SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE INSEKTEN.

Verschillende organen van de mannetjes om de wijfjes te

grijpen.—Verschillen tusschen de seksen, waarvan de beteekenis niet

wordt begrepen.—Verschil in grootte tusschen de

seksen.—Springstaarten (Thysanura).—Tweevleugeligen

(Diptera).—Halfvleugeligen (Hemiptera).—Gelijkvleugeligen

(Homoptera); alleen de mannetjes bezitten het vermogen muzikale

geluiden voort te brengen.—Rechtvleugeligen (Orthoptera); de

muziekwerktuigen der mannetjes van zeer verschillend maaksel;

strijdlustigheid; kleuren.—Netvleugeligen (Neuroptera); seksueele

kleurverschillen.—Vliesvleugeligen (Hymenoptera); strijdlustigheid

en kleuren.—Schildvleugeligen (Celeoptera); kleuren; sommige

bezitten groote horens, die blijkbaar tot versiering strekken;

gevechten; sjirporganen gewoonlijk aan beide seksen gemeen.

In de verbazend groote klasse der Insekten verschillen de beide seksen

soms in haar bewegingsorganen en dikwijls in haar zintuigen, zooals in

de gekamde en schoon gevederde sprieten van de mannetjes van vele

soorten. Bij een der Haften (Ephemerae), namelijk Chloëon, heeft het

mannetje groote gesteelde oogen, die het wijfje geheel mist. [659] De

bijoogjes (ocelli) ontbreken bij de wijfjes van verschillende andere

insekten, zooals bij de Mutillen, bij welke zij ook vleugelloos zijn.

Wij moeten hier hoofdzakelijk handelen over inrichtingen waardoor het

eene mannetje in staat wordt gesteld om het andere te overwinnen,

hetzij in den strijd of in de vrijage, door zijn kracht, strijdlust,

versierselen of muziek. Bij de tallooze inrichtingen die het mannetje

in staat stellen het wijfje te grijpen, behoeven wij hier daarom

slechts kort stil te staan. Behalve de samengestelde organen aan de

spits van het achterlijf, die wellicht als primaire organen [660]

moeten worden beschouwd, „is het verwonderlijk”, zooals de heer B. D.

Walsh [661] heeft opgemerkt, „hoevele verschillende organen in de

natuur voorkomen, die slechts tot het schijnbaar onbeteekenende doel

dienen om het mannetje in staat te stellen het wijfje stevig vast te

grijpen.” De bovenkaken (mandibulae) worden daartoe somtijds gebruikt;

zoo heeft het mannetje van Corydalis cornutus (een Netvleugelig Insekt,

eenigermate met de Gaasvliegen, enz. verwant) verbazend groote kromme

kaken, soms vele malen langer dan die van het wijfje; en zij zijn glad

in plaats van getand, waardoor hij haar kan grijpen zonder haar te

beschadigen. [662] Een der Vliegende Herten van Noord Amerika (Lucanus

Elaphus) gebruikt zijn kaken, die veel grooter zijn dan die van het

wijfje, tot het zelfde doel, maar waarschijnlijk ook om te vechten. Bij

een der Graafwespen (Ammophila) gelijken de bovenkaken der beide seksen

nauwkeurig op elkander, maar worden tot zeer verschillende doeleinden

gebruikt; de mannetjes, die, zooals professor Westwood opmerkt,

„uiterst vurig zijn, grijpen hun gezellinnen om den hals met hun

sikkelvormige kaken” [663], terwijl de wijfjes deze organen gebruiken

om in het zand te graven en haar nesten te maken.

De voeten (tarsi) der voorpooten zijn bij de mannetjes van vele kevers

uitgezet of met breede haarkussens voorzien en bij vele geslachten van

Waterroofkevers zijn zij gewapend met een ronden platten zuiger, opdat

het mannetje zich aan het glibberige lichaam van het wijfje zou kunnen

vasthechten. Het is een veel meer ongewone omstandigheid, dat bij de

wijfjes van sommige Waterroofkevers (Dytiscus) de dekschilden (elytra)

diepe groeven bezitten en dat zij bij Acilius sulcatus dik met haren

zijn bezet, om het mannetje te helpen. Bij de wijfjes van sommige

andere Waterroofkevers (Hydroporus) vertoonen de dekschilden met het

zelfde doel verdiepte stippels. [664] Bij het mannetje van Crabro

cribrarius (Fig. 23) is de scheen (tibia) tot een breede hoornachtige

plaat uitgezet met kleine vliezige vlekken, die er een vreemd aanzien

aan geven, gelijk aan dat van een zeef. [665] Bij het mannetje van

Penthe (een kevergeslacht) zijn eenige weinige van de middelste leedjes

der sprieten (antennae) uitgezet en aan de ondervlakte van haarkussens

voorzien, volkomen gelijkende op die aan de voeten der Loopkevers

(Carabidae), „en blijkbaar tot het zelfde doel dienende.” Bij de

mannetjes der Waternimfen, „zijn de aanhangsels aan het uiteinde van

den staart gewijzigd volgens een bijna oneindige verscheidenheid van

merkwaardige modellen om hen in staat te stellen den hals van het

wijfje te vatten.” Eindelijk zijn bij de mannetjes van vele insekten de

pooten van bijzondere stekels, knobbels en sporen voorzien, of de

geheele poot is gebogen of verdikt; dit is echter in geenen deele

altijd een seksueel kenmerk, of één paar of alle drie de paren zijn

verlengd, somtijds in buitensporige mate. [666]

In al de orden vertoonen de seksen van vele soorten verschillen waarvan

men de beteekenis niet begrijpt. Eén merkwaardig geval is dat van een

kever (fig. 25, 26) bij het mannetje waarvan de linker bovenkaak veel

grooter is dan de rechter, zoodat de mond zeer misvormd is. Bij een

anderen Loopkever, den Eurygnathus, hebben wij, voor zoover de heer

Wollaston weet, het eenige geval, waarin het wijfje, hoewel in

veranderlijke verhouding, een veel breeder en grooter kop bezit dan het

mannetje. Een aantal dergelijke gevallen zouden hier kunnen worden

opgenoemd. Zij zijn veelvuldig bij de Schubvleugelige Insekten

(Lepidoptera); een der meest buitengewone is, dat bij vele Dagvlinders

de voorpooten min of meer geatrophieerd zijn, zoodat de schenen

(tibiae) en voeten (tarsi) in eenvoudige rudimentaire knobbels zijn

overgegaan. Ook het beloop der vleugeladeren verschilt dikwijls bij de

twee seksen [667], en soms verschilt ook de vorm van den omtrek der

vleugels aanmerkelijk, zooals bij den Aricoris epitus, die mij in het

Britsch Museum door den heer A. Butler werd getoond. De mannetjes van

sommige Zuid-Amerikaansche Dagvlinders hebben bosjes haar op de randen

der vleugels en horenachtige uitwassen op de oppervlakte van het

achterste paar. [668] Bij verscheidene Britsche Dagvlinders zijn,

zooals de heer Wonfor heeft aangetoond, alleen de mannetjes

gedeeltelijk met bijzondere schubben bekleed. (1)

Over het nut van het heldere licht van het wijfje van den glimworm is

veel geredeneerd. Het mannetje is zwak lichtgevend, evenals de larven

en zelfs de eieren. Sommige schrijvers hebben ondersteld dat het licht

dient om vijanden te verschrikken, andere om het mannetje den weg naar

het wijfje te wijzen. De heer Belt [669] schijnt eindelijk het raadsel

te hebben opgelost; hij heeft ontdekt, dat al de Lampyridae welke hij

heeft onderzocht, in hooge mate walgelijk van smaak zijn voor

insektenetende zoogdieren en vogels. Het is daarom in overeenstemming

met de onderstelling van den heer Bates, die later zal worden

uiteengezet, dat vele insekten de Lampyridae nauwkeurig nabootsen,

zoodat ze voor deze zullen worden aangezien en zoo aan den dood

ontsnappen. Hij gelooft verder, dat het voor de lichtgevende soorten

voordeelig is, dat zij dadelijk als oneetbaar worden herkend.

Waarschijnlijk kan de zelfde verklaring worden uitgebreid tot de

Springkevers (Elater), van welke beide seksen in hooge mate lichtgevend

zijn. Het is niet bekend, waarom de vleugels van den vrouwelijken

glimworm niet tot ontwikkeling zijn gekomen; maar in haar

tegenwoordigen toestand gelijkt zij zeer veel op een larve, en, daar

vele dieren zoo gretig op larven azen, kunnen wij begrijpen, waarom zij

zooveel lichtgevender en opzichtiger dan het mannetje is geworden, en

waarom de larven zelf ook lichtgevend zijn.

Verschil in grootte tusschen de Seksen.—Bij Insekten van alle soorten

zijn de mannetjes gewoonlijk kleiner dan de wijfjes [670]; en dit

verschil kan soms zelfs in den larventoestand worden opgemerkt. Zoo

aanmerkelijk is het verschil tusschen de mannelijke en vrouwelijke

cocons van den zijdeworm (Bombyx mori), dat zij in Frankrijk door een

bijzondere wijze van wegen van elkander worden gescheiden. [671]

In de lagere klassen van het Dierenrijk schijnt de meerdere grootte van

de wijfjes algemeen daarvan af te hangen, dat zij een verbazend groot

aantal eieren voortbrengen; en dit gaat tot op zekere hoogte wellicht

ook bij de Insekten door. Dr. Wallace heeft echter een veel

waarschijnlijker verklaring voorgesteld. Hij vindt na zorgvuldig acht

te hebben gegeven op de ontwikkeling van de rupsen van Bombyx Cynthia

en Yama-Maju, en vooral van eenige dwerg-rupsen, opgekweekt uit een

tweede broedsel met onnatuurlijk voedsel, „dat naar verhouding dat de

individueele nachtvlinder fraaier is, ook de voor haar

gedaanteverwisseling noodige tijd langer is; en dit is de reden, dat

het wijfje, hetwelk zwaarder en grooter is, omdat zij haar talrijke

eieren moet dragen, zal worden voorafgegaan door het mannetje, dat

kleiner is en minder noodig heeft om rijp te worden.” [672] Daar nu de

meeste Insekten een kort leven hebben en daar zij aan vele gevaren zijn

blootgesteld, zal het blijkbaar voordeelig voor het wijfje zijn om zoo

spoedig mogelijk te worden bevrucht. Dit doel zal worden bereikt, als

de mannetjes, doordat zij het eerst rijp worden, bij de komst der

wijfjes in grooten getale gereed zijn, en dit zal op zijn beurt, zooals

de heer A. R. Wallace heeft opgemerkt [673], op natuurlijke wijze het

gevolg zijn van de natuurlijke teeltkeus; want de kleinste mannetjes

zullen het eerst rijp zijn, en dus een grooter aantal nakomelingen

nalaten, die de mindere grootte hunner voorvaderen zullen overerven,

terwijl de grootere mannetjes, omdat zij later rijp worden, minder

nakomelingen zullen nalaten.

Er zijn echter uitzonderingen op den regel, dat de mannetjes der

Insekten kleiner zijn dan de wijfjes, en van sommige dezer

uitzonderingen kan men de oorzaak begrijpen. Lichaamsgrootte en kracht

zullen een voordeel zijn voor de mannetjes die om het bezit der wijfjes

vechten; en in deze gevallen, zooals bij het Vliegend Hert (Lucanus),

zijn de mannetjes grooter dan de wijfjes. Er zijn echter andere kevers,

die, voor zoover men weet, niet met elkander vechten, bij welke toch de

mannetjes grooter zijn dan de wijfjes; en wij begrijpen de beteekenis

van dit feit niet; in sommige dezer gevallen echter, zooals bij de

groote Dynastes en Megasoma, kunnen wij ten minste inzien, dat er geen

noodzakelijkheid bestond, dat de mannetjes kleiner waren dan de

wijfjes, opdat zij vroeger rijp zouden zijn dan deze; want deze kevers

hebben geen kort leven, en er blijft dus tijd genoeg over voor de

paring der seksen. Zoo zijn ook de mannetjes der Waternimfen

(Libellulidae) soms aanmerkelijk grooter en nooit kleiner dan de

wijfjes [674]; en de heer MacLachlan gelooft, dat zij gewoonlijk met de

wijfjes paren, voor er één of twee weken zijn voorbijgegaan, en voor

zij de aan de mannetjes eigen kleuren hebben verkregen. Het

merkwaardigste geval echter, dat ons toont, hoe ingewikkeld en

gemakkelijk voorbij te zien de oorzaken dikwijls zijn, waarvan een zoo

onbeduidend kenmerk, als een verschil in grootte tusschen de seksen,

afhangt, leveren ons de Angeldragende Vliesvleugelige Insekten

(Hymenoptera aculeata); want de heer F. Smith deelt mij mede, dat in

bijna geheel die groote groep de mannetjes, in overeenstemming met den

algemeenen regel, kleiner dan de wijfjes zijn en ongeveer een week

vroeger dan deze uit de pop te voorschijn komen; onder de Bijen zijn

echter de mannetjes van de honigbij (Apis mellifica), van Anthidium

manicatum en Anthophora acervorum, en onder de Graafwespen (Fossores)

de mannetjes van Methoca ichneumonides, grooter dan de wijfjes. De

verklaring van deze afwijking is, dat bij deze soorten bij de paring

het vliegen in de open lucht volstrekt noodzakelijk is, en de mannetjes

veel kracht en een groote lichaamsgestalte noodig hebben om de wijfjes

door de lucht met zich te dragen. De toeneming der lichaamsgrootte is

hier verkregen in tegenspraak met de gewone betrekking tusschen de

grootte en den duur van het ontwikkelingstijdperk; want hoewel de

mannetjes grooter zijn, komen zij vroeger uit de pop dan de kleinere

wijfjes.

Wij zullen nu een overzicht geven van de verschillende orden, en

daarbij die feiten uitkiezen, welke ons hier meer bijzonder aangaan. De

Schubvleugelige Insekten (Lepidoptera) of Vlinders zullen voor een

afzonderlijk hoofdstuk bewaard blijven.

Orde der Springstaarten (Thysanura).—De leden dezer orde zijn voor hun

klasse laag georganiseerd. Het zijn vleugellooze, dof gekleurde, kleine

insekten, met leelijke, bijna misvormde koppen en lichamen. De seksen

verschillen niet van elkander; maar zij bieden ons één belangwekkend

feit aan, waardoor wordt aangetoond dat de mannetjes zelfs op een laag

gedeelte van de ladder van het dierenrijk vlijtig het hof aan de

wijfjes maken. Bij de beschrijving van Smynthurus luteus zegt Sir J.

Lubbock [675]: „Het is zeer vermakelijk deze kleine schepsels met

elkander te zien koketteeren. Het mannetje, dat veel kleiner dan het

wijfje is, loopt rondom haar, en zij stooten elkander, met het

aangezicht naar elkander toestaande, en achterwaarts en voorwaarts

gaande als twee speelsche lammeren. Dan houdt het wijfje zich, alsof

zij weg wil loopen, en het mannetje loopt haar achterna, terwijl uit

zijn uiterlijk op vreemdsoortige wijze zijn toorn blijkt, haalt haar in

en gaat weder tegenover haar staan; dan draait zij op preutsche wijze

rond maar hij, vlugger en levendiger, loopt ook snel rond, en schijnt

haar met zijn sprieten te slaan; daarop staan zij een tijd lang

tegenover elkander, spelen met hun sprieten en schijnen geheel en al in

elkander verdiept te zijn.”

Orde der Tweevleugeligen (Diptera).—De seksen verschillen weinig in

kleur. Het grootste aan den heer F. Walker bekende verschil is in het

geslacht Bibio, waarin de mannetjes zwartachtig of geheel zwart, en de

wijfjes donker bruinachtig oranje zijn. Het geslacht Elaphomyia, door

den heer Wallace [676] in Nieuw Guinea ontdekt, is zeer opmerkelijk,

daar de mannetjes horens bezitten, waarvan de wijfjes geen spoor

vertoonen. De horens ontspringen onder de oogen en gelijken merkwaardig

veel op die van herten, daar zij hetzij van puntige of van afgeplatte

vertakkingen zijn voorzien. Zij evenaren bij een der soorten het

geheele lichaam in lengte. Men zou kunnen denken, dat zij dienden om

mede te vechten maar daar zij bij ééne soort van een prachtige met

zwart omzoomde rozeroode kleur zijn, met een bleeke streep in het

midden, en daar al deze insekten er zeer fraai uitzien, is het wellicht

waarschijnlijker, dat deze horens tot sieraad dienen. Dat de mannetjes

van sommige Tweevleugeligen met elkander vechten, is zeker; want Prof.

Westwood [677] heeft dit meermalen bij sommige soorten van Tipula of

Langbeenige Muggen gezien. De mannetjes van andere Tweevleugeligen

schijnen te trachten de wijfjes door hun muziek te winnen. H. Müller

[678] bespiedde een tijd lang twee mannetjes van Eristalis, die aan een

wijfje het hof maakten; zij zweefden boven haar en vlogen heên en weêr,

tegelijkertijd een hoog gonzend geluid voortbrengende. Muggen en

muskieten (Culicidae) schijnen elkander ook door gegons aan te trekken,

en Prof. Mayer heeft voor eenige jaren aangetoond, dat de haren op de

sprieten van het mannetje eenstemmig trillen met de noten van een

stemvork, binnen de grenzen van de geluiden die door het wijfje worden

voortgebracht. (2) De lange haren trillen sympathetisch met de lage, en

de korte met de hooge tonen. Landois verzekert ook, dat hij

herhaaldelijk een geheelen zwerm muggen naar zich toe heeft doen

vliegen door een bijzondere noot te zingen. De verstandelijke vermogens

der Tweevleugeligen zijn waarschijnlijk hooger ontwikkeld dan die der

meeste andere orden van Insekten [679], in overeenstemming met hun hoog

ontwikkeld zenuwstelsel.

Orde der Halfvleugeligen (Hemiptera).—De heer J. W. Douglas die een

bijzondere studie van de Britsche soorten heeft gemaakt, is zoo

vriendelijk geweest mij het een en ander mede te deelen omtrent haar

seksueele verschillen. De mannetjes van sommige soorten bezitten

vleugels, terwijl de wijfjes vleugelloos zijn; de seksen verschillen in

den vorm van het lichaam en van de voorste vleugels (elytra), in de

tweede geledingen van haar sprieten en in haar voeten (tarsi); maar

daar de beteekenis dezer verschillen volkomen onbekend is, kunnen wij

ze hier stilzwijgend voorbijgaan. De wijfjes zijn over het algemeen

grooter en sterker dan de mannetjes. Bij de Britsche en, voor zoover de

heer Douglas weet, ook bij de uitlandsche soorten, verschillen de

seksen gewoonlijk niet veel in kleur; bij ongeveer zes Britsche soorten

is echter het mannetje aanmerkelijk donkerder dan het wijfje, en bij

omstreeks vier andere soorten is het wijfje donkerder dan het mannetje.

Van sommige soorten zijn beide seksen fraai gekleurd; en, daar deze

insekten uiterst erg stinken, kunnen hun opzichtige kleuren aan

insektenetende dieren tot een teeken dienen, dat zij oneetbaar zijn. In

eenige weinige gevallen schijnen hun kleuren rechtstreeks beschermend

te zijn; zoo meldt mij Prof. Hoffman, dat hij een kleine bleekroode en

groene soort nauwlijks kon onderscheiden van de knoppen op de stammen

van de limmetjesboomen welke dit insekt veelvuldig bezoekt.

Eenige soorten van Roofwantsen (Reduvidae) maken een sjirpend

(striduleerend) geluid, dat bij Pirates stridulus, naar men zegt [680],

wordt voortgebracht door de beweging van den hals in de holte van het

voorste segment van het borststuk (prothorax). Volgens Westring maakt

ook Reduvius personatus een piepend geluid. Het is mij echter niet

mogen gelukken, eenige bijzonderheden omtrent deze insekten te

vernemen; en ik heb ook geen reden om te onderstellen, dat er in dit

opzicht verschil tusschen de beide seksen bestaat.

Orde der Gelijkvleugeligen (Homoptera) (3).—Ieder die in een woud

tusschen de keerkringen heeft gewandeld, moet verbaasd zijn geweest

over het geraas dat de mannetjes der Cicaden maakten. De wijfjes zijn

stom, zooals de Grieksche dichter Xenarchus zegt: „Gelukkig leven de

Cicaden, daar zij sprakelooze vrouwen hebben.” Het daardoor

veroorzaakte rumoer kon duidelijk worden gehoord aan boord van de

„Beagle”, toen deze op een vierde mijl afstands van de kust van

Brazilië voor anker lag; en kapitein Hancock zegt, dat het op een

afstand van een mijl kan worden gehoord. De Grieken sloten weleer de

Cicaden ter wille van haar zang in kooien op, en de Chineezen doen

zulks nog heden, zoodat hij in de ooren van sommige menschen aangenaam

moet klinken. [681] (4) De Cicadidae zingen gewoonlijk over dag, de

Lantaarndragers (Fulgoridae) schijnen nachtzangers te zijn. Volgens

Landois [682], die dit onderwerp onlangs heeft bestudeerd, wordt het

geluid voortgebracht door de trilling van de randen der spleten van de

stigmata, die in beweging worden gebracht door een uit de luchtbuizen

(tracheae) voortkomenden luchtstroom. Doch deze meening is vóór eenige

jaren betwist. Dr. Powell schijnt te hebben bewezen [683], dat het

geluid wordt voortgebracht door de trilling van een vlies, dat door een

bijzondere spier in werking wordt gebracht. Bij het levende insekt kan

men, als het sjirpt, dit vlies zien trillen, en bij het doode insekt

wordt het juiste geluid gehoord, wanneer aan de spier, als zij een

weinig is gedroogd en verhard, met de punt van een speld wordt

getrokken. Bij het wijfje is de muzikale toestel aanwezig, maar veel

minder ontwikkeld dan bij het mannetje en wordt nimmer gebruikt om

geluid voort te brengen. (5)

Ten opzichte van het doel der muziek zegt Dr. Hartman, van de Cicada

septemdecim der Vereenigde Staten sprekende [684]: „Het gezang wordt nu

(6den en 7den Juni 1851) in alle richtingen gehoord. Ik geloof dat het

de liefdesverklaringen der mannetjes zijn. In een dicht jong

kastanjeboschje van ongeveer manshoogte staande, waar honderden Cicaden

mij omgaven, nam ik waar, dat de wijfjes zich rondom de zingende

mannetjes plaatsen.” Hij voegt erbij: „In dit jaargetijde (Aug. 1868)

bracht een dwergpereboom in mijn tuin omstreeks vijftig larven van

Cicada pruinosa voort; en ik merkte meermalen op, hoe de wijfjes naar

een mannetje toegingen, als hij zijn schelle tonen voortbracht.” Fritz

Müller schrijft mij uit Zuid-Brazilië, dat hij dikwijls naar een

muzikalen wedstrijd tusschen twee of drie mannetjes van Cicaden heeft

geluisterd, die een bijzonder krachtige stem hadden en op

aanmerkelijken afstand van elkander zaten. Zoodra het eerste zijn zang

had geëindigd, begon onmiddellijk het tweede; wanneer dit gereed was,

begon een ander, en zoo vervolgens. Daar er veel wedijver tusschen de

mannetjes bestaat, is het waarschijnlijk, dat de wijfjes hen niet

slechts ontdekken door de voortgebrachte tonen, maar dat zij ook,

evenals de wijfjes van vogels, worden opgewekt of aangelokt door het

mannetje dat de aantrekkelijkste stem heeft.

Ik heb geen goed uitgedrukte gevallen van tot versiering dienende

verschillen tusschen de seksen van de Gelijkvleugeligen gevonden. De

heer Douglas meldt mij, dat er drie Britsche soorten zijn, bij welke

het mannetje zwart of met zwarte banden geteekend is, terwijl de

wijfjes bleek gekleurd of donker zijn. (6)

Orde der Rechtvleugeligen (Orthoptera).—In de drie families van

springende insekten, die tot deze orde behooren, namelijk de Krekels

(Achetidae), de Sabelsprinkhanen (Locustidae) en de Veldsprinkhanen

(Acridiidae), munten de mannetjes uit door hun muzikale vermogens. Het

door sommige Sabelsprinkhanen voortgebracht gesjirp is zoo sterk, dat

het gedurende den nacht op een mijl afstands kan worden gehoord [685],

en dat hetwelk door sommige soorten wordt voortgebracht, is niet

wanluidend zelfs voor menschelijke ooren, zoodat de Indianen aan den

Amazonenstroom hen in gevlochten kooien bewaren. Alle waarnemers zijn

het er over eens, dat de tonen dienen om de wijfjes hetzij te roepen of

op te wekken. Men heeft echter opgemerkt [686], dat het mannetje van

den Russischen Treksprinkhaan (een der Veldsprinkhanen), als hij met

het wijfje gepaard is, van toorn en ijverzucht sjirpt, wanneer een

ander mannetje nadert. Als de huiskrekel ’s nachts wordt overvallen,

gebruikt hij zijn stem om zijn makkers te waarschuwen. [687] Een der

Sabelsprinkhanen, Platyphyllum concavum, die door de Noord-Amerikanen

„Katy-did” wordt genoemd, klimt, volgens de beschrijving [688], op de

bovenste takken van een boom, en begint des avonds zijn luidruchtig

gesnap, terwijl de tonen zijner mededingers uit de naburige boomen

voortkomen, en de bosschen weêrgalmen den geheelen nacht door van den

kreet van „Katy-did-she-did.” De heer Bates zegt van den Europeeschen

zwarten veldkrekel (een der Achetidae): „men heeft opgemerkt, dat het

mannetje zich ’s avonds aan den ingang van zijn hol plaatst, en sjirpt

tot er een wijfje nadert; dan worden de luide tonen vervangen door een

meer gesmoord geluid, terwijl de gelukkige muzikant de gezellin die hij

heeft verworven, met zijn sprieten liefkoost.” [689] Door met een

penneschacht over een vijl te strijken, slaagde Dr. Scudder er in een

dezer insekten zoo ver te brengen, dat het hem beantwoordde. [690] Bij

beide seksen is door von Siebold een merkwaardig gehoorwerktuig

gevonden, dat in de voorpooten is gelegen. [691]

Bij de drie Families worden de geluiden op verschillende wijze

voortgebracht. Bij de mannetjes der Krekels (Achetidae) hebben beide

voorvleugels den zelfden toestel; en deze bestaat bij den zwarten

veldkrekel (Gryllus campestris, Fig. 24, 25), volgens de beschrijving

van Landois [692] uit 131 tot 138 scherpe, dwarse ruggen of tanden

(st), aan de onderzijde van een der aderen van den voorvleugel. Deze

getande ader wordt snel gestreken over een gladde, harde, uitstekende

ader van den tegenovergestelden vleugel. Eerst wordt de eene vleugel

over den anderen gewreven en daarna wordt de beweging omgekeerd. Beide

vleugels worden tegelijkertijd een weinig opgelicht om de resonantie te

vermeerderen. Bij sommige soorten zijn de voorvleugels van het mannetje

voorzien van een plaatje dat er als talk uitziet. [693] Ik heb hier een

teekening gegeven (Fig. 29) van de onderzijde van de ader bij een

andere soort van krekel, namelijk den huiskrekel (Gryllus domesticus).

Wat het ontstaan dezer tanden aangaat, heeft Dr. Gruber [694]

aangetoond, dat zij ontwikkeld zijn met behulp der teeltkeus uit de

kleine schubben en haren waarmede de vleugels en het lichaam bedekt

zijn, en ik kwam tot het zelfde besluit ten opzichte van die der

Schildvleugeligen (Coleoptera). Doch Dr. Gruber toont verder aan, dat

hun ontwikkeling gedeeltelijk een rechtstreeksch gevolg is geweest van

de wrijving van den eenen vleugel over den anderen.

Bij de Sabelsprinkhanen (Locustidae) verschillen de tegenovergestelde

voorvleugels in maaksel (Fig. 30, 31, 32), en kunnen niet, gelijk in de

vorige familie, op omgekeerde wijze worden gebruikt. De linkervleugel,

die als de strijkstok van de viool werkt, ligt over den rechtervleugel

die de viool zelf voorstelt. Een der aderen (a, Fig. 31) aan de

ondervlakte van den eersten is fijn gezaagd en wordt gestreken over de

vooruitstekende aderen aan de onderste oppervlakte van den

tegenovergestelden of rechtervleugel. Bij onze Britsche Phasgonura

viridissima scheen het mij toe, dat de gezaagde ader wordt gewreven

tegen den afgeronden achterhoek van den tegenovergestelden vleugel,

waarvan de rand verdikt, bruin gekleurd en zeer scherp is. Aan den

rechtervleugel, maar niet aan den linker-, is een klein plaatje, zoo

doorzichtig als talk, door aderen omgeven en spiegel (speculum)

genaamd. Bij Ephippiger vitium een lid van de zelfde familie, hebben

wij een merkwaardige ondergeschikte wijziging; want bij dezen zijn de

voorvleugels sterk in grootte afgenomen, maar „het achterste gedeelte

van het voorborststuk (prothorax) verheft zich als een soort van

koepeldak over de voorvleugels en deze inrichting dient waarschijnlijk

tot versterking van het geluid.” [695] (7)

Wij zien derhalve, dat het muziekinstrument meer is gedifferentieerd en

gespecialiseerd bij de Sabelsprinkhanen, waartoe ik geloof, dat de

krachtigste muzikanten van de orde behooren, dan bij de Krekels, bij

welke beide voorvleugels het zelfde maaksel hebben en tot de zelfde

functie dienen. [696] Landois ontdekte echter bij een der

Sabelsprinkhanen, namelijk bij Decticus, een korte en smalle rij kleine

tanden, bloote rudimenten, op de ondervlakte van den

rechtervoorvleugel, die onder den anderen ligt en nooit als strijkstok

wordt gebruikt. Ik nam het zelfde rudimentaire deel waar aan de

onderzijde van den rechtervoorvleugel bij Phasgonura viridissima. Wij

mogen hieruit gerust afleiden, dat de Sabelsprinkhanen afstammen van

een vorm, bij welken, evenals bij de hedendaagsche Krekels, beide

voorvleugels aan de ondervlakte gezaagde aderen bezaten en beide even

goed als strijkstok konden worden gebruikt, maar dat bij de

Sabelsprinkhanen de beide voorvleugels trapsgewijze zijn

gedifferentieerd en volkomener gemaakt, volgens het beginsel van

verdeeling van den arbeid, de eene om uitsluitend de rol van

strijkstok, de andere om die van viool te vervullen. Op welke wijze de

eenvoudiger inrichting bij de Krekels ontstond, weten wij niet; het is

echter waarschijnlijk, dat de basale deelen der voorvleugels elkander

vroeger evenals tegenwoordig overdekten, en dat de wrijving der aderen

een knarsend geluid voortbracht, zooals ik zie, dat nu het geval met de

voorvleugels is. [697] Een dergelijk knarsend geluid, nu en dan eens

bij toeval door de mannetjes gemaakt, kan, als het hen, al was het maar

nog zoo weinig, diende als een loktoon voor de wijfjes, gemakkelijk

door de seksueele teeltkeus zijn versterkt, doordat gepaste wijzigingen

in de ruwheid der aderen voortdurend behouden bleven.

Bij de derde en laatste familie, namelijk de Acridiidae of

Veldsprinkhanen, wordt het gesjirp op een geheel verschillende wijze

voortgebracht, en is, volgens Dr. Scudder, niet zoo schril, als bij de

voorgaande families. De binnenvlakte van de dij (Fig. 33) is voorzien

van een overlangsche rij kleine, sierlijke, lancetvormige,

veerkrachtige tandjes, van 85 tot 93 in getal [698] (Fig. 34); en deze

worden over de scherpe, uitstekende aderen der voorvleugels gestreken,

welke daardoor in trilling geraken en geluid geven. Harris [699] zegt,

dat wanneer een der mannetjes begint te sjirpen, hij eerst „de scheen

van den achterpoot onder de dij brengt, waar zij in een daartoe

bestemde groeve wordt opgenomen, en dan den poot snel op en neder

trekt. Hij speelt niet op beide zijn violen te gelijk, maar afwisselend

eerst op de eene en dan op de andere.” (8) Bij vele soorten is het

grondvlak van het achterlijf uitgehold tot een groote holte, die, naar

men gelooft, als klankbodem werkt. Bij Pneumora (Fig. 35 en 36), een

Zuid-Afrikaansch geslacht tot de zelfde familie behoorende, ontmoeten

wij een nieuwe en opmerkelijke wijziging: bij de mannetjes steekt

namelijk een smalle scherpe rug aan beide zijden van het achterlijf

uit, waartegen de dijen der achterpooten worden gewreven. [700] Daar

het mannetje vleugels bezit, hoewel het wijfje vleugelloos is, is het

opmerkelijk, dat de dijen niet op de gewone wijze tegen de voorvleugels

worden gewreven; maar dit moet wellicht worden verklaard door de

ongewoon geringe grootte der achterpooten. Ik ben niet in de

gelegenheid geweest om de binnenste oppervlakte der dijen te

onderzoeken, die, naar de analogie te oordeelen, fijn gezaagd zou zijn.

De Pneumora-soorten zijn ter wille van haar sjirpvermogen sterker

gewijzigd, dan eenig ander Rechtvleugelig Insekt; want bij het mannetje

is het geheele lichaam in een muziekinstrument veranderd, als een

groote doorzichtige blaas, door lucht uitgezet, om daardoor de

resonantie te vermeerderen. (9) De heer Trimen deelt nog mede, dat aan

de Kaap de Goede Hoop deze insekten gedurende den nacht een

verwonderlijk geraas maken.

Er is ééne uitzondering op den regel, dat de wijfjes in deze drie

families geen bruikbaar muziekinstrument bezitten; want bij Ephippiger

(een der Sabelsprinkhanen) zegt men [701], dat beide seksen daarvan

voorzien zijn. Dit geval kan worden vergeleken bij dat van het rendier,

de eenige soort van hert bij welke beide seksen horens bezitten. Hoewel

de wijfjes der Rechtvleugeligen dus bijna zonder uitzondering stom

zijn, vond Landois [702] toch rudimenten van sjirporganen aan de dijen

der vrouwelijke Veldsprinkhanen, en dergelijke rudimenten aan het

ondervlak der voorvleugels van de vrouwelijke Krekels; maar hij slaagde

er niet in om dergelijke rudimenten te vinden bij de wijfjes van

Decticus, een der Sabelsprinkhanen. Bij de Gelijkvleugeligen bezitten

de stomme wijfjes der Cicaden het eigenaardige muziekinstrument in

onontwikkelden staat; en wij zullen later in andere afdeelingen van het

dierenrijk tallooze voorbeelden ontmoeten van deelen die aan het

mannetje eigen zijn, doch in rudimentairen toestand ook bij het wijfje

worden gevonden. Dergelijke gevallen schijnen op het eerste gezicht aan

te toonen, dat de beide seksen oorspronkelijk op de zelfde wijze

gebouwd waren, doch dat zekere organen later door de wijfjes verloren

werden. Het is echter een meer waarschijnlijke meening, zooals vroeger

is verklaard, dat bedoelde organen door de mannetjes werden verkregen

en gedeeltelijk op de wijfjes overgebracht.

Landois heeft een ander belangwekkend feit waargenomen, namelijk dat

bij de wijfjes der Veldsprinkhanen de sjirptandjes op de dijen

levenslang in den zelfden toestand blijven, waarin zij bij beide seksen

in den larvenstaat het eerst verschijnen. Bij de mannetjes daarentegen

komen zij tot volkomen ontwikkeling en verkrijgen zij hun volkomen

inrichting bij de laatste vervelling, als het insekt volwassen en voor

de voortplanting gereed is.

Uit de hier vermelde feiten zien wij, dat de middelen waardoor de

mannetjes hun geluiden voortbrengen, bij de Rechtvleugeligen van zeer

onderscheiden aard zijn, en dat zij geheel verschillen van die welke

bij de Gelijkvleugeligen worden gebruikt. [703] Maar in het geheele

dierenrijk vinden wij onophoudelijk, dat het zelfde doel door de meest

verschillende middelen wordt bereikt, hetgeen daardoor wordt

veroorzaakt, dat de geheele organisatie in den loop der eeuwen

veelvuldige veranderingen ondergaat; en daar eerst het eene, daarna het

andere deel wordt gewijzigd, wordt uit verschillende veranderingen

voordeel getrokken tot het zelfde algemeene doel. De verscheidenheid

der middelen om geluid voort te brengen bij de drie families der

Rechtvleugeligen en bij de Gelijkvleugeligen vervult onzen geest met de

hooge belangrijkheid van deze organen voor de mannetjes, ten einde de

wijfjes te roepen of aan te lokken. Wij behoeven ons niet te

verwonderen over de groote verandering welke de Rechtvleugeligen in dit

opzicht hebben ondergaan, daar wij tegenwoordig door Dr. Scudder’s

merkwaardige ontdekking [704] weten, dat daarvoor meer dan overvloedig

tijd is geweest. Deze natuuronderzoeker heeft onlangs een fossiel

insekt gevonden in de Devonische vorming van Nieuw-Brunswijk, dat

voorzien is van „het welbekende tympanum of sjirp-orgaan der mannelijke

Sabelsprinkhanen.” Dit insekt, hoewel in de meeste opzichten met de

Netvleugeligen (Neuroptera) verwant, schijnt, zooals met zeer oude

vormen zoo dikwijls het geval is, de beide orden der Netvleugeligen en

Rechtvleugeligen te verbinden, die nu algemeen als geheel onderscheiden

worden gerangschikt.

Ik heb weinig meer over de Rechtvleugeligen te zeggen. Sommige soorten

zijn zeer strijdlustig; als twee mannelijke zwarte Veldkrekels (Gryllus

campestris) bij elkander worden opgesloten, vechten zij, totdat de eene

den anderen doodt, en de Mantis soorten (Roofsprinkhanen) manoeuvreeren

volgens de beschrijving met hun zwaardvormige voorpooten als huzaren

met sabels. De Chineezen bewaren deze insekten in kleine bamboezen

kooien en laten ze met elkander vechten evenals vechthanen. [705] Wat

de kleur aangaat, munten sommige uitlandsche (exotische) sprinkhanen

uit, wier achtervleugels met rood, blauw en zwart versierd zijn; maar

daar in deze geheele orde de beide seksen zelden veel in kleur

verschillen, is het twijfelachtig, of zij deze fraaie kleuren aan

seksueele teeltkeus verschuldigd zijn. Opzichtige kleuren kunnen voor

deze insekten nuttig zijn als een bescherming, volgens het beginsel,

dat in het volgende hoofdstuk zal worden verklaard, door hun vijanden

te waarschuwen, dat zij oneetbaar zijn. Zoo heeft men waargenomen

[706], dat een Indische fraai gekleurde sprinkhaan standvastig werd

weggeworpen, als men hem aan vogels en hagedissen aanbood. Er zijn

echter in deze orde enkele gevallen van seksueele kleurverschillen

bekend. Het mannetje van een Amerikaanschen krekel [707] wordt

beschreven als ivoorwit, terwijl het wijfje afwisselt van bijna wit tot

geelachtig groen of zwartachtig. De heer Walsh deelt mij mede, dat het

volwassen mannetje van Spectrum femoratum, een der Spookinsekten of

Wandelende Bladeren (Phasmidae), „van een glanzend bruinachtig gele

kleur is, terwijl de volwassen wijfjes dof ondoorschijnend aschachtig

bruin en de jongen van beide seksen groen zijn. Eindelijk kan ik

vermelden, dat het mannetje van ééne merkwaardige soort van krekel

[708] voorzien is van een „lang vliesachtig aanhangsel, dat als een

sluier over het gelaat valt”; of dit echter tot een sieraad dient, is

niet bekend.

Orde der Netvleugeligen (Neuroptera).—Hierover behoeft weinig te worden

gezegd, behalve ten opzichte der kleur. Bij de Haften (Ephemeridae)

verschillen de donkere kleuren dikwijls bij de seksen een weinig [709];

maar het is niet waarschijnlijk, dat de mannetjes daardoor

aantrekkelijker voor de wijfjes worden gemaakt. De Waternimfen

(Libellulidae) zijn versierd met prachtige groene, blauwe, gele en

vermiljoenkleurige metaalglanzende tinten; en de seksen verschillen

dikwijls. Zoo zijn de mannetjes van sommige Agrionidae, gelijk Prof.

Westwood opmerkt [710], „van een rijk blauw met zwarte vleugels,

terwijl de wijfjes schoon groen met ongekleurde vleugels zijn.” Bij

Agrion Ramburii zijn deze kleuren echter bij beide seksen juist

omgekeerd. [711] Bij het uitgebreide Noord-Amerikaansche geslacht

Hetaerina hebben alleen de mannetjes een fraaie karmijnroode vlek op

het begin van elken vleugel. Bij Anax junius is het gronddeel van het

achterlijf bij het mannetje levendig ultramarijnblauw en bij het wijfje

grasgroen. Bij het verwante geslacht Gomphus en bij sommige andere

geslachten verschillen de seksen daarentegen slechts weinig in kleur.

In het geheele dierenrijk komen vele dergelijke gevallen voor, waarin

de seksen van nauw verwante vormen hetzij grootelijks, of zeer weinig,

of in het geheel niet verschillen. Hoewel bij vele Waternimfen zulk een

groot verschil in kleur tusschen de seksen bestaat, is het dikwijls

moeielijk te zeggen, welke de schitterendste is, en bij ééne soort van

Agrion is de gewone kleuring der seksen juist omgekeerd, zooals wij

daareven hebben gezien. Het is niet waarschijnlijk, dat in eenig geval

haar kleuren tot bescherming zijn verkregen. Zooals de heer MacLachlan,

die deze familie nauwkeurig heeft bestudeerd, mij schrijft, zijn de

Waternimfen—de tyrannen der insektenwereld—van alle insekten het minst

vatbaar om door vogels of andere vijanden te worden aangevallen. Hij

gelooft, dat haar schitterende kleuren dienen om de andere sekse aan te

lokken. Het verdient met betrekking hiertoe opmerking, dat de

Waternimfen door bijzondere kleuren schijnen te worden aangetrokken; de

heer Patterson [712] nam waar, dat die soorten van Agrionidae, wier

mannetjes blauw zijn, zich in grooten getale op den blauwen dobber van

een vischlijn neerzetten; terwijl twee andere soorten door blinkende

witte kleuren werden aangetrokken.

Het is een belangwekkend, het eerst door Schelver opgemerkt feit, dat

de mannetjes bij verscheidene geslachten, tot twee onder-families

behoorende, als zij pas uit het larvenhulsel voortkomen, juist zoo zijn

gekleurd als de wijfjes; maar dat hun lichamen binnen korten tijd een

opzichtige melkachtige blauwe tint aannemen, die het gevolg is van de

uitzweeting van een soort van in aether en alcohol oplosbare olie. De

heer MacLachlan gelooft, dat deze kleursverandering bij Libellula

depressa geen plaats grijpt voor ongeveer veertien dagen na de

gedaanteverwisseling, als de seksen gereed zijn om te paren.

Sommige soorten van Neurothemis vertoonen volgens Brauer [713] een

merkwaardig geval van dimorphisme, daar het adernet der vleugels bij

sommige wijfjes den gewonen vorm vertoont, terwijl het bij andere

wijfjes „zeer rijk aan aderen is, evenals bij de mannetjes van de

zelfde soort.” Brauer verklaart dit verschijnsel volgens de

Darwinistische beginselen „door de onderstelling, dat een groote

rijkdom aan aderen een secundair seksueel kenmerk der mannetjes is”.

Dit kenmerk is gewoonlijk alleen bij de mannetjes ontwikkeld; maar daar

het, evenals elk ander mannelijk kenmerk, bij de wijfjes latent

voorhanden is, komt het nu en dan ook bij deze tot ontwikkeling. Wij

hebben hier een voorbeeld van de wijze waarop de beide seksen van vele

dieren er waarschijnlijk toe zijn gekomen om op elkander te gelijken,

namelijk door wijzigingen, die eerst bij het mannetje verschenen, bij

dit bewaard bleven en dan werden overgebracht op en ontwikkeld bij de

wijfjes; bij dit bijzondere geslacht komt echter nu en dan plotselinge

en volkomen overbrenging tot stand. De heer MacLachlan deelt mij een

ander geval van dimorphisme mede, dat bij verscheidene soorten van

Agrion plaats grijpt, bij welke men een zeker aantal individu’s vindt

van een oranjekleur, en dit zijn zonder uitzondering wijfjes. Dit is

waarschijnlijk een geval van atavisme; want wanneer bij de ware

Waternimfen (Libellulae) de seksen in kleur verschillen, zijn de

wijfjes altijd oranje of geel, zoodat, als men onderstelt dat Agrion

afstamt van den eenen of anderen oorspronkelijken vorm die de

kenmerkende seksueele kleuren der typische Waternimfen (Libellulae)

bezat, het niet te verwonderen zou zijn, zoo een neiging om in die

richting af te wijken, alleen bij de wijfjes bestond.

Hoewel deze Waternimfen zulke groote, sterke en wreedaardige insekten

zijn, heeft de heer MacLachlan nooit waargenomen, dat de mannetjes met

elkander vochten, behalve, naar hij gelooft, bij sommige der kleinere

Agrion-soorten. Bij een andere zeer verschillende groep in deze orde,

namelijk bij de Termieten of Witte Mieren, kan men soms in den

zwermtijd de seksen elkander achterna zien zitten, „het mannetje achter

het wijfje, somtijds twee mannetjes één wijfje najagende en met groote

vurigheid wedijverende, wie den prijs zal winnen.” [714]

Orde der Vliesvleugeligen (Hymenoptera).—Bij de beschrijving der

levenswijze van een Graafwesp (Cerceris), merkt de heer Fabre [715],

die onovertreffelijke waarnemer, op, dat „veelvuldig gevechten plaats

grijpen tusschen de mannetjes om het bezit van het eene of andere

bijzondere wijfje, dat schijnbaar, alsof zij er niet in was betrokken,

naar den strijd om de oppermacht zit te kijken, en, als de overwinning

is beslist, bedaard wegvliegt in gezelschap van den overwinnaar.”

Westwood [716] zegt, dat de mannetjes van een der Bladwespen

(Tenthredinidae) „te zamen vechtende met toegeklemde bovenkaken zijn

gevonden.” Daar de heer Fabre zegt, dat de mannetjes van Cerceris een

bijzonder wijfje trachten te verkrijgen, is het goed ons te herinneren,

dat insekten, tot deze orde behoorende, het vermogen bezitten om

elkander na lange tusschenruimten van tijd te herkennen, en zeer aan

elkander zijn gehecht. Pierre Huber, wiens nauwkeurigheid niemand

betwijfelt, scheidde bijvoorbeeld eenige mieren, en toen zij na een

tusschenruimte van eenige maanden andere ontmoetten, die vroeger tot de

zelfde vereeniging hadden behoord, herkenden zij elkander wederkeerig

en liefkoosden elkander met haar sprieten. Waren zij vreemdelingen

geweest, dan zouden zij te zamen hebben gevochten. Als daarentegen twee

vereenigingen elkander slag leveren, vallen de mieren van de eene

partij elkander soms in de algemeene verwarring aan; maar spoedig

bemerken zij haar dwaling en dan liefkoost de eene mier de andere.

[717]

In deze orde zijn geringe verschillen in kleur volgens de sekse gemeen;

maar in ’t oog loopende verschillen zijn zeldzaam, behalve in de

familie der Bijen; echter zijn beide seksen van zekere groepen zoo

schitterend gekleurd,—bijvoorbeeld die van de Goudwespen (Chrysis) bij

welke vermiljoen en metaalglanzend groen de overhand hebben,—dat wij in

verzoeking komen om zulks voor een gevolg der seksueele teeltkeus te

houden. Bij de Sluipwespen (Ichneumonidae) zijn volgens den heer Walsh

[718] de mannetjes bijna algemeen lichter gekleurd dan de wijfjes. Bij

de Bladwespen (Tenthredinidae) daarentegen zijn de mannetjes over het

algemeen donkerder dan de wijfjes. Bij de Houtwespen (Siricidae)

verschillen de seksen dikwijls; zoo heeft het mannetje van Sirex

juvencus oranje banden over het lichaam, terwijl het wijfje donker

purperkleurig is; maar het is moeielijk te zeggen, welke sekse het

meest versierd is. Bij de Tremex columbae is het wijfje veel levendiger

gekleurd dan het mannetje. Bij de Mieren zijn, naar de heer F. Smith

mij mededeelde, de mannetjes van verscheidene soorten zwart, terwijl de

wijfjes bruinachtig zijn. In de familie der Bijen, vooral bij de

eenzaam levende soorten, verschillen, naar ik van den zelfden

uitnemenden insektenkenner hoor, de seksen dikwijls in kleur. De

mannetjes zijn over het algemeen het levendigst gekleurd, en bij

Bombus, zoowel als bij Apathus, veel veranderlijker van kleur dan de

wijfjes. Bij Anthophora retusa is het mannetje van een rijk roodachtig

bruin, terwijl het wijfje geheel zwart is; evenzoo zijn de wijfjes van

onderscheidene soorten van Xylocopa zwart, terwijl de mannetjes helder

geel zijn.

Daarentegen zijn bij sommige soorten, gelijk Andraena fulva, de wijfjes

veel levendiger gekleurd dan de mannetjes. Dergelijke verschillen in

kleur kunnen moeilijk alleen worden verklaard, doordat de mannetjes,

zonder verdedigingsmiddelen zijn en dus bescherming noodig hebben,

terwijl de wijfjes goed worden verdedigd door haar angels. H. Müller

[719], die een bijzondere studie heeft gemaakt van bijen, schrijft deze

verschillen in kleur voornamelijk aan seksueele teeltkeus toe. Dat

bijen een scherp waarnemingsvermogen voor kleuren hebben, is zeker. Hij

zegt, dat de mannetjes de wijfjes hartstochtelijk zoeken en om haar

bezit vechten; en hij verklaart door dergelijke gevechten, hoe de

bovenkaken van de mannetjes bij sommige soorten grooter zijn dan die

van de wijfjes. In sommige gevallen zijn de mannetjes veel talrijker

dan de wijfjes, hetzij vroeg in het voorjaar, of op alle tijden en

plaatsen, of locaal. Bij sommige soorten schijnen de schoonste

mannetjes door de wijfjes, en bij andere de schoonste wijfjes door de

mannetjes te zijn uitgezocht. Bij gevolg verschillen in zekere

geslachten (Müller, blz. 42) de mannetjes van de verschillende soorten

zeer in uiterlijk, terwijl de wijfjes bijna niet van elkander zijn te

onderscheiden; bij andere geslachten heeft het tegendeel plaats. H.

Müller gelooft (blz. 82), dat de door de eene sekse door seksueele

teeltkeus verkregen kenmerken dikwijls in verschillende mate op de

andere sekse zijn overgegaan, juist gelijk de toestel om stuifmeel te

verzamelen van het wijfje dikwijls op het mannetje is overgegaan, voor

wien hij volstrekt nutteloos is. [720] Bij een Nieuw-Hollandsche bij

(Lestis bombylans) is het wijfje van een uiterst schitterend

staalblauw, soms met levendig groene schakeeringen, terwijl het

mannetje van een heldere bronskleur en rijk met roodachtig dons

begroeid is. Daar in deze groep de wijfjes in haar angels uitnemende

verdedigende wapenen bezitten, is het niet waarschijnlijk, dat zij in

kleur van de mannetjes zijn begonnen te verschillen ter wille van de

bescherming.

Mutilla Europea maakt een sjirpend geluid; en volgens Goureau [721]

hebben beide seksen dit vermogen. Hij schrijft het geluid toe aan de

wrijving van den derden en de daarvoorgaande ringen (segmenten) van het

achterlijf, en ik heb waargenomen, dat de oppervlakte daarvan met

fijne, gelijkmiddelpuntige (concentrische) richeltjes is bezet; maar

dit is ook het geval met den uitstekenden kraag van het borststuk,

waaraan de kop door een geleding is verbonden; en deze kraag geeft, als

men hem met de punt van een naald bekrast, juist het zelfde geluid. Het

is nog al vreemd, dat beide seksen het vermogen om te sjirpen zouden

bezitten, daar het mannetje gevleugeld en het wijfje vleugelloos is.

Het is bekend, dat Bijen sommige gemoedsaandoeningen, b.v. toorn,

uitdrukken door den toon van hun gebrom, gelijk ook sommige

Tweevleugelige Insekten doen (10); ik heb echter geen melding van die

geluiden gemaakt, daar zij in volstrekt geen verband met de vrijage

staan.

Orde der Schildvleugeligen (Coleoptera).—Vele kevers zijn zoodanig

gekleurd, dat zij gelijken op de oppervlakten die zij gewoonlijk

bezoeken. Andere soorten zijn met prachtige metallieke kleuren

versierd,—bij voorbeeld, vele Loopkevers (Carabidae), die op den grond

leven en het vermogen bezitten om zich te verdedigen door de

afscheiding van een scherpe bijtende stof,—de prachtige Diamantkevers,

die door een uiterst harde huid worden beschermd,—vele soorten van

Goudhaantjes (Chrysomela), zooals Chrysomela cerealis, een groote,

fraai met verschillende kleuren gestreepte soort die in

Groot-Brittannië tot den naakten top van Snowdon beperkt zijn,—en een

menigte andere soorten. Deze prachtige kleuren, die dikwijls in

strepen, vlekken, kruisen en volgens andere sierlijke modellen

gerangschikt zijn, kunnen moeielijk voordeelig zijn voor de

bescherming, behalve in het geval van sommige zich met bloemen voedende

soorten; en wij kunnen niet gelooven, dat zij doelloos zijn. Daarom

rijst bij ons het vermoeden, dat zij strekken om de andere sekse te

bekoren; maar wij hebben daarvan geen bewijzen; want de seksen

verschillen zelden in kleur. Blinde kevers, die elkanders schoon

natuurlijk niet kunnen zien, prijken, naar ik van den heer Waterhouse

jun. hoor, nimmer met schitterende kleuren, hoewel zij dikwijls

glanzende bekleedselen hebben; maar de reden van hun donkere kleur is

wellicht, dat blinde insekten holen en andere duistere plaatsen

bewonen.

Sommige Boktorren (Longicornia) echter, vooral zekere Prionidae, bieden

een uitzondering aan op den gewonen regel, dat de seksen van kevers

niet in kleur verschillen. De meeste dezer insekten zijn groot en

prachtig gekleurd. De mannetjes van het geslacht Pyrodes [722] zijn,

gelijk ik in de verzameling van den heer Bates zag, over het geheel

rooder, maar iets doffer dan de wijfjes, welke laatste meer of minder

prachtig goudgroen zijn gekleurd. Bij het geslacht Esmeralda

verschillen de seksen zoozeer in kleur, dat zij als verschillende

soorten zijn gerangschikt; bij ééne soort zijn beiden van een prachtig

glinsterend groen; maar het mannetje heeft een rood borststuk (thorax).

Over het geheel zijn, zoover ik er over kan oordeelen, de wijfjes van

die Prionidae bij welke de seksen verschillen, rijker gekleurd dan de

mannetjes; en dit stemt niet overeen met den algemeenen regel ten

opzichte van de kleur, wanneer deze door seksueele teeltkeus is

verkregen.

Een zeer merkwaardig onderscheid tusschen de seksen van vele kevers

wordt opgeleverd door de groote horens, die op den kop, het borststuk

of het schildje (clypeus) der mannetjes en in eenige weinige gevallen

op de ondervlakte van hun lichaam zijn ingeplant. Deze horens gelijken

in de groote familie der Bladsprietigen (Lamellicornia) op die van

verschillende viervoetige dieren, zooals herten, neushoorns, enz., en

zijn verwonderlijk zoowel door hun grootte als door de verscheidenheid

hunner vormen. In plaats van hen te beschrijven heb ik afbeeldingen

gegeven van de mannetjes en wijfjes der merkwaardigste vormen (Fig.

37–46). De wijfjes vertoonen gewoonlijk rudimenten van horens in den

vorm van kleine knobbels of ribbetjes; maar sommige bezitten zelfs die

rudimenten niet. Daarentegen zijn de horens bij het wijfje bijna even

goed ontwikkeld als bij het mannetje bij Phanaeus lancifer, en slechts

een weinig minder ontwikkeld bij de wijfjes van sommige andere soorten

van het zelfde geslacht en van Copris. Bij de verschillende

onderafdeelingen der familie bestaat er, naar de heer Bates mij

mededeelt, geen verhouding tusschen de verschillen in het maaksel der

horens en de meer belangrijke en kenmerkende verschillen; zoo zijn er

in de zelfde natuurlijke afdeeling van het geslacht Onthophagus-soorten

die een enkelen hoorn, en andere die twee verschillende horens op den

kop hebben.

In bijna alle gevallen zijn de horens opmerkelijk wegens hun

bovenmatige variabiliteit, zoodat een trapsgewijze reeks kan worden

gevormd van de hoogst ontwikkelde mannetjes tot andere, die zoo weinig

ontaard zijn, dat zij slechts even van de wijfjes te onderscheiden

zijn. De heer Walsh [723] bevond, dat bij Phanaeus carnifex de horens

bij sommige mannetjes driemaal zoo lang waren als bij andere. De heer

Bates dacht, na meer dan honderd mannetjes van Onthophagus rangifer

(Fig. 44) te hebben onderzocht, dat hij eindelijk een soort had

ontdekt, bij welke de horens niet variabel waren; maar een nader

onderzoek bewees het tegendeel.

De buitengewone grootte der horens en hun zeer verschillend maaksel bij

nauw verwante vormen bewijzen, dat zij met het eene of andere

belangrijke doel zijn gevormd; maar hun bovenmatige variabiliteit bij

de mannetjes van de zelfde soort voert tot het besluit, dat dit doel

niet van een bepaalden aard kan zijn. De horens vertoonen geen teekenen

van afslijting, alsof zij voor het eene of andere gewone werk werden

gebruikt. Sommige schrijvers onderstellen [724], dat de mannetjes, daar

zij veel meer rondtrekken dan de wijfjes, horens noodig hebben om zich

tegen hun vijanden te verdedigen; in vele gevallen schijnen echter de

horens niet goed voor de verdediging geschikt te zijn, daar zij niet

scherp zijn. De meest voor de hand liggende onderstelling is, dat zij

door de mannetjes worden gebruikt om te vechten; maar men heeft nooit

waargenomen, dat zij vochten; ook kon de heer Bates na een zorgvuldig

onderzoek van vele soorten, in hun verminkten of gebroken toestand geen

voldoende bewijzen vinden, dat zij daarvoor waren gebruikt. Als de

mannetjes gewoon waren met elkander te vechten, zou hun grootte

waarschijnlijk door seksueele teeltkeus zijn toegenomen, zoodat zij die

bij het wijfje zou hebben overtroffen; de heer Bates vindt echter, na

de beide seksen bij meer dan honderd soorten van Mesttorren (Copridae)

met elkander te hebben vergeleken, bij goed ontwikkelde individu’s in

dit opzicht volstrekt geen merkbaar verschil. Er is bovendien één

kever, tot de zelfde groote afdeeling der Bladsprietigen

(Lamellicornia) behoorende, van welke men weet, dat de mannetjes met

elkander vechten; maar zij zijn niet van horens voorzien, hoewel hun

bovenkaken veel grooter zijn dan die van het wijfje.

Het besluit, dat het best in overeenstemming is met het feit, dat de

horens zoo verbazend en toch niet standvastig ontwikkeld zijn,—zooals

door hun uitermate groote variabiliteit bij de zelfde soort wordt

bewezen,—is, dat zij als versierselen zijn verkregen. Deze meening zal

eerst uiterst onwaarschijnlijk voorkomen; maar wij zullen later zien,

dat zich bij vele dieren die veel hooger op de ladder staan, namelijk

Visschen, Amphibieën, Reptielen en Vogels, verschillende soorten van

knobbels, horens en kammen blijkbaar met het zelfde doel hebben

ontwikkeld.

De mannetjes van Onitis furcifer (Fig. 46) bezitten aan de dijen hunner

voorpooten vreemdsoortige uitsteeksels en aan de ondervlakte van het

borststuk een groote vork of een paar horens. Deze plaatsing schijnt

uiterst slecht geschikt om met deze uitsteeksels te pronken, en

wellicht dienen zij werkelijk voor het eene of andere bijzondere doel,

maar tot dusverre kan men er het gebruik niet van bepalen. Het is een

zeer merkwaardig feit, dat, hoewel de mannetjes zelfs geen spoor van

horens op de bovenvlakte van het lichaam vertoonen (Fig. 48), bij de

wijfjes toch een rudiment van een enkelen hoorn op den kop (Fig. 49, a)

en een dergelijk van een kam (b) op het borststuk duidelijk zichtbaar

zijn. Dat de kleine kam op het borststuk van het wijfje een rudiment is

van een aan het mannetje eigen uitsteeksel, hoewel dit geheel ontbreekt

bij het mannetje van deze bijzondere soort, is duidelijk; want het

wijfje van Bubas bison, (die zeer nauw met Onitis verwant is) heeft een

dergelijken kleinen kam op het borststuk, terwijl het mannetje op de

zelfde plaats een groot uitsteeksel heeft. Zoo kan er ook geen twijfel

zijn, of de kleine punt (a) op den kop van het wijfje van Onitis

furcifer en op dien van de wijfjes van twee of drie verwante soorten is

een rudimentaire vertegenwoordiger van den hoorn op den kop, zooals die

van Phanaeus (Fig. 41, 42), welke aan de mannetjes van zoovele

Bladsprietige Kevers (Lamellicornia) gemeen is. De mannetjes van eenige

nog geen namen ontvangen hebbende torren in het Britsch Museum, die men

tegenwoordig gelooft, dat tot het geslacht Onitis behooren, zijn van

een dergelijken hoorn voorzien. De opmerkelijke aard van dit geval zal

het best door een voorbeeld worden begrepen: de Herkauwende Zoogdieren

vormen een evenwijdige reeks met de Bladsprietige Kevers

(Lamellicornia), daar bij sommige de wijfjes horens bezitten, die even

groot zijn als die van het mannetje, terwijl de wijfjes van andere veel

kleiner horens hebben of de horens bij haar slechts in rudimentairen

toestand bestaan (ofschoon dit bij de Herkauwende Zoogdieren even

zeldzaam, als bij de Bladsprietige Kevers algemeen is), en zij

eindelijk bij wederom andere in het geheel geen horens hebben. Als nu

een nieuwe soort van hert of schaap werd ontdekt, bij welke het wijfje

duidelijk rudimenten van horens bezat, terwijl de kop van het mannetje

volkomen glad was, zouden wij een met dat van Onitis furcifer

overeenkomend geval hebben.

In dit geval is het oude geloof, dat rudimentaire deelen zijn geschapen

om het plan (schema) der natuur volledig te maken, zoover van steek te

houden, dat alle gewone regels geheel overtreden schijnen. De meest

waarschijnlijke meening komt mij voor te zijn, dat de eene of andere

vroegere voorvader van Onitis, evenals andere Bladsprietige Kevers

(Lamellicornia), horens op den kop en het borststuk verkreeg en ze

daarop, evenals bij zoovele nog levende soorten, op het wijfje

overbracht, door hetwelk zij sinds dien tijd steeds zijn behouden. Het

later verlies van de horens door het mannetje kan wellicht het gevolg

zijn geweest van het beginsel van compensatie wegens de ontwikkeling

der uitsteeksels op de onderste oppervlakte, terwijl die invloed zich

bij het wijfje niet doet gelden, daar zij deze uitsteeksels niet bezit

en bij gevolg de rudimenten van horens op de bovenste oppervlakte heeft

behouden. Hoewel deze meening wordt gesteund door het geval van

Bledius, dat dadelijk zal worden medegedeeld, zoo verschillen toch de

uitsteeksels op de onderste oppervlakte zeer in maaksel en ontwikkeling

bij de verschillende soorten van Onitis en zijn bij sommige zelfs

rudimentair; desniettemin vertoont de bovenste oppervlakte bij al deze

soorten geen spoor van horens. Daar secundaire seksueele kenmerken zoo

bij uitnemendheid variabel zijn, is het mogelijk dat de uitsteeksels op

de onderste oppervlakte eerst door den eenen of anderen voorvader van

Onitis zijn verkregen en hun invloed door compensatie hebben doen

gelden, en daarna in zekere gevallen volkomen verloren zijn gegaan.

Al de tot dusverre vermelde gevallen hebben betrekking op Bladsprietige

Kevers (Lamellicornia); ook de mannetjes van eenige weinige andere

Kevers, tot twee zeer verschillende groepen, namelijk de Snuitkevers

(Curculionidae) en Kortschilden (Staphylinidae) behoorende, zijn echter

van horens voorzien,—bij de eerste op de benedenste oppervlakte van het

lichaam [725], bij de laatste op de bovenste oppervlakte van den kop en

het borststuk. Bij de Kortschilden (Staphylinidae) zijn de horens bij

de mannetjes van eene en de zelfde soort buitengewoon veranderlijk,

juist zooals wij bij de Bladsprietigen (Lamellicornia) hebben gezien.

Bij Siagonium hebben wij een geval van dimorphisme: want de mannetjes

kunnen in twee afdeelingen worden verdeeld, die sterk in

lichaamsgrootte en in de ontwikkeling hunner horens verschillen, zonder

eenige tusschenbeidenstaande overgangsvormen. Bij eene soort van

Bledius (Fig. 50 en 51), die ook tot de Kortschilden (Staphylinidae)

behoort, kunnen, gelijk Professor Westwood getuigt, mannelijke

voorwerpen op een en de zelfde plaats worden gevonden, „bij welke de

middelste hoorn van het borststuk zeer groot is, maar de horens op den

kop geheel rudimentair zijn, en andere bij welke de hoorn op het

borststuk veel korter is, terwijl de uitsteeksels op den kop lang

zijn.” [726] Hier hebben wij dus blijkbaar een voorbeeld van

compensatie van groei, dat licht werpt op het juist vermelde

merkwaardige geval van het verlies der bovenste horens bij Onitis

furcifer.

Gevechten.—Sommige mannelijke kevers die slecht voor het gevecht

schijnen ingericht, voeren desniettemin strijd om het bezit van de

wijfjes. De heer Wallace [727] zag twee mannetjes van Leptorhynchus

angustatus, een lijnvormigen kever met zeer verlengden snuit (rostrum),

„om een wijfje vechten, dat in de onmiddellijke nabijheid met boren

bezig was. Zij stooten elkander met hun snuiten en krabden en sloegen

elkander blijkbaar met de grootste woede.” Het kleinste mannetje „liep

echter spoedig weg en erkende zich overwonnen.” In eenige weinige

gevallen zijn de mannetjes goed geschikt om te vechten door het bezit

van groote getande bovenkaken (mandibula), veel grooter dan die der

wijfjes. Dit is het geval met het gewone Vliegende Hert (Lucanus

cervus), waarvan de mannetjes ongeveer een week vroeger uit de pop te

voorschijn komen dan de andere sekse, zoodat men er dikwijls

verscheidene het zelfde wijfje kan zien vervolgen. Toen de heer A. H.

Davis [728] twee mannetjes met één wijfje in een doos opsloot, kneep

het grootste mannetje het kleinste met kracht totdat het zijn

aanspraken liet varen. Een vriend meldt mij, dat hij, toen hij een

jongen was, de mannetjes dikwijls bij elkander zette om hen te zien

vechten, en opmerkte, dat zij veel stoutmoediger en woester zijn dan de

wijfjes, evenals men algemeen weet, dat bij de hoogere dieren het geval

is. De mannetjes pakten zijn vinger en knepen daarin als hij hun dien

voorhield, maar de wijfjes niet. Bij vele Lucanidae, zoowel als bij den

bovenvermelden Lepidorhynchus zijn de mannetjes grooter en krachtiger

insekten dan de wijfjes. De beide seksen van Lethrus cephalotes (een

der Bladsprietige Kevers) bewonen het zelfde hol: en het mannetje heeft

grooter bovenkaken dan het wijfje. Indien gedurende den paartijd een

vreemd mannetje in het hol beproeft te komen, wordt hij aangevallen;

het wijfje blijft hierbij niet lijdelijk, maar sluit de opening van het

hol en moedigt haar metgezel aan door hem voortdurend van achteren te

stooten. Het gevecht eindigt niet voor de aanvaller is gedood of op de

vlucht gaat. [729] De beide seksen van een anderen Bladsprietigen

Kever, Ateuchus cicatricosus, leven paarsgewijze en schijnen zeer aan

elkander te zijn gehecht; het mannetje spoort het wijfje aan om de

ballen van mest te rollen, waarin de eieren worden gelegd; en als men

haar wegneemt, wordt hij zeer onrustig. Als het mannetje wordt

weggenomen, houdt het wijfje geheel en al met werken op en zou, gelijk

de heer Brulerie [730] gelooft, op de zelfde plaats blijven tot zij

stierf.

De groote bovenkaken der mannelijke Lucaniden zijn uiterst

veranderlijk, zoowel in grootte als in maaksel en gelijken in dit

opzicht op de horens op den kop en het borststuk van vele mannelijke

Bladsprietige Kevers (Lamellicornia) en Kortschilden (Staphylinidae).

Men kan een volkomen reeks vormen van de best voorziene tot de slechtst

voorziene of ontaarde mannetjes. Hoewel de bovenkaken van het gewone

Vliegende Hert en waarschijnlijk die van vele andere soorten werkelijk

bij het gevecht als wapens worden gebruikt, is het twijfelachtig of men

zich aldus rekenschap kan geven van haar aanzienlijke grootte. Wij

hebben gezien, dat zij bij den Noord-Amerikaanschen Lucanus elaphus

worden gebruikt om het wijfje te grijpen. Daar zij zoo sterk in het oog

vallen en zoo sierlijk zijn vertakt, is het vermoeden soms bij mij

opgekomen, of zij aan de mannetjes wellicht tot sieraad zouden kunnen

dienen, op de zelfde wijze als de horens op den kop en het borststuk

van de verschillende hierboven beschreven soorten. Het mannetje van

Chiasognathus Grantii (Fig. 52) uit Zuid Chili,—een prachtigen kever,

die tot de zelfde familie behoort,—heeft verbazend ontwikkelde

bovenkaken; hij is stoutmoedig en strijdlustig; als hij aan de eene of

andere zijde wordt bedreigd, draait hij zich om, opent zijn groote

kaken en sjirpt tegelijkertijd op luidruchtige wijze; de bovenkaken

waren echter niet sterk genoeg om mij zoo krachtig in den vinger te

knijpen, dat het mij werkelijk pijn deed.

De seksueele teeltkeus die het bezit van aanmerkelijke waarnemende

vermogens en van hevige hartstochten veronderstelt, schijnt op de

Bladsprietige Kevers meer invloed te hebben uitgeoefend, dan op eenige

andere Familie van Schildvleugelige Insekten (Coleoptera). Bij sommige

soorten zijn de mannetjes voorzien van wapens om te vechten; sommige

leven paarsgewijze en toonen genegenheid voor elkander; vele bezitten

het vermogen om te sjirpen, als zij worden geprikkeld; vele zijn

voorzien van de meest buitengewone horens, die klaarblijkelijk tot

versiering dienen; sommige die dagdieren zijn, bezitten de prachtigste

kleuren; en eindelijk, vele van de grootste kevers der wereld behooren

tot deze Familie welke door Linnaeus en Fabricius aan het hoofd van de

Orde der Schildvleugeligen (Coleoptera) werd geplaatst. [731]

Sjirporganen.—Kevers, tot vele en zeer verschillende Families

behoorende, bezitten deze organen. Het geluid kan somtijds op den

afstand van verscheidene voeten of zelfs ellen worden gehoord [732],

maar kan niet met dat hetwelk de Rechtvleugeligen (Orthoptera)

voortbrengen, worden vergeleken. Het deel dat de rasp kan worden

genoemd, bestaat gewoonlijk uit een smalle, eenigszins bolle

oppervlakte waarover zeer fijne, evenwijdige ribbetjes loopen, soms zoo

fijn, dat zij iriseerende kleuren doen ontstaan, en die er onder het

microscoop zeer sierlijk uitzien. In sommige gevallen, b.v. bij

Typhaeus, kan men duidelijk zien, dat uiterst kleine, borstelachtige,

op schubben gelijkende uitsteeksels die de geheele omringende

oppervlakte volgens nagenoeg evenwijdige lijnen bedekken, de ribbetjes

van de rasp vormen, door samen te vloeien en recht en tegelijkertijd

uitstekend en glad te worden. Een harde rug op eenig nabij gelegen deel

van het lichaam, die in sommige gevallen bijzonder voor dat doel is

gewijzigd, dient als schrapper voor de rasp. De schrapper wordt snel

over de rasp, of omgekeerd de rasp over den schrapper bewogen.

Deze organen zijn op uiterst verschillende plaatsen gelegen. Bij de

Doodgravers (Necrophorus) staan twee evenwijdige raspen (r, fig. 55) op

de rugvlakte van den vijfden ring van het achterlijf, terwijl dwars

over elke rasp, volgens de beschrijving van Landois [733], 126 tot 140

fijne ribbetjes loopen. Deze ribbetjes worden geschrapt door de

achterranden der dekschilden, waarvan een klein deel buiten den

algemeenen omtrek uitsteekt. Bij vele Crioceridae en bij Clythra 4

punctata, één der Bladkevers (Chrysomelidae), en bij sommige

Zwartlijven (Tenebrionidae), enz. [734], is de rasp aan den bovenkant

van de spits (apex) van het achterlijf op het pygidium of propygidium

gelegen, en wordt, evenals boven, met de dekschilden geschrapt. Bij

Heterocerus, die tot een andere familie behoort, zijn de raspen op de

zijden van den eersten ring van het achterlijf geplaatst en worden met

op de dijen gelegen ruggen geschrapt. [735] Bij sommige Snuitkevers

(Curculionidae) en Loopkevers (Carabidae) [736] liggen de deelen juist

omgekeerd; want de raspen bevinden zich op de ondervlakten der

dekschilden, dicht bij hun spitsen, of langs hun buitenranden, en de

randen van de ringen van het achterlijf dienen als schrappers. Bij

Pelobius hermanni, een der waterroofkevers (Dytiscidae), loopt een

sterke rug evenwijdig aan en dicht bij de binnenranden der dekschilden,

en dwars over den rug loopen ribbetjes, in het middelste gedeelte grof,

maar aan de beide einden, voornamelijk aan het boveneinde, hoe langer

hoe fijner wordende; als dit insekt onder water of in de lucht wordt

gehouden, maakt het een sjirpend geluid, door den uitersten

hoornachtigen rand van het achterlijf over de rasp te schrappen. Bij

een groot aantal Boktorren (Longicornia) bevinden zich de organen op

een geheel andere plaats, daar de rasp op het middenborststuk

(mesothorax) ligt, dat tegen het voorborststuk (prothorax) wordt

geschrapt; Landois telde 238 zeer fijne ribbetjes op de rasp van

Cerambyx heros.

Vele Bladsprietigen (Lamellicornia) bezitten het vermogen om te sjirpen

zeer luid, zoodat, toen de heer F. Smidt een voorwerp van Trox

sabulosus ving, een boschwachter die er bij stond, dacht, dat hij een

muis had gevangen; ik slaagde er echter niet in om de sjirporganen bij

dezen kever te ontdekken. Bij Geotrupes en Typhaeus loopt een smalle

rug (r, Fig. 56) schuins over de heup (coxa) van elken achterpoot, die

bij Geotrupes stercorarius 84 ribben heeft, die worden geschrapt met

een bijzonder uitstekend deel van een der ringen van het achterlijf.

Bij de nauw verwante Copris lunaris loopt een uiterst smalle fijne rasp

langs de binnenranden der dekschilden en een andere korte rasp dicht

bij den grond van den buitenrand; maar bij sommige andere mesttorren

(Coprini) is de rasp, volgens Leconte [737], op de rugvlakte van het

achterlijf gelegen. Bij Oryctes ligt zij op het propygidium en bij

sommige andere houteters (Dynastini), volgens den zelfden

insektenkenner, op de ondervlakte der dekschilden. Eindelijk vermeldt

Westring, dat bij Omaloplia brunnea de rasp op het prosternum en de

schrapper op het metasternum is geplaatst, zoodat deze deelen derhalve

aan de onderste oppervlakte van het lichaam zijn geplaatst, in plaats

van aan de bovenste, zooals bij de Boktorren (Longicornia).

Wij zien dus, dat de sjirporganen bij de verschillende families van

Schildvleugeligen een verwonderlijke verscheidenheid vertoonen in hun

plaatsing, maar weinig in hun maaksel. In ééne en de zelfde familie

zijn sommigen van deze organen voorzien, terwijl anderen ze geheel

missen. Deze verscheidenheid is te begrijpen, als wij veronderstellen,

dat oorspronkelijk verscheidene soorten een schokkend en sissend geluid

maakten door de harde en ruwe gedeelten van hun lichaam, die elkander

aanraakten, tegen elkander te wrijven, en dat, daar het zoo

voortgebrachte geluid op de eene of andere wijze nuttig was, de ruwe

oppervlakten zich allengs tot regelmatige sjirporganen ontwikkelden.

Sommige kevers brengen tegenwoordig, wanneer zij zich bewegen, hetzij

opzettelijk of onopzettelijk, een schokkend geluid voort, zonder eenig

bepaald daarvoor bestemd orgaan te bezitten. De heer Wallace meldt mij,

dat Euchirus longimanus (een Bladsprietige Kever, waarvan het mannetje

verwonderlijk lange porten bezit) „als hij zich beweegt, een laag

sissend geluid voortbrengt door het uitzetten en samentrekken van het

achterlijf, en dat hij, als hij wordt aangevat, een krassend geluid

voortbrengt door zijn achterpooten tegen de randen van zijn dekschilden

te wrijven.” Het sissende geluid wordt blijkbaar veroorzaakt doordat

een smalle rasp tegen den binnenrand van elk dekschild wordt gewreven:

en ik kon ook het krassende geluid doen ontstaan door de op

sagrijnleder gelijkende binnenste oppervlakte van de dij tegen den

korreligen rand van het overeenkomstige dekschild te wrijven; maar ik

kon hier volstrekt geen eigenlijke rasp ontdekken, en het is niet

waarschijnlijk, dat ik die over het hoofd zou hebben gezien bij zulk

een groot insekt. Nadat ik Cychrus heb onderzocht, en gelezen wat

Westring in zijn beide verhandelingen over dien kever schreef, schijnt

het mij zeer twijfelachtig, of hij een ware rasp bezit, hoewel hij het

vermogen heeft om een geluid voort te brengen.

Wegens de analogie met de Rechtvleugeligen (Orthoptera) en

Gelijkvleugeligen (Homoptera) verwachtte ik te vinden, dat de

sjirporganen bij de Schildvleugeligen (Coleoptera) naar de sekse

verschilden; maar Landois die verscheidene soorten zorgvuldig

onderzocht, nam geen dergelijk verschil waar; evenmin deed zulks

Westring, noch de heer G. R. Crotch bij het prepareeren der

verschillende soorten die hij zoo vriendelijk was mij ter onderzoeking

te zenden. Een of ander gering seksueel verschil zou echter moeilijk

zijn te ontdekken, de groote variabiliteit dezer organen in aanmerking

genomen. Zoo was bij het eerste voorwerp van Necrophorus humator en van

Pelobius, dat ik onderzocht, de rasp aanmerkelijk grooter bij het

mannetje dan bij het wijfje; maar bij volgende voorwerpen niet. Bij

Geotrupes stercorarius scheen de rasp mij dikker, ondoorschijnender en

meer uitstekend bij drie mannetjes dan bij het zelfde aantal wijfjes;

mijn zoon, de heer F. Darwin, verzamelde daarom, om te ontdekken, of de

seksen ten opzichte van haar sjirpvermogen verschillen, 57 levende

voorwerpen welke hij in twee afdeelingen verdeelde, al naar zij, als

zij op de zelfde wijze werden vastgehouden, een sterker of zwakker

geluid voortbrachten. Daarna onderzocht hij hun seksen, maar vond, dat

in beide afdeelingen de mannetjes ongeveer geheel in de zelfde

verhouding als de wijfjes waren. De heer F. Smith heeft talrijke

levende voorwerpen van Mononychus pseudacori (die tot de Snuitkevers,

Curculionidae, behoort) bezeten en is overtuigd, dat beide seksen

sjirpen, en, naar het schijnt, in gelijke mate.

Desniettemin is het sjirpvermogen bij eenige weinige Schildvleugeligen

ongetwijfeld een seksueel kenmerk. De heer Crotch heeft ontdekt, dat

alleen de mannetjes van twee soorten van Heliopathes (tot de

Zwartlijven, Tenebrionidae, behoorende) sjirporganen bezitten. Ik

onderzocht vijf mannetjes van H. gibbus, en bij deze allen was er een

goed ontwikkelde rasp, gedeeltelijk in tweeën verdeeld, op de rugvlakte

van den laatsten ring van het achterlijf; terwijl bij het zelfde aantal

wijfjes zelfs geen spoor van een rasp bestond en het vlies van dit

segment doorschijnend en veel dunner dan bij het mannetje was. Bij H.

crilratostriatus heeft het mannetje een soortgelijke rasp, behalve, dat

zij niet gedeeltelijk in tweeën is gedeeld, en het wijfje mist dit

orgaan geheel; maar daarenboven heeft het mannetje aan de randen der

dekschilden, nabij de spitsen daarvan, aan elke zijde van den naad drie

of vier korte overlangsche ruggen die door uiterst fijne ribbetjes

worden gekruist, evenwijdig aan en gelijkende op die van de rasp van

het achterlijf; of deze ruggen dienen als een afzonderlijke rasp, of

als een schrapper voor de rasp van het achterlijf, kon ik niet

beslissen; het wijfje toont geen spoor van, dit laatste deel.

Bij drie soorten van het tot de Bladsprietige Kevers behoorende

geslacht Oryctes hebben wij ook een bijna overeenkomstig geval. Bij de

wijfjes van O. gryphus en nasicornis zijn de ribben op de rasp van het

propygidium minder samenhangend en minder duidelijk dan bij de

mannetjes; het voornaamste verschil is echter, dat men ziet, dat de

geheele bovenste oppervlakte van dezen ring, als men haar in het

daartoe geschikte licht beschouwt, met haren is bezet, die bij de

mannetjes ontbreken of door een uiterst fijn dons worden vervangen. Wij

moeten hier opmerken, dat bij alle Schildvleugeligen het werkzame deel

van de rasp onbehaard is. Bij O. senegalensis is het verschil tusschen

de seksen sterker uitgedrukt, en dit wordt het best gezien, als men den

bedoelden ring schoonmaakt en bij doorvallend licht beschouwt. Bij het

wijfje is de geheele oppervlakte bedekt met kleine, afzonderlijke, met

stekels bezette kammen, terwijl bij het mannetje deze kammen, naarmate

zij de spits naderen, hoe langer hoe meer samenvloeien, regelmatig en

naakt worden; zoodat drie vierden van den ring met uiterst fijne

evenwijdige ribbetjes zijn bedekt, die bij het wijfje geheel ontbreken.

Bij de wijfjes van alle drie deze soorten van Oryctes kan men, als men

het achterlijf van een geweekt voorwerp beurtelings naar achteren en

naar voren duwt, een zwak krassend of sjirpend geluid voortbrengen.

In geval van Heliopathes en Oryctes kan er nauwelijks eenige twijfel

bestaan, dat de mannetjes sjirpen, om de wijfjes te lokken of op te

wekken; maar bij de meeste kevers dient het gesjirp vermoedelijk beide

seksen tot wederkeerigen loktoon. Deze meening wordt niet

onwaarschijnlijk gemaakt, doordat kevers sjirpen bij verschillende

gemoedsaandoeningen; wij weten, dat vogels hun stem voor vele

doeleinden gebruiken, behalve dat om voor hun gezellin te zingen. De

groote Chiasogathus sjirpt van toorn of uit wantrouwen; vele soorten

doen het zelfde uit smart of vrees, als men ze zoo vasthoudt, dat zij

niet kunnen ontsnappen; de heeren Wollaston en Crotch waren in staat om

op de Kanarische eilanden door tegen holle boomstammen te kloppen, de

aanwezigheid van kevers, tot het geslacht Acalles behoorende, aan hun

gesjirp te ontdekken. Het mannetje van Ateuchus, eindelijk, sjirpt om

het wijfje bij haar werk aan te moedigen en van smart, als men haar

wegneemt. [738] Sommige natuuronderzoekers gelooven, dat de kevers dit

geluid maken om hun vijanden te verschrikken; maar ik kan niet denken,

dat viervoetige dieren of vogels die in staat zijn de grootere

keversoorten met uiterst harde huidpantsers te verslinden, zouden

worden verschrikt door zulk een zwak knarsend geluid. Het geloof, dat

het gesjirp tot een seksueele lokstem dient, wordt gesteund door het

welbekende feit, dat de Doodskloppertjes (Anobium tesselatum) op

elkanders getik, of, zooals ik zelf heb waargenomen, op een kunstmatig

voortgebracht kloppend geluid antwoorden: en de heer Doubleday [739]

meldt mij, dat hij twee- of driemaal een tikkend wijfje heeft

waargenomen, en haar na verloop van een uur of twee met een mannetje

verbonden en bij ééne gelegenheid door onderscheidene mannetjes omringd

vond. Eindelijk schijnt het waarschijnlijk, dat de beide seksen van

vele soorten van kevers eerst in staat waren elkander te vinden door

het zwakke schokkende geluid, voortgebracht door het tegen elkander

wrijven der nabij elkander gelegen deelen hunner harde lichamen, en

dat, dewijl de mannetjes en de wijfjes, die het sterkste geluid

maakten, het best slaagden om gezellen van de andere sekse te vinden,

de oneffenheden op verschillende deelen van hun lichaam zich allengs

door de seksueele teeltkeus tot sjirporganen ontwikkelden.

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2) · 第 105 / 111 题