VISSCHEN.

Bij de Visschen kan men zich alleen vergewissen omtrent de

verhoudingsgetallen der seksen door ze in volwassen of bijna volwassen

staat te vangen; en het is zeer moeilijk tot eenig juist besluit te

komen. [597] Onvruchtbare wijfjes kunnen gemakkelijk bij vergissing

voor mannetjes worden gehouden, zooals de heer Günther mij opmerkte ten

opzichte van de forel. Bij sommige soorten gelooft men, dat de

mannetjes sterven, spoedig nadat zij de eieren hebben bevrucht. Bij

vele soorten zijn de mannetjes veel kleiner dan de wijfjes, zoodat een

groot aantal mannetjes zou ontsnappen uit het zelfde net waarmede de

wijfjes werden gevangen. De heer Carbonnier [598], die bijzonder acht

heeft geslagen op de natuurlijke geschiedenis van den snoek (Esox

Lucius) getuigt, dat vele mannetjes, ten gevolge hunner geringe

grootte, door de grootere wijfjes worden verslonden; en hij gelooft,

dat de mannetjes van bijna alle visschen wegens de zelfde oorzaak aan

grooter gevaar zijn blootgesteld dan de wijfjes. Toch schijnen in de

weinige gevallen waarin de verhoudingsgetallen werkelijk zijn

waargenomen, de mannetjes in groote overmaat voorhanden te zijn. Zoo

zegt de heer R. Buist, de superintendent van de Stormontfieldsche

proeven, dat in 1865 van de 70 zalmen die het eerst aan land werden

gebracht met het doel er de kuit van te verkrijgen, meer dan 60

mannetjes waren. In 1867 „vestigt hij de aandacht nogmaals op de groote

wanverhouding tusschen de mannetjes en wijfjes. Wij hadden in den

aanvang ten minste tien mannetjes tegen één wijfje.” Later werden

genoeg wijfjes gevangen om kuit te verkrijgen. Hij voegt er bij:

„wegens het naar verhouding groot aantal mannetjes vechten en razen zij

voortdurend met elkander op de plaatsen waar kuit wordt geschoten.”

[599] Van deze wanverhouding kan men zich ongetwijfeld voor een deel

rekenschap geven, doordat de mannetjes vroeger de rivier opzwemmen dan

de wijfjes; maar of men haar daardoor geheel kan verklaren, is zeer

twijfelachtig. De heer F. Buckland merkt omtrent de forel op, „dat het

een merkwaardig feit is, dat de mannetjes zooveel talrijker zijn dan de

wijfjes.” Als de eerste visschen zich in het net verwarden, gebeurde

het zonder uitzondering, dat men minstens zeven of acht mannetjes tegen

één wijfje gevangen vond. Ik kan dit niet volkomen verklaren; òf de

mannetjes zijn talrijker dan de wijfjes, òf de laatste zoeken zich

liever te beveiligen door zich te verbergen, dan door te vluchten. Hij

voegt er daarna bij, dat men door zorgvuldig langs de oevers te zoeken

een voldoende aantal wijfjes kan vinden om kuit te verkrijgen. [600] De

heer H. Lee meldt mij, dat van 212 forellen met dit doel in Lord

Portsmouth’s park gevangen, 150 mannetjes en 62 wijfjes waren.

Bij de Karpervisschen (Cyprinidae) schijnen de mannetjes ook in

overmaat voorhanden te zijn; maar verscheidene leden van deze familie,

namelijk de karper, de zeelt, de brasem en Leuciscus phoxinus, schijnen

geregeld de in het dierenrijk zeldzame gewoonte van veelmannerij

(polyandrie) te volgen; want bij het kuitschieten wordt het wijfje

steeds door twee mannetjes vergezeld, één aan elke zijde, en in het

geval van den brasem door drie of vier mannetjes. Dit feit is zoo wel

bekend, dat altijd wordt aanbevolen, bij het bevolken van een vijver

twee mannelijke zeelten op één wijfje of ten minste drie mannelijke

zeelten op twee wijfjes te nemen. Van Leuciscus phoxinus getuigt een

uitnemend waarnemer, dat op de plaatsen waar kuit wordt geschoten, de

mannetjes tienmaal zoo talrijk zijn als de wijfjes; als een wijfje

onder de mannetjes komt, dringt onmiddellijk aan elke zijde een

mannetje dicht op haar; en als deze een tijd lang in die positie zijn

geweest, worden zij door een paar andere mannetjes vervangen. [601]

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2) · 第 98 / 111 题