(1) Onder den naam „Loopvogels” vat Harting („Leerboek van de
Grondbeginselen der Dierkunde”, Deel II, Afd. I, blz. 435) een aantal
vogels samen, welke alle kleine vleugels hebben, die hun volstrekt niet
als eigenlijke vliegwerktuigen kunnen dienen: de Walgvogels (Didus),
Vleugelloozen (Apterygii) en Struisachtige Vogels (Struthionidae).
Binnen deze grenzen behooren de Trapganzen (Otis) niet tot de
Loopvogels (Cursores), maar moeten hetzij tot de Moerasvogels
(Grallatores) of tot de Hoenderachtige Vogels (Gallinaceae) worden
gebracht.
(2) Het zal bijna overbodig zijn hier op te merken, dat de Wieren
(Algae), daar zij tot de Bloemlooze Gewassen (Cryptogamae) behooren,
noch stuifmeel (pollen) noch stempel (stigma) bezitten, en dat dus bij
de Wieren het stuifmeel onmogelijk op den stempel kan worden
overgebracht „door het voortbewegend vermogen der Antherozoïden.” De
Zwermsporen welke vele, doch niet alle Wieren bezitten, en die, nadat
zij zich van haar moederplant hebben losgemaakt, met behulp van
bewegelijke wimpers of draden (trilharen), gedurende eenigen tijd in de
rondte zwemmen, staan ongetwijfeld met de voortplanting in verband,
doch of zij in functie met het stuifmeel der Bloemdragende Gewassen
(Phanerogamae) overeenkomen, is minstens twijfelachtig, daar men bij
vele zoetwaterwieren heeft waargenomen, dat zij voor kieming vatbaar
zijn. Anders is het gelegen met de eigenaardige, levendig zich
bewegende Zwermdraden, waarvan alle bebladerde Bloemlooze Planten en de
Krans-Wieren (Characeae) zijn voorzien. Zij gelijken zeer op de
zaaddraden (Spermatozoïden) der Dieren en stemmen ook met deze in
functie overeen; zij vormen het mannelijk element der bebladerde
Bloemlooze Planten en Krans-Wieren en hun inwerking op het vrouwelijk
element (de archegoniën) is onmisbaar voor de vorming van nieuwe
individu’s. In de stuifmeelbuizen der Bloemdragende Gewassen, die zich
uit het stuifmeel ontwikkelen, als dit op den stempel is overgebracht,
vindt men vóór de bevruchting cellen die na de bevruchting zijn
verdwenen; men beschouwt deze als rudimentaire spermatozoïden, waardoor
de overeenkomst met de hoogere Bloemlooze Gewassen en Dieren volkomen
wordt. Bij allen smelt een mannelijke kern met een vrouwelijke kern
samen tot vorming van een nieuw individu, hetgeen Strassburger bij de
Phanerogamen rechtstreeks waarnam.
(3) Wij hebben steeds gemeend, dat bij het gewone tamme schaap de
wijfjes in den regel geen horens bezaten. Zoo merkt ook wijlen Prof. H.
Schlegel („De dieren van Nederland; Zoogdieren”, Haarlem, A. C.
Kruseman 1862, blz. 120) op, dat de Moeflons vooral ook daardoor veel
overeenkomst hebben met ons tam schaap, dat de wijfjes niet of slechts
bij uitzondering in enkele gevallen en op hoogen leeftijd van horens
zijn voorzien.
(4) Niet alleen in het betrekkelijk aantal mannelijke geboorten, maar
ook in alle andere levensverhoudingen wijken de Joden van de volken, te
midden waarvan zij leven, af. Zoo vermeldt Dr. Lubach („Album der
Natuur”, 1868, blz. 293), dat van 1822 tot 1840 in Pruisen van de
Joodsche bevolking 2161 op de 100,000 overleden tegen 2961 op de
niet-Joodsche. Deze sterfte was over de verschillende leeftijden
verdeeld als volgt:
Pruisen. Joden.
Doodgeborenen 143 89
Voor het einde van het 1ste jaar 697 459
Van 1 tot 5 jaren 477 386
,, 5 ,, 14 ,, 202 151
,, 14 ,, 25 ,, 155 123
,, 25 ,, 45 ,, 334 231
,, 45 ,, 70 ,, 614 392
,, 70 en daarenboven 339 330
==== ====
2961 2161
In Algerië was, volgens Crebrassa (aangehaald door Lubach, ibid.) de
gemiddelde sterfteverhouding van 1844 tot 1849 onder de Joden 33.4 op
de 1000 inwoners tegen 57.2 onder de Europeeërs. In de stad Algiers met
de voorsteden waren in 1856 onder de Europeeërs 1553 sterfgevallen op
1234 geboorten, onder de Mohammedanen 514 sterfgevallen op 331
geboorten, onder de Joden 187 sterfgevallen op 211 geboorten.
In de stad Frankfort sterft, volgens Dr. de Neufville (aangehaald door
Dr. Lubach, ibid.):
Bij de Christenen. Bij de Joden.
¼ der bevolking boven 6 jaren 11 m., boven 28 jaren 3 m.,
½ ,, ,, ,, 36 ,, 6 ,, ,, 53 ,, 1 ,,
¾ ,, ,, ,, 59 ,, 10 ,, ,, 71 ,, 0 ,,
In Nederland, Pruisen, Rijn-Beieren, Zwitserland, België en Algiers is
(volgens Dr. Lubach, ibid.) bij de Joden de jaarlijksche toeneming der
bevolking grooter dan bij hun landgenooten en staat tot die der geheele
bevolking:
In Nederland als 2 : 1
,, Pruisen en Rijn-Beieren als 3 : 1
,, Zwitserland als 4 : 1
,, Algiers als 7 : 1
Dr. Texeira de Mattos komt in zijn Verslag omtrent den ziektetoestand
der stad Amsterdam in 1862, in verband met den geneeskundigen
armendienst, Amsterdam, 1865 [627], tot de volgende op een 7-jarig
(1856–1862) onderzoek steunende resultaten.
1. Het aantal levendgeborenen is bij de Israelieten grooter, het aantal
levenloos aangegevene kinderen waarschijnlijk kleiner, doch stellig
niet grooter dan bij de overige bevolking.
2. Het valt zeer te betwijfelen, of de kindersterfte in het 2de, 3de en
4de levensjaar onder de Israelieten wel ongunstiger is dan onder de
Christenen.
3. Na den leeftijd van 4 jaren onderscheiden zich de Israelieten boven
hun overige stadgenooten door een kleinere sterfte in elk
levenstijdperk, bovenal in den leeftijd van 20–60 jaren.
4. De buurten die grootendeels door Israelieten worden bewoond,
onderscheiden zich allen door een gunstige sterfteverhouding, die niet
alleen uit de gunstige plaatselijke gesteldheid, uit de locale
omstandigheden dier buurten kan worden verklaard.
5. De totale sterfte bedraagt bij de Israelieten 2.06 perc., tegen 2.87
perc. bij de overige bevolking.
(5) In het „Archivo per l’Anthropologia e la Etnologia, publicato dal
Prof. Paolo Mantegazza e dal Prof. Felice Pinzi”, Firenze, 1871, vol.
I, blz. 66, vindt men een verhandeling van Prof. G. Boccardo, getiteld:
„Intorno alle cause determinante i numeri proporzionali dei due sesse
nelle Statistiche delle Nascite”, waaraan wij de volgende stellingen en
cijfers ontleenen.
Het aantal jongens die elk jaar worden geboren, is grooter dan het
aantal meisjes die in het zelfde tijdvak worden geboren, en
desniettemin maken de vrouwen, overal en ten allen tijde, een talrijker
gedeelte van de bevolking uit, dan de mannen. [628]
Dit feit gaat zoo algemeen door, dat het den naam van een wezenlijke
sociale natuurwet verdient. De schijnbare tegenstrijdigheid die er in
is gelegen, wordt opgeheven door de volgende feiten:
1. De jongens worden geboren in grooter aantal dan de meisjes (in de
verhouding van 106 tot 100).
2. In de eerste levensjaren is de sterfte grooter bij de jongens dan
bij de meisjes.
3. Omstreeks het 15de jaar zijn de beide seksen ongeveer gelijk in
aantal, of, met andere woorden, de grootere sterfte bij de mannelijke
sekse neutraliseert op dien leeftijd het overwicht in getal der
mannelijke geboorten.
4. Na het 15de jaar beginnen de vrouwen de mannen in aantal te
overtreffen en de numerische meerderheid der vrouwelijke sekse gaat
voort, doch volgens een variabele wet, in de volgende jaren, zoodat
gemiddeld:
van het 15de tot het 20ste jaar het verschil is 1⁄54.
,, ,, 20ste ,, ,, 30ste ,, ,, ,, ,, omstreeks ⅓.
,, ,, 30ste ,, ,, 40ste ,, ,, ,, ,, ,, ⅕.
,, ,, 40ste ,, ,, 50ste ,, ,, ,, ,, ,, ¼.
5. De numerische ongelijkheid der beide seksen wordt hoe langer hoe
kleiner en eindigt met geheel op te houden van het 50ste tot het 70ste
jaar.
6. Van het 70ste tot het 80ste jaar hernemen de vrouwen de overhand met
omstreeks ⅛.
7. Boven het 80ste jaar is de numerische meerderheid van de vrouwelijke
sekse omstreeks ½.
De numerische meerderheid van de mannelijke boven de vrouwelijke
geboorten is een algemeen (universeel) feit.
Veertien millioen van 1817 tot 1830 in Frankrijk opgeteekende geboorten
gaven als gemiddelde verhouding 106.38 mannelijke tot 100 vrouwelijke.
[629]
Kapitein Bickes verzamelde meer dan zeventig millioen opteekeningen van
geboorten in de voornaamste landen van Europa, en leidde er uit af
[630], dat op elke 100 vrouwelijke geboorten, in Rusland 108.91, in de
provincie Milaan 107.61, in Mecklenburg 107.07, in Frankrijk 106.55, in
België en Nederland 106.44, in Brandenburg en Pommeren 106.27, in het
Koninkrijk der beide Siciliën 106.18, in Oostenrijk 106.10, in Pruisen
105.94, in Westfalen en de Rijnprovincie 105.86, in Wurtemberg 105.69,
in Boheme 105.38, in Groot-Brittannië 104.75, in Zweden 104.62 en
gemiddeld in geheel Europa 106 mannelijke geboorten plaats hebben.
Gegevens die op latere en meer nauwkeurige waarnemingen berusten, vindt
men in de (door Prof. G. Boccardo aangehaalde) „Statistica del Regno
d’Italia”, „Movimento dello Stato civile nell’ anno 1868”, blz. XXXV.
Men vindt aldaar opgegeven, dat op elke 100 vrouwelijke geboorten in
Italië 106.1, in Spanje 106.8, in Griekenland 106.3, in Hannover 106.2,
in Denemarken 106.2, in Oostenrijk 106.1, in Portugal 106, in Saksen
105.8, in Nederland 105.4, in Beieren 105.3, in Frankrijk 105.3, in
België 105.2, in Noorwegen 105.2, in Engeland 104.9, in Rusland 104.9,
in Pruisen 104.8, en in Zweden 104.7 mannelijke geboorten plaats
hebben.
In sinds korte eeuwen gekoloniseerde landen gaat het echter anders; zoo
werden aan de Kaap de Goede Hoop op 100 blanke meisjes in 1813 97, in
1814 95, in 1815 99, in 1816 90, in 1817 99, in 1818 98, in 1819 99 en
in 1820 98 blanke jongens geboren [631].
Omtrent het verschil tusschen het betrekkelijk aantal der seksen bij
wettige en onwettige geboorten geven de aanteekeningen van Bickes en
andere statistici de volgende verhoudingen:
Aantal jongens, geboren op 100 meisjes,
wettig. onwettig.
Frankrijk 106.69 104.78
Keizerrijk Oostenrijk 106.15 104.32
Koninkrijk Pruisen 106.17 102.89
Zweden 104.73 103.12
Wurtemberg 105.97 103.54
Boheme 105.65 100.44
Provincie Milaan 107.79 102.30
Oost-Pruisen en Posen 105.81 103.60
Brandenburg en Pommeren 106.65 102.42
Silezië en Saksen 106.30 103.27
Westfalen en Rijnprovincie 106.07 101.55
Parijs 103.82 103.42
Amsterdam 105.00 108.83
Livorno 104.68 93.21
Frankfort aan de Main 102.83 107.84
Leipzig 106.16 105.94
In een brief aan Sir D. Brewster levert de uitnemende Engelsche
mathematicus en staathuishoudkundige Dr. Babbage de volgende gegevens
[632]:
LANDEN EN Wettige Geheel Onwettige Geheel
PLAATSEN. mannelijke aantal mannelijke aantal
geboorten opgeteekende geboorten opgeteekende
op 100 geboorten. op 100 geboorten.
vrouwelijke. vrouwelijke.
Frankrijk 106.57 9656135 104.84 673047
Napels 104.52 1059055 103.67 51309
Pruisen 106.09 3672251 102.78 212804
Westfalen 104.71 151169 100.39 19950
Montpellier 107.07 25064 100.81 2735
------ ------
Gemiddeld 105.75 102.50
Omtrent de verhouding tusschen de beide seksen in Nederland bij de
geboorte en op verschillende leeftijden vindt men uitnemende gegevens
in de door Mr. M. M. von Baumhauer bewerkte hoofdstukken II tot XIII
van Deel II der „Algemeene Statistiek van Nederland”, uitgegeven door
de Vereeniging voor de Statistiek in Nederland, Leiden bij A. W.
Sijthoff, 1871. De onderstaande cijfers zijn allen daaruit overgenomen
of uit de daar gegevene berekend. [633]
Ook in Nederland gaf elk der vier algemeene volkstellingen, in 1829,
1839, 1849 en 1859 gehouden, een grooter aantal personen van het
vrouwelijke dan van het mannelijke geslacht. In onderstaanden staat
vindt men voor elke provincie naar de uitkomsten dier vier tellingen,
met onderscheiding der feitelijke en werkelijke bevolking voor de
laatste [634], het getal vrouwen op 100 mannen voor de gemeenten
waarvan de werkelijke bevolking meer, en voor die waarvan zij minder
dan 10,000 zielen bedroeg:
PROVINCIËN. Gemeenten boven 10,000 zielen. | Gemeenten beneden 10,000 zielen. | De Provincie.
| |
1829 1839 1849 1859 1859 | 1829 1839 1849 1859 1859 | 1829 1839 1849 1859 1859
Feit. Werk. | Feit. Werk. | Feit. Werk.
| |
Noord-Brabant 98.8 96.6 106.2 107 106.8 | 101.8 100.9 100.5 100.1 100 | 101.4 100.3 101.2 101 100.9
Gelderland 105.8 104 109 109 109.1 | 98.3 98.5 97.4 97.7 96.6 | 99.4 99.5 99.3 99.8 98.7
Zuid-Holland 119.2 118.4 119.5 117.8 117.8 | 101.5 100.7 101.4 102.6 101.7 | 109.3 109.1 109.1 110.3 109
Noord-Holland 120.8 119 116.9 117.6 115.6 | 102.7 102.6 101.2 100.8 100.3 | 113.2 112.1 110.2 110.3 109
Zeeland 114.9 108.5 108.4 109.2 107.7 | 102.8 103.5 102.4 103.5 103.3 | 104.7 104.3 103.3 104.4 104
Utrecht 112.5 110.8 119.2 115.5 115 | 98 100.3 98.4 97.1 97.2 | 103.8 104.6 105.2 104.3 104.2
Friesland 102.7 103.5 101.7 99.8 99.6 | 103.1 104.9 103.6 102.4 101.7 | 103 104.4 103.1 101.7 101.1
Overijsel 105.7 112.4 110.6 106.4 105.6 | 95.7 97.1 96.1 95.3 95.3 | 97.7 100.1 98.9 97.5 97.4
Groningen 114.3 112.4 117.5 117.1 114.7 | 100.3 101.5 101.8 101.9 100.5 | 102.9 103.5 104.5 104.3 102.8
Drenthe — — — — — | 96.4 97.2 95.8 94 93.9 | 96.4 97.2 95.8 94 93.9
Limburg 102 88 103.5 107.1 107.5 | 101 99 97.6 96.9 96.5 | 101.1 97.5 98.3 98.1 97.9
| |
Het Rijk 114.2 112.6 114.2 114.2 112.9 | 100.5 100.7 99.8 99.5 99.1 | 104.5 104.2 104 103.8 103.1
De overmaat van vrouwen is dus bij ons te lande het grootst in de
gemeenten van meer dan 10,000 zielen. In de provinciën waar weinig of
geen sterk bevolkte gemeenten voorkomen en het platteland de overhand
heeft (Gelderland, Overijsel, Drenthe, Limburg), hebben zelfs de mannen
de meerderheid. In de grootste gemeenten is daarentegen de overmaat van
vrouwen het grootst, zooals blijkt uit den volgenden staat:
GEMEENTEN. Overmaat der vrouwen. | Aantal vrouwen op 100 mannen.
|
1829 1839 1849 1859 | 1829 1839 1849 1859
Werk. | Werk.
|
Amsterdam 21700 20653 20323 20684 | 124 121.7 120 118.6
Rotterdam 7761 8480 8673 9738 | 124.1 124.4 121.3 120.2
’s Gravenhage 4835 5236 6445 7244 | 118.9 118 119.6 120.4
Utrecht 2627 2811 4037 4008 | 114.3 112.3 118.5 116.4
Leiden 2302 2252 3063 2352 | 112.9 112.8 118.7 113.5
Groningen 2022 1954 2706 2447 | 115.6 112.4 117.5 114.7
De overmaat van vrouwen is niet slechts betrekkelijk het grootst in de
meest-, maar tevens het kleinst in de minst-bevolkte gemeenten. Bij de
volkstellingen van 1859 werden er op 100 mannen aangetroffen in de
gemeenten van 10000 tot 6001 zielen, 106; in die van 6000 tot 3001
zielen, 99.4; in die van 3000 zielen en minder 98.4 vrouwen. Een der
oorzaken hiervan is, dat zoovele vrouwen van het platteland naar de
grootere gemeenten gaan om daar dienstboden te worden.
Wanneer men de levenstijdperken in aanmerking neemt, was de verhouding
tusschen het aantal individu’s van de mannelijke en de vrouwelijke
sekse in Nederland als volgt:
LEVENSTIJDPERKEN. 1 Januari 1830. | 1 Januari 1840.
|
Geheel Geheel Aantal | Geheel Geheel Aantal
aantal aantal vrouwen | aantal aantal vrouwen
mannen. vrouwen. op 100 | mannen. vrouwen. op 100
mannen. | mannen.
|
0–1 jaar 33646 31824 97.5 | 37055 36488 98.4
1–6 ,, 172093 167995 97.6 | 187843 169423 90.1
6–12 ,, 178970 174810 93.8 | 183861 178981 97.3
12–16 ,, 106909 104976 98.1 | 122400 119057 97.1
16–20 ,, 90924 93918 103.2 | 110319 111907 101.4
20–30 ,, 206372 218689 105.9 | 228941 241011 105.2
30–50 ,, 289064 318995 110.3 | 328422 350147 106.6
50–75 ,, 176521 199952 113.2 | 183316 213201 116.3
75–90 ,, 17335 21588 124.5 | 17889 22866 127.8
90 en hooger. 414 628 151.6 | 419 636 151.7
Van onbekenden ouderdom 5758 917 — | 539 50 —
======= ======= ===== | ======= ======= =====
Totaal 1278006 1335292 104.4 | 1401004 1459555 104.1
LEVENSTIJDPERKEN. 19 November 1849. | 31 December 1859.
| Werkelijke bevolking.
|
Geheel Geheel Aantal | Geheel Geheel Aantal
aantal aantal vrouwen | aantal aantal vrouwen
mannen. vrouwen. op 100 | mannen. vrouwen. op 100
mannen. | mannen.
|
0–1 jaar 40344 39062 96.8 | 49032 48215 98.3
1–6 ,, 169423 167199 98.6 | 188829 186554 98.7
6–12 ,, 209676 203345 98.2 | 212331 208205 98.1
12–16 ,, 127906 125417 98 | 124474 121888 97.9
16–20 ,, 192619 194950 101.2 | 220407 220824 100.1
20–30 ,, 181492 188021 103.5 | 181832 189331 104.1
30–50 ,, 358750 376813 105 | 406331 420575 103.4
50–75 ,, 202769 238956 117.8 | 228181 261244 110.1
75–90 ,, 17995 23594 121.1 | 16634 22054 132.5
90 en hooger 402 614 152.7 | 330 505 153
Van onbekenden ouderdom 135 97 — | 647 698 —
======= ======= ===== | ======= ======= =====
Totaal 1498811 1558068 104.0 | 1629035 1680093 103.1
Voor Nederland moeten dus de regels 4 tot 7 van Prof. Boccardo (blz.
504) eenigszins worden gewijzigd, daar de vrouwelijke sekse na het 15de
jaar voortdurend talrijker is dan de mannelijke, en deze overmaat met
den leeftijd hoe langer hoe meer toeneemt, zoodat tusschen het 50ste en
70ste jaar dan ook geen periode van numerische gelijkheid intreedt.
Overigens is de verhouding in de verschillende provinciën van ons
vaderland eenigszins verschillend. Zoo waren er bij de volkstelling van
1859 in Zuid-Holland van elk levensjaar meer vrouwen dan mannen en in
Drenthe van elk levensjaar beneden 90 jaren meer mannen dan vrouwen.
Het aantal geboren jongens overtreft dat der meisjes in elk jaar en in
elke provincie. Gedurende het 25-jarig tijdperk 1840–64 werden op 100
meisjes in Zeeland 105.9, in Zuid-Holland 106, in Gelderland 106.3, in
Groningen 106.4, in Friesland 106.8, in Noord-Holland 106.9, in Drenthe
107, in Utrecht 107.1, in Overijsel 107.2, in Noord-Brabant 107.4, in
Limburg 107.4, en gemiddeld over het geheele Rijk 106.6 jongens
geboren.
Daar krachtens een circulaire van den minister van justitie van 13 Mei
1839 alle kinderen, overleden vóór de aangifte, als levenloos
aangegeven in de sterfte-registers worden ingeschreven, zonder dat het
blijkt of zij al dan niet na de geboorte hebben geleefd, is het
onmogelijk de in Nederland geborenen in levend- en doodgeborenen, maar
wel in levend- en levenloos aangegevenen te splitsen. Wanneer men bij
beide categoriën de verhouding tusschen de seksen nagaat, vindt men dat
er in verhouding tot het geheele aantal meer jongens dan meisjes
levenloos worden aangegeven, hetgeen overeenkomt met den door Darwin op
blz. 477 aangehaalden regel. Dit blijkt uit den volgenden staat, waarin
voor elke sekse wordt aangegeven op hoeveel geborenen één levenloos
aangegevene komt.
1840/64 1865 1840/64 1865
Drenthe 22 19.51 27.58 20.03
Friesland 21.53 18.13 27.52 22.43
Limburg 20.46 22.32 25.06 21.99
Groningen 19.57 18.37 23.32 22.81
Utrecht 19.11 20.34 21.82 20.31
Noord-Brabant 18.25 15.10 22.01 18.73
Noord-Holland 18.18 18.32 22.12 22.19
Zuid-Holland 18.05 18.85 21.71 21.89
Overijsel 17.28 16.35 20.01 20.13
Gelderland 17.15 15.25 20.37 19.76
Zeeland 16.44 14.56 20.27 16.93
Het Rijk 18.41 17.50 22.18 20.80
Ook het door Darwin op blz. 477, 478, 479 vermelde feit, dat de
overmaat van de mannelijke geboorten over de vrouwelijke kleiner is,
wanneer zij wettig dan wanneer zij onwettig zijn, gaat in Nederland in
den regel door, zooals blijkt uit den volgenden staat, die de
gemiddelde getallen over het vijf-en-twintigjarig tijdperk 1840/64
geeft.
PROVINCIËN. Aantal wettig geboren Aantal onwettig geboren
jongens op 100 wettig jongens op 100 onwettig
geboren meisjes. geboren meisjes.
Noord-Brabant 107.4 107.7
Gelderland 106.3 105.3
Zuid-Holland 106.1 104.4
Noord-Holland 106.9 106.2
Zeeland 106 103.7
Utrecht 107.3 103.4
Friesland 106.9 101.7
Overijsel 107.3 106.2
Groningen 106.6 103.8
Drenthe 107 106
Limburg 107.6 102.2
Het Rijk 106.7 104.8
Voor uitvoeriger bijzonderheden omtrent de verhouding tusschen het
aantal individu’s van beide seksen in Nederland verwijzen wij naar de
aangehaalde hoofdstukken van de „Algemeene Statistiek van Nederland.”
De drie na 1859 gehouden volkstellingen behoeven wij hier niet in
bijzonderheden na te gaan. Zij bevestigen de algemeene resultaten,
waartoe wij boven uit de vier volkstellingen van 1829, 1839, 1849 en
1859 kwamen.
(6) Omtrent de oorzaken die bepalen tot welke sekse een kind zal
behooren, merkt Prof. Dr. E H. Kisch te Praag in „Humboldt”, Aug. 1888
(„Zur Geschlechtsentstehung beim Menschen”) o.a. op (omtrent de gronden
waarop zijn stellingen berusten, zie men het oorspronkelijke):
1. Als de man minstens tien jaar ouder is dan de vrouw en deze 20 tot
25 jaar oud is, ontstaan zeer aanmerkelijk meer jongens dan meisjes.
Deze overmaat van jongens is ook nog groot als de man minstens tien
jaar ouder dan de vrouw en deze meer dan 26 jaar oud is. Daarentegen
ontstaan minder jongens dan meisjes, zelfs als de man ouder is dan de
vrouw, als deze minder dan 20 jaar oud is. Het grootst is de overmaat
van meisjes als de man en de vrouw even oud zijn. Als de vrouw ouder
dan de man is, ontstaat een matige overmaat van jongens.
2. Uit een door Düsing omtrent de geboorten in Noorwegen,
Elzas-Lotharingen en te Berlijn opgemaakte statistiek blijkt, dat bij
gelijken leeftijd der moeder oude en jonge mannen meer jongens
verwekken dan bij mannen van middelbaren leeftijd het geval is.
3. Behalve den leeftijd der ouders is ook hun doorvoedheid van invloed.
De voeding der ouders schijnt van invloed te zijn op de hoedanigheid
der seksueele stoffen (ei en sperma). Physiologisch wordt aangenomen,
dat een zeer gunstige toestand van ei en sperma tot het ontstaan van
meisjes leidt. Het ei, zoodra het in de baarmoeder is getreden, en het
sperma na de ejaculatie gaan, zoolang zij niet met elkander in
aanraking zijn gekomen, den dood tegemoet. Hoe langer dus die aanraking
op zich laat wachten, hoe meer zij verkwijnen. Daardoor hangt de sekse
af van het tijdstip waarop het ei na zijn intrede in de baarmoeder
wordt bevrucht, zoodat uit het spoedig bevruchte ei een meisje, uit het
laat (minstens acht dagen na de menstruatie) bevruchte een jongen
ontstaat. Echter kan de uitstekende hoedanigheid van het sperma ook in
het laatste geval een meisje en de slechte hoedanigheid van het sperma
ook in het eerste geval een jongen doen ontstaan.
4. Volgens E. Fürst te Weenen ontstaat als de conceptie vier of vijf
dagen na het einde der menstruatie plaats heeft, een overmaat van
jongens; heeft zij later plaats, een overmaat van meisjes. Dit
resultaat leidt Fürst af uit een statistiek van de dagen der conceptie
en bevalling van 292 gevallen uit de Braunsche kliniek te Weenen. Het
komt niet goed met 3 overeen.
5. Bij zwakke menstruatie is er een grooter overmaat van jongens dan
bij overvloedige menstruatie (Düsing).
6. Uit de statistiek der Pruisische stoeterijen blijkt volgens Düsing,
dat, als de hengst dikwijls dekt, meer hengstveulens worden geboren dan
wanneer hij weinig dekt. Fouquet kwam tot het zelfde resultaat bij
stieren. Een stier die dikwijls springt, verwekt overmaat van
stierkalveren; bij kudden bij welke veel stieren worden gehouden,
ontstaat een overmaat van koekalveren.
In „Humboldt”, Oct. 1888, deelt W. O. Focke mede, dat volgens het „1.
Supplement zu den Veröffentlichungen des Statistischen Amtes der Stadt
Berlin” aldaar in 1886 op 40000 wettig geborenen de volgende
verhoudingen plaats hadden:
Van 19-jarige vaders ontstonden 3 mannelijke, 0 vrouwelijke kinderen.
,, 20 ,, ,, ,, 20 ,, 2 ,, ,,
,, 21 ,, ,, ,, 73 ,, 16 ,, ,,
,, 22 ,, ,, ,, 213 ,, 51 ,, ,,
,, 23 ,, ,, ,, 394 ,, 194 ,, ,,
,, 24 ,, ,, ,, 603 ,, 379 ,, ,,
enz.
Door vaders onder 24 jaar werden bij moeders onder 18 jaar 10 jongens
en geen enkel meisje verwekt. Van vaders en moeders onder 21 jaren
stamden eveneens 10 jongens en geen enkel meisje af.
De jongste gehuwde moeders waren 16 jaren oud, maar onder de ongehuwde
waren eenigen nog jonger. Buiten echt werden geboren:
Van moeders onder 15 jaar 2 meisjes.
,, ,, van 15 ,, 3 jongens, 6 ,,
,, ,, ,, 16 ,, 27 ,, 26 ,,
,, ,, ,, 17 ,, 62 ,, 62 ,,
enz.
Bij jeugdigen leeftijd des vaders (22–26 jaar) en hoogeren leeftijd der
moeders (33–43 jaar) werden 88 jongens en 28 meisjes verwekt.
(7) De wetenschappelijke naam van den „Dal-ripa” is Lagopus subalpina.