SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ. DE LAGERE KLASSEN VAN HET
DIERENRIJK.
Deze kenmerken ontbreken bij de laagste klassen.—Schitterende
kleuren.—Weekdieren (Mollusca).—Ringwormen (Annelida).—Schaaldieren
(Crustacea); de secundaire seksueele kenmerken bij deze zeer
ontwikkeld; dimorphisme; kleur; de kenmerken niet verkregen, dan op
volwassen leeftijd.—Spinnen (Arachnoïdea); haar seksueele kleuren;
sjirpen der mannetjes.—Duizendpooten (Myriapoda).
Bij de laagste klassen zijn de beide seksen niet zelden in één en het
zelfde individu vereenigd, en kunnen daarom geen secundaire seksueele
kenmerken worden ontwikkeld. In vele gevallen, waarin de twee seksen
zijn gescheiden, zijn beide bestendig aan een of ander steunsel
vastgehecht, en de eene kan de andere niet zoeken of om haar bezit
kampen. Daarenboven is het bijna zeker, dat deze dieren te onvolmaakte
zinnen en veel te laag ontwikkelde geestvermogens hebben om
ijverzuchtig op elkander te zijn of om elkanders schoonheid of andere
bekoorlijkheden op prijs te stellen
Vandaar komen in deze klassen, zooals de Vormlooze Dieren (Protozoa)
(1), de Neteldieren (Coelenterata), de Stekelhuidigen (Echinodermata),
de Weekwormen (Scolecida) enz. geen ware secundaire seksueele kenmerken
voor, en dit feit komt overeen met het geloof, dat die kenmerken bij de
hoogere klassen zijn verkregen door seksueele teeltkeus, welke afhangt
van den wil, de begeerten en de keus der beide seksen. Toch bestaan er
hierop eenige weinige schijnbare uitzonderingen; zoo verschillen, naar
ik van Dr. Baird hoorde, de mannetjes van sommige Ingewandswormen
(Entozoa) een weinig in kleur van de wijfjes; maar wij hebben geen
reden om te onderstellen, dat die verschillen door seksueele teeltkeus
zijn vermeerderd.
Vele der lagere dieren, hetzij hermaphrodieten of met gescheiden
geslachten, prijken met de schitterendste kleuren, of zijn op bevallige
wijze geschakeerd en gestreept. Dit is het geval met vele Koralen en
Zeeanemonen (Actiniae), met sommige Schijfkwallen (Medusae, Porpita
enz.), met sommige Platwormen (Planariae), Zakpijpen (Ascidiae),
talrijke Zeesterren, Zeeklitten (Echini) enz.; maar wij mogen besluiten
om de reeds opgegeven redenen, namelijk de vereeniging van de beide
seksen bij sommige dezer dieren, den bestendig vastzittenden toestand
van anderen, en de laag ontwikkelde geestvermogens van allen, dat deze
kleuren niet dienen als middel om de andere sekse aan te trekken en
niet zijn verkregen ten gevolge van seksueele teeltkeus. Met de hoogere
dieren is het een geheel ander geval; want, wanneer bij deze de eene
sekse veel schitterender of opzichtiger gekleurd is dan de andere, en
er geen onderscheid is tusschen de gewoonten der beide seksen, dat dit
verschil verklaart, hebben wij reden om aan den invloed der seksueele
teeltkeus te gelooven; en dit geloof wordt sterk bevestigd, wanneer de
meer versierde individu’s, dat bijna altijd de mannetjes zijn, met hun
bekoorlijkheden voor de andere sekse pronken. Wij mogen dit besluit ook
tot beide seksen uitstrekken, wanneer zij de zelfde kleuren bezitten,
en die kleuren duidelijk overeenkomen met die, welke bij zekere soorten
van de zelfde groep alleen aan ééne der seksen eigen is. Hoe moeten wij
ons dan rekenschap geven van de schoone en zelfs prachtige kleuren van
sommige dieren in de laagste klassen? Het schijnt zeer twijfelachtig,
of dergelijke kleuren gewoonlijk tot bescherming dienen; maar wij
kunnen uiterst gemakkelijk dwalen ten opzichte van kenmerken van
allerlei aard met betrekking tot bescherming, zooals iedereen zal
toegeven, die de uitnemende verhandelingen van den heer Wallace heeft
gelezen. Het zou bij voorbeeld niemand dadelijk invallen, dat de
volkomen doorzichtigheid der Medusen of Schijfkwallen hun als
beschermend middel de grootste diensten bewees, maar wanneer Haeckel
ons herinnert, dat niet slechts de Medusen, maar ook vele drijvende
weekdieren, schaaldieren en zelfs kleine zeevisschen dit zelfde
glasachtige maaksel bezitten (2), dan kunnen wij moeilijk betwijfelen,
dat zij daardoor ontsnappen aan de opmerkzaamheid van zeevogels en
andere vijanden.
Niettegenstaande onze onwetendheid, in hoever de kleur in vele gevallen
tot bescherming dient, komt het mij voor de waarschijnlijkste meening
ten opzichte der prachtige tinten van vele der laagste dieren te zijn,
dat hun kleuren het rechtstreeksche gevolg zijn, hetzij van de
scheikundige samenstelling of van de fijnere structuur van hun
weefsels, onafhankelijk van elk daaruit ontspruitend voordeel. Geen
kleur is wellicht schooner dan die van slagaderlijk bloed; maar er is
geen reden om te onderstellen, dat de kleur van het bloed op zich zelve
in eenig opzicht voordeelig is; en hoewel zij de schoonheid der wangen
van een meisje vermeerdert, zal niemand willen beweren, dat zij tot dit
doel is verkregen. Evenzoo is bij vele dieren, vooral bij de lagere, de
gal rijk gekleurd; de heer Hancock deelt mij bij voorbeeld mede, dat de
buitengewone schoonheid der Eolidae (naakte zeeslakken) vooral daarvan
het gevolg is, dat men de galklieren door de doorschijnende huid heên
ziet; van deze schoonheid hebben deze dieren waarschijnlijk geen
dienst. (3) De tinten der afvallende bladeren in een Amerikaansch bosch
worden door iedereen als prachtig beschreven, en toch onderstelt
niemand, dat deze tinten aan de boomen in het minst voordeelig zijn.
Wanneer men bedenkt, hoevele zelfstandigheden die in hooge mate met
natuurlijke organische stoffen overeenkomen, en die de prachtigste
kleuren bezitten, in den laatsten tijd door de scheikundigen zijn
gevormd, zou het een vreemd verschijnsel zijn geweest, indien eveneens
gekleurde stoffen niet dikwijls, onafhankelijk van een daardoor te
bereiken nuttig doel, in het samengestelde laboratorium der levende
organismen waren ontstaan.
Het Onder-Rijk der Weekdieren (Mollusca).—In deze groote afdeeling (in
haar wijdste beteekenis genomen) van het Dierenrijk komen secundaire
seksueele kenmerken, zooals die waarover wij hier handelen, voor zoover
ik kan nagaan, nooit voor. Dit kon men ook niet verwachten bij de drie
laagste klassen, namelijk de Zakpijpen (Ascidiae), de Mosdieren
(Polyzoa) en Armpootigen (Brachiopoda), die te zamen de Molluscoïda van
Huxley uitmaken; want de meeste dezer dieren zijn bestendig aan een
steunsel bevestigd of hebben beide seksen in één en het zelfde individu
vereenigd. Bij de Plaatkieuwigen (Lamellibranchiata) is
hermaphroditisme niet zeldzaam. Bij de in rang onmiddellijk boven hen
staande Buikpootigen (Gasteropoda) zijn de seksen bij sommige soorten
vereenigd en bij andere gescheiden. In dit laatste geval bezitten de
mannetjes echter nooit bijzondere organen om de wijfjes te vinden, vast
te houden of te bekoren, of om met andere mannetjes te vechten. Het
eenige uitwendige verschil tusschen de beide seksen bestaat, naar de
heer Gwyn Jeffreys mij mededeelt, in een eenigszins anderen vorm van de
schelp; zoo is bij voorbeeld de schelp van de mannelijke alikruik
(Littorina littorea) nauwer en heeft een langer spiraal dan die van het
wijfje. Men mag echter vermoeden, dat dergelijke verschillen in
rechtstreeksch verband staan met de voortplantingshandeling of met de
ontwikkeling van de eieren.
Hoewel de Buikpootigen zich vrij kunnen bewegen en onvolkomen oogen
bezitten, schijnen zij geen genoeg ontwikkelde geestvermogens te
bezitten, dan dat de leden van de zelfde seksen als medeminnaars samen
zouden strijden en zoo secundaire seksueele kenmerken verkrijgen. Bij
de het land bewonende Longslakken (Pulmonata) wordt de paring door een
vrijage voorafgegaan; want deze dieren, hoewel hermaphrodieten, worden
door hun maaksel genoodzaakt met elkander te paren. Agassiz merkt op
[635]: „Quiconque a eu l’occasion d’observer les amours des limaçons,
ne saurait mettre en doute la séduction déployée dans les mouvements et
les allures, qui préparent et accomplissent le double embrassement de
ces hermaphrodites.” Deze dieren schijnen ook vatbaar te zijn voor een
zekere mate van bestendige genegenheid; een nauwkeurig waarnemer, de
heer Lonsdale, deelt mij mede, dat hij een paar wijngaardslakken (Helix
pomatia), waarvan de eene zwak was, in een kleinen en slecht voorzienen
tuin zette. Na korten tijd verdween het sterke en gezonde individu en
het slijmige spoor, dat het had achtergelaten, bewees, dat het over den
muur naar een naburigen wel voorzienen tuin was gekropen. De heer
Lonsdale besloot hieruit, dat het zijn ziekelijken makker had verlaten,
maar na een afwezigheid van vier-en-twintig uren keerde het terug en
deelde blijkbaar den uitslag van zijn voorspoedige ontdekkingsreis
mede; want beide kropen toen langs het zelfde spoor weg en verdwenen
over den muur.
Zelfs in de hoogste klasse der Weekdieren, namelijk die der Koppootigen
(Cephalopoda), waarin de seksen gescheiden zijn, komen, voor zoover ik
kan ontdekken, geen secundaire seksueele kenmerken van die soort welke
wij hier beschouwen, voor. Dit is een verwonderlijk feit, daar deze
dieren hoog ontwikkelde zintuigen en aanmerkelijke geestvermogens
bezitten, zooals iedereen zal toestemmen, die hun kunstige popingen om
hun vijanden te ontsnappen heeft waargenomen. [636] Sommige Koppootigen
onderscheiden zich echter door één buitengewoon kenmerk, dat namelijk
het mannelijk element zich in een der armen of voelers verzamelt, die
daarna wordt afgeworpen, en, zich met zijn zuignappen aan het wijfje
klemmende, voor een tijd een zelfstandig leven leidt. De afgeworpen arm
gelijkt zoo volkomen op een afzonderlijk dier, dat hij door Cuvier als
een parasietische worm is beschreven onder den naam van Hectocotylus.
Dit verwonderlijke orgaan kan echter eer als een primair dan als een
secundair seksueel kenmerk worden beschouwd. (4)
Hoewel bij de Weekdieren de seksueele teeltkeus niet in het spel
schijnt te zijn gekomen, zijn toch vele horens en schelpen, zooals
spiraalhorens (Voluta), kegelhorens (Conus), pelgrimschelpen enz.,
fraai gekleurd en schoon van vorm. De kleuren schijnen in de meeste
gevallen niet tot bescherming te dienen; zij zijn waarschijnlijk,
evenals bij de laagste klassen, het rechtstreeksche gevolg van den aard
der weefsels, terwijl de vorm van de schelp van haar wijze van groei
afhangt. De hoeveelheid licht schijnt tot zekere hoogte van invloed te
zijn; want hoewel, zooals herhaaldelijk door den heer Gwyn Jeffreys is
getuigd, de horens en schelpen van sommige op groote diepte levende
soorten levendige kleuren vertoonen, zien wij toch over het algemeen,
dat de ondervlakten en de door den mantel bedekte deelen minder hoog
gekleurd zijn, dan de bovenvlakten en de aan het licht blootgestelde
deelen. [637] In sommige gevallen, zooals bij horens en schelpen wier
bezitters tusschen koralen of helder gekleurde zeewieren leven, dienen
de levendige kleuren wellicht tot bescherming. [638] Vele
Naaktkieuwigen (Nudibranchia), of Zeeslakken, zijn echter even schoon
gekleurd als eenige horen of schelp, zooals men kan zien in het
prachtige werk van de heeren Alder en Hancock; en volgens de inlichting
die de heer Hancock zoo vriendelijk was mij te geven, is het uiterst
twijfelachtig, of deze kleuren tot bescherming dienen. Bij sommige
soorten is dit wellicht het geval, zooals bij een, die op het groene
loof van wieren (Algae) leeft en zelf helder groen is. Maar vele helder
groene, witte of op andere wijze opzichtig gekleurde soorten zoeken
zich niet te verbergen, terwijl daarentegen sommige even opzichtige,
evenals andere dof gekleurde soorten onder steenen en in donkere
schuilhoeken leven. Bij deze Naaktkieuwigen staat derhalve de kleur
blijkbaar volstrekt niet in een nauw verband met den aard hunner
woonplaats.
Hoewel deze naakte Zeeslakken hermaphrodieten zijn, paren zij toch met
elkander, evenals de Landslakken, van welke laatsten vele uiterst
fraaie horens hebben. Het is denkbaar, dat twee hermaphrodieten, door
elkanders groote schoonheid aangetrokken, zich vermengen en kroost
nalaten, dat de grootere schoonheid hunner ouders zou overerven. Bij
zulke laag georganiseerde wezens is dit echter uiterst
onwaarschijnlijk. (5) Het is ook volstrekt niet duidelijk, waarom het
kroost van de schoonere hermaphrodieten eenig voordeel waardoor het in
aantal toenam, zou hebben boven het kroost der minder schoone, wanneer
ten minste schoonheid en kracht niet gewoonlijk gepaard gingen. Wij
hebben hier niet een aantal mannetjes die vroeger tot volkomen
seksueele ontwikkeling komen dan de wijfjes, en waarvan de schoonste
door de sterkste wijfjes worden uitgekozen. Indien echter schitterende
kleuren voor een hermaphroditisch dier voordeelig waren met betrekking
tot zijn algemeene levenswijze, dan zouden inderdaad de levendiger
gekleurde individu’s het best slagen en in aantal toenemen; maar dit
zou een geval van natuurlijke en niet van seksueele teeltkeus zijn.
Het Onder-Rijk der Wormen (Vermes): Klasse der Ringwormen
(Annelida).—Hoewel in deze klasse de seksen (wanneer zij gescheiden
zijn) somtijds van elkander verschillen in zoo belangrijke kenmerken,
dat zij wel eens tot verschillende geslachten of zelfs families zijn
gebracht, schijnen die verschillen echter niet van zoodanigen aard te
zijn, dat zij veilig aan seksueele teeltkeus kunnen worden
toegeschreven. Deze dieren zijn dikwijls fraai gekleurd; doch, daar de
beide seksen in dit opzicht niet verschillen, zijn zij hier voor ons
niet van veel belang. Zelfs de Snoerwormen (Nemertina) wedijveren,
hoewel zoo laag georganiseerd, „in schoonheid en verscheidenheid van
kleuren met elke andere groep ongewervelde dieren”; Dr. McIntosh [639]
kan echter toch niet ontdekken, dat deze kleuren eenig nut hebben. De
vastzittende ringwormen worden volgens Quatrefages [640] na den
voortplantingstijd doffer gekleurd, en ik onderstel, dat dit aan hun te
dier tijde minder krachtigen toestand mag worden toegeschreven. Al deze
wormachtige dieren staan blijkbaar te laag op de ladder, dan dat de
individu’s van ééne der beide seksen eenige voorkeur zouden betoonen
bij het zoeken naar een individu van de andere sekse om zich mede voort
te planten, of dat de individu’s van een zelfde sekse als medeminnaars
met elkander zouden strijden.
Het Onder-Rijk der Gelede Dieren (Arthrozoa): Klasse der Schaaldieren
(Crustacea).—In deze groote klasse ontmoeten wij voor het eerst
ontwijfelbare secundaire seksueele kenmerken, die dikwijls buitengewoon
ontwikkeld zijn. Ongelukkig zijn de gewoonten der Schaaldieren slechts
zeer onvolkomen bekend, en kunnen wij het gebruik van vele deelen die
slechts door ééne der beide seksen worden bezeten, niet verklaren. Bij
de lagere parasietische soorten zijn de mannetjes klein van gestalte,
en bezitten alleen deze volkomen zwempooten, sprieten en zintuigen,
terwijl de wijfjes deze organen missen en haar lichaam dikwijls slechts
uit een misvormde massa bestaat. Deze buitengewone verschillen tusschen
de beide seksen staan echter ongetwijfeld in verband met haar hoogst
verschillende levenswijze, en gaan ons derhalve hier niet aan. Bij
verschillende Schaaldieren, tot onderscheidene families behoorende,
zijn de voorste sprieten voorzien van bijzondere draadvormige lichamen,
die men voor reukorganen houdt, en deze zijn veel talrijker bij de
mannetjes dan bij de wijfjes. Daar de mannetjes, ook zonder eenige
buitengewone ontwikkeling van hun reukzintuig, bijna zeker in staat
zouden zijn om de wijfjes vroeger of later te vinden, is de
vermeerdering van het aantal reukdraden waarschijnlijk een gevolg van
de seksueele teeltkeus, daar de mannetjes die er het grootste getal van
bezaten, er het best in slaagden om wijfjes te vinden en hun geslacht
voort te planten. Fritz Müller heeft een opmerkelijke dimorphische
soort van Tanais beschreven, bij welke het mannetje door twee
verschillende vormen wordt vertegenwoordigd, tusschen welke geen
overgangsvormen worden gevonden. Bij den eenen vorm bezit het mannetje
een grooter aantal reukdraden en bij den anderen krachtiger en langer
knijpers (chelae), welke dienen om het wijfje vast te houden. Fritz
Müller oppert het denkbeeld, dat deze verschillen tusschen de beide
mannelijke vormen van een zelfde soort zijn ontstaan, doordat bij
sommige individu’s het aantal reukdraden, bij andere de vorm en grootte
der knijpers varieerden, zoodat van de eersten zij die het best in
staat waren het wijfje te vinden, en van de laatsten zij die het best
in staat waren haar vast te houden als zij haar hadden gevonden, het
grootste aantal nakomelingen hebben nagelaten, die hun respectieve
voordeelen erfden. [641]
Bij sommige der lagere Schaaldieren verschilt de rechter voorste spriet
zeer in maaksel van den linker, welke laatste evenals die van het
wijfje uit leedjes bestaat, die naar het einde toe dunner worden. De
gewijzigde spriet van het mannetje is in het midden òf opgezwollen òf
met een hoek omgebogen òf in een bevallig en soms verwonderlijk
samengesteld grijporgaan (Fig. 16) veranderd. [642] Het dient, naar ik
van Sir J. Lubbock hoor, om het wijfje vast te houden, en voor het
zelfde doel is één der beide achterpooten (b) aan de zelfde zijde van
het lichaam in een knijper veranderd. In een andere familie vertoonen
de onderste of achterste sprieten alleen bij de mannetjes „een
merkwaardigen zigzag-vorm.”
Bij de hoogere Schaaldieren vormen de voorpooten een paar knijpers
(chelae) en deze zijn bij het mannetje gewoonlijk grooter dan bij het
wijfje. Bij vele soorten zijn de knijpers aan de tegenovergestelde
zijden van het lichaam van ongelijke grootte; die aan de rechterzijde
is, naar de heer C. Spence Bate mij mededeelt, gewoonlijk, hoewel niet
altijd, de grootste. Deze ongelijkheid is dikwijls veel grooter bij het
mannetje dan bij het wijfje. De beide knijpers verschillen dikwijls ook
in maaksel (Fig. 17, 18, 19), waarbij dan de kleinste op die van het
wijfje gelijkt. Welk voordeel wordt verkregen door hun ongelijkheid in
grootte aan de beide tegenovergestelde zijden van het lichaam, en door
hun veel grootere ongelijkheid bij het mannetje dan bij het wijfje; en
waarom beide, als zij even groot zijn, bij het mannetje dikwijls veel
grooter zijn dan bij het wijfje, is niet bekend. De knijpers zijn
dikwijls zoo lang en groot, dat zij, naar ik van den heer Spence Bate
hoor, bij geen mogelijkheid kunnen worden gebruikt om voedsel naar den
mond te brengen. Bij de mannetjes van zekere zoetwater-steurkrabben
(Palaemon) is de rechterpoot feitelijk langer dan het geheele lichaam.
[643] Het is waarschijnlijk, dat de aanzienlijke grootte van een poot
met zijn knijpers het mannetje helpt bij het gevecht met zijn
medeminnaars; maar dit gebruik verklaart hun ongelijke grootte aan de
tegenovergestelde zijden van het lichaam bij het wijfje niet. Bij een
soort van strandkrab (Gelasimus) leven, volgens een door Milne Edwards
aangehaalde mededeeling [644], het mannetje en het wijfje in het zelfde
hol, hetgeen opmerkenswaardig is, daar het bewijst, dat zij
paarsgewijze leven, en sluit het mannetje den ingang van het hol met
een zijner knijpers, die verbazend sterk ontwikkeld is, zoodat deze
hier indirect als een verdedigingsmiddel wordt gebruikt. Hun
voornaamste doel is echter waarschijnlijk om het wijfje te grijpen en
vast te houden, en in sommige gevallen, zooals bij de zoetwatergarnalen
(Gammarus) weet men met zekerheid, dat dit zoo is. Bij de gewone
strandkrab (Carcinus maenas) paren de beide seksen echter, naar de heer
Spence Bate mij verzekert, onmiddellijk nadat het wijfje is verveld en
haar harde schaal heeft verloren. Zij is dan zoo zacht, dat zij zou
worden beschadigd, als zij door de sterke knijpers van het mannetje
werd gegrepen; maar daar zij door het mannetje wordt gevat en
medegedragen, vóór zij vervelt, kan het dan zonder gevaar geschieden.
Fritz Müller verhaalt, dat sommige soorten van Melito zich van alle
andere Vlookreeften (Amphipoda) onderscheiden, doordat bij de wijfjes
de „heupplaatjes van het voorlaatste paar pooten tot haakvormige
aanhangsels zijn verlengd, welke aanhangsels de mannetjes grijpen met
de knijpers van het eerste paar.” De ontwikkeling dezer haakvormige
aanhangsels werd waarschijnlijk veroorzaakt, doordat die wijfjes welke
gedurende de voortplantingshandeling het stevigst vast konden worden
gegrepen, de grootste nakomelingschap nalieten. Fritz Müller beschrijft
nog een andere soort van Braziliaansche vlookreeft (Orchestia Darwinii,
fig. 20, 21, 22), die een dergelijk dimorphisme als Tanais vertoont;
want er bestaan daarvan twee mannelijke vormen, die in den bouw hunner
knijpers verschillen. [645] Daar knijpers van ééne dier beide vormen
zeker voldoende zouden zijn geweest om het wijfje vast te houden, want
beide worden tegenwoordig voor dat doel gebruikt, zijn de beide
mannelijke vormen waarschijnlijk ontstaan, doordat sommige individu’s
op de eene, andere op de andere wijze afweken; terwijl beide vormen het
een of ander bijzonder, maar bijna even groot voordeel trokken uit hun
verschillend gevormde organen.
Het is niet bekend, of de Schaaldieren met elkander strijden om het
bezit der wijfjes, maar dit is waarschijnlijk het geval; want bij de
meeste dieren waarvan het mannetje grooter is dan het wijfje, schijnt
het zijn grootere gestalte te hebben verkregen, doordat gedurende vele
geslachten de grootere mannetjes de kleinere hebben overwonnen. Nu
deelt mij de heer Spence Bate mede, dat bij de meeste orden der
Schaaldieren, in het bijzonder bij de hoogste, die der Krabben
(Brachyura) het mannetje grooter is dan het wijfje; de parasietische
geslachten, waarbij de beide seksen een verschillende levenswijze
volgen, en de meeste Entomostraca maken hierop echter een uitzondering.
De knijpers van de meeste Schaaldieren zijn uitnemend voor den strijd
geschikte wapenen. Zoo zag een zoon van den heer Bate een duivelskrab
(Portunus puber) met een strandkrab (Carcinus maenas) vechten, waarbij
de laatste spoedig op den rug geworpen en alle leden van zijn lichaam
afgescheurd werden. Toen Fritz Müller verscheidene mannetjes van een
Braziliaansche strandkrab (Gelasimus), een soort die ontzaglijke
knijpers bezit, bij elkander in een glazen vat plaatste, doodden en
verminkten zij elkander. De heer Bate zette een groote mannelijke
strandkrab (Carcinus maenas) in een pot met water, die door een wijfje
dat met een kleiner mannetje gepaard was, werd bewoond; dit laatste
werd spoedig onteigend; „als zij echter vochten”, voegt de heer Bate er
bij „dan kostte de overwinning geen bloed; want ik zag geen wonden.” De
zelfde natuuronderzoeker scheidde een mannelijke vlookreeft (Gammarus
marinus), zoo gewoon op onze stranden, van zijn wijfje, en zette beide,
elk afzonderlijk, in één vat met vele individu’s van de zelfde soort.
Het aldus van haar mannetje gescheiden wijfje paarde met haar makkers.
Na eenigen tijd werd het mannetje weder in het zelfde vat gebracht, en
na een tijd lang te hebben rondgezwommen, begaf hij zich te midden der
overigen en voerde zonder eenig gevecht eensklaps zijn wijfje mede. Dit
feit bewijst, dat bij de Vlookreeften (Amphipoda), een orde die laag op
de ladder staat, de mannetjes en wijfjes elkander herkennen en
wederkeerig aan elkander gehecht zijn.
De geestvermogens der Schaaldieren zijn waarschijnlijk hooger
ontwikkeld dan men wellicht zou hebben verwacht. Ieder die heeft
beproefd een der op vele kusten van tropische landen zoo menigvuldige
strandkrabben te vangen, zal hebben bemerkt, hoe voorzichtig en
waakzaam zij zijn. Op koraaleilanden vindt men een groote krabsoort
(Birgus latro), die op den bodem van een diep hol een dik bed maakt van
door haar bijeen verzamelde vezels van de kokosnoot. Zij voedt zich met
de afgevallen vruchten der kokospalmen, pelt er de vezels van het
omkleedsel vezel voor vezel van af, en begint daarbij altijd aan dat
einde, waar de drie oogvormige diepten zijn gelegen. Daarna doorboort
zij ééne dier diepten door er met haar groote voorste knijpers op te
kloppen, en haalt eindelijk, al ronddraaiende, de taaie witte
zelfstandigheid die binnen in de vrucht zit, met haar smalle achterste
knijpers er uit. Deze handelingen zijn echter waarschijnlijk
instinktmatig, zoodat zij even goed door een jong als door een oud dier
worden volbracht. Het volgende geval kan echter niet zoo worden
beschouwd: een geloofwaardig natuuronderzoeker, de heer Gardner [646],
nam een strandkrab (Gelasimus) waar, terwijl zij haar hol maakte, en
wierp er eenige schelpen naar toe. Een daarvan rolde in het hol,
terwijl drie andere schelpen op weinige duimen van den ingang bleven
liggen In ongeveer vijf minuten bracht de krab de naar binnen gevallen
schelp weêr naar buiten en droeg haar ongeveer een voet ver weg; toen
zag zij de drie andere schelpen liggen, en blijkbaar bedenkende, dat
zij er ook in zouden kunnen rollen, droeg zij ze naar de plaats, waar
zij de eerste had gelegd. Het zou, dunkt mij, moeielijk zijn deze
handelingen te onderscheiden van een die door den mensch met behulp
zijner rede wordt volbracht.
Ten opzichte van de kleur, die bij dieren die tot de hoogere klassen
behooren, zoo dikwijls bij beide seksen verschilt, kent de heer Spence
Bate hiervan geen enkel sterk sprekend voorbeeld bij de Britsche
Schaaldieren. In sommige gevallen verschilt echter het wijfje
eenigszins in tint met het mannetje; maar de heer Bate houdt dit
verschil voor gering genoeg om te kunnen worden verklaard door hun
verschillende levenswijze, zooals doordat het mannetje meer rondloopt
en derhalve meer aan het licht blootgesteld is. Bij een merkwaardige
krab van Borneo, die sponsen bewoont, kon de heer Bate altijd de beide
seksen van elkander onderscheiden, doordat de opperhuid van het
mannetje minder afgeschaafd was. Dr. Power trachtte de seksen van de
soorten die Mauritius bewonen, door haar kleur te onderscheiden; maar
het mislukte hem voortdurend, behalve bij een enkele soort van
steurkrab (Squilla, waarschijnlijk Squilla stylifera), van welke het
mannetje wordt beschreven, als „fraai blauwachtig groen”, met sommige
aanhangsels kersrood, terwijl het wijfje bruin en grijs bewolkt is, en
de roode deelen bij haar „veel minder levendig zijn dan bij het
mannetje.” [647] In dit geval mogen wij vermoeden, dat er seksueele
teeltkeus in het spel is geweest. Bij Saphirina (een den oceaan
bewonend geslacht van Entomostraca, en daarom laag op de ladder) zijn
de mannetjes voorzien van kleine schilden of op cellen gelijkende
lichamen, die schoone veranderende kleuren vertoonen; deze ontbreken
bij de wijfjes en in ééne soort bij beide seksen. [648] Het zou echter
zeer overijld zijn, hieruit te besluiten, dat deze organen uitsluitend
dienen om het wijfje te bekoren. Bij het wijfje van een Braziliaansche
soort van strandkrab (Gelasimus) is, naar Fritz Müller mij mededeelt,
het geheele lichaam bijna effen grijsachtig bruin. Bij het mannetje is
het achterste deel van het kop-borststuk (cephalothorax) zuiver wit, en
het voorste prachtig groen, in donkerbruin overgaande; en het is
merkwaardig, dat deze kleuren vatbaar zijn, in weinige minuten te
veranderen,—waarbij het wit vuil groen, of zelfs zwart wordt, en het
groen „veel van zijn schoonheid verliest.” De mannetjes zijn blijkbaar
veel talrijker dan de wijfjes Het verdient inzonderheid opmerking, dat
zij hun schitterende kleuren niet verkrijgen vóór zij volwassen zijn.
Zij verschillen ook van de wijfjes door de meerdere grootte hunner
knijpers. Bij sommige soorten van het geslacht, waarschijnlijk bij
alle, leven de seksen paarsgewijze en bewonen het zelfde hol. Het zijn
ook, zooals wij zagen, zeer verstandige dieren. Op deze verschillende
gronden is het zeer waarschijnlijk, dat bij deze soort het mannetje
zijn fraaie kleuren heeft verkregen om het wijfje te bekoren of op te
wekken.
Ik heb zoo even medegedeeld, dat het mannetje van Gelasimus zijn
opzichtige kleuren niet verkrijgt, vóór hij volwassen en ongeveer voor
de voortplanting geschikt is. Dit schijnt ten opzichte der vele
merkwaardige verschillen in maaksel tusschen de beide seksen in de
geheele klasse de algemeene regel te zijn. Wij zullen later zien, dat
de zelfde wet in het geheele onder-rijk der Gewervelde Dieren
(Vertebrata) doorgaat, en in alle gevallen is het bij uitnemendheid
kenmerkend voor alle eigenschappen die door seksueele teeltkeus zijn
verkregen. Fritz Müller [649] geeft eenige sterk sprekende voorbeelden
van deze wet; zoo verkrijgt het mannetje van de zeevloo (Orchestia)
zijn groote tangen, welke geheel anders zijn samengesteld dan die van
het wijfje, niet, voordat hij nagenoeg volgroeid is; zoolang hij jong
is, gelijken zijn tangen op die van het wijfje. Evenzoo bezit het
mannetje van Brachyscelus, gelijk alle andere Vlookreeften (Amphipoda),
een paar achterste sprieten; bij het wijfje, en dit is een zeer
buitengewone omstandigheid, ontbreken zij, en eveneens bij het
mannetje, voordat het volwassen is. (6)
Klasse der Arachnida (Spinnen).—De mannetjes zijn dikwijls donkerder,
maar soms ook lichter dan de wijfjes, zooals men kan zien in het
prachtige werk van den heer Blackwall. [650] Bij sommige soorten
verschillen de beide seksen sterk van elkander in kleur; zoo is het
wijfje van Sparassus smaragdulus dof groen, terwijl het achterlijf van
het mannetje schoon geel is, met drie overlangsche strepen van rijk
rood. Bij sommige soorten van krabspinnen (Thomisus) gelijken de seksen
nauwkeurig op elkander; bij andere verschillen zij zeer, zoo zijn bij
Thomisus citreus de pooten en het lichaam van het wijfje bleek-geel of
groen, terwijl de voorste pooten van het mannetje roodachtig bruin
zijn; bij T. floricolens zijn de pooten van het wijfje bleekgroen,
terwijl die van het mannetje zeer in het oog loopende ringen van
verschillende kleur vertoonen. Talrijke dergelijke gevallen zouden
kunnen worden gegeven uit de geslachten Epeira, Nephila, Philodromus,
Theridion, Linyphia, enz. Het is dikwijls moeilijk te zeggen, welke der
beide seksen het meest afwijkt van de gewone kleur van het geslacht
waartoe de soort behoort; maar de heer Blackwall denkt, dat het over
het algemeen het mannetje is. Canestrini [651] merkt op, dat in zekere
geslachten de soortsbepaling bij de mannetjes gemakkelijk, doch bij de
wijfjes hoogst moeilijk is. De heer Blackwall deelt mij mede, dat de
seksen in haar jeugd gewoonlijk op elkander gelijken; en beide
ondergaan dikwijls groote veranderingen in kleur bij haar opeenvolgende
ververvellingen, vóór zij volwassen zijn. Zoo gelijkt het mannetje van
den bovengenoemden Sparassus eerst op het wijfje, en verkrijgt zijn
bijzondere kleuren pas, als het omstreeks volwassen is. Spinnen
bezitten scherpe zintuigen en vertoonen veel verstand. Gelijk algemeen
bekend is, toonen de wijfjes dikwijls de sterkste liefde voor haar
eieren, die zij, in een zijden web omsloten, bij zich dragen. De
mannetjes zoeken vurig naar de wijfjes, en Canestrini en anderen hebben
gezien, dat zij om het bezit daarvan vochten. De zelfde schrijver zegt,
dat de paring der beide seksen bij ongeveer twintig soorten is
waargenomen; en hij verzekert stellig, dat het wijfje sommige van de
mannetjes die haar het hof maken, weigert, hen met open kaken bedreigt
en ten laatste na veel aarzeling het uitverkoren mannetje aanneemt. Op
deze verschillende gronden mogen wij met eenig vertrouwen aannemen, dat
de goed uitgedrukte verschillen in kleur tusschen de seksen van sommige
soorten het resultaat van seksueele teeltkeus zijn, hoewel de beste
soort van bewijs, het pronken van het mannetje met zijn versierselen,
hier ontbreekt. Wegens de uiterst groote variabiliteit van kleur bij
het mannetje van sommige soorten, bijvoorbeeld van Theridion lineatum,
schijnt het, dat deze seksueele kenmerken van de mannetjes tot dusver
niet zeer bestendig zijn geworden. Canestrini leidt het zelfde besluit
af uit het feit, dat de mannetjes van sommige soorten twee vormen
vertoonen, die van elkander verschillen in de grootte en lengte der
kaken; en dit herinnert ons aan de bovenvermelde gevallen van
dimorphische schaaldieren.
Het mannetje is over het algemeen veel kleiner dan het wijfje, somtijds
in buitengewone mate [652], en hij is genoodzaakt uiterst voorzichtig
te zijn als hij haar het hof maakt, daar het wijfje dikwijls haar
preutschheid tot een gevaarlijke hoogte opvoert. De Geer zag een
mannetje dat midden in zijn voorbereidende liefkoozingen door het
voorwerp zijner liefde gegrepen, in spinrag gewikkeld en daarna
verslonden werd, een gezicht dat hem, zooals hij er bijvoegt, „met
afschuw en verontwaardiging vervulde.” [653]
De weleerw. heer O. P. Cambridge [654] verklaart op de volgende wijze
de uiterste kleinheid van het mannetje in het geslacht Nephila. „De
heer Vinson geeft een levendige beschrijving van de vlugge manier
waarop het uiterst kleine mannetje aan de bloeddorstigheid van het
wijfje ontsnapt, door weg te glijden en verstoppertje te spelen op haar
lichaam en reusachtige ledematen; bij zulk een vervolging is het
duidelijk, dat de kleinste mannetjes de grootste kans hebben van te
ontsnappen, terwijl de grootere spoedig slachtoffers van het wijfje
zouden worden; en op die wijze moest allengs door natuurlijke teeltkeus
de grootte van de mannetjes afnemen, totdat zij ten laatste de
geringste grootte verkregen, die nog vereenigbaar was met de
uitoefening van hun voortplantingsfuncties,—feitelijk waarschijnlijk
tot de grootte die zij nu bezitten, d.i. zoo klein, dat zij een soort
van parasiet op het wijfje zijn, en hetzij beneden haar aandacht, of te
vlug en te klein, dan dat zij ze zonder groote moeite kan vangen.”
Westring heeft de belangwekkende ontdekking gedaan, dat de mannetjes
van verscheidene soorten van Theridion [655] het vermogen bezitten om
een sjirpend (striduleerend) geluid voort te brengen (gelijk dat
hetwelk vele kevers en andere insekten maken, maar zwakker), terwijl de
wijfjes geheel stom zijn. Het daartoe dienend orgaan is een getande
lijst aan het grondvlak van het achterlijf, waartegen het harde
achterste deel van het borststuk wordt gewreven, en van dit deel kon
bij de wijfjes geen spoor worden ontdekt. Het verdient opmerking, dat
verscheidene schrijvers waaronder de welbekende araneoloog Walckenaer,
hebben verklaard, dat spinnen door muziek worden aangetrokken. [656]
Uit de analogie met de Rechtvleugelige en Gelijkvleugelige Insekten
(Orthoptera en Homoptera), die in het volgende hoofdstuk moeten worden
beschreven, mogen wij bijna met zekerheid opmaken, dat dit geluid,
zooals Westwood opmerkt, dient, hetzij om het wijfje te roepen of om
haar op te wekken, en dit is het eerste mij bekende voorbeeld, bij het
opklimmen op de ladder van het dierenrijk, van geluiden die met dit
doel worden gemaakt. (7)
Klasse der Myriapoda (Duizendpooten).—In geen der beide orden van deze
klasse, die de eigenlijke duizendpooten en millioenpooten omvat, kan ik
eenig sterksprekend voorbeeld vinden van dergelijke seksueele
verschillen als die welke ons hier meer in het bijzonder aangaan. Bij
Glomeris limbata echter, en wellicht bij eenige weinige andere soorten,
verschillen de mannetjes eenigszins van de wijfjes in kleur; maar deze
Glomeris is een zeer veranderlijke soort. Bij de mannetjes van de
Diplopoda zijn de pooten die tot een der voorste segmenten van het
lichaam, of tot het achterste segment behooren, vervormd in
grijporganen, welke dienen om het wijfje te vatten. Bij sommige soorten
van Julus zijn de voeten (tarsi) van het mannetje met het zelfde doel
van vliezige zuigers voorzien. Een veel ongewoner geval is het, zooals
wij zullen zien als wij de Insekten behandelen, dat het bij Lithobius
het wijfje is, dat aan het einde van het lichaam grijpwerktuigen heeft
om het mannetje te vatten. [657]