(1) In een brief aan Darwin, gedateerd 19 October 1877, en gepubliceerd
in „Nature” vol. XVII, 1877, blz. 78, zegt Fritz Müller naar aanleiding
dezer plaats over het verschillend beloop der aderen op de vleugels van
vlinders van verschillende sekse: „In alle gevallen die ik ken, staat
dit verschil in verband met de ontwikkeling van vlekken uit eigenaardig
gevormde schubben, haarbosjes of andere inrichtingen bij het mannetje,
welke geuren van zich geven, die ongetwijfeld het wijfje aangenaam
zijn, en zijn zij waarschijnlijk daardoor ontstaan. Dit is het geval
bij de geslachten Mechanitis, Dircenna, bij eenige soorten van Thecla
enz.” (Vergelijk aant. 2 op Hoofdstuk XI.)
(2) Zie omtrent Mayer’s proeven: „Amer. Journ. of Science and Arts”,
1874, blz. 94. Volgens Landois (in zijn door Darwin meermalen
aangehaalde verhandeling) zou het geluid bij de Diptera worden
voortgebracht door uitstrooming van lucht uit de in bromtoestellen
veranderde voorste en achterste stigmata van het borststuk. Dicht onder
de stigma-opening ligt een ring, de bromring, die van dunne als
stembanden werkende chitineplaatjes is voorzien, welke door de door
tracheeën aangevoerde lucht in trilling geraken. Het geluid der Diptera
kan dus evenzeer een eigenlijke stem worden genoemd als dat der
Homoptera (blz. 444). Volgens J. Perez („Compt. rend.” T. LXXXVII, blz
378) wordt het brommen der Tweevleugeligen en het zachte en weeke
geluid dat sommige Schubvleugeligen en Netvleugeligen bij het vliegen
maken, veroorzaakt door trillingen, waarvan de vleugelgewrichten de
zitplaatsen zijn, terwijl het min of meer wordt gewijzigd door de
wrijving der vleugels tegen de lucht. Naar aanleiding van de
mededeelingen van Perez, schrijft Jousset de Bellesme („Compt. rend.”
T. LXXXVII, blz. 659), dat alle insecten die, vliegende, meer dan 80
vleugeltrillingen per seconde maken, geluid geven, mits de
vleugeloppervlakte groot genoeg is. Zoo ontstaat het lage geluid in het
gebrom der Tweevleugeligen en Vliesvleugeligen. In dat gebrom is echter
ook een hoog geluid en dit laatste is een gevolg van trillingen van den
thorax, die worden veroorzaakt doordat de vliegspieren zich niet
inplanten aan de vleugels zelven, maar aan gedeelten van den thorax,
die de vleugels dragen.
Men zie overigens omtrent de door insekten voortgebrachte geluiden Dr.
R. Horst, „De Stemwerktuigen der Insekten” (met afbeeldingen), in „Alb.
d. Nat.” 1881, blz. 45.
(3) De Homoptera worden door de meeste dierkundigen niet als een
zelfstandige orde, maar slechts als een onderafdeeling van de orde der
Hemiptera beschouwd.
(4) Volgens Pape („Handwörterbuch der Griechischen Sprache”, Bd. II,
blz. 108, kolom 1, regel 3 v. b.) zou men in Spanje nog heden de
Cicaden in kooitjes bewaren ter wille van hun gezang.
Dat de oude Grieken het gezang der Cicaden bewonderden, blijkt uit
onderscheidene plaatsen der oude schrijvers. Zoo weet Homerus (Ilias
III, 146–154) de welsprekendheid van de oudsten des Trojaanschen volks
(de demogeronten) niet beter te verheerlijken, dan door ze bij Cicaden
te vergelijken; Plato (Phaedr. 230, C) prijst den toon van het koor der
Cicaden; Hesiodus (Opera et Dies, 583) vermeldt de liefelijkheid van
hun gezang; Anakreon wijdt daaraan de 43ste zijner oden.
Strabo verhaalt (Libr. VI, cap. 1, § 9) het volgende: „De rivier Halex
doorboort een rots, tusschen Rhegium en Locri Epizephyrii gelegen. De
Cicaden op het grondgebied der Locriërs geven geluid; de andere zijn
stom. [740] Dit schijnt daarvandaan te komen, dat de landstreek aan den
kant van Rhegium zeer in de schaduw ligt en de Cicaden daar vochtig
bedauwd blijven, terwijl die aan den kant van Locri zeer aan de zon
zijn blootgesteld en een hoornachtige huid hebben, zoodat zij een
behoorlijk geluid kunnen geven.”
„Te Locri werd een standbeeld getoond van Eunomos den citherspeler, dat
een Cicade op de cither had zitten. Timaeus verhaalt daaromtrent, dat
Eunomos van Locri en Ariston van Rhegium eens met elkander wedijverden
in het citherspelen bij gelegenheid van de Pythische spelen; dat
Ariston de hulp van de Delphiërs inriep, omdat zijn voorouders
priesters van den Delphischen god waren geweest, en omdat van Delphi
een volkplanting” (naar Rhegium?) „was gezonden; dat, toen Eunomos
zeide, dat zij in muziekwedstrijden volstrekt geen stem hadden, daar de
Cicaden, de welluidendste (!) der dieren, bij hen stom waren, Ariston
desniettemin uitmuntte en veel hoop had de overwinning te behalen; maar
dat Eunomos toch overwinnaar bleef en het bovengenoemde standbeeld in
zijn vaderstad Locri oprichtte, nadat tijdens den wedstrijd, toen een
van zijn snaren was gesprongen, een Cicade op de cither was gaan zitten
en den ontbrekenden toon had aangevuld.”
Bekend is ook de sage van Tithonus die door zijn gemalin Eos (of
Hemera, zie Hellanici Fragm., 142, Schol. Homer. II. I, 151) in een
Cicade was veranderd, uit medelijden voor zijn hulpeloozen ouderdom;
hij had namelijk op haar verzoek van Zeus de onsterfelijkheid
verkregen, doch zij had vergeten daarbij tevens een eeuwige jeugd voor
hem te vragen (zie hierover ook Erasmi Adagia, in voce longaevitas).
Volgens een andere Grieksche sage waren de Cicaden vroeger menschen
geweest, uit het slijk der aarde voortgekomen [741], zij hadden van de
Muzen de muziek geleerd en oefenden zelven die kunst met zooveel ijver,
dat zij er eten en drinken voor vergaten en den hongerdood stierven. De
dankbare Muzen deden ze als Cicaden herleven en schonken hun het
vermogen om zonder voedsel te kunnen leven, opdat zij zich ongestoord
aan de kunst zouden kunnen wijden.
De Romeinen dweepten niet met het gezang der Cicaden. Dit blijkt o.a.
uit een paar plaatsen van Virgilius (Ecl. II, 13 en Georg. III, 328),
waar hij zingt:
At mecum raucis, tua dum vestigia lustro,
Sole sub ardenti resonant arbusta cicadis.
en:
Et cantu querulae rumpent arbusta cicadae.
(5) Het stemorgaan der Cicaden wordt zeer uitvoerig beschreven en is
experimenteel onderzocht door Prof. G. Carlet te Grenoble („Revue
Scientifique”, 1 Dec. 1877, waar hij ook een vergroote afbeelding heeft
gegeven). Elke twijfel schijnt opgeheven, dat het in hoofdzaak bestaat
uit een vlies, dat door de snelle beweging van een daaraan ingeplante
spier in trilling wordt gebracht.
(6) Wellicht behoort onder de secundaire seksueele kenmerken bij de
Homoptera melding te worden gemaakt van het lichtend vermogen dat,
volgens sommigen, de soorten van de familie der Lantaarndragers zouden
bezitten. De eerste die daarvan melding heeft gemaakt en het zelf zou
hebben waargenomen, was Mejuffrouw Maria Sibylla Merian. Daar later
echter het bestaan van dit lichtend vermogen door andere
natuuronderzoekers welke die dieren in hun vaderland waarnamen, niet
alleen niet werd bevestigd, maar zelfs formeel tegengesproken, kwamen
de meeste dierkundigen tot de overtuiging, dat het bericht van
Mejuffrouw Merian op een dwaling moest berusten, totdat voor eenige
jaren de heer J. Smith eenige waarnemingen omtrent den Chineeschen
Lantaarndrager (Fulgora candelaria) publiek maakte; hij beweert, dat
dit dier van Mei tot in Augustus niet zeldzaam is, en dat in die
maanden de spits van de lantaarn (het blazige, vooruitstekende deel van
den kop) een blauw of groenachtig licht verspreidt, dat bij het wijfje
sterker is dan bij het mannetje en na de paring geheel verdwijnt. [742]
Deze laatste omstandigheid zou kunnen verklaren, hoe zoovele waarnemers
hebben kunnen volhouden, dat het lichtgevend vermogen een sprookje was;
ook onze gewone mannelijke Glimworm intusschen geeft dikwijls geen
licht.
Tot de Orde of Onder-Orde der Homoptera behoort ook de zeer
merkwaardige familie der Membraciden, bij welke groep het voorborststuk
(prothorax) allerlei grillige fantastisch gevormde uitsteeksels
vertoont, welke aan deze insekten een allerzonderlingst uiterlijk
geven. Daar het mij niet onwaarschijnlijk voorkwam, dat deze
uitsteeksels door seksueele teeltkeus waren ontstaan, richtte ik tot
wijlen onzen kundigen entomoloog Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven, de
vraag, of er in de grootte en den vorm dezer uitsteeksels eenig
verschil tusschen de seksen bestond. Hij antwoordde mij, dat hij zulks
niet geloofde.
Desniettemin kunnen deze uitsteeksels die bij nauw verwante soorten
zeer sterk verschillen, zeer wel door seksueele teeltkeus zijn
ontstaan, hetzij dan dat de aldus oorspronkelijk door de eene sekse
verkregen kenmerken later op de andere werden overgeplant, of dat beide
seksen door wederkeerige teeltkeus tegelijkertijd in deze richting
werden veranderd.
(7) Het grootste en sterkste muziekinstrument bezit een soort van
Sabelsprinkhaan van Java en Borneo, Macrolyristes genaamd.
Dat de door de mannetjes der Sabelsprinkhanen met hun instrument [743]
voortgebrachte muziek werkelijk dient tot seksueele lokstem en dat het
wijfje werkelijk een keus tusschen verschillende mannetjes doet en niet
met het eerste het beste paart, blijkt o.a. overtuigend uit een
waarneming van wijlen onzen kundigen entomoloog Mr. S. C. Snellen van
Vollenhoven, die hij in zijn uitnemend, reeds meer aangehaald werk
„Gedaantewisseling en Levenswijze der Insekten”, Haarlem, 1870, blz.
87, in zijn gewonen onderhoudenden stijl met de volgende woorden
mededeelt:
„Ik herinner mij, dat ik eens kwam op een glooienden grond met een
vergezicht dat mij uitlokte om er lang naar te zien,—dat mij uitlokte
om te gaan liggen om er naar te blijven zien”.....
..... „Terwijl ik daar lag roerloos als een doode op de ademhaling na,
hoor ik een licht geritsel aan mijn zijde, een hrr, hrr, zeer flauw,
maar kenbaar geslaakt om attentie te trekken. Ik zie naar dien kant,
doch bespeur niets; korten tijd daarna wordt het geluid herhaald, ik
zoek nauwlettender met de oogen, en op de zelfde oogenblik springt mij
een kleine sprinkhaan op den arm. Het spreekt van zelf, dat ik het
diertje niet verontrustte, noch wegjoeg, maar in afwachting bleef wien
zijn roepstem gold. Hij sjirpte weder, en het was mij of zijn geluid
helderder was; misschien maakten wij beiden de zelfde opmerking, want
nu barstte zijn muzikaal talent eerst recht los, en met intervallen van
eenige seconden sjirpte hij wat hij kon. Gelukkig niet te vergeefs;
zijn roepstem was gehoord. Evenals men op de oude platen der bijbelsche
prentenboeken bij de offerande van Abraham altijd een ramskop tusschen
de struiken afgebeeld ziet, zoo verscheen mij op kleinen afstand
tusschen de grassprietjes een andere sprinkhaankop. Het duurde eenigen
tijd eer deze tweede sprinkhaan behoedzaam durfde naderen, doch
langzamerhand legde het diertje alle vrees af en kwam, gelokt door de
liefelijke tonen, nader en nader, toen ik in de verte, als het
hoorngeluid van Hernani, een tweede hrr, hrr hoorde weêrklinken. De
tweede sprinkhaan bleef staan en luisterde; de minnaar riep haar met
aandrang, met gevoel, maar de medeminnaar sprong dichterbij en sjirpte
weder. Deze laatste kreet besliste de zaak; het bleek dat dit de toon
niet was, waarmede men vrouwenharten verovert, want de geliefde wendde
zich tot den eersten zanger, en beide—eensgezind—sprongen op en over
mij heên om in het gras een offerande te brengen aan moeder Isis, de
alles onderhoudende.”
Zoo schreef Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven, tegenstander der
Darwinistische beginselen, in 1870, vóór Darwin’s boek over seksueele
teeltkeus was uitgekomen. In 1871, na het verschijnen van dit boek, op
de zomervergadering der Nederlandsche Entomologische Vereeniging,
ontkende hij daarentegen, nadat ik een discussie over het Darwinisme
had uitgelokt, dat, zelfs bij de hoogere dieren, laat staan bij de
lagere, het wijfje een keus deed tusschen verschillende mannetjes;
„integendeel”, zeide hij, „het wijfje paart niet dan na daartoe formeel
te zijn genoodzaakt, maar neemt dan ook het eerste het beste mannetje
aan!” Het is niet onaardig op te merken, hoe zelfs de tegenstanders van
Darwin’s leer huns ondanks bouwstoffen verzamelen, die haar de
zegepraal helpen verzekeren.
(8) Volgens Goureau zouden er soorten van Veldsprinkhanen zijn, die wel
de dijen tegen de randen der vleugels wrijven, doch daarbij geen geluid
voortbrengen. Waarschijnlijk wordt er wel degelijk een toon
voortgebracht, doch is deze te hoog om door het menschelijk oor te
kunnen worden waargenomen. [744] Vele menschen kunnen zelfs het voor
anderen zoo vervelende krieken van den Huiskrekel volstrekt niet
waarnemen.
(9) De Nederlandsche bewoners van de Kaapkolonie noemen dit dier daarom
Blaasop.
(10) Het komt mij voor, dat men het ontstaan van het stemorgaan der
Diptera even goed kan verklaren door seksueele teeltkeus als in het
geval van Kevers bij welke beide seksen sjirpen (blz. 467 v.v.). Gaat
bij de Diptera en sommige andere insekten die verklaring niet door, dan
wordt het mijns inziens ook minder waarschijnlijk, dat zij in andere
gevallen de juiste is. Hebben de Diptera en sommige andere insekten het
vermogen om geluid voort te brengen, verkregen zonder de inwerking der
seksueele teeltkeus, dan zou het vreemd zijn, dat zij de eenigen waren,
en dan is het ook onnoodig bij Kevers, bij welke beide seksen sjirpen,
dat beginsel ter verklaring te hulp te roepen. Het ligt overigens voor
de hand, dat ook bij de Diptera die individu’s van beiderlei sekse, die
eenigermate het vermogen bezaten om geluid voort te brengen, elkander
gemakkelijker konden vinden dan andere, derhalve grooter kans hadden om
nakomelingschap na te laten dan deze, en op die nakomelingschap het
vermogen om geluid voort te brengen overplantten, terwijl die
nakomelingen welke het vermogen om geluid voort te brengen, in de
sterkste mate bezaten, op hun beurt de kans hadden zich het sterkst te
vermenigvuldigen. Ik geloof dus, dat wij ook in dit geval de werking
der seksueele teeltkeus moeten aannemen, doch, zoo wij dit niet willen,
ook geen recht hebben haar in andere gevallen waarin beide seksen
sjirpen, aan te nemen.