INSEKTEN.

In deze Klasse leveren alleen de Schubvleugeligen (Lepidoptera) de

middelen op om over de verhoudingsgetallen van de seksen te oordeelen;

want zij zijn met bijzondere zorg door vele goede waarnemers verzameld

en op groote schaal uit het ei of den rupsentoestand opgekweekt. Ik had

gehoopt, dat sommige kweekers van zijdewormen nauwkeurige opteekeningen

zouden hebben gehouden; maar na naar Frankrijk en Italië geschreven en

onderscheidene verhandelingen geraadpleegd te hebben, kan ik niet

vinden, dat dit ooit is gedaan. De algemeene opinie schijnt te zijn,

dat de seksen ongeveer even talrijk zijn; maar in Italië zijn, naar ik

van Prof. Canestrini hoor, vele kweekers overtuigd, dat er wijfjes in

overmaat worden voortgebracht. De zelfde natuuronderzoeker meldt mij

echter, dat bij de twee groote jaarlijksche broedsels van den

Ailanthus-zijdeworm (Bombyx Cynthia) de mannetjes verreweg de overhand

hebben in het eerste, terwijl in het tweede de seksen nagenoeg even

talrijk zijn, of de wijfjes eenigszins de overhand hebben.

Ten opzichte van Kapellen in den natuurstaat zijn verscheidene

waarnemers zeer getroffen geweest door de schijnbaar verbazend groote

overmaat van mannetjes. [602] Zoo zegt de heer Bates [603], van de

soorten sprekende, niet minder dan ongeveer honderd in getal, die den

Boven-Amazonenstroom bewonen, dat de mannetjes veel talrijker zijn dan

de wijfjes, zelfs in de verhouding van honderd tot één. In

Noord-Amerika schat Edwards die groote ondervinding had, dat bij het

geslacht Papilio de mannetjes tot de wijfjes staan als vier tot één; en

de heer Walsh welke mij die getuigenis mededeelde, zegt, dat dit bij P.

Turnus met zekerheid het geval is. In Zuid-Afrika vond de heer R.

Trimen de mannetjes in overmaat bij 19 soorten [604], en bij één

daarvan, die op open plaatsen rondvliegt, schat hij, dat het aantal

mannetjes tot dat der wijfjes staat als vijftig tot één. Van een andere

soort, waarvan de mannetjes op sommige plaatsen talrijk zijn,

verzamelde hij gedurende zeven jaar slechts vijf wijfjes. De heer

Maillard getuigt, dat op het eiland Bourbon de mannetjes van ééne soort

van Papilio twintigmaal talrijker zijn dan de wijfjes. [605] De heer

Trimen meldt mij, dat het, zoover hij zelf gezien of van anderen

gehoord heeft, een zeldzaamheid is, als de wijfjes van de eene of

andere soort van kapel de mannetjes in aantal overtreffen, doch dat dit

wellicht het geval is met drie Zuid-Afrikaansche soorten. De heer

Wallace [606] getuigt, dat de wijfjes van Ornithoptera Croesus in

Insulinde algemeener zijn en gemakkelijker worden gevangen dan de

mannetjes; maar dit is een zeldzame soort van kapel. Ik mag hier

bijvoegen, dat, volgens Guenée, van Hyperethra, een geslacht van

nachtvlinders, van vier tot vijf wijfjes in verzamelingen uit Indië

worden gezonden tegen één mannetje.

Toen dit onderwerp van de getalsverhouding der seksen bij insekten in

de Engelsche Entomologische Vereeniging ter sprake werd gebracht [607],

nam men algemeen aan, dat de mannetjes van de meeste Schubvleugeligen

(Lepidoptera), in den toestand van volkomen insekt, in grooter aantal

worden gevangen dan de wijfjes; maar dit feit werd door onderscheidene

waarnemers toegeschreven aan de meer afgezonderde levenswijze van het

wijfje en aan de omstandigheid, dat het mannetje vroeger uit de pop

komt. Dit laatste is, gelijk welbekend is, het geval met de meeste

Schubvleugeligen (Lepidoptera) en ook met andere insekten. Zoo gaan,

gelijk de heer Personnat opmerkt, de mannetjes van den tammen Bombyx

Yama-Maju in het begin van het seizoen en de wijfjes aan het einde

daarvan verloren, wegens gebrek aan voorwerpen van de andere sekse om

mede te paren. [608] Ik kan echter maar niet tot de overtuiging komen,

dat deze oorzaken voldoende zijn om de groote overmaat van mannetjes in

de bovenvermelde gevallen bij kapellen die in haar vaderland uiterst

gemeen zijn, te verklaren. De heer Stainton, die gedurende vele jaren

zooveel studie van de kleinere nachtvlinders heeft gemaakt, meldt mij

nog, dat hij, toen hij ze in den toestand van volkomen insekt

verzamelde, dacht, dat de mannetjes tienmaal zoo talrijk waren als de

wijfjes, maar dat hij, sedert hij ze op groote schaal uit de rups

opkweekte, overtuigd is, dat de wijfjes het talrijkst zijn.

Verscheidene insektenkenners deelen deze zienswijze. De heer Doubleday

echter, en eenige anderen, zijn van een tegenovergestelde meening en

overtuigd, dat zij uit de eieren en rupsen naar verhouding meer

mannetjes dan wijfjes hebben opgekweekt.

Behalve de meer bedrijvige levenswijze der mannetjes, hun vroeger uit

de pop komen en hun veelvuldiger bezoeken van open plaatsen kunnen

wellicht nog andere oorzaken worden aangegeven voor een schijnbaar of

werkelijk verschil in de getalsverhouding van de seksen bij de

Schubvleugeligen (Lepidoptera), als zij in den toestand van volkomen

insekt gevangen, en als zij uit de eieren of rupsen opgekweekt worden.

Vele kweekers van zijdewormen in Italië gelooven, naar ik van Professor

Canestrini hoor, dat de vrouwelijke rupsen meer van de voor korten tijd

gewoed hebbende ziekte te lijden hadden dan de mannelijke; en Dr.

Staudinger meldt mij, dat er bij het opkweeken van vlinders meer

wijfjes in de pop sterven dan mannetjes. Bij vele soorten is de

vrouwelijke rups grooter dan de mannelijke, en een verzamelaar zal

natuurlijk de schoonste voorwerpen kiezen en zoo onbewust een grooter

aantal wijfjes verzamelen. Drie verzamelaars hebben mij gezegd, dat dit

hun gewoonte was; maar Dr. Wallace is zeker, dat de meeste verzamelaars

al de voorwerpen nemen die zij kunnen vinden, van de meer zeldzame

soorten, die alleen de moeite van het opkweeken waard zijn. Als vogels

door rupsen zijn omringd, zullen zij waarschijnlijk de grootste kiezen;

en Professor Canestrini meldt mij, dat sommige kweekers in Italië

gelooven, hoewel zij geen voldoende bewijzen hebben, dat bij het eerste

broedsel van den Ailanthus-zijdeworm de wespen een grooter aantal van

de vrouwelijke dan van de mannelijke rupsen vernielen. Dr. Wallace

merkt verder op, dat vrouwelijke rupsen, omdat zij grooter dan de

mannelijke zijn, meer tijd voor haar ontwikkeling behoeven en meer

voedsel en vocht verbruiken, en dus gedurende langer tijd moeten zijn

blootgesteld aan gevaar van sluipwespen, vogels enz., en in tijden van

schaarschte in grooter aantal moeten sterven. Het schijnt daarom zeer

mogelijk, dat in den natuurstaat minder vrouwelijke dan mannelijke

Schubvleugeligen (Lepidoptera) tot vollen wasdom komen; en voor ons

bijzondere doel hebben wij te maken met de getallen op volwassen

leeftijd, als de seksen gereed zijn om haar soort voort te planten.

De wijze waarop de mannetjes van zekere nachtvlinders in buitengewoon

grooten getale samenkomen rondom een enkel wijfje, wijst blijkbaar op

een groote overmaat van mannetjes, hoewel dit feit wellicht kan worden

verklaard doordat de mannetjes vroeger uit de pop te voorschijn komen.

De heer Stainton meldt mij, dat men soms van twaalf tot twintig

mannetjes verzameld kan zien rondom een enkel wijfje van Elachista

rufocinerea. Het is welbekend, dat, indien een maagdelijke Lasiocampa

quercus of Saturnia carpini in een kooi wordt tentoongesteld, een groot

aantal mannetjes zich rondom haar verzamelen, en als zij in een kamer

is opgesloten, zelfs door den schoorsteen naar haar toe komen vliegen.

De heer Doubleday gelooft, dat hij van vijftig tot een honderdtal

mannetjes van deze beide soorten in den loop van een enkelen dag door

een opgesloten wijfje aangelokt heeft gezien. De heer Trimen stelde op

het eiland Wight een doos ten toon, waarin den vorigen dag een wijfje

van de Lasiocampa was opgesloten geweest, en weldra trachtten vijf

mannetjes daarin te komen. Toen de heer Verreaux in Nieuw-Holland een

doos in zijn zak had, waarin zich het wijfje van een kleine

Bombyx-soort bevond, werd hij door een menigte mannetjes gevolgd,

zoodat ongeveer 200 met hem het huis binnenkwamen. [609]

De heer Doubleday heeft mijn aandacht gevestigd op Dr. Staudinger’s

lijst van Schubvleugeligen (Lepidoptera) [610], waarop de prijs

voorkomt van de mannetjes en wijfjes van 300 soorten of goed

uitgedrukte verscheidenheden van dagvlinders (Rhopalocera). De prijzen

voor beide seksen van de zeer algemeene soorten zijn natuurlijk de

zelfde, maar bij 113 der meer zeldzame soorten verschillen zij, en

daarbij is het mannetje, op ééne uitzondering na, het goedkoopst. Bij

de 113 soorten staat de prijs van het mannetje tot dien van het wijfje

gemiddeld als 100 tot 149; en deze prijs schijnt aan te toonen, dat

omgekeerd de mannetjes de wijfjes in de zelfde verhouding in aantal

overtreffen. Ongeveer 2000 soorten of verscheidenheden van avond- en

nachtvlinders (Heterocera) zijn gecatalogiseerd, waarbij die met

vleugellooze wijfjes hier worden uitgesloten wegens de verschillende

levenswijze der seksen; van 2000 soorten verschillen 141 in prijs

volgens de sekse, daar van 130 de mannetjes goedkooper en slechts van

11 de mannetjes duurder zijn dan de wijfjes. De prijs van de mannetjes

der 130 soorten staat gemiddeld tot dien van de wijfjes als 100 tot

143. Ten opzichte van de kapellen op deze prijslijst denkt de heer

Doubleday (en niemand in Engeland heeft meer ondervinding gehad), dat

er niets in de levenswijze der soorten is, dat rekenschap kan geven van

het verschil in prijs tusschen de beide seksen, en dat men het alleen

kan verklaren, doordat zijn verzamelaars een grooter aantal mannetjes

dan wijfjes vangen en derhalve de eerste lager in prijs zijn. Ten

opzichte van uit de rups opgekweekte voorwerpen gelooft Dr. Staudinger,

gelijk vroeger is vermeld, dat in gevangen staat een grooter aantal van

de wijfjes dan van de mannetjes in de pop sterven. Hij voegt er bij,

dat bij zekere soorten de eene sekse gedurende zekere jaren de overhand

schijnt te hebben boven de mannetjes.

Van rechtstreeksche waarnemingen omtrent de sekse van Schubvleugeligen

(Lepidoptera), gekweekt hetzij uit het ei of uit de rups, heb ik alleen

de volgende weinige opgaven ontvangen:

Mannetjes Wijfjes

De weleerw. Heer J. Hellius [611] van Exeter

kweekte in 1886 volkomen insekten van 73

soorten, die bestonden uit 153 137

De heer Albert Jones van Eltham kweekte in 1868

volkomen insekten van 9 soorten, die bestonden

uit 159 126

In 1869 kweekte hij volkomen insekten van 4

soorten, bestaande uit 114 112

De heer Buckler van Emsworth, Hants, kweekte in

1869 volkomen insekten van 74 soorten, bestaande

uit 180 169

Dr. Wallace van Colchester kweekte uit één

broedsel van Bombyx Cynthia 52 48

Dr. Wallace kweekte in 1869 uit poppen van Bombyx

Pernyi, hem uit China gezonden, 224 123

Dr. Wallace kweekte in 1868 en 1869 uit twee

partijen poppen van Bombyx Yama-Maju 52 46

=== ===

Totaal 934 761

Bij deze zeven partijen poppen en eieren werd dus een overmaat van

mannetjes voortgebracht. Te zamen genomen is de verhouding van de

mannetjes tot de wijfjes als 122.7 tot 100. De getallen zijn echter

nauwelijks groot genoeg om vertrouwen te verdienen.

Over het geheel leid ik uit de bovenvermelde verschillende

bewijsgronden, die allen in de zelfde richting wijzen, af, dat bij de

meeste soorten van Schubvleugeligen (Lepidoptera) de mannetjes in den

toestand van volkomen insekt over het algemeen de wijfjes in aantal

overtreffen, welke dan ook de verhouding moge zijn bij hun eerste

uitkomen uit het ei.

Met betrekking tot de andere orden van Insekten heb ik slechts zeer

weinige betrouwbare mededeelingen kunnen verzamelen. Bij het vliegend

hert (Lucanus Cervus) „schijnen de mannetjes veel talrijker te zijn dan

de wijfjes”; maar wanneer zich, gelijk Cornelius in 1867 opmerkte, een

ongewoon aantal van deze kevers in één gedeelte van Duitschland

vertoonde, schenen de wijfjes de mannetjes in aantal te overtreffen in

de verhouding van zes tot één. Bij een der Springkevers (Elateridae)

zegt men, dat de mannetjes veel talrijker zijn dan de wijfjes, en men

vindt er dikwijls twee of drie met één wijfje vereenigd [612], zoodat

hier veelmannigheid (polyandrie) schijnt te heerschen. Bij Siagonium

(tot de Kortschilden, Staphylinidae, behoorende), waarbij de mannetjes

van horens voorzien zijn, „zijn de wijfjes verreweg talrijker dan de

andere sekse.” De heer Janson getuigde in de Engelsche Entomologische

Vereeniging, dat de wijfjes van den zich met boomschors voedenden

Tomicus villosus zoo algemeen zijn, dat zij een plaag zijn, terwijl de

mannetjes zoo zeldzaam zijn, dat men ze nauwelijks kent.

In andere orden zijn, wegens onbekende oorzaken, maar in sommige

gevallen blijkbaar ten gevolge van maagdelijke voortplanting

(parthenogenesis), de mannetjes nooit ontdekt, of zijn uiterst

zeldzaam, gelijk bij verscheidene Galwespen (Cynipidae). [613] Bij alle

aan den heer Walsh bekende Galwespen zijn de wijfjes vier- of vijfmaal

talrijker, dan de mannetjes; en het zelfde is, naar hij mij meldt, het

geval met de gal-appelbewonende Cecidomyidae (Tweevleugeligen,

Diptera). Bij sommige gewone soorten van Bladwespen (Tenthredinae)

heeft de heer F. Smith honderden voorwerpen uit larven van allerlei

grootte opgekweekt, maar heeft nooit een enkel mannetje verkregen;

daarentegen zegt Curtis [614], dat bij zekere door hem opgekweekte

soort (Athalia) de mannetjes tot de wijfjes stonden als zes tot één;

terwijl juist het omgekeerde het geval was bij de volkomen insekten van

de zelfde soort, die in het open veld werden gevangen. In de familie

der Bijen verzamelde Herman Müller [615] een groot aantal voorwerpen

van verschillende soorten en kweekte andere uit de poppen op, en telde

de seksen. Hij bevond, dat bij sommige soorten de mannetjes de wijfjes

zeer in aantal overtreffen; bij andere was het omgekeerde het geval; en

bij wederom andere waren de beide seksen nagenoeg even talrijk. In de

meeste gevallen komen echter de mannetjes vroeger uit de pop dan de

wijfjes, zoodat zij in het begin van den broedtijd feitelijk de

meerderheid hebben. Müller merkte ook op, dat het betrekkelijk aantal

van de beide seksen bij sommige soorten op verschillende plaatsen zeer

onderscheiden was. Doch gelijk H. Müller zelf mij deed opmerken, moeten

deze waarnemingen met eenige omzichtigheid worden ontvangen, daar de

eene sekse wellicht gemakkelijker aan de opmerkzaamheid ontsnapt dan de

andere. Zoo heeft zijn broeder Fritz Müller in Brazilië opgemerkt, dat

de beide seksen van de zelfde soort van bij dikwijls verschillende

soorten van bloemen bezoeken. Wat de Rechtvleugeligen (Orthoptera)

betreft, weet ik nauwelijks iets omtrent het betrekkelijk aantal der

seksen: Körte [616] zegt echter, dat onder 500 sprinkhanen die hij

onderzocht, de mannetjes tot de wijfjes stonden als vijf tot zes.

Omtrent de Netvleugeligen (Neuroptera) getuigt de heer Walsh, dat bij

vele, maar geenszins bij alle soorten van Haften (Ephemerina) een

groote overmaat van mannetjes is; ook bij het geslacht Hetaerina zijn

de mannetjes minstens viermaal zoo talrijk als de wijfjes. Bij sommige

soorten van het geslacht Gomphus zijn de mannetjes even talrijk als de

wijfjes, terwijl bij twee andere soorten de wijfjes minstens tweemaal

of driemaal talrijker dan de mannetjes zijn. Bij sommige Europeesche

soorten van Houtluizen (Psocus) kan men duizenden wijfjes verzamelen

zonder een enkel mannetje, terwijl bij andere soorten van het zelfde

geslacht beide seksen algemeen voorkomen. [617] In Engeland heeft de

heer MacLachlan honderden wijfjes van Apatania muliebris gevangen, maar

het mannetje heeft hij nimmer gezien, en van Boreus hyemalis zijn hier

slechts vier of vijf mannetjes gezien. [618] Bij de meesten dezer

soorten (uitgezonderd, naar ik heb gehoord, bij de Bladwespen,

Tenthredinae) is er geen reden om te onderstellen, dat de wijfjes zich

zonder bevruchting kunnen voortplanten; en zoo zien wij, hoe onwetend

wij zijn omtrent de oorzaken van het blijkbare verschil in de

getalsverhouding der beide seksen.

Omtrent de andere klassen der Gelede Dieren (Articulata) heb ik nog

minder mededeelingen kunnen verzamelen. Omtrent Spinnen schrijft mij de

heer Blackwall, die gedurende vele jaren een studie van deze klasse

heeft gemaakt, dat de mannetjes wegens hun meer zwervende levenswijze

meer algemeen worden gezien en daarom het talrijkst schijnen te zijn.

Dit is werkelijk het geval met eenige weinige soorten; maar hij

vermeldt onderscheidene soorten in zes geslachten, bij welke de wijfjes

veel talrijker dan de mannetjes schijnen te zijn. [619] De geringe

grootte der mannetjes in vergelijking met de wijfjes, die dikwijls tot

een uitersten graad is gedreven, en hun zeer verschillend uiterlijk,

kunnen wellicht in sommige gevallen hun zeldzaamheid in verzamelingen

verklaren. [620]

Sommige der lagere Schaaldieren (Crustacea) bezitten het vermogen hun

soort zonder bevruchting (aseksueel) voort te planten, en dit kan de

uiterste zeldzaamheid der mannetjes verklaren. Bij sommige andere

vormen (zooals bij Tanais en Cypris) is er, naar Fritz Müller mij

meldt, reden om te gelooven, dat het mannetje veel korter leeft dan het

wijfje, hetgeen, ondersteld dat de beide seksen oorspronkelijk even

talrijk waren, de zeldzaamheid der mannetjes zou verklaren. Daarentegen

heeft deze zelfde natuuronderzoeker op de stranden van Brazilië zonder

uitzondering meer mannetjes dan wijfjes van de Diastylidae en van

Cypridina (Watervlooien) gevangen; zoo waren er op 63 voorwerpen van

een soort van dit laatste geslacht, op den zelfden dag gevangen, 57

mannetjes. Bij een der hoogere Braziliaansche krabben, namelijk een

Gelasimus, vond Fritz Müller de mannetjes talrijker dan de wijfjes. Het

omgekeerde schijnt het geval te zijn, volgens de uitgebreide

ondervinding van den heer C. Spence Bate, met zes gewone Britsche

krabben, waarvan hij mij de namen heeft gegeven.

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2) · 第 99 / 111 题