AANTEEKENINGEN.

(1) De Protozoa, en volgens de meeste hedendaagsche dierkundigen ook de

Coelenterata (waarmede zij dan ook de Sponzen vereenigen) en

Echinodermata, zijn Onder-Rijken, en geen Klassen. De afdeeling der

Weekwormen (Scolecida), die ook op een hoogeren rang dan dien van

klasse, schoon geenszins op een zoo hoogen rang als dien van

onder-rijk, aanspraak zou kunnen maken, omvat volgens Haeckel alle

Wormen, met uitzondering der Ringwormen (Annelida) en van de, door vele

dierkundigen met de Crustaceeën vereenigd wordende Raderdieren

(Rotatoria). De naam Ringwormen wordt dan beperkt tot die vormen welke

door Harting („Leerboek”, III, 1, blz. 507) tot de orde der

Borstelwormen (Chaetophora st. Setigera) worden gebracht.

(2) Tot deze „pelagische Fauna der Glasdieren”, zooals Haeckel ze

noemt, behooren: uit de klasse der Visschen, de familie der

Helmichthyoïdeï (Leptocephalus, Oxystomus, Tilurus, Leptocephalichthys,

Helmichthys); uit de klasse der Cephalopoden, de familie der

Loligopsidae (Loligopsis, Taonius), uit die der Gasteropoden, de

familie der Phyllirhoïdae (Phyllirhoë, Acura) en bijna alle Pteropoden

en Heteropoden; uit die der Tunicata, de beide orden der Thaliacea en

Luciae; uit de klasse der Schaaldieren, menigvuldige soorten uit alle

orden, vooral uit die der Copepoden en Amphipoden; uit het rijk der

Wormen, de geslachten Alciope en Sagitta en vele larven; uit het

onder-rijk der Echinodermata, de zwemmende larven; uit dat der

Coelenterata, de geheele klasse der Rib- of Kamkwallen (Ctenophora),

verder de Schijf- of Schermkwallen (Discomedusae) en de Siphonophoren.

(3) Ongetwijfeld zal niemand willen beweren, dat de schoone kleur van

het slagaderlijk bloed is verkregen om de schoonheid van een meisje te

verhoogen. Schrijft men echter de verschillen tusschen de

menschenrassen aan seksueele teeltkeus toe, dan ligt het voor de hand,

dat bij die rassen bij welke de huid der wangen doorschijnend genoeg is

om de kleur van het slagaderlijk bloed door te laten, die

doorschijnendheid waarschijnlijk het gevolg van seksueele teeltkeus is.

De zelfde redeneering zou men op de Eoliden kunnen toepassen, en

veronderstellen, dat niet de schoone kleur der galklieren, maar de

doorschijnendheid der huid, welke toelaat, dat die kleuren uitwendig

waarneembaar zijn, het gevolg van seksueele teeltkeus kan zijn. Zeer

waarschijnlijk vinden wij echter deze onderstelling niet.

(4) Bij Argonauta bezit alleen het wijfje de verbreede eindplaten aan

twee der vangarmen en de daardoor afgescheiden wordende schelp. Deze

schijnen ons een goed voorbeeld van een secundair seksueel kenmerk bij

Cephalopoden.

(5) Wanneer dit niet zoo onwaarschijnlijk was, kon men op deze wijze

wellicht de vorming der zonderlinge zoogenaamde liefdepijlen (Harting,

„Leerboek”, Deel III, Afd. 1, blz. 816) bij sommige Gasteropoden

verklaren.

(6) Wij zullen in de volgende hoofdstukken zien, dat bij verschillende

dieren de mannetjes eigenaardige bewegingen, als het ware dansen

uitvoeren, als zij aan de wijfjes het hof maken. In „Eigen Haard”, 11

Mei 1889, no. 19, vinden wij een referaat van een stuk van den heer

Morgan uit de „Popular Science Monthly”, waaruit blijkt, dat ook een

soort van krab (Platyonychus ocellatus) zulks doet. Als het mannetje

van deze krab aan het wijfje het hof maakt, gaat hij recht op staan op

het derde en vierde paar pooten, trekt het achterste paar tegen zijn

lichaam aan, slaat zijn scharen en oogen naar boven, en gaat om zijn as

staan draaien. Nu en dan staakt hij die draaiende beweging om zich naar

links en rechts te buigen of zich wat vooruit of achteruit te bewegen.

Dit gaat zoo door tot vermoeidheid hem dwingt er mede op te houden.

Zoodra echter het wijfje hem nadert, begint hij weêr van voren af aan

en gedraagt zich „als een dronken man.” Nu en dan tracht hij met zijn

lange scharen het wijfje te „omhelzen, maar op zoodanige wijze, dat men

er aan twijfelt, of het zijn doel is haar door overreding en niet door

geweld voor zich te winnen, dan wel of ontzag voor de scharen van zijn

dame hem zich zoo betamelijk doet gedragen.”

(7) Het is bekend, dat de spinnen een uitnemend gehoor en veel smaak

voor muziek bezitten. Pélisson merkte in zijn gevangenis een spin op,

die dagelijks voor den dag kwam, wanneer men in de gevangenis op den

doedelzak speelde. Walckenaer verhaalt, dat een dame bij het bespelen

van haar harp een spin opmerkte, die aan den zolder juist boven haar

zat. Zij verplaatste zich herhaaldelijk, doch werd telkens door de spin

gevolgd. [658] Grétry zag, wanneer hij op de piano speelde, telkens een

spin naderen, die zich op de piano zette en zich verwijderde, wanneer

Grétry met spelen ophield. Van Beethoven wordt een dergelijke opmerking

verhaald. Ik heb zelf waargenomen, hoe bij het spelen van een trio in

een kamer een spin te voorschijn kwam, hoe langer hoe nader kwam en

zich eindelijk plaatste op de hand van den persoon die violoncel

speelde. Dit alles versterkt in geen geringe mate het geloof, dat de

muzikale geluiden welke sommige mannelijke spinnen voortbrengen, dienen

om het wijfje te bekoren en aan te lokken. Volgens sommigen voelen de

spinnen wel de trillingen der geluidgevende lichamen, maar hooren het

geluid niet. Dit verklaart moeilijk het geval van de spin die zich op

de hand van den cellist plaatste, daar zoo’n week deel wel niet

gevoelig zal trillen. In elk geval werd de spin gelokt, ’t zij dan door

de trilling of door het geluid.

Wood Mason nam te Bombay waar, dat twee groote schorpioenen, welke

tegen elkander werden opgehitst, een geluid maakten, gelijkende op dat

hetwelk men hoort als men over een stuk zijde schrapt of met de nagels

over een stijven tandenborstel strijkt. Het geluidmakend orgaan bleek

te bestaan uit een schrapper en een rasp. De schrapper is bezet met

stevige, kegelvormige en gebogen tandjes en ligt aan de platte

buitenvlakte van het grondlid der voelerpooten. De rasp vertoont

talrijke regelmatige, dicht bij elkander geplaatste paddestoelvormige

knobbeltjes en ligt op het aan het grondlid der voelerpooten

beantwoordende lid van het eerste paar pooten. („Nature”, 25 Oct. 1876,

blz. 565.)

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2) · 第 103 / 111 题