

indien de vleugels veel kleiner waren geweest in verhouding tot het

lichaam, schijnt het waarschijnlijk, dat het insekt veelvuldiger in een

voor het leven noodzakelijk deel zou zijn getroffen of doorboord, en

zoo kan de vermeerderde grootte der vleugels op indirecte wijze

voordeelig zijn geweest.”

Pronkerij.— De levendige kleuren van de Kapellen en van sommige

Nachtvlinders zijn bijzonder ingericht om er mede te pronken, hetzij

zij daarenboven tot bescherming mogen dienen of niet. Levendige kleuren

zouden gedurende den nacht niet zichtbaar zijn; en er kan geen twijfel

bestaan, dat de Nachtvlinders, over het geheel genomen, minder levendig

zijn gekleurd dan de Kapellen die allen dagdieren zijn. De

Nachtvlinders van zekere families, zooals de Zygaenidae, verscheidene

Onrusten (Sphingidae), Uraniidae, sommige Beerrupsvlinders (Arctiidae)

en Nachtpauwoogen (Saturniidae) vliegen gedurende den dag of in den

vroegen avond rond en vele van deze zijn uiterst fraai en veel

levendiger gekleurd dan die soorten, welke een uitsluitend nachtelijke

levenswijze hebben. Eenige weinige exceptioneele gevallen van levendig

gekleurde nachtelijke soorten zijn echter opgeteekend. [756]

Er zijn bewijzen van een andere soort, wat het pronken aangaat. Zooals

boven is opgemerkt, houden kapellen, als zij rusten, de vleugels

omhoog, en slaan ze, terwijl zij zich in de zon koesteren, beurtelings

open en dicht; op die wijze stellen zij beide oppervlakten ten volle

aan het gezicht bloot; en hoewel de ondervlakte dikwijls tot

bescherming donker is gekleurd, is zij bij vele soorten toch even hoog

en dikwijls op geheel andere wijze gekleurd dan de bovenvlakte. Bij

eenige tropische soorten is zelfs de ondervlakte schitterender gekleurd

dan de bovenvlakte. [757] Bij een Engelsche Parelmoêrkapel, de Argynnis

aglaia, is alleen de ondervlakte versierd met blinkende zilveren

schijven. Als algemeene regel is echter de bovenvlakte die

waarschijnlijk het meest aan het gezicht is blootgesteld, op

schitterende wijze gekleurd en vertoont meer verscheidenheid van

kleuren dan de ondervlakte. Vandaar biedt de ondervlakte gewoonlijk aan

de insektenkenners de bruikbaarste kenmerken aan om de verwantschappen

der verschillende soorten te ontdekken. Fritz Müller meldt nog, dat bij

zijn huis in Zuid-Brazilië drie soorten van Gastnia voorkomen; bij twee

daarvan zijn de achtervleugels donker en worden altijd door de

voorvleugels bedekt, als deze vlinders in rust zijn; maar de derde

soort heeft zwarte ondervleugels, fraai gevlekt met rood en wit, en

deze worden altijd volkomen uitgestrekt en vertoond, wanneer de kapel

in rust is. Andere soortgelijke gevallen zouden hierbij kunnen worden

gevoegd.

Als wij ons nu wenden tot de verbazend groote groep der Nachtvlinders

die gewoonlijk de ondervlakte hunner vleugels niet volkomen aan het

gezicht blootstellen, dan is die zijde, naar ik van den heer Stainton

hoor, zeer zelden levendiger of zelfs even levendig gekleurd, als de

bovenzijde. Er bestaan echter eenige, hetzij wezenlijke of schijnbare

uitzonderingen op den regel, zooals die van Hypopyra die door den heer

Wormald is beschreven. [758] De heer R. Trimen meldt mij, dat in

Guinée’s groot werk drie nachtvlinders zijn afgebeeld, bij welke de

ondervlakte het schitterendst is. Bij de Australische Gastrophora is

bij voorbeeld de bovenvlakte van den voorvleugel grijsachtig

okerkleurig, terwijl de ondervlakte versierd is met een kobaltblauwe

oogvlek (ocellus), op een zwarten grond geplaatst, die door oranjegeel,

en dit laatste door blauwachtig wit wordt omringd. De levenswijze van

deze drie nachtvlinders is echter onbekend, zoodat geen verklaring van

den ongewonen stijl, volgens welken zij gekleurd zijn, kan worden

gegeven. De heer Trimen meldt mij ook, dat de ondervlakten der vleugels

bij zekere andere Spanners (Geometrae) [759] en vierdeelige Noctuae,

hetzij meer geschakeerd of levendiger gekleurd zijn dan de

bovenvlakten; maar sommige dezer soorten hebben de gewoonte „om haar

vleugels geheel rechtstandig boven den rug te houden en geruimen tijd

in die houding te blijven zitten”, aldus de ondervlakte aan het gezicht

blootstellende. Andere soorten hebben de gewoonte, als zij op den grond

of op het gras zitten, nu en dan plotseling hun vleugels een weinig op

te lichten. Daarom is het feit, dat bij zekere nachtvlinders de

ondervlakte der vleugels levendiger is gekleurd dan de bovenvlakte,

niet zulk een onregelmatigheid als men op het eerste gezicht zou

zeggen. De Nachtpauwoogen (Saturniidae) omvatten eenige der schoonste

van alle nachtvlinders, daar hun vleugels, evenals bij onzen Britschen

grooten Nachtpauwoog, met fraaie oogvlekken (ocelli) versierd zijn; en

de heer T. W. Wood [760] merkt op, dat zij in sommige hunner bewegingen

op kapellen gelijken; „bij voorbeeld in het zachte op en neêr bewegen

van de vleugels, als ware het om er mede te pronken, hetgeen meer een

kenmerk van Dagvlinders is.”

Het is een vreemd feit, dat er geen Britsche Nachtvlinders, en zoover

ik na kan gaan, ook bijna geen uitlandsche soorten zijn, die aan

schitterende kleuren een verschil in kleur tusschen de seksen paren,

hoewel dit met vele schitterende Kapellen het geval is. Het mannetje

van éénen Amerikaanschen nachtvlinder, Saturnia Io, heeft echter

volgens de beschrijving diepgele voorvleugels, op sierlijke wijze met

purperachtig roode vlekken geteekend, terwijl de vleugels van het

wijfje purperbruin en met grijze strepen zijn beteekend. [761] De

Britsche nachtvlinders bij welke de seksen in kleur verschillen, zijn

allen bruin of bijna wit, of zij vertoonen verschillende dofgele of

bijna witte tinten. Bij onderscheidene soorten zijn de mannetjes veel

donkerder dan de wijfjes [762], en deze behooren tot soorten die

omstreeks den namiddag vliegen. Bij vele geslachten zijn daarentegen,

gelijk de heer Stainton mij meldt, de achtervleugels van het mannetje

witter dan die van het wijfje, van welk feit Agrotis exclamationis een

goed voorbeeld oplevert. De mannetjes worden daardoor gemakkelijker

zichtbaar gemaakt dan de wijfjes, als zij gedurende de schemering

rondvliegen. Bij Hepialus humuli is het verschil sterker uitgedrukt,

daar de mannetjes wit en de wijfjes geel met donkerder vlekken zijn.

Het is moeielijk te gissen, welke de beteekenis kan zijn van deze

verschillen tusschen de seksen in donkerheid of lichtheid van kleur;

maar wij kunnen moeilijk onderstellen, dat zij alleen het gevolg zijn

van variabiliteit met seksueel beperkte erfelijkheid, zonder dat

daardoor eenig voordeel werd verkregen.

Wegens het boven medegedeelde is het onmogelijk aan te nemen, dat de

schitterende kleuren der Kapellen en van eenige weinige Nachtvlinders

gewoonlijk ter wille der bescherming zijn verkregen. Wij hebben gezien,

dat de kleuren en sierlijke teekeningen op hun vleugels zijn ingericht

en worden gebruikt om er mede te pronken. Daardoor ben ik er toe

gekomen om te onderstellen, dat de wijfjes over het algemeen de

voorkeur geven aan, of het meest worden opgewekt door de schitterendste

mannetjes; want bij elke andere onderstelling zouden de mannetjes, voor

zoover wij kunnen nagaan, zonder eenig doel zijn versierd. Wij weten

dat de Mieren en sommige Bladsprietige Kevers vatbaar zijn om

gehechtheid voor elkander te gevoelen, en dat mieren haar makkers na

een tusschenruimte van verscheidene maanden herkennen. In het

afgetrokkene beschouwd, is het daarom niet onwaarschijnlijk, dat de

Schubvleugeligen (Lepidoptera), die waarschijnlijk bijna of volkomen

even hoog op de ladder staan als deze insekten, voldoende

geestvermogens hebben om levendige kleuren te bewonderen. Zij ontdekken

gewis bloemen aan haar kleur, en, zooals ik elders heb aangetoond,

hebben de planten die uitsluitend door den wind worden bevrucht, nimmer

opzichtig gekleurde bloemkronen. Men kan den Meêkrapvlinder dikwijls

van op een afstand op een tros bloemen te midden van het groen

gebladerte zien neêrschieten; en een vriend heeft mij verzekerd, dat

deze vlinders herhaaldelijk op bloemen afkwamen, die op den muur van

een kamer in het Zuiden van Frankrijk waren geschilderd. De gewone

Witjeskapel vliegt, gelijk ik van den heer Doubleday hoor, dikwijls op

een op den grond liggend stukje papier af, het ongewijfeld voor een

voorwerp van haar eigen soort houdende. De heer Collingwood zegt [763],

sprekende over de moeilijkheid om zekere kapellen in Insulinde te

vangen, „dat een dood voorwerp, op een in ’t oog vallend takje

vastgestoken, dikwijls een insekt van de zelfde soort in zijn overijlde

vlucht doet stilhouden, en het naar beneden lokt, zoodat het

gemakkelijk met het netje kan worden bereikt, vooral als het van de

tegenovergestelde sekse is.”

De vrijage der Kapellen is een langdurige zaak. De mannetjes vechten

dikwijls met elkander uit minnenijd; en men kan soms vele mannetjes het

zelfde wijfje zien vervolgen of omgeven. Indien dus het wijfje niet aan

het eene mannetje de voorkeur geeft boven het andere, moet de paring

aan het bloote toeval zijn overgelaten en dit komt mij niet

waarschijnlijk voor. Indien daarentegen de wijfjes gewoonlijk, of zelfs

slechts nu en dan, aan de schoonste mannetjes de voorkeur geven, zullen

de kleuren dezer laatste trapsgewijze fraaier gemaakt en overgeplant

zijn op beide seksen of op ééne sekse, al naar de wet van erfelijkheid,

die de overhand behield. De werking der seksueele teeltkeus zal veel

gemakkelijker zijn gemaakt, indien de besluiten waartoe wij door vele

bewijsgronden in het bijvoegsel op het negende hoofdstuk kwamen, kunnen

worden vertrouwd; namelijk dat de mannetjes van vele Schubvleugeligen

(Lepidoptera), ten minste in den toestand van volkomen insekt, de

wijfjes aanmerkelijk in aantal overtreffen.

Er zijn echter eenige feiten die in strijd zijn met het geloof, dat

vrouwelijke kapellen aan de fraaiste mannetjes de voorkeur geven; zoo

kan men, naar mij door onderscheidene waarnemers werd verzekerd,

dikwijls ongeschonden wijfjes met ontredderde verflenste of vuile

mannetjes gepaard zien; het kon echter moeilijk missen, of deze

omstandigheid moest dikwijls daarvan het gevolg zijn, dat de mannetjes

vroeger uit de pop komen dan de wijfjes. Bij de Nachtvlinders tot de

familie der Spinners (Bombycidae) behoorende, paren de seksen

onmiddellijk, nadat zij den staat van volkomen insekt hebben bereikt;

want zij kunnen zich dan niet voeden ten gevolge van den rudimentairen

toestand van hun monden. De wijfjes liggen, zooals onderscheidene

insektenkenners mij deden opmerken, bijna in een toestand van

verdooving en schijnen geen de minste verkiezing te toonen ten opzichte

der mannetjes waarmede zij paren. Dit is het geval met den gewonen

Zijdeworm (Bombyx mori), naar mij door sommige kweekers van het

Vasteland en uit Engeland is gezegd. Dr. Wallace die zulk een

verbazende ondervinding heeft in het aankweeken van den Ailanthus

Zijdeworm (Bombyx cynthia), is overtuigd, dat de wijfjes geen

verkiezing of voorkeur toonen. Hij heeft meer dan 300 dezer vlinders

levend bijeen gehad en vond dikwijls de krachtigste wijfjes met slecht

ontwikkelde mannetjes gepaard. Het omgekeerde schijnt zelden voor te

komen; want, naar hij gelooft, gaan de krachtigste mannetjes de zwakke

wijfjes voorbij, daar zij worden aangetrokken door die welke de meeste

levenskracht vertoonen. Desniettemin zijn de Spinners (Bombycidae),

hoewel donker gekleurd, dikwijls in onze oogen schoon wegens hun

sierlijke en gevlekte schakeeringen.

Ik heb tot dusver alleen gesproken van de soorten bij welke de

mannetjes levendiger zijn gekleurd dan de wijfjes, en ik heb haar

schoonheid daaraan toegeschreven, dat de wijfjes gedurende vele

geslachten (generaties) de aantrekkelijkste mannetjes hebben uitgekozen

en met deze hebben gepaard. Doch ook het omgekeerde geval komt voor,

hoewel zeldzaam, waarin de wijfjes schitterender dan de mannetjes zijn;

en dan hebben, naar mijn meening, de mannetjes de schoonste wijfjes

voor de voortteling uitgezocht en daardoor haar schoonheid

langzamerhand grooter doen worden. Wij weten niet, waarom bij

verschillende klassen van dieren de mannetjes de fraaiste wijfjes

hebben uitgezocht, in plaats van gaafweg het eerste wijfje het beste

aan te nemen, gelijk de algemeene regel in het dierenrijk schijnt te

zijn; maar indien, in tegenstelling van wat over het algemeen bij de

Schubvleugeligen (Lepidoptera) plaats grijpt, de wijfjes veel talrijker

dan de mannetjes waren, zouden deze laatsten waarschijnlijk de fraaiste

wijfjes uitkiezen. De heer Butler vertoonde mij verschillende soorten

van Callidryas in het Britsch Museum, bij sommige waarvan de wijfjes de

mannetjes in schoonheid evenaarden, terwijl zij hen bij andere ver

daarin overtroffen, want alleen de wijfjes hadden bij deze laatsten de

randen van haar vleugels overgoten met scharlakenrood en oranje en

gevlekt met zwart. De minder opgesmukte mannetjes van deze soorten

gelijken zeer veel op elkander, een bewijs, dat hier de wijfjes zijn

gewijzigd; terwijl in die gevallen waarin de mannetjes het meest zijn

versierd, deze gewijzigd zijn, daar de wijfjes zeer veel op elkander

zijn blijven gelijken.

In Engeland hebben wij eenige soortgelijke gevallen, hoewel niet zoo

sterk sprekend. De wijfjes alleen hebben bij twee soorten van Thecla

een heldere purperen of oranjevlek op haar voorvleugels. Bij Hipparchis

verschillen de seksen niet veel; doch bij H. janira heeft alleen het

wijfje een opzichtige lichtbruine vlek op haar vleugels; en de wijfjes

van sommige andere soorten zijn levendiger gekleurd dan haar mannetjes.

Verder hebben de wijfjes van Colias edusa en hyale „oranje of gele

vlekken op de zwarte randstreek van haar vleugels, die bij de mannetjes

slechts door smalle strepen worden vertegenwoordigd”; en bij Pieris

zijn het de wijfjes die „versierd zijn met zwarte vlekken op de

voorvleugels, en deze zijn slechts gedeeltelijk tegenwoordig bij de

mannetjes.” Nu weet men, dat de mannetjes van vele dagvlinders de

wijfjes bij hun bruiloftsvlucht dragen; maar bij de zoo even genoemde

soorten dragen integendeel de wijfjes de mannetjes, zoodat de rol die

de beide seksen spelen, is omgekeerd, evenals haar betrekkelijke

schoonheid. Door het geheele dierenrijk heên nemen de mannetjes het

meest actief deel aan de vrijage, en schijnt hun schoonheid te zijn

vermeerderd, doordat de wijfjes de aantrekkelijkste individu’s hebben

aangenomen maar bij deze kapellen nemen de wijfjes het meest actief

deel aan de slotplechtigheid van het huwelijk, zoodat wij mogen

besluiten, dat zij zulks ook aan de vrijage doen; en in dit geval

kunnen wij begrijpen, hoe het komt, dat zij de schoonsten zijn

geworden. De heer Meldola, aan wien bovenstaande opgaven zijn ontleend,

zegt in zijn besluit: „Hoewel ik niet ben overtuigd van de werking der

seksueele teeltkeus in het voortbrengen van kleuren bij de insekten,

kan echter niet worden ontkend, dat deze feiten de beschouwingen van

den heer Darwin op treffende wijze bevestigen.” [764]

Daar de seksueele teeltkeus aanvankelijk op het voorkomen van

variabiliteit berust, moeten eenige weinige woorden over dit onderwerp

hier worden bijgevoegd. Ten opzichte van de kleur is er geen

moeilijkheid, daar een groot aantal zeer veel verscheidenheid

vertoonende Schubvleugeligen (Lepidoptera) zouden kunnen worden

opgenoemd. Eén goed voorbeeld zal voldoende zijn. De heer Bates toonde

mij een reeks voorwerpen van Papilio Sesostris en childrenae; bij dezen

laatste verschilden de mannetjes zeer in de grootte van de fraaie op

email gelijkende groene vlek op de voorvleugels, en in de grootte der

witte vlek en die van de prachtige karmozijnen streep op de

achtervleugels, zoodat er een groote tegenstelling was tusschen de

meest en de minst versierde mannetjes. Het mannetje van Papilio

Sesostris, hoewel een fraai insekt, is zulks veel minder dan P.

childrenae; het verschilt ook een weinig in de grootte van de groene

vlek op de voorvleugels en door een slechts nu en dan voorkomende

karmozijnen streep op de achtervleugels, die, naar het schijnt, aan

zijn eigen wijfje is ontleend; want de wijfjes van deze en van vele

soorten van de Aeneasgroep bezitten deze karmozijnen streep. Vandaar

was er tusschen de levendigst gekleurde voorwerpen van P. Sesostris en

de minst levendig gekleurde van P. childrenae slechts een kleine

tusschenruimte; en het was duidelijk, dat het, voor zoover bloot de

verscheidenheid aangaat, niet moeilijk zou zijn de schoonheid van elk

dier twee soorten door middel der teeltkeus te vermeerderen. De

verscheidenheid is hier bijna alleen tot de mannelijke sekse beperkt;

maar de heeren Wallace en Bates hebben aangetoond [765], dat er onder

de wijfjes van sommige andere soorten uiterst veel verscheidenheid

heerscht, terwijl de mannetjes bijna gelijk aan elkander zijn. Daar ik

vroeger Hepialus humuli heb vermeld als een der beste voorbeelden in

Groot-Brittannië van een verschil tusschen de seksen van Nachtvlinders,

is het wellicht de moeite waard hier bij te voegen [766], dat men op de

Shetlandsche eilanden dikwijls mannetjes vindt, die zeer veel op de

wijfjes gelijken. In een volgend hoofdstuk zal ik gelegenheid hebben om

aan te toonen, dat de oogvlekken (ocelli), die op de vleugels van vele

Schubvleugeligen (Lepidoptera) zoo algemeen zijn, aan een groote mate

van verscheidenheid onderhevig zijn.

Over het geheel schijnt het waarschijnlijk, hoewel vele ernstige

tegenwerpingen hiertegen kunnen worden aangevoerd, dat de meeste

soorten van Schubvleugeligen (Lepidoptera), die schitterend gekleurd

zijn, haar kleuren aan seksueele teeltkeus zijn verschuldigd, behalve

in zekere gevallen die thans moeten worden vermeld, waarin opzichtige

kleuren voordeelig zijn tot bescherming. Wegens de vurigheid van het

mannetje, door het geheele dierenrijk heên, is hij over het algemeen

bereid elk wijfje aan te nemen, en is het het wijfje dat gewoonlijk een

keus doet. Vandaar moet het mannetje, als de seksueele teeltkeus heeft

gewerkt, wanneer de seksen verschillen, het schitterendst zijn

gekleurd; en dit is ongetwijfeld de algemeene regel. Als de seksen

schitterend zijn gekleurd en op elkander gelijken, schijnen de door de

mannetjes verkregen kenmerken op beide seksen te zijn overgeplant. Zal

echter deze verklaring van de gelijkheid of ongelijkheid in kleur

tusschen de seksen voldoende zijn?

Het is bekend, dat de mannetjes en de wijfjes van de zelfde soort van

kapel zich in onderscheidene gevallen op verschillende plaatsen

ophouden, en dat alsdan de eersten zich gewoonlijk in den zonneschijn

koesteren, terwijl de laatsten donkere bosschen bezoeken. [767] Het is

daarom mogelijk, dat de verschillende levensvoorwaarden rechtstreeks op

beide seksen hebben gewerkt; doch dit is niet waarschijnlijk [768],

daar zij als volkomen insekt gedurende een zeer kort tijdperk aan

verschillende levensvoorwaarden, en de larven van beide aan de zelfde

voorwaarden zijn blootgesteld. De heer Wallace gelooft, dat de minder

schitterende kleuren van het wijfje in alle of in bijna alle gevallen

bijzonder ter wille van de bescherming zijn verkregen. Daarentegen

schijnt het mij waarschijnlijker, dat alleen de mannetjes in verreweg

de meeste gevallen hun levendige kleuren door seksueele teeltkeus

hebben verkregen, terwijl de wijfjes slechts weinig zijn gewijzigd. Bij

gevolg moeten de wijfjes van verschillende doch verwante soorten, veel

meer op elkander gelijken dan de mannetjes van die zelfde soorten; dit

is de algemeene regel. De wijfjes vertoonen ons dus bij benadering de

oorspronkelijke kleuring van den stamvorm van de groep waartoe zij

behooren. Zij zijn echter bijna altijd tot op zekere hoogte gewijzigd,

doordat eenige der opeenvolgende trappen van variatie, door de

opeenhooping (accumulatie) waarvan de mannetjes fraai werden gemaakt,

ook op haar zijn overgeplant. De mannetjes en de wijfjes van verwante,

ofschoon verschillende soorten zullen ook over het algemeen gedurende

hun langdurigen larventoestand aan verschillende levensvoorwaarden zijn

blootgesteld geweest, en kunnen daardoor wellicht indirect zijn

aangedaan; hoewel bij de mannetjes eenige geringe aldus veroorzaakte

kleurverandering dikwijls geheel zal zijn gemaskeerd door de door

seksueele teeltkeus verkregen schitterende kleuren. Als wij over de

Vogels handelen, zal ik het geheele vraagstuk moeten bespreken, of de

kleurverschillen tusschen mannetjes en wijfjes door deze laatsten

gedeeltelijk bijzonder tot bescherming zijn verkregen, zoodat ik hier

alleen onvermijdelijke bijzonderheden wil mededeelen.

In alle gevallen waarin de meer gewone vorm van gelijke overerving door

beide seksen de overhand heeft behouden, moet het voor de voortteling

uitkiezen van levendig gekleurde mannetjes een streven doen geboren

worden om de wijfjes levendig te kleuren, en het uitkiezen van dof

gekleurde wijfjes een streven om de mannetjes dof te maken. Hadden

beide processen tegelijkertijd plaats, dan zouden zij er naar streven

om elkander te neutraliseeren. Zoover ik kan nagaan, zou het uiterst

moeielijk zijn om door teeltkeus den eenen vorm van overerving in den

anderen te veranderen. Als echter voor de voortteling opeenvolgende

wijzigingen werden uitgekozen, die van het begin af in haar

overplanting tot ééne sekse waren beperkt, zou het in het minst niet

moeilijk zijn om alleen aan de mannetjes schitterende, en

tegelijkertijd of later alleen aan de wijfjes doffe kleuren te geven.

Op deze laatste wijze kunnen, zooals ik volkomen toegeef, vrouwelijke

kapellen en nachtvlinders ter wille van de bescherming kleuren hebben

verkregen, die haar voor het oog verborgen, en zeer verschillend van

haar mannetjes hebben gemaakt.

De heer Wallace [769] heeft met veel kracht zijn meening verdedigd,

dat, als de seksen verschillen, het wijfje bijzonder is gewijzigd ter

wille der bescherming, en dat dit is veroorzaakt, doordat de eene vorm

van overerving, namelijk de overplanting van kenmerken op beide seksen,

door de werking der natuurlijke teeltkeus in den anderen vorm, namelijk

overplanting op ééne sekse, is veranderd. Ik was eerst sterk geneigd om

de waarheid dezer meening aan te nemen; maar hoe meer ik de

verschillende Klassen door het geheele dierenrijk heên bestudeerde, hoe

minder waarschijnlijk zij mij scheen. De heer Wallace voert aan, dat

beide seksen van de Heliconidae, Danaidae, Acraeidae even schitterend

zijn, omdat beide door haar walgelijken stank tegen de aanvallen van

vogels en andere vijanden zijn beveiligd; maar dat in andere groepen

die dezen vrijdom niet bezitten, de wijfjes niet in ’t oog vallende

kleuren hebben verkregen, omdat zij meer bescherming noodig hadden dan

de mannetjes. Dit veronderstelde verschil in het „noodig hebben van

bescherming van beide seksen” is vrij bedriegelijk en vereischt eenige

bespreking. Het is duidelijk, dat levendig gekleurde individu’s, hetzij

het mannetjes of wijfjes waren, evenzeer de oplettendheid hunner

vijanden tot zich moesten trekken en donker gekleurde individu’s

daaraan evenzeer moesten ontsnappen. Wij hebben hier echter te maken

met de uitwerkselen van de vernietiging of het bewaard blijven van

zekere individu’s van ééne der beide seksen op den aard van het ras.

Bij insekten kan, nadat het mannetje het wijfje heeft bevrucht en dit

laatste haar eieren gelegd, de grootere of mindere veiligheid voor

gevaar van ééne der beide seksen bij geen mogelijkheid eenige

uitwerking op hun nakomelingen hebben. Voor de seksen die haar eigen

functies hadden volbracht, zou, indien zij in even groot getal

bestonden en allen paarden (alle andere omstandigheden de zelfde

blijvende), het bewaard blijven der mannetjes voor het bestaan der

soort en voor den aard der nakomelingen even belangrijk zijn als het

bewaard blijven der wijfjes. Bij de meeste dieren kan echter het

mannetje, gelijk men weet, dat met den tammen zijdeworm het geval is,

twee of drie wijfjes bevruchten, zoodat de vernieling der mannetjes

niet zoo schadelijk voor de soort zou zijn als die der wijfjes. Dr.

Wallace gelooft nochtans, dat bij nachtvlinders de nakomelingschap,

door de tweede of derde bevruchting voortgebracht, aanleg tot zwakte

heeft en dus een minder goede kans zou hebben om te blijven leven.

Wanneer de mannetjes in veel grooter aantal bestaan dan de wijfjes,

zouden ongetwijfeld vele mannetjes zonder nadeel voor de soort kunnen

worden vernield; maar ik kan niet inzien, dat het in ongelijk aantal

bestaan der seksen invloed zou hebben op de gevolgen der gewone

teeltkeus ten opzichte van de bescherming; want waarschijnlijk zouden

de opzichtigste individu’s, hetzij dit mannetjes of wijfjes waren, in

de zelfde verhouding worden vernield. Indien nochtans de mannetjes een

grootere verscheidenheid in kleur vertoonden, zou het resultaat anders

zijn; maar het is onnoodig, dat wij hier zulke ingewikkelde

bijzonderheden nagaan. Over het geheel kan ik niet begrijpen, hoe een

ongelijkheid in aantal van beide seksen op eenigszins merkbare wijze

invloed zou kunnen hebben op de uitwerkselen van de gewone teeltkeus

ten opzichte van de kenmerken der jongen.

De heer Wallace wijst er met aandrang op, dat de vrouwelijke vlinders

eenige dagen noodig hebben om haar bevruchte eieren te leggen en

daarvoor een geschikte plaats te zoeken; gedurende dit tijdperk (waarin

het leven der mannetjes van geen belang is) zouden de levendigst

gekleurde wijfjes aan gevaar zijn blootgesteld en kans hebben om te

worden vernield. De meer dof gekleurde wijfjes daarentegen zouden

blijven leven en zoo, naar men mag vermoeden, een merkbaren invloed

hebben op de kenmerken der soort,—hetzij van beide seksen of van ééne

sekse, al naar den vorm van erfelijkheid, die de overhand behield. Men

moet echter niet uit het oog verliezen, dat de mannetjes eenige dagen

vroeger uit de pop komen dan de wijfjes en gedurende dit tijdperk

waarin de nog niet geboren wijfjes veilig zijn, zouden de levendiger

gekleurde mannetjes aan gevaar zijn blootgesteld; zoodat ten slotte

beide seksen gedurende een ongeveer even lange tijdruimte aan gevaar

zouden zijn blootgesteld en de eliminatie van opzichtige kleuren op de

eene sekse niet veel meer in zou werken dan op de andere.

Het is een belangrijker overwegingspunt, dat vrouwelijke vlinders,

gelijk de heer Wallace opmerkt en gelijk aan ieder verzamelaar bekend

is, over het algemeen langzamer vliegen, dan de mannetjes. Bij gevolg

zouden de laatsten, als zij wegens hun opzichtige kleuren aan grooter

gevaar waren blootgesteld, in staat kunnen zijn om aan hun vijanden te

ontsnappen, terwijl de eveneens gekleurde wijfjes zouden worden

vernield, en zoo zouden de wijfjes den meesten invloed hebben op het

wijzigen van de kleur hunner nakomelingen.

Er is nog één ander overwegingspunt: schitterende kleuren zijn,

voorzoover de seksueele teeltkeus aangaat, gewoonlijk aan wijfjes van

geen dienst, zoodat, indien deze laatsten in levendigheid van kleur

verschilden en de overplanting van die verschillen tot ééne sekse was

beperkt, het eenvoudig van het toeval zou afhangen, of de levendigheid

van kleur der wijfjes zou toenemen; en dit zou een neiging doen geboren

worden om door de geheele Orde heên het aantal soorten met levendig

gekleurde wijfjes minder te maken in verhouding tot de soorten welke

levendig gekleurde mannetjes bezaten. Daar levendige kleuren worden

verondersteld voor de mannetjes van veel dienst te zijn in den

wedstrijd der liefde, zouden van den anderen kant de levendig gekleurde

mannetjes (zooals wij in het hoofdstuk over Vogels zullen zien), hoewel

aan iets grooter gevaar blootgesteld, toch gemiddeld een talrijker

kroost voortbrengen dan de dof gekleurde mannetjes. In dit geval

zouden, indien de variaties in haar overplanting tot de mannelijke

sekse waren beperkt, alleen de mannetjes fraaier kleuren verkrijgen;

indien echter een dergelijke beperking niet plaats greep, zou het

bewaard blijven en de toeneming van dergelijke variaties daarvan

afhangen, of er meer kwaad werd berokkend aan de soort door het

verkrijgen van opzichtige kleuren door de wijfjes, dan goed aan de

mannetjes, doordat zekere individu’s de zegepraal over hun mededingers

behaalden.

Daar het nauwelijks kan worden betwijfeld, dat beide seksen van vele

dag- en nachtvlinders doffe kleuren hebben verkregen ter wille van de

bescherming, kan het wellicht even zoo zijn gegaan met de wijfjes

alleen van sommige soorten, waarin opeenvolgende variaties in de

richting der doffe kleur eerst bij de vrouwelijke sekse verschenen en

in haar overplanting van den beginne af tot die zelfde sekse bleven

beperkt. Had een dergelijke beperking niet plaats, dan moesten beide

seksen doffe kleuren hebben verkregen. Wij zullen zoo dadelijk zien,

als wij over nabootsing („mimickry”) handelen, dat bij sommige kapellen

alleen de wijfjes uiterst fraai zijn gemaakt ter wille van de

bescherming, zonder dat een enkele der opvolgende beschermende

variaties op het mannetje is overgeplant, voor wien zij bij geen

mogelijkheid in het minst schadelijk zouden kunnen zijn geweest, zoodat

zij niet door de natuurlijke teeltkeus zouden kunnen zijn geëlimineerd.

Of het bij elke bijzondere soort bij welke de seksen in kleur

verschillen, het wijfje is geweest, dat bijzonder is gewijzigd ter

wille van de bescherming; dan wel of het het mannetje is geweest, dat

bijzonder is gewijzigd om daardoor aantrekkelijk te worden voor de

wijfjes, terwijl deze laatsten haar oorspronkelijke kleur hebben

behouden, alleen in geringe mate veranderd door de inwerkingen waarop

vroeger is gezinspeeld; dan wel eindelijk, of beide seksen zijn

gewijzigd, het wijfje tot bescherming, het mannetje om aantrekkelijker

voor het wijfje te worden, kan alleen voorgoed worden beslist, als wij

de geschiedenis van het leven van elke soort kennen.

Zonder stellige bewijzen ben ik niet geneigd om aan te nemen, dat bij

een menigte soorten gedurende langen tijd een dubbel proces van

teeltkeus heeft gewerkt, waardoor de mannetjes schitterender werden,

omdat zij daardoor de zegepraal behaalden over hun vijanden en de

wijfjes doffer kleuren verkregen, omdat zij daardoor aan hun vijanden

ontsnapten. Wij kunnen als voorbeeld den gewonen Citroenvlinder

(Gonopteryx) noemen, die vroeg in de lente vóór elke andere soort

verschijnt. Het mannetje van deze soort is veel levendiger geel

gekleurd dan het wijfje, ofschoon dit laatste bijna evenzeer in het oog

valt; en in dit geval schijnt het niet waarschijnlijk, dat zij haar

bleeke kleuren verkreeg met het bijzondere doel om haar te beschermen,

hoewel het waarschijnlijk is, dat het mannetje zijn levendige kleur

verkreeg om aantrekkelijker voor haar te worden. Het wijfje van den

Peterselievlinder (Antocharis cardamines) bezit aan haar vleugels de

fraaie oranje punten niet, waarmede het mannetje is versierd; bij

gevolg gelijkt zij zeer veel op de Witjeskapellen (Pieris) die in onze

tuinen zoo algemeen zijn; wij hebben echter geen bewijzen, dat deze

gelijkenis voordeelig voor haar is. Daar zij gelijkt op beide seksen

van verscheidene soorten van het zelfde geslacht, die verschillende

deelen der wereld bewonen, is het integendeel waarschijnlijker, dat zij

eenvoudig haar oorspronkelijke kleuren grootendeels heeft behouden.

Verschillende feiten ondersteunen dit besluit, dat het bij de meeste

schitterend gekleurde vlinders het mannetje is, dat is gewijzigd, en

dat de beide seksen er toe zijn gekomen om van elkander te verschillen

of op elkander te gelijken, al naar den vorm van erfelijkheid, die de

overhand behield. De erfelijkheid wordt door zoovele onbekende wetten

of voorwaarden beheerscht, dat zij ons zeer grillig in haar werking

schijnen te zijn [770], en wij kunnen in zoo verre begrijpen, hoe het

komt, dat bij nauwverwante soorten de seksen van sommige verbazend

verschillen, terwijl die van andere de zelfde kleur bezitten. Daar de

opeenvolgende trappen van het proces van variatie allen noodzakelijk

door het wijfje heên worden overgeplant, zou een grooter of kleiner

aantal daarvan gemakkelijk ook bij haar tot ontwikkeling kunnen komen,

en op die wijze kunnen wij de veelvuldige overgangen begrijpen tusschen

een uitermate groot verschil en volstrekt geen verschil tusschen de

seksen bij de soorten van ééne en de zelfde groep. Deze gevallen van

overgang zijn veel te algemeen om de veronderstelling te begunstigen,

dat wij hier de wijfjes juist bezig zien met het proces van overgang te

ondergaan en haar levendige kleuren ter wille der bescherming te

verliezen; want wij hebben alle reden om te besluiten, dat op elk

gegeven tijdstip het grootste aantal soorten in een blijvenden toestand

verkeeren. Ten opzichte van de verschillen tusschen de wijfjes van de

soorten van één en het zelfde geslacht of ééne en de zelfde familie,

kunnen wij opmerken, dat zij, ten minste gedeeltelijk, daarvan

afhangen, dat de wijfjes deelen in de kleuren van haar respectieve

mannetjes. Hiervan geven die groepen een goed voorbeeld, bij welke de

mannetjes in buitengewone mate zijn versierd; want bij deze groepen

deelen de wijfjes gewoonlijk tot op zekere hoogte in de pracht van haar

mannelijke gezellen. Eindelijk vinden wij steeds, zooals reeds is

opgemerkt, dat de wijfjes van bijna alle soorten van één en het zelfde

geslacht, of zelfs van ééne en de zelfde familie, veel meer in kleur op

elkander gelijken dan de mannetjes, en dit bewijst, dat de mannetjes

een grootere mate van wijziging hebben ondergaan dan de wijfjes.

Nabootsing („Mimickry”).—Dit beginsel werd het eerst duidelijk gemaakt

in een bewonderenswaardige verhandeling van den heer Bates [771] die

daardoor een stroom van licht op menig duister vraagstuk wierp. Men had

reeds vroeger opgemerkt, dat zekere kapellen in Zuid-Amerika, tot

geheel verschillende families behoorende, zoo volkomen op de

Heliconidae geleken in elke streep en schakeering harer kleuren, dat

zij daarvan slechts door een geoefend insektenkenner konden worden

onderscheiden. Daar de Heliconidae op haar gewone wijze zijn gekleurd,

terwijl de andere afwijken van de gewone kleuring der groepen waartoe

zij behooren, is het duidelijk, dat deze laatsten de nabootsers en de

Heliconidae de nagebootsten zijn. De heer Bates merkte verder op, dat

de nabootsende soorten vergelijkenderwijze zeldzaam zijn, terwijl de

nagebootste in grooten getale rondvliegen, en dat beide met elkander

dooreengemengd leven. Uit het feit, dat de Heliconidae opzichtige en

fraai gekleurde insekten en toch zoo talrijk in individu’s en soorten

zijn, besloot hij, dat zij tegen de aanvallen der vogels moesten worden

beschermd door de eene of andere afscheiding of stank, en deze

onderstelling is nu door een groot aantal merkwaardige bewijzen

bevestigd. [772] Uit deze overwegingen leidde de heer Bates af, dat de

kapellen die de beschermde soorten nabootsen, haar tegenwoordig

verwonderlijk bedriegelijk uiterlijk hebben verkregen door afwijking en

natuurlijke teeltkeus, opdat zij voor de beschermde soorten zouden

worden gehouden en daardoor zouden ontsnappen aan het gevaar van te

worden verslonden. Geen verklaring wordt hier beproefd van de

schitterende kleuren der nagebootste, maar alleen van die der

nabootsende kapellen. Wij moeten ons van de kleuren der eersten

rekenschap geven op de zelfde algemeene wijze als in de vroeger in dit

hoofdstuk besproken gevallen. Sinds de uitgaaf van de verhandeling van

den heer Bates zijn gelijksoortige en even treffende gevallen door den

heer Wallace [773] in Insulinde, door den heer Trimen in Zuid Afrika en

door den heer Riley in de Vereenigde Staten waargenomen.

Daar sommige schrijvers [774] veel moeite hebben gehad om te begrijpen,

hoe de eerste stappen van het proces van nabootsing („mimickry”) door

natuurlijke teeltkeus tot stand konden zijn gekomen, zal het wellicht

goed zijn op te merken, dat het proces waarschijnlijk nimmer is

begonnen met vormen die zeer veel in kleur verschilden. Bij twee

soorten echter, die tamelijk op elkander geleken, kan de grootst

mogelijke gelijkenis gemakkelijk op die wijze zijn verkregen, indien

zij voor één van beide vormen voordeelig was; en, indien de nagebootste

vorm daarna allengs door seksueele teeltkeus of door eenige andere

oorzaak werd gewijzigd, moest de nabootsende vorm hem op dat zelfde

spoor volgen en aldus tot bijna elke hoogte worden gewijzigd, zoodat

hij ten laatste een uiterlijk of kleuring verkreeg, geheel

verschillende van dat der andere leden van de groep waartoe hij

behoorde. Daar uiterst geringe variaties in kleur in vele gevallen niet

voldoende zouden zijn om een soort zoo gelijk aan een andere beschermde

soort te maken dat zij behouden bleef, moet ik er aan herinneren, dat

vele soorten van Schubvleugeligen (Lepidoptera) vatbaar zijn voor

aanmerkelijke en plotselinge variaties in kleur. Eenige weinige

voorbeelden daarvan zijn in dit hoofdstuk gegeven; men zou echter goed

doen over dit punt zoowel de oorspronkelijke verhandeling van den heer

Bates over nabootsing („mimickry”), als de verhandelingen van den heer

Wallace te raadplegen.

Bij verscheidene soorten zijn de seksen gelijk en bootsen de beide

seksen van een andere soort na. Doch de heer Trimen deelt in de reeds

aangehaalde verhandeling drie gevallen mede, waarin de seksen van den

nagebootsten vorm van elkander in kleur verschillen, en de seksen van

den nabootsenden vorm op dezelfde wijze van elkander verschillen.

Onderscheidene gevallen zijn ook opgeteekend, waar alleen de wijfjes

schitterend gekleurde en beschermde soorten nabootsen, terwijl de

mannetjes „het normale uiterlijk van hun naaste verwanten” hebben

behouden. Het is hier duidelijk, dat de opeenvolgende variaties

waardoor het wijfje is gewijzigd, op haar alleen zijn overgeplant. Het

is echter waarschijnlijk, dat sommige van de vele opeenvolgende

variaties ook op de mannetjes zouden zijn overgebracht en zich ook bij

deze zouden hebben ontwikkeld, als dergelijke mannetjes niet waren

geëlimineerd, omdat zij daardoor minder aantrekkelijk voor de wijfjes

werden gemaakt; zoodat alleen die variaties bewaard bleven, die van den

beginne af in haar overerving stipt tot de vrouwelijke sekse waren

beperkt. Wij hebben een voorbeeld tot opheldering van deze opmerkingen

in een mededeeling van den heer Belt [775], dat de mannetjes van

sommige Leptaliden, die beschermende soorten nabootsen, toch op

verborgen wijze eenige hunner oorspronkelijke kenmerken bewaren. Zoo is

bij de mannetjes „de bovenhelft van den ondervleugel zuiver wit van

kleur, terwijl het geheele overige gedeelte van de vleugels zwarte,

roode en gele strepen en vlekken vertoont, evenals bij de soorten die

zij nabootsen. De wijfjes hebben deze witte vlek niet, en de mannetjes

verbergen haar gewoonlijk door haar met den bovenvleugel te bedekken,

zoodat ik niet kan begrijpen, dat zij van eenig ander nut voor hen zou

zijn dan als een aantrekkingsmiddel bij de vrijage, waarbij zij haar

aan de wijfjes vertoonen en daardoor van de diepgewortelde voorkeur

partij trekken, welke deze gevoelen voor de normale kleur van de groep

waartoe de Leptaliden behooren.”

Levendige Kleuren van Rupsen.—Terwijl ik nadacht over de schoonheid van

vele kapellen, viel het mij in, dat sommige rupsen prachtig zijn

gekleurd, en daar hier de seksueele teeltkeus bij geen mogelijkheid kan

hebben gewerkt, scheen het overijld om de schoonheid der volkomen

insekten aan de werking daarvan toe te schrijven, tenzij de levendige

kleuren van hun larven op de eene of andere wijze konden worden

verklaard. In de eerste plaats kan worden opgemerkt, dat de kleuren van

rupsen volstrekt niet in nauw verband staan met die van het volkomen

insekt. In de tweede plaats dienen hun levendige kleuren op geen enkele

gewone wijze tot bescherming. Als een voorbeeld hiervan deelt de heer

Bates mij mede, dat de meest opzichtige rups welke hij ooit zag, een

Pijlstaartrups (Sphinx), leefde op de groote groene bladeren van een

boom in de open Llano’s van Zuid-Amerika; zij was ongeveer een

decimeter lang en bezat zwarte of gele dwarsbanden, terwijl de kop,

pooten en staart helder rood waren. Daardoor viel zij elk mensch die op

vele ellen afstands voorbijging, en waarschijnlijk elk voorbijkomend

levend schepsel in het oog.

Ik wendde mij toen tot den heer Wallace die een aangeboren vernuft

bezit om moeilijkheden op te lossen. Na eenig nadenken antwoordde deze

mij: „De meeste rupsen hebben bescherming noodig, zooals daaruit mag

worden afgeleid, dat vele soorten van doornen en prikkelende haren zijn

voorzien, of groen gekleurd, gelijk de bladeren waarmede zij zich

voeden, of merkwaardig veel gelijken op de twijgen der boomen waarop

zij leven.” Ik kan hier als een ander voorbeeld van bescherming

bijvoegen, dat er een rups van een nachtvlinder is, gelijk de heer J.

Mansel Weale mij mededeelde, die op de mimosa’s van Zuid-Afrika leeft,

en zich een verblijfplaats vervaardigt, die volstrekt niet van de

omringende doornen kan worden onderscheiden. Op grond van dergelijke

overwegingen hield de heer Wallace het voor waarschijnlijk, dat

opzichtig gekleurde rupsen werden beschermd, doordat zij een

walgelijken smaak hadden; maar daar haar huid uiterst teeder is, en

haar ingewanden gemakkelijk uitpuilen uit een wond, zou een geringe pik

van den snavel van een vogel bijna even noodlottig voor haar zijn,

alsof zij verslonden waren geworden. Daarom zou, gelijk de heer Wallace

opmerkt, „een walgelijke smaak alleen onvoldoende zijn om een rups te

beschermen, tenzij eenig uiterlijk teeken aan het dier dat haar wilde

verslinden, aantoonde, dat zijn prooi een wansmakelijk gerecht was.”

Onder deze omstandigheden zou het in hooge mate voordeelig voor een

rups zijn om oogenblikkelijk en met zekerheid door alle vogels en

andere dieren als oneetbaar te worden herkend. Zoo zouden de

levendigste kleuren nuttig zijn, en zouden kunnen zijn verkregen door

variatie en het in leven blijven der gemakkelijkst herkenbare

individu’s.

Deze veronderstelling schijnt op het eerste gezicht zeer stout, maar

toen zij aan het oordeel der Engelsche Entomologische Vereeniging werd

onderworpen [776], werd zij door onderscheidene mededeelingen

bevestigd; en de heer Jenner Weir die een groot aantal vogels in een

vogelhuis (volière) houdt, heeft, naar hij mij meldt, talrijke proeven

genomen en vindt geen uitzondering op den regel, dat al de rupsen die

een nachtelijke levenswijze hebben, zich schuil houden en een zachte

huid bezitten, allen die groen van kleur zijn, en allen die twijgen

nabootsen, gretig door zijn vogels worden verslonden. De harige en

doornige soorten worden onveranderlijk weggeworpen, en evenzoo ging het

met vier opzichtig gekleurde soorten. Als de vogels een rups

wegwierpen, toonden zij duidelijk door hun koppen te schudden en hun

bekken schoon te maken, dat zij van den smaak walgden. [777] Drie

opzichtige soorten van rupsen werden ook door den heer A. Butler aan

eenige hagedissen en kikvorschen gegeven, en werden weggeworpen, hoewel

andere soorten gretig werden gegeten. De waarschijnlijke waarheid van

de meening van den heer Wallace wordt dus bevestigd, dat namelijk

zekere rupsen opzichtig zijn gemaakt voor haar eigen bestwil, opdat zij

gemakkelijk door haar vijanden zouden kunnen worden herkend, ongeveer

volgens het zelfde beginsel, als zekere vergiften door de apothekers

worden gekleurd ten bestwil van den mensch.

Wij kunnen echter tegenwoordig de sierlijke verscheidenheid van de

kleuren van vele rupsen niet op die wijze verklaren; maar elke soort

die in een of ander vroeger tijdperk een dof gevlekt of gestreept

uiterlijk had verkregen, hetzij in nabootsing van omringende voorwerpen

of door de rechtstreeksche werking van het klimaat enz, zou bijna zeker

niet eenvormig van kleur worden, als haar kleuren sterk en levendig

werden; want, als het eenvoudig was te doen om een rups opzichtig te

maken, zou er geen teeltkeus in de eene of andere bepaalde richting

zijn.

Overzicht en Slotopmerkingen aangaande de Insekten.—Laten wij thans een

terugblik slaan op de verschillende Orden. Wij hebben gezien, dat de

seksen dikwijls in onderscheidene kenmerken verschillen, waarvan de

beteekenis niet wordt begrepen. De seksen verschillen ook dikwijls in

haar zintuigen of bewegingswerktuigen, opdat de mannetjes de wijfjes

spoedig zouden kunnen ontdekken of bereiken, en nog veelvuldiger,

doordat de mannetjes allerlei werktuigen hebben om het wijfje vast te

houden als zij haar hebben gevonden. Wij hebben hier echter met

dergelijke seksueele verschillen niet veel te maken.

In bijna alle Orden weet men, dat de mannetjes van sommige soorten,

zelfs van zwakke en teedere, zeer strijdlustig zijn; en eenige weinige

zijn van bijzondere wapenen voorzien om met hun medeminnaars te

vechten. De wet van den strijd geldt echter bij de Insekten lang zoo

algemeen niet als bij de hoogere dieren. Daardoor komt het

waarschijnlijk, dat de mannetjes zelden grooter en sterker zijn

geworden dan de wijfjes. Zij zijn daarentegen gewoonlijk kleiner, opdat

zij zich in korten tijd zouden kunnen ontwikkelen, zoodat zij in

grooten getale gereed zijn, als de wijfjes uit de pop komen.

In twee families van de Gelijkvleugeligen (Homoptera) bezitten alleen

de mannetjes in werkzamen staat werktuigen die men stemorganen zou

kunnen noemen; en in drie families van de Rechtvleugeligen (Orthoptera)

bezitten alleen de mannetjes sjirporganen. In beide gevallen worden

deze organen gedurende den paartijd onophoudelijk gebruikt, niet alleen

om de wijfjes te lokken, maar ook om haar in den wedstrijd met andere

mannetjes te bekoren of op te wekken. Niemand die de werking der

natuurlijke teeltkeus aanneemt, zal betwisten, dat deze

muziekinstrumenten door seksueele teeltkeus zijn verkregen. In vier

andere Orden bezitten de leden van de eene sekse, of meer algemeen van

beide seksen organen om verschillende geluiden voort te brengen, die

alleen als loktonen schijnen te dienen. Zelfs wanneer beide seksen

daarvan zijn voorzien, moeten zij die in staat zijn het luidste of

langst aanhoudende geluid te maken, eerder gezellen krijgen dan zij die

minder luidruchtig zijn, zoodat hun organen waarschijnlijk door

seksueele teeltkeus zijn verkregen. Het is leerzaam om na te denken

over de verwonderlijke verscheidenheid der middelen om geluid voort te

brengen, welke alleen de mannetjes of beide seksen in niet minder dan

zes Orden bezitten, en welke door ten minste één insekt in een uiterst

lang geleden geologisch tijdvak werden bezeten. Wij leeren daaruit, hoe

werkzaam de seksueele teeltkeus is geweest in het veroorzaken van

verschillende wijzigingen van maaksel, die soms, zooals bij de

Gelijkvleugeligen (Homoptera), belangrijk van aard zijn.

Wegens in het vorige hoofdstuk vermelde reden is het waarschijnlijk,

dat de groote horens van de mannetjes van vele Bladsprietigen

(Lamellicornia) en sommige andere Kevers als een sieraad zijn

verkregen. Evenzoo is het wellicht ook met zekere andere tot de

mannelijke sekse beperkte bijzonderheden. Wegens de geringe grootte der

insekten zijn wij geneigd hun uiterlijk aanzien laag te schatten. Als

wij ons een mannelijke Chalcosoma (Fig. 57) konden voorstellen, met

zijn maliënkolder van gepolijst brons, tot de grootte van een paard of

zelfs slechts van een hond vergroot, zou het een der indrukwekkendste

dieren van de wereld zijn.

De kleuring der insekten is een ingewikkeld en duister onderwerp. Als

het mannetje weinig van het wijfje verschilt en geen van beide

schitterend gekleurd zijn, is het waarschijnlijk, dat de beide seksen

op een eenigszins verschillende wijze hebben gevarieerd en de variaties

op de zelfde sekse zijn overgeplant, zonder dat daardoor eenig voordeel

is verkregen of nadeel geleden. Als het mannetje schitterend is

gekleurd en in ’t oog loopend van het wijfje verschilt, zooals bij

sommige Waternimfen en vele Kapellen, is het waarschijnlijk, dat hij

alleen is gewijzigd en dat hij zijn kleuren aan seksueele teeltkeus is

verschuldigd, terwijl het wijfje een oorspronkelijke of zeer oude type

van kleuring heeft behouden, eenigermate gewijzigd door vroeger

verklaarde oorzaken, en dus, ten minste in de meeste gevallen, niet

donker is gekleurd ter wille van de bescherming. Maar soms is ook

alleen het wijfje schitterend gekleurd, zoodanig, dat het andere in de

zelfde streek wonende beschermde soorten nabootst. Als de seksen op

elkander gelijken, en beide donker gekleurd zijn, is er geen twijfel,

dat zij in een menigte gevallen die kleur ter wille van de bescherming

hebben verkregen. Evenzoo is het in sommige gevallen, als beide

levendig gekleurd zijn en zij daardoor op hen omringende voorwerpen,

zooals bloemen, of op andere beschermde soorten gelijken, of op

indirecte wijze haar vijanden doen weten, dat zij oneetbaar zijn. In

vele andere gevallen waarin de seksen op elkander gelijken en

schitterend gekleurd zijn, vooral wanneer de kleuren geschikt zijn om

er mede te pronken, mogen wij besluiten, dat zij door de mannelijke

sekse als een aantrekkelijkheid zijn verkregen en op beide seksen

overgeplant. Wij worden meer in het bijzonder tot dit besluit gebracht,

als de zelfde type van kleur door een geheele groep heên heerscht, en

wij vinden, dat de mannetjes van sommige soorten zeer in kleur van de

wijfjes verschillen, terwijl bij andere soorten beide seksen geheel

gelijk zijn en tusschenliggende overgangen deze uiterste toestanden

verbinden.

Op de zelfde wijze als levendige kleuren dikwijls gedeeltelijk van de

mannetjes op de wijfjes zijn overgeplant, is het ook soms gegaan met de

buitengewone horens van vele Bladsprietigen (Lamellicornia) en sommige

andere kevers. Evenzoo zijn ook de stem- of instrumentale organen die

aan de mannetjes der Gelijkvleugeligen (Homoptera) en Rechtvleugeligen

(Orthoptera) eigen zijn, gewoonlijk in een rudimentairen of zelfs in

een bijna volkomen toestand op de wijfjes overgeplant, en toch niet

volkomen genoeg om tot het voortbrengen van geluid te worden gebezigd.

Het is ook een belangwekkend feit, daar het op seksueele teeltkeus

wijst, dat de sjirporganen van sommige mannelijke Rechtvleugeligen

(Orthoptera) niet tot volkomen ontwikkeling komen voor de laatste

vervelling, en dat de kleuren van de mannetjes van sommige Waternimfen

niet tot volkomen ontwikkeling komen, dan korten tijd nadat zij uit de

pop zijn gekomen en als zij gereed zijn voor de paring.

De seksueele teeltkeus sluit in zich, dat aan de aantrekkelijkste

individu’s door de andere sekse de voorkeur wordt gegeven; en daar bij

de insekten, wanneer de seksen verschillen, met zeldzame uitzonderingen

het mannetje het meest is versierd en het meest afwijkt van de type

waartoe de soort behoort, moeten wij veronderstellen, dat de wijfjes

gewoonlijk of somtijds aan de fraaiste mannetjes de voorkeur geven, en

dat deze op die wijze hun schoonheid hebben verkregen. Dat in de meeste

of alle Orden de wijfjes het vermogen bezitten om eenig bijzonder

mannetje van de hand te wijzen, mogen wij veilig afleiden uit de vele

vreemdsoortige dwangwerktuigen welke de mannetjes bezitten om het

wijfje te grijpen, zooals groote kaken, zuigkussentjes, doornen,

verlengde pooten enz.; want deze dwangwerktuigen bewijzen, dat er aan

de handeling eenige moeite is verbonden. In het geval van vereenigingen

tusschen verschillende soorten, waarvan vele voorbeelden zijn

opgeteekend, moet het wijfje daarin hebben toegestemd. Te oordeelen

naar hetgeen wij weten van de waarnemingsvermogens en de neigingen van

verschillende insekten, is er a priori volstrekt geen

onwaarschijnlijkheid in gelegen, dat de seksueele teeltkeus sterk heeft

gewerkt; maar wij bezitten daarvan tot dusver nog geen rechtstreeksche

bewijzen, en sommige feiten pleiten tegen dit geloof. Desniettemin

kunnen wij, als wij vele mannetjes het zelfde wijfje zien vervolgen,

moeielijk gelooven, dat de paring aan het blinde toeval is

overgelaten,—dat het wijfje geen keus uitoefent en dat de prachtige

kleuren of andere versierselen waarmede het mannetje prijkt, geen

invloed op haar uitoefenen.

Als wij aannemen, dat de wijfjes van de Gelijkvleugeligen (Homoptera)

en Rechtvleugeligen (Orthoptera) de door hun mannelijke gezellen

voortgebrachte muzikale tonen op prijs stellen, en dat de verschillende

tot dit doel bestemde instrumenten door seksueele teeltkeus volkomener

zijn gemaakt, is het niet zeer onwaarschijnlijk, dat de wijfjes van

andere insekten schoonheid van vorm of kleur op prijs stellen, en dat

bijgevolg dergelijke kenmerken op die wijze door de mannetjes zijn

verkregen. Maar wegens de omstandigheid, dat de kleur zoo variabel is,

en omdat zij dikwijls ter wille van de bescherming is gewijzigd, is het

uiterst moeielijk te beslissen in hoe sterk een verhouding van gevallen

de seksueele teeltkeus in het spel geweest. Dit is meer in het

bijzonder moeielijk in die Orden, zooals de Rechtvleugeligen

(Orthoptera), Vliesvleugeligen (Hymenoptera) en Schildvleugeligen

(Coleoptera), in welke de beide seksen zelden veel in kleur

verschillen; want wij zijn dan beroofd van ons beste bewijs voor eenige

betrekking tusschen de voortplanting der soort en de kleur. Onder de

Schildvleugeligen (Coleoptera) is het echter, zooals vroeger is

opgemerkt, in de groote groep der Bladsprietige Kevers (Lamellicornia),

door sommige schrijvers aan het hoofd van de Orde geplaatst, en waarin

wij somtijds een wederkeerige gehechtheid tusschen de seksen waarnemen,

dat wij de mannetjes van sommige soorten in het bezit van bijzondere

wapens voor den strijd om de wijfjes, andere van verwonderlijke horens,

vele van sjirporganen voorzien en andere met prachtige metallieke

kleuren versierd vinden. Het schijnt daarom waarschijnlijk, dat al deze

kenmerken door het zelfde middel, namelijk seksueele teeltkeus, zijn

verkregen.

Als wij de vogels behandelen, zullen wij zien, dat zij in hun

secundaire seksueele kenmerken de grootste analogie met de Insekten

vertoonen. Zoo zijn vele mannelijke vogels in hooge mate strijdlustig

en sommigen zijn van bijzondere wapenen voorzien om met hun

medeminnaars te vechten. Zij bezitten organen die gedurende den

paartijd worden gebruikt om vocale en instrumentale muziek voort te

brengen. Zij zijn dikwijls versierd met kammen, horens, vleeschlappen

en vederen van den meest verschillenden aard en prijken met schoone

kleuren, hetwelk alles klaarblijkelijk dient om er mede te pronken. Wij

zullen zien, dat, evenals bij de insekten, in sommige groepen beide

seksen even schoon zijn, en beide gelijkelijk versierselen bezitten,

die anders gewoonlijk tot de mannelijke sekse zijn beperkt. In andere

groepen zijn beide seksen even dof gekleurd en onversierd. Eindelijk

zijn in eenige weinige van den regel afwijkende gevallen de wijfjes

fraaier dan de mannetjes. Wij zullen dikwijls in ééne en dezelfde groep

van vogels allerlei overgangen vinden van volstrekt geen verschil

tusschen de seksen tot een uiterst groot verschil toe. In het laatste

geval zullen wij zien, dat de wijfjes evenals vrouwelijke insekten

dikwijls min of meer duidelijke sporen bezitten van de kenmerken die

eigenlijk aan de mannetjes toebehooren. De overeenkomst in al deze

opzichten tusschen Vogels en Insekten is inderdaad merkwaardig groot.

Elke verklaring die bij de eene Klasse toepasselijk is, is zulks

waarschijnlijk ook bij de andere, en die verklaring is, zooals wij

later zullen trachten aan te toonen, bijna zeker Seksueele Teeltkeus.

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2) · 第 107 / 111 题