VOGELS.

Omtrent Hoenders heb ik slechts ééne opgaaf ontvangen, namelijk dat van

1001 kuikens van een aan sterke familieparing onderworpen familie

Cochinchina-hoenders, gedurende acht jaren door den heer Stretch

opgekweekt, 487 hanen en 514 hennen bleken te zijn, zoodat de

verhouding 94.7 tot 100 was. Omtrent tamme Duiven bestaan er goede

bewijzen, dat er mannetjes in overmaat worden geboren, of dat zij

langer leven; want deze vogels leven zonder uitzondering paarsgewijze,

en afzonderlijke mannetjes kunnen, naar de heer Tegetmeier mij meldt,

altijd goedkooper worden gekocht dan wijfjes. Gewoonlijk bestaan de

beide vogels, opgekweekt uit de twee in het zelfde nest gelegde eieren,

uit een mannetje en een wijfje; doch de heer Harrison Weir, die zulk

een groot duivenfokker was, zegt, dat hij dikwijls twee doffers heeft

opgekweekt uit het zelfde nest, en zelden twee vrouwelijke duiven;

daarenboven is het wijfje de zwakste van de twee, en aan grootere

sterfte onderhevig.

Wat Vogels in den natuurstaat aangaat, zijn de heer Gould en anderen

[590] overtuigd, dat de mannetjes over het algemeen het talrijkst zijn;

en daar de jonge mannetjes van vele soorten op de wijfjes gelijken,

zouden deze laatste natuurlijk het talrijkst schijnen. Een groot aantal

Fazanten worden door den heer Baker van Leadenhall aangekweekt uit door

wilde vogels gelegde eieren, en hij meldt den heer Jenner Weir, dat er

gewoonlijk vier of vijf hanen tegen ééne hen worden voortgebracht. Een

ondervindingrijk waarnemer merkt op [591], dat in Scandinavië de

broedsels van het Auerhoen en het Korhoen meer hanen dan hennen

bevatten; en dat bij de „Dal-ripa” (een soort van Sneeuwhoen) (7) meer

hanen dan hennen op de „lek” of plaatsen waar zij elkander het hof

maken, tegenwoordig zijn; maar deze laatste omstandigheid wordt door

sommige waarnemers verklaard doordat een grooter aantal hennen door het

ongedierte worden gedood. Uit verschillende door White van Seborne

[592] medegedeelde feiten schijnt het duidelijk, dat in het zuiden van

Engeland bij de Patrijzen een groote overmaat van mannetjes moet

bestaan; en men heeft mij verzekerd, dat dit ook in Schotland het geval

was. Toen de heer Weir onderzoek deed bij de kooplieden, die in zekere

tijden van het jaar een groot aantal Kemphanen (Machetes pugnax)

ontvangen, verhaalde men hem, dat de mannetjes verreweg het talrijkst

zijn. De zelfde natuuronderzoeker heeft ook voor mij een onderzoek

ingesteld bij de vogelvangers, die jaarlijks een verbazend groot aantal

verschillende kleine vogels levend vangen voor de Londensche markt, en

een oud en geloofwaardig man antwoordde hem zonder aarzeling, dat er

bij den gewonen Vink een groote overmaat van mannetjes bestond; hij

dacht, dat er wel 2 mannetjes tegen 1 wijfje, of minstens 5 mannetjes

tegen drie wijfjes waren. [593] Ook bij de Merel of Zwarte Lijster

beweerde hij, dat de mannetjes verreweg het talrijkst waren, als men ze

met strikken of des nachts met netten ving. Deze getuigenissen

verdienen blijkbaar vertrouwen, daar de zelfde man zeide, dat de seksen

ongeveer even talrijk zijn bij den Leeuwerik, het Barmsijsje (Linaria

montana) en den Distelvink. Hij is daarentegen zeker, dat er bij het

gewone Kneutje een groote overmaat van wijfjes is, ofschoon ongelijk in

verschillende jaren; in eenige jaren heeft hij gevonden, dat de wijfjes

tot de mannetjes stonden als vier tot een. Men bedenke echter steeds,

dat het voornaamste jaargetijde om vogels te vangen niet voor September

begint, zoodat bij sommige soorten gedeeltelijke verhuizingen kunnen

zijn begonnen, en de vluchten op dien tijd dikwijls alleen uit wijfjes

bestaan. De heer Salvin vestigde zijn aandacht bijzonder op de sekse

van de Kolibri’s in Midden-Amerika, en hij is overtuigd, dat er bij de

meeste soorten een overmaat van mannetjes is; zoo verschafte hij zich

in één jaar 204 voorwerpen, tot 10 soorten behoorende, en daarvan waren

166 mannetjes en 38 wijfjes. Bij twee andere soorten was er een

overmaat van wijfjes, doch de verhoudingen wisselden blijkbaar af;

hetzij in verschillende jaargetijden of op verschillende plaatsen; want

bij ééne gelegenheid stonden de mannetjes van Campylopterus

hemileucurus tot de wijfjes als vijf tot twee, en bij een andere

gelegenheid [594] was de verhouding juist omgekeerd. In verband met dit

laatste punt kan ik er bijvoegen, dat de heer Powys bevond dat op Corfu

en in Epirus de beide seksen van den vink afzonderlijk leven, „en de

wijfjes verreweg het talrijkst zijn”; terwijl de heer Tristram bevond,

dat in Palaestina „de vluchten mannelijke vinken die van vrouwelijke

verreweg in aantal schijnen te overtreffen.” [595] Evenzoo zegt de heer

G. Taylor [596] omtrent Quiscalus major, dat er in Florida „zeer weinig

wijfjes waren, in verhouding tot de mannetjes”, terwijl in Honduras de

verhouding omgekeerd was, en de soort daar in veelwijverij (polygamie)

leefde.

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2) · 第 97 / 111 题