AANTEEKENINGEN.

(1) De Doodshoofd-uil (Acherontia atropos) maakt een eigenaardig

piepend geluid dat volgens Landois (in zijn door Darwin meermalen

aangehaalde verhandeling) door het wrijven van de voelers (palpi) tegen

den zuiger wordt voortgebracht. Deze voelers bezitten aan de onbehaarde

binnenzijde zeer fijne ribbetjes. [778]

De heeren Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven, Dr. M. C. Verloren en R.

T. Maitland antwoordden op mijn vraag, of er ten opzichte van dit

geluidgevend vermogen ook eenig verschil tusschen de seksen van A.

atropos werd waargenomen, dat zij zulks niet geloofden. Dit neemt niet

weg, dat ik het toch zeer mogelijk acht, dat het vermogen om geluid

voort te brengen, door A. atropos is verkregen ten gevolge van

seksueele teeltkeus op de zelfde wijze waarop Darwin zulks verklaart

bij torren van welke de beide seksen sjirpen. [779]

Ook bij andere Sphingidae vond Landois ribbetjes op de palpen, en wel

in veel grooter aantal met betrekking tot de oppervlakte die zij

innemen, zooals blijkt uit het volgende staatje:

SOORTEN. Lengte der Breedte der Aantal

wrijfplaat (in wrijfplaat (in ribbetjes.

millimeters). millimeters).

A. atropos 2 0.75 35

Sphinx convolvuli 2 1 92

S. ligustri 1.1 0.38 30

Deilephila elpenor 1.16 0.41 36

Sphinx pinastri 1.33 0.5 39

Daar nu bij gelijke wrijvingssnelheid een grooter aantal ribbetjes op

een even lang gedeelte van de wrijfplaat noodzakelijk moet overeenkomen

met een grooter aantal trillingen, dus met een hoogeren toon, ligt de

gevolgtrekking voor de hand, dat al deze vlinders geluiden

voortbrengen, doch dat wij slechts dat van A. atropos hooren, omdat die

der andere te hoog zijn om door onze ooren te kunnen worden

waargenomen. Wanneer wij verder aannemen, dat het geluidgevend vermogen

door A. atropos is verkregen ten gevolge van de werking der seksueele

teeltkeus, dan valt dit ook voor het overige niet te betwijfelen. Op

die wijze komen wij er toe te bepalen op welke wijze deze laatsten een

vermogen hebben verkregen, van welks bestaan wij ons door directe

waarnemingen niet kunnen overtuigen.

Men kan nog verder gaan. Reuter („Zool. Anz.”, blz. 288, 17 Sept. 1888)

onderzocht eenige honderden soorten van vlinders uit Finland, en vond

bij allen zulk een onbehaarde plek aan de binnenzijde der voelers als

Landois bij de Sphingiden had gevonden, en die plek schijnt voor de

geheele orde der Schubvleugeligen typisch te zijn. Bij bijna alle

onderzochte vlinders vond Reuter de door Landois ontdekte ribbetjes,

bij vele soorten wel is waar vrij onduidelijk en onvolkomen, maar bij

slechts weinige geheel ontbrekende. Steeds was de ligging zoo, dat de

met een verhoogde lijst voorziene basis van den zuiger er gemakkelijk

kon worden tegenaan gedrukt. Bij alle vlinders komt derhalve zulk een

sjirporgaan of een rudiment daarvan voor. Naast de ribbetjes vond

Reuter een eigenaardig zintuig, over de functie waarvan hij geen zeker

besluit meende te kunnen trekken. Het bestaat uit een kegelvormig met

een ringvlies omgeven orgaan, waarin zich haarvormige deeltjes

bevinden, die met zenuwen in verbinding staan. De analogie hiervan met

sommige deelen van ons eigen inwendig oor doet schrijver dezes

vermoeden, dat wij hier wel met een gehoororgaan zullen hebben te doen.

Bij de dagvlinders waren zoowel de ribbetjes op de wrijfplaat als het

zintuig aanmerkelijk grooter bij de mannetjes dan bij de wijfjes,

hetgeen o.i. duidelijk bewijst, dat die deelen met de seksueele

teeltkeus in verband staan.

Romanes, Mr. Sachlan, Buchanan White en Cunningham hebben in „Nature”,

Jan. en Febr. 1877, blz. 177, 293, verscheidene mededeelingen gedaan

omtrent geluidgevende vlinders. Verscheidene soorten van Vanessa maken

een dergelijk geluid als Ageronia feronia, ofschoon zwakker, en het

geluid wordt voortgebracht door een als een vijl getanden ader van den

bovenvleugel, die strijkt over een uitpuilenden ader aan den

ondervleugel, terwijl er bovendien daar ook een schubloos plekje is,

door een lijstje omsloten. Ook in de geslachten Euprepia en Chelonia

komen geluidgevende vlinders voor. Bij Chelonia pudica wordt het geluid

voortgebracht door een soortgelijk orgaan als bij Setina, en gelijkt op

het tikken van een horloge.

Dionychopus niveus Mén. bezit volgens Dönitz („Berl. Entomol.

Zeitschrift”, 1887, Heft 1) een eigenaardig stemorgaan. Aan de

bovenzijde van den achtervleugel en aan de onderzijde van den

voorvleugel, daar waar de vleugels elkander bedekken, bevinden zich

namelijk omstreeks 2 m.m. lange en 1 m.m. breede uit sterk

gechitiniseerde dorens bestaande borstels. Door het tegen elkander

wrijven daarvan brengt de vlinder een sjirpend geluid voort. Bij de

Spinners (Bombycidae) zou de stemtoestel meestal aan de borst liggen en

bestaan uit een over een holte gespannen vlies dat waarschijnlijk door

wrijving met de achterpooten in trilling wordt gebracht.

(2) Wij zullen in Hoofdstuk XII, XIII en XVIII zien, dat Darwin den

muskusachtigen geur welken de krokodillen, de Australische muskuseend

(Bizura lobata) en vele zoogdieren verspreiden, met hun seksueele

functiën in verband brengt, en de ontwikkeling der klieren waardoor de

riekende stof wordt afgescheiden, ten minste bij sommige dezer dieren,

door seksueele teeltkeus verklaart. Het bevreemdt mij, dat in dit

hoofdstuk alleen, en dan nog maar ter loops, wordt gerept van den geur

dien twee pijlstaartvlinders verspreiden, daar het zelfde bij zeer vele

andere vlinders is opgemerkt.

Fritz Müller („Ausland”, 7 Oct. 1878) doet omtrent den geur van

mannelijke vlinders eenige mededeelingen. (Vergelijk ook boven aant.

1).

De schubben welke op de vleugels der vlinders als dakpannen over

elkander liggen, vertoonen, gelijk men weet, bij de mannetjes dikwijls

kleinere of grootere onregelmatigheden door tusschenschubben.

Deze tusschenschubben zijn volgens F. Müller’s waarnemingen de zetel

van den eigenaardigen geur welken bijna alle mannelijke vlinders in

meerdere of mindere mate bezitten. Deze waarnemingen zijn later door

verschillende andere natuuronderzoekers bevestigd.

Slechts die soorten welke tusschenschubben bezitten, verspreiden geur,

en deze geur is vooral bij de door aanmerkelijke grootte uitmuntende

Zuid-Amerikaansche soorten sterk, en werkt op den mensch dikwijls als

de geur eener welriekende bloem. Daarbij is aangetoond, dat het steeds

slechts aangename geuren, zooals vanille, muskus, jasmijn, citroen enz.

zijn.

Gelijk sinds lang bekend is, kenmerken zich ook onder de Europeesche

vlinders Charaxes jasius, Sphinx ligustri en Sphinx convolvuli, vooral

de laatste, door een muskusgeur, Papilio Machaon door een venkelgeur.

De bedoelde geurschubben komen in den meest verschillenden vorm en op

de meest verschillende plaatsen bij de dieren voor. Nu eens liggen zij

in grootere of kleinere hoedanigheid tusschen de vleugelschubben

verspreid, dan weder zijn zij in de nabijheid van den kop op één punt

gelocaliseerd. Hier liggen zij aan de zijde van het lichaam in een

soort van knobbel verborgen, ginds omhult ze aan den rand van den

vleugel een soort van omslag die zich slechts bij het uitspreiden der

vleugels opent; zelfs aan de pooten heeft men ze waargenomen. Zij zijn

evenzoo verschillend van vorm, schildvormig, gestrekt, rondachtig,

lancetvormig, gewonden enz., doch van boven eindigt de schub bijna

altijd in een bos fijne haartjes, aan wier punten, evenals bij

uitzweetende hars of oliën, kleine bolletjes hangen. Kanaalachtige

strengen loopen van den klierachtigen wortel der schubben naar de

haartjes.

Bij Hepiolus Humuli ontbreekt volgens Bertkau („Humboldt”, Mai 1885)

het derde paar pooten en wordt vervangen door een peervormige plaat,

uit welker verdiepte oppervlakte een dicht penseel van geelachtige

borstels oprijst. In het binnenste van dezen rudimentairen poot ziet

men reeds bij zwakke vergrooting groote van kernen voorziene

kliercellen door de huid heên schijnen. Zij hebben den vorm eener

flesch waarvan de hals uitmondt in een huidporie waaruit de met een

kanaal doorboorde gele borstels ontspringen. Deze klieren scheiden een

zwak aromatisch riekende aetherische olie af, die geelachtig groen van

kleur is en droppelsgewijs aan de spits der borstels te voorschijn

komt. Ter beschutting van dezen toestel bezit het dier aan weêrszijden

van den eersten ring van het achterlijf een dunhuidig zakje waarin het

steeds zijn vervormde achterste pooten tracht te verbergen.

Vraagt men naar den oorsprong van den geur der mannelijke vlinders en

houdt men daarbij in het oog, dat het uitstroomen van den geur van den

wil van het dier afhankelijk is, gelijk verschillende proeven

onweêrlegbaar hebben bewezen, dan leidt ons dit ook hier tot de

seksueele teeltkeus. Men kan aannemen, dat het mannetje zich door zijn

geur aan het wijfje aangenaam wil maken, het koketteert daarmede als

het ware, en het wijfje geeft van den anderen kant de voorkeur aan het

mannetje dat het aangenaamst riekt. Aan het wijfje ontbreekt de geur,

daar deze haar schadelijk is, omdat daardoor slechts vijanden zouden

worden gelokt.

In zijn „Studien über Descendenztheorie” toont Professor Weissman iets

dergelijks bij de ontwikkeling van de kleuren der vlinders.

Bovengenoemde onderstelling wint nog meer aan waarschijnlijkheid, als

men de soorten van één geslacht met betrekking daartoe nauwkeuriger

onderzoekt. Het gebeurt vaak, dat niet bij alle soorten de mannelijke

vlinders de geurschubben en den geur bezitten, en de soorten bij welke

zij ontbreken, behooren dan ook ten opzichte van de kleur en teekening

der vleugels tot de meest ontwikkelde van het geslacht. Dit is b.v. het

geval bij de „blauwtjes.”

Eerst langzamerhand is hun oorspronkelijk bruine kleur door teeltkeus

in blauw overgegaan; er zijn zelfs soorten welke eerstgenoemde kleur

nog bezitten. Juist bij deze ontbreken nu ook de geurschubben.

De Schubvleugeligen zijn overigens niet de eenige Orde van Insekten,

die welriekende soorten bevat. Ook onderscheidene Schildvleugeligen

verspreiden een aangenamen geur; zoo riekt Aromia moschata naar

Oostersche rozenolie, Velleius dilatatus naar muskus, Staphylinus olens

naar renetappels of aether nitricus; Cicindela campestris en hybrida

verspreiden eveneens een welriekenden geur, naar dien van rozen

zweemende en ook eenigszins overeenstemmende met dien der producten

welke men somtijds verkrijgt, als men essentia terebinthinae met

mengsels van zwavel- en salpeterzuur behandelt. Wanneer men nu den geur

van sommige vlinders voor een gevolg van seksueele teeltkeus houdt, zal

men er van zelf toe komen om dit ook bij bovengenoemde Kevers aan te

nemen. Moeilijker schijnt, oppervlakkig beschouwd, deze verklaring toe

te passen op een aantal soorten van Mieren die een sterken muskusgeur

verspreiden, vooral als men haar nesten omwoelt; want de meeste

individu’s zijn hier geslachtloozen of zoogenaamde arbeiders. Men kan

echter aannemen, dat die geur, oorspronkelijk door de mannelijke mieren

door seksueele teeltkeus verkregen zijnde, later ook op hun niet

mannelijke nakomelingschap is overgebracht. Evenzoo kan men aannemen,

dat bij insekten bij welke beide seksen rieken, de geur oorspronkelijk

tot ééne sekse was beperkt, maar later, doordat de wet van gelijke

overerving op beide seksen de overhand kreeg boven die van seksueel

beperkte erfelijkheid, de oorspronkelijk tot ééne sekse beperkte geur

ook op de nakomelingschap van de andere sekse werd overgeplant.

Wat den stank aangaat, dien vele insekten (b.v. wantsen) verspreiden,

zoo zal deze in de meeste gevallen wel, als een beschermingsmiddel,

door seksueele teeltkeus zijn verkregen. In sommige gevallen kan hij

echter ook een seksueele aantrekkelijkheid uitmaken en zich derhalve

door seksueele teeltkeus hebben ontwikkeld; want wij moeten niet

vergeten, dat het aangename of onaangename van een geur zeer subjectief

is, zoodat iets dat wij een stank noemen, op een anders georganiseerd

wezen een welriekenden indruk kan maken. Vele insekten worden b.v.

aangetrokken door den reuk van rottend vleesch, faecalia, enz. Zelfs

onder menschen zijn er individu’s die welriekend noemen hetgeen anderen

voorkomt stinkend te zijn, en bij voorbeeld gaarne Asa foetida ruiken.

Het is immers met andere zintuigen evenzoo. Wat den een heerlijk

smaakt, lust de ander niet. De muziek waarin wilde volksstammen behagen

scheppen, schijnt ons wanluidend; een schilderij die een Chinees fraai

zal vinden, komt ons zeer leelijk voor; de Abessiniër vindt een stuk

rauw vleesch, uit het levende rund gesneden, het heerlijkste gerecht,

terwijl wij het liever gebraden, en uit een geslacht dier gesneden,

eten. Hoe mogelijk is het derhalve, dat geuren die wij stank noemen,

sommige insekten aangenaam aandoen!

SUPPLEMENTAIRE AANTEEKENING

OP HOOFDSTUK XI.

DE SEKSUEELE KLEUREN DER VLINDERS, DOOR C. Darwin.

(Vertaald uit Nature, vol. XXI, 1880, blz. 237.)

Dr. Schulte te Fürstenwalde heeft mij opmerkzaam gemaakt op de schoone

kleuren welke op alle vier de vleugels van een vlinder, de Diadema

bolina, te voorschijn komen, als men hem van een bepaald punt uit

beschouwt. De beide seksen van dezen vlinder verschillen aanmerkelijk

van kleur. De vleugels van het mannetje zijn, als men het van een

achter het dier gelegen punt uit beziet, zwart met zes zuiver witte

vlekken en bieden een bevalligen aanblik, maar beschouwd van een vóór

het dier gelegen standpunt, in welke positie het mannetje als het het

wijfje nadert, door dit wordt gezien, vertoonen de witte vlekken zich

met een kring van schoon blauw omgeven. De heer Butler liet mij in het

Britsch museum een soortgelijk maar nog in ’t oogvallender verschijnsel

zien bij een vlinder uit het geslacht Apature, waarbij de seksen ook in

kleur verschillen en bij het mannetje de prachtigste blauwe en groene

tinten alleen voor een persoon die vóór hetzelve is geplaatst,

zichtbaar zijn. Verder vertoonen bij verscheidene soorten van

Ornithoptera de achtervleugels van het mannetje een schoone goudgele

kleur, maar alleen als zij van voren worden beschouwd; dit geldt ook

voor O. magellanus, maar hier hebben wij, gelijk mij de heer Butler

toonde, een gedeeltelijke uitzondering, want de kleuren gaan, als men

ze van achteren beschouwt, van goudgeel in een bleek, iriseerend blauw

over. Of deze laatste kleur de eene of andere bijzondere beteekenis

heeft, zou alleen kunnen worden uitgemaakt door iemand die het gedrag

van het mannetje kon waarnemen in het land waar dit in de natuur

voorkomt. Dagvlinders sluiten, als zij stilzitten, hun vleugels tegen

elkander aan; de ondervlakten welke dikwijls donker zijn gekleurd,

kunnen dan alleen worden gezien, en dit dient, gelijk algemeen wordt

aangenomen, tot bescherming. Als echter de mannetjes de wijfjes het hof

maken, doen zij de vleugels afwisselend dalen en weêr oprijzen, en het

schijnt een natuurlijk besluit, dat zij op die wijze handelen om de

wijfjes te behagen of op te wekken. Door de boven beschreven gevallen

wordt dit besluit nog waarschijnlijker gemaakt, doordat de schoonheid

van het mannetje door het wijfje alleen volkomen wordt gezien, als dit

haar nadert. Wij worden daardoor herinnerd aan de verschillende

manieren waarop de mannetjes van vele vogels, b.v. de pauw, de

Argusfazant enz., de wijfjes uitlokken en met hun verwonderlijk fraai

gevederte zoodanig dat het op het voordeeligst uitkomt, voor hun niet

versierde vriendinnen te pronken. (1)

Deze beschouwing geeft mij aanleiding er eenige opmerkingen aan toe te

voegen over de vraag, in hoever bij het eerste verkrijgen van zekere

instinkten, met inbegrip van seksueele pronkerijen, noodzakelijk

bewustzijn in het spel komt; want daar alle mannetjes van de zelfde

soort zich op de zelfde wijze gedragen, als zij aan de wijfjes het hof

maken, mogen wij daaruit het gevolg trekken, dat het pronken

tegenwoordig instinktmatig is geworden. De meeste natuuronderzoekers

schijnen te gelooven, dat elk instinkt eerst met bewustzijn werd

ontwikkeld, maar dat schijnt mij in vele gevallen een onjuist besluit

te zijn, hoewel het in andere juist is. Vogels die op verschillende

wijzen worden opgewekt, nemen zonderlinge posities aan en zetten hun

vederen op; en als het opzetten der vederen bij een bijzondere soort

voordeelig was voor een mannetje dat aan een wijfje het hof maakte, zoo

komt het mij volstrekt niet onwaarschijnlijk voor, dat deze voordeelige

eigenschap door zijn nakomelingen werd overgeërfd; wij weten, dat bij

den mensch dikwijls leelijke aanwensels en onbewust aangenomen nieuwe

gebaren erfelijk zijn. (2) Wij kunnen een ander geval beschouwen

(waarop, naar ik meen, reeds door iemand de aandacht werd gevestigd),

namelijk dat van jonge, op den grond levende vogels die zelfs

onmiddellijk na het uit het ei komen neêrhurken en zich verbergen, als

zij in gevaar zijn; hier schijnt het nauwelijks mogelijk, dat deze

gewoonte dadelijk na de geboorte en zonder bewustzijn kan zijn

verkregen. Wanneer echter die jonge vogels welke, wanneer zij

schrikten, bewegingloos bleven zitten, veelvuldiger voor roofdieren

bewaard bleven dan die welke trachtten te ontvluchten, dan kan de

gewoonte van het neêrhurken door de jonge vogels zonder eenig

bewustzijn hoegenaamd zijn verkregen. Deze redeneering kan met

bijzondere kracht worden toegepast op zoodanige jonge loop- en

watervogels, wier ouden zich zelven niet verbergen, als zij in gevaar

komen. Van den anderen kant vliegt een patrijshen, als er gevaar

bestaat, een kort eind van haar jongen dicht ineengedoken weg en laat

die achter, vliegt dan op de aan bijna iedereen bekende manier, alsof

het was verlamd, maar toch anders dan een werkelijk gewonde vogel dicht

over den grond langs: zij maakt zich zelve in het oog vallend. Nu is

het echter meer dan twijfelachtig, of er ooit een vogel heeft bestaan,

die verstand genoeg bezat om te denken, dat hij een hond of anderen

vijand van zijn jongen kon weglokken, als hij het gedrag van een

verwonden vogel nabootste. Want dit veronderstelt, dat hij zulk een

gedrag bij een verwonden kameraad had waargenomen en wist, dat het een

vijand tot vervolging zou aansporen. Vele natuuronderzoekers nemen

tegenwoordig bijvoorbeeld aan, dat het slot van een tweeschalig

schelpdier door het behouden blijven en overerven van kleine nuttige

wijzigingen (variaties) is ontstaan, daar de individu’s met een iets

beter ingerichte schelp in grooter aantal behouden bleven, dan die met

een minder goed ingerichte; waarom zouden niet voordeelige wijzigingen

in de overgeërfde handelingen van een patrijs op de zelfde wijze

bewaard zijn gebleven, zonder dat het dier er bij dacht of een bewust

doel had, even goed als in het geval van het schelpdier, waarbij het

slot der schalen onafhankelijk van het bewustzijn is gewijzigd en

verbeterd?

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2) · 第 108 / 111 题