Er is reden om te vermoeden, dat in sommige gevallen de mensch door
teeltkeus indirect invloed heeft uitgeoefend op zijn eigen
seksevoortbrengende vermogens. Zekere vrouwen hebben een geneigdheid
gedurende haar geheele leven meer kinderen van de eene sekse dan van de
andere voort te brengen; en het zelfde gaat door bij vele dieren, bij
voorbeeld koeien en paarden. Zoo vermeldde ik boven (blz. 481) reeds,
dat volgens den heer Wright van Yeldersley House, een zijner Arabische
merries, hoewel zevenmaal door verschillende hengsten gedekt, zeven
merrieveulens voortbracht. Hoewel ik zeer weinig bewijzen er voor heb,
zou de analogie leiden tot het geloof, dat de neiging om bij voorkeur
jongen van een bepaalde sekse voort te brengen, kan worden overgeërfd
gelijk bijna elke andere eigenaardigheid, bij voorbeeld die om
tweelingen voort te brengen; en betreffende deze laatste geneigdheid
heeft de heer J. Downing mij feiten medegedeeld, die schijnen te
bewijzen dat dit plaats heeft bij sommige families van korthoornige
runderen. Kolonel Marshall [621] heeft vóór eenige jaren na zorgvuldig
onderzoek bevonden, dat de Toda’s, een bergstam in Engelsch Indië,
bestaan uit 112 mannen en 84 vrouwen van allerlei leeftijd—dit is een
verhouding van 133.3 mannen op 100 vrouwen. De Toda’s, bij wier
huwelijken veelmannerij (polyandrie) heerscht, brachten in vroeger tijd
onveranderlijk de meeste vrouwelijke kinderen om het leven; maar deze
gewoonte is nu sedert aanmerkelijken tijd afgeschaft. Bij de in de
laatste jaren geboren kinderen zijn de jongens talrijker dan de meisjes
in de verhouding van 124 tot 100. Kolonel Marshall verklaart dit feit
op de volgende vernuftige manier. „Laat ons bij voorbeeld drie
huisgezinnen nemen om het gemiddelde van den geheelen stam voor te
stellen; stel dat ééne moeder zes dochters en geen zoon voortbrengt;
dat een tweede moeder alleen zes zoons heeft, terwijl de derde moeder
drie zoons en drie dochters heeft. De eerste moeder doodt, volgens de
gewoonte van den stam, vier dochters en houdt er twee in leven. De
tweede behoudt haar zes zoons. De derde doodt twee dochters en houdt er
ééne, alsook haar drie zoons. Wij hebben dus uit de drie huisgezinnen
negen zoons en drie dochters, die hun geslacht verder voortplanten.
Doch terwijl de mannen grootendeels behooren tot huisgezinnen waarin de
geneigdheid om zoons voort te brengen groot is, behooren de vrouwen
grootendeels tot die bij welke geen geneigdheid bestaat om bij voorkeur
meisjes voort te brengen. Zoo versterkt zich de geneigdheid om bij
voorkeur jongens voort te brengen met elke generatie, totdat wij
eindelijk vinden, dat de huisgezinnen in den regel meer zoons dan
dochters hebben.”
Dat dit het gevolg zou zijn van bovengenoemden vorm van kindermoord,
schijnt bijna zeker; als wij ten minste aannemen, dat de geneigdheid om
bij voorkeur kinderen van een bepaalde sekse voort te brengen, erfelijk
is. Daar echter de bovengenoemde getallen zoo uiterst weinige zijn, heb
ik naar meer bewijzen gezocht, maar kan niet beslissen, of hetgeen ik
heb gevonden, vertrouwen verdient; toch zijn de feiten echter wellicht
vermeldenswaardig. De Maori’s van Nieuw-Zeeland hebben lang kindermoord
gepleegd, en de heer Fenton [622] getuigt, dat hij „voorbeelden heeft
ontmoet van vrouwen die vier, zes en zelfs zeven harer kinderen, en wel
meest meisjes, hadden vermoord. Zij die het meest bevoegd zijn er over
te oordeelen, getuigen algemeen, dat dit gebruik sedert vele jaren
bijna geheel heeft opgehouden te bestaan. Waarschijnlijk mag men
aannemen, dat 1835 het jaar is, waarin het geheel in onbruik is
geraakt.” Nu worden er bij de Nieuw-Zeelanders, evenals bij de Toda’s,
aanmerkelijk meer jongens dan meisjes geboren. De heer Fenton merkt op
(blz. 30): „Eén ding is zeker, hoewel de juiste tijd waarop deze
vreemde toestand van wanverhouding tusschen de beide seksen is
begonnen, niet met zekerheid kan worden bepaald, is het volkomen
duidelijk, dat deze afneming in volle werking was gedurende de jaren
1830 tot 1844, toen de niet-volwassen bevolking van 1844 werd
voortgebracht, en met groote kracht tot heden toe is voortgegaan.” De
volgende opgaven zijn ontleend aan den heer Fenton (blz. 26); maar daar
de getallen niet groot zijn en de volkstelling niet nauwkeurig was, kan
men geen eenvormige resultaten verwachten. Men bedenke in dit en het
volgende geval, dat de normale toestand van iedere bevolking een
overmaat van vrouwen is, ten minste in alle beschaafde landen,
voornamelijk ten gevolge van de grootere sterfte van de mannelijke
sekse gedurende de jeugd, en gedeeltelijk van allerlei ongevallen in
hun latere leven. In 1858 schatte men de inlandsche bevolking van
Nieuw-Zeeland op 31667 mannen en 24303 vrouwen van allerlei leeftijd,
dat is in de verhouding van 130.3 mannen op 100 vrouwen. Maar in dit
zelfde jaar werden in sommige beperkte districten de getallen met veel
zorg nagegaan, en waren hier de mannen van allerlei leeftijd 753 en de
vrouwen 616 in getal; dat is in de verhouding van 122.2 mannen op 100
vrouwen. Het is belangrijker voor ons, dat men in dat zelfde jaar 1858
bevond, dat in het zelfde district het aantal onvolwassen mannen 178 en
het aantal onvolwassen vrouwen 142 was, dat is in de verhouding van
125.3 tot 100. Men kan er bijvoegen, dat in 1844, op welken tijd het
dooden van vrouwelijke kinderen nog maar pas had opgehouden, de
onvolwassen mannen in een district 281 en de onvolwassen vrouwen
slechts 194 in getal waren, dat is in de verhouding van 144.8 mannen op
100 vrouwen.
Op de Sandwich-eilanden overtreffen de mannen de vrouwen in aantal.
Kindermoord werd daar vroeger op schrikbarende wijze gepleegd, maar was
in geenen deele tot vrouwelijke kinderen beperkt, gelijk wordt
aangetoond door den heer Ellis [623] en mij is medegedeeld door
bisschop Staley en den weleerw. heer Coan. Toch merkt een ander naar
het schijnt geloofwaardig schrijver, de heer Jarves [624], wiens
waarnemingen zich over den geheelen archipel uitstrekken, op:—„Men
vindt zeer vele vrouwen die bekennen van drie tot zes of acht harer
kinderen te hebben gedood”; en hij voegt er bij: „Meisjes worden
veelvuldiger gedood dan jongens, omdat men ze als minder nuttig
beschouwt dan deze.” Wegens hetgeen men weet dat in andere deelen der
wereld geschiedt, is dit waarschijnlijk juist, maar moet toch met veel
omzichtigheid worden ontvangen. Het gebruik van kindermoord hield
omstreeks het jaar 1819 op, toen de afgodendienst werd afgeschaft en
zendelingen zich op de eilanden nederzetten. Een zorgvuldige telling in
1839 van de volwassen en belastingschuldige mannen en vrouwen op het
eiland Kauai en in één district van Oahu (Jarves, blz. 404), geeft 4723
mannen en 3776 vrouwen; dat is in de verhouding van 125.08 tot 100.
Terzelfdertijd was het aantal mannen beneden veertien jaar op Kauai en
beneden achttien op Oahu 1797, en dat van de vrouwen van den zelfden
leeftijd 1429; en hier hebben wij de verhouding van 125.75 mannen op
100 vrouwen.
Bij een volkstelling van al de eilanden in 1850 [625], bedroeg het
aantal mannen van allerlei leeftijd 36272, dat der vrouwen 33128,
zoodat de verhouding was 109,49 tot 100. Het aantal mannen beneden
zeventien jaar bedroeg 10773, en dat der vrouwen beneden den zelfden
leeftijd 9593, zoodat de verhouding was 112.3 tot 100. Volgens de
volkstelling van 1872 staat het aantal mannen van allerlei leeftijd
(met inbegrip van die van gekruist ras) tot dat der vrouwen als 125.36
tot 100. Men bedenke, dat al deze opgaven omtrent de Sandwich-eilanden
de verhouding tusschen het aantal levende mannen en vrouwen aangeven;
en te oordeelen naar wat de statistiek in alle beschaafde landen leert,
zou het aantal mannen in verhouding nog veel grooter zijn geweest, als
de getallen op de geboorten betrekking hadden gehad. [626]
Uit de verschillende bovenstaande gevallen kunnen wij eenigen grond
ontleenen om te gelooven, dat kindermoord, uitgeoefend op de
bovenvermelde wijze, een neiging doet ontstaan tot het vormen van een
ras waarbij bij voorkeur mannelijke kinderen worden geboren; maar ik
ben ver van te onderstellen, dat dit gebruik in het geval van den
mensch of de eene of andere dergelijke handelwijze bij andere soorten
de eenige determineerende oorzaak van de overmaat der mannelijke sekse
is geweest. Er kan de eene of andere onbekende wet zijn, die tot dit
resultaat leidt bij in aantal afnemende rassen die reeds eenigszins
onvruchtbaar zijn. Behalve de verschillende oorzaken waarop vroeger, is
gezinspeeld, zouden de meer gemakkelijke baring bij wilden en het bij
gevolg minder beschadigd worden van hun mannelijke kinderen een
geneigdheid doen ontstaan om het aantal levendgeboren jongens in
verhouding van dat der meisjes grooter te maken. Er schijnt echter geen
noodzakelijk verband te bestaan tusschen het wilde leven en een
gemarkeerde overmaat van mannen; dat is, wanneer wij mogen oordeelen
naar de verhouding bij het weinig talrijke kroost der voor korte jaren
nog bestaande Tasmaniërs en het gekruiste kroost der Tahitiërs dat nu
Norfolk-eiland bewoont.
Daar de mannetjes en wijfjes van vele dieren eenigszins in leefwijze
verschillen en in verschillende mate aan gevaar zijn blootgesteld, is
het waarschijnlijk, dat in vele gevallen gemiddeld meer individu’s van
de eene dan van de andere sekse worden gedood. Doch zoover ik de
ingewikkelde oorzaken kan nasporen, zou een niet stelselmatige, hoewel
groote vernieling van een van beide seksen niet de geneigdheid hebben
het sekse-voortbrengend vermogen van de soort te wijzigen. Bij strikt
sociale dieren, zooals mieren of bijen, welke een in vergelijking van
de mannetjes grooter aantal onvruchtbare en vruchtbare wijfjes
voortbrengen en voor welke zulks van overwegend belang is, kunnen wij
inzien, dat die maatschappijen het meest zullen bloeien, welke wijfjes
bevatten die een sterken erfelijken aanleg hebben om hoe langer hoe
grooter overmaat van wijfjes voort te brengen; en in dergelijke
gevallen zou de aanleg van de beide seksen in ongelijk aantal voort te
brengen langzamerhand door natuurlijke teeltkeus kunnen zijn ontstaan.
Bij dieren die in kudden of troepen leven, waarbij de mannetjes voor
het front komen en de kudde verdedigen, gelijk bij de bisons van
Noord-Amerika en sommige bavianen, is het begrijpelijk, dat de aanleg
om bij voorkeur mannetjes voort te brengen, door natuurlijke teeltkeus
zou kunnen zijn ontstaan; want de individu’s van de kudden die het best
werden verdedigd, zouden de talrijkste nakomelingschap nalaten. In het
geval van den mensch onderstelt men, dat het voordeel om een overmaat
van mannen in den stam te hebben, een der hoofdoorzaken is van het
gebruik om vrouwelijke kinderen te dooden.
In geen geval zou, zoover wij kunnen inzien, een erfelijke aanleg om
beide seksen in gelijk aantal of een der seksen in overmaat voort te
brengen, voor sommige individu’s meer dan voor andere een
rechtstreeksch voordeel of nadeel zijn; een individu met den aanleg om
meer mannetjes dan wijfjes voort te brengen, zou bij voorbeeld niet
beter slagen in den strijd om het leven dan een individu met den
tegenovergestelden aanleg; en daarom zou zulk een aanleg niet door
natuurlijke teeltkeus kunnen worden verkregen. Er zijn echter sommige
dieren, bij voorbeeld visschen en mosselkreeften (Cirrhipedia), bij
welke twee of meer mannetjes noodig schijnen te zijn bij de bevruchting
van het wijfje, en in overeenstemming daarmede zijn de mannetjes veel
talrijker; maar het is in geenen deele duidelijk hoe deze aanleg om bij
voorkeur mannetjes voort te brengen, kan zijn verkregen. Ik dacht
vroeger, dat, wanneer de aanleg om de beide seksen in gelijk aantal
voort te brengen voordeelig voor de soort was, hij door natuurlijke
teeltkeus zou ontstaan, maar ik zie nu in, dat het geheele vraagstuk
zoo ingewikkeld is, dat het veiliger is de oplossing er van aan de
toekomst over te laten.