WETTEN DER ERFELIJKHEID.

Om te begrijpen hoe de seksueele teeltkeus gewerkt en in den loop der

eeuwen in het oog loopende uitwerkselen op vele dieren van vele klassen

heeft gehad, is het noodzakelijk, dat men zich steeds de wetten der

erfelijkheid, voor zoover die bekend zijn, herinnert. Onder de

uitdrukking „erfelijkheid” worden hier twee elementen omvat, namelijk

de overplanting en de ontwikkeling van kenmerken, maar daar deze

gewoonlijk te zamen gaan, wordt het onderscheid er tusschen dikwijls

over het hoofd gezien. Wij zien dat onderscheid bij die kenmerken welke

door de vroegste levensjaren heên worden overgeplant, maar zich slechts

ontwikkelen op volwassen leeftijd of gedurende den ouderdom. Wij zien

het zelfde onderscheid duidelijker bij secundaire seksueele kenmerken;

want deze worden door beide seksen heên overgeplant, hoewel zij slechts

bij de eene zijn ontwikkeld. Dat zij bij beide seksen aanwezig zijn,

blijkt, wanneer twee soorten die sterk uitgesproken seksueele kenmerken

bezitten, worden gekruist; want elk plant de kenmerken van zijn eigen

mannetje en wijfje over op het bastaardkroost van de zelfde sekse. Het

zelfde feit is eveneens duidelijk als kenmerken die aan het mannetje

eigen zijn, nu en dan bij het wijfje tot ontwikkeling komen, wanneer

dit oud of ziek wordt. Evenzoo komen nu en dan kenmerken voor, alsof

zij van het mannetje op het wijfje overgeplant waren, zooals bij

voorbeeld bij sommige hoenderrassen, bij welke geregeld sporen bij de

jonge en gezonde wijfjes voorkomen; maar in waarheid zijn zij dan

eenvoudig bij het wijfje tot ontwikkeling gekomen; want bij elk ras

wordt elke bijzonderheid in het maaksel van de spoor door het wijfje op

haar mannelijke nakomelingen overgeplant. In alle gevallen van atavisme

worden kenmerken overgeplant door twee, drie of vele generaties heên en

komen daarna onder zekere onbekende gunstige omstandigheden tot

ontwikkeling. Dit belangrijk onderscheid tusschen overplanting en

ontwikkeling zal het gemakkelijkst worden onthouden met behulp van de

hypothese der pangenesis, hetzij die al of niet als waar wordt

aangenomen. Volgens deze hypothese werpt elke eenheid of cel van het

lichaam kiemen of onontwikkelde atomen af, die op de nakomelingen van

beide seksen worden overgeplant en zich door zelfverdeeling

vermenigvuldigen. Zij kunnen gedurende de vroegste levensjaren of

gedurende opeenvolgende generaties onontwikkeld blijven, daar hun

ontwikkeling tot eenheden of cellen, gelijk aan die waaruit zij

ontstonden, afhangt van hun verwantschap tot, en vereeniging met andere

eenheden of cellen, die zich te voren in de behoorlijke orde van groei

hebben ontwikkeld.

Overerving op overeenkomstige Levenstijdperken.—De neiging hiertoe is

goed bewezen. Als een nieuw kenmerk bij een dier verschijnt terwijl het

jong is, zal het, hetzij het levenslang blijft voortbestaan of slechts

een tijd lang in stand blijft, als algemeene regel op den zelfden

leeftijd en op de zelfde wijze bij de nakomelingen van het dier opnieuw

verschijnen. Indien daarentegen een nieuw kenmerk op volwassen leeftijd

of zelfs gedurende den ouderdom verschijnt, zal het bij de nakomelingen

op den zelfden gevorderden leeftijd opnieuw verschijnen. Wanneer

afwijkingen van dezen regel voorkomen, zullen de overgeplante kenmerken

veel veelvuldiger verschijnen vóór, dan na den overeenkomstigen

leeftijd. Daar ik dit onderwerp in een ander werk [561] uitvoerig

genoeg heb besproken, zal ik hier slechts een of twee voorbeelden

geven, om de zaak in het geheugen van den lezer terug te roepen. Bij

verscheidene Hoenderrassen verschillen de kuikens terwijl zij nog met

dons zijn bedekt, de jonge vogels in hun eerste ware gevederte en in

het gevederte dat zij op volwassen leeftijd bezitten, zeer sterk van

elkander en ook van hun gemeenschappelijken stamvorm, den Gallus

bankiva; en deze kenmerken worden door elk ras getrouw op hun

nakomelingen in het overeenkomstige levenstijdperk overgeplant. De

kuikens van de Hamburger Pellen hebben, bij voorbeeld, terwijl zij nog

met dons zijn bedekt, eenige weinige donkere vlekken op kop en romp,

maar zijn niet overlangs gestreept, zooals vele andere rassen; in hun

eerste ware gevederte „zijn zij fraai gepenseeld”, dat is, elke veder

is geteekend met talrijke donkere dwarsstrepen; in hun tweede gevederte

echter vertoonen alle vederen aan de punt een ronde donkere vlek. [562]

Er hebben zich bij dit ras op drie verschillende leeftijden variaties

voorgedaan en zijn op die zelfde leeftijden overgeplant. De Duif biedt

een merkwaardiger geval aan, daar de oorspronkelijke stamsoort bij het

klimmen harer jaren volstrekt geen verandering in haar gevederte

ondergaat, behalve dat op volwassen leeftijd de borst meer iriseerend

wordt, en er toch rassen zijn, die hun kenmerkende kleuren niet

verkrijgen, voor zij twee-, drie- of viermaai hebben geruid; en deze

wijzigingen van het gevederte worden geregeld overgeplant.

Overerving op overeenkomstige Tijden van het Jaar.—Bij dieren in den

natuurstaat komen tallooze voorbeelden voor van kenmerken die periodiek

op verschillende tijden van het jaar verschijnen. Wij zien dit aan de

horens van het hert en aan den pels der pooldieren, die gedurende den

winter dik en wit wordt. Talrijke vogels krijgen alleen gedurende den

paartijd levendige kleuren en andere versierselen. Ik kan op dezen vorm

van erfelijkheid slechts weinig licht werpen door bij tamme dieren

waargenomen feiten. Pallas [563] vermeldt, dat in Siberië het hoornvee

en de paarden gedurende den winter periodiek lichter worden gekleurd en

ik heb een dergelijke merkbare kleurverandering waargenomen bij zekere

hitten in Engeland. Hoewel ik niet weet of deze neiging om gedurende

verschillende tijden van het jaar een verschillende kleur van haar aan

te nemen, erfelijk is, is dit toch waarschijnlijk; want alle

verschillen van kleur zijn bij het paard in hooge mate erfelijk. Deze

vorm van overerving, die tot één jaargetijde is beperkt, is daarenboven

niet merkwaardiger dan overerving die tot een zekeren leeftijd of sekse

is beperkt.

Beperking der Overerving door de Sekse.—De gelijke overplanting van

kenmerken op beide seksen is de meest gewone vorm van erfelijkheid, ten

minste bij die dieren welke geen sterk uitgedrukte seksueele

verschillen vertoonen, en inderdaad ook bij vele andere. Niet zelden

echter worden kenmerken uitsluitend overgebracht op die sekse bij welke

zij het eerst ontstonden. Tal van bewijzen hiervoor zijn opgesomd in

mijn werk „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”; ik wil er

hier echter eenige weinige voorbeelden van geven. Er zijn rassen van

schapen of geiten, bij welke de horens van het mannetje in gedaante

sterk afwijken van die van het wijfje; en deze gedurende de temming

verkregen verschillen worden geregeld op de zelfde sekse overgeplant.

Bij driekleurige katten zijn, als algemeene regel, slechts de wijfjes

aldus gekleurd, terwijl de katers roestbruin zijn. Bij de meeste

hoenderrassen worden de aan elke sekse eigen kenmerken alleen op die

zelfde sekse overgeplant. Zoo algemeen is deze vorm van overplanting,

dat het een anomalie is, wanneer wij bij sommige rassen afwijkingen

gelijkelijk op beide seksen zien overgaan. Er zijn ook zekere

onder-rassen van hoenders, bij welke de mannetjes nauwelijks van

elkander kunnen worden onderscheiden, terwijl de wijfjes aanmerkelijk

in kleur verschillen. Bij de duif verschillen de seksen van de

stamsoort in geen enkel uitwendig kenmerk; desniettemin is bij sommige

tamme rassen het mannetje anders gekleurd dan het wijfje. [564] De

wrattige huid van den Engelschen Carrier en de krop van den kropper

zijn bij het mannetje hooger ontwikkeld dan bij het wijfje, en hoewel

deze kenmerken door lang voortgezette teeltkeus van den mensch zijn

verkregen, is het verschil tusschen de seksen geheel te danken aan den

vorm van erfelijkheid, die de overhand heeft behouden; want het is

ontstaan, niet volgens, maar eer in tegenspraak met de begeerte van den

fokker.

De meeste onzer tamme rassen zijn gevormd door de opeenhooping van vele

kleine variaties; en daar sommige achtereenvolgende wijzigingen alleen

op ééne sekse zijn overgeplant en andere op beide seksen, vinden wij

onder verschillende rassen van een zelfde soort alle overgangen

tusschen groote seksueele ongelijkheid en volkomen gelijkheid. Hiervan

zijn reeds voorbeelden gegeven bij de rassen van hoenders en duiven, en

in den natuurstaat komen overeenkomstige gevallen dikwijls voor. Bij

tamme dieren (maar, of dit ook in den natuurstaat wel plaats grijpt,

durf ik niet zeggen) kan de eene sekse de haar eigen kenmerken

verliezen en daardoor tot op zekere hoogte op de andere sekse gaan

gelijken; zoo hebben, bij voorbeeld, de mannetjes van sommige

hoenderrassen hun hanenvederen en kammen verloren. Omgekeerd kunnen ook

de verschillen tusschen de seksen in tammen staat worden vermeerderd,

zooals bij het merino-schaap, bij hetwelk de ooien haar horens hebben

verloren. Verder kunnen kenmerken die aan de eene sekse eigen zijn,

plotseling bij de andere verschijnen, gelijk bij die onder-rassen van

hoenders, bij welke de hennen, terwijl ze jong zijn, sporen verkrijgen,

of zooals bij sommige onder-rassen van Kuifhoenders, bij welke de

wijfjes, gelijk er reden is om te gelooven, oorspronkelijk een kam

verkregen en dien daarna op de mannetjes overbrachten. Al deze gevallen

kunnen worden begrepen door de hypothese der pangenesis; want zij zijn

daarvan afhankelijk, dat de kiemen van zekere eenheden (cellen) van het

lichaam door den invloed der temming bij de eene sekse slapend (latent)

worden; of, wanneer zij gewoonlijk slapend (latent) zijn, tot

ontwikkeling komen.

Er is ééne moeielijke vraag die het gepast zal zijn tot een volgend

hoofdstuk uit te stellen; namelijk, of een kenmerk dat eerst bij beide

seksen was ontwikkeld, door teeltkeus in zijn ontwikkeling alleen tot

ééne sekse kan worden beperkt. Indien bij voorbeeld een duivenfokker

opmerkte, dat sommige van zijn duiven (bij welke soort de kenmerken

gewoonlijk in gelijke mate op beide seksen worden overgeplant) door een

bleekblauwe kleur van de overige afweken, zou hij dan door lang

voortgezette teeltkeus een ras kunnen vormen, bij hetwelk alleen de

mannetjes die kleur vertoonden, terwijl de wijfjes onveranderd bleven?

Ik zal hier alleen zeggen, dat dit, hoewel misschien niet onmogelijk,

uiterst moeielijk zou zijn; want het natuurlijk gevolg van het fokken

uit bleekblauwe mannetjes zou wezen om den geheelen stam, de eene sekse

zoowel als de andere, die kleur te doen verkrijgen. Als zich echter

variaties vertoonden, die de vereischte kleur bezaten, en deze van den

beginne af in haar ontwikkeling tot de mannelijke sekse waren beperkt,

zou het in het minst niet moeielijk zijn om een ras te vormen, dat door

de verschillende kleur der beide seksen was gekenmerkt, zooals

inderdaad is geschied met een Belgisch ras, bij hetwelk alleen de

mannetjes zwarte strepen vertoonen. Op dergelijke wijze zou het, indien

zich de eene of andere variatie voordeed in een vrouwelijke duif, die

van den beginne af in haar ontwikkeling tot die sekse was beperkt,

gemakkelijk zijn om een ras te vormen, bij hetwelk alleen de wijfjes

dat kenmerk vertoonden; maar als de variatie oorspronkelijk niet op die

wijze was beperkt, zou zulks een zeer moeielijk, wellicht onmogelijk

werk zijn. [565]

Over de Betrekking tusschen het tijdperk van Ontwikkeling van een

Kenmerk en de overplanting daarvan op ééne sekse of op beide

seksen.—Waarom zekere kenmerken door beide seksen en andere kenmerken

slechts door ééne sekse worden overgeërfd, namelijk door die sekse bij

welke het kenmerk het eerst verscheen, is in de meeste gevallen

volkomen onbekend. Wij kunnen zelfs niet gissen, waarom bij zekere

onder-rassen van duiven zwarte strepen, hoewel zij door het wijfje heên

worden overgeplant, alleen bij het mannetje tot ontwikkeling komen,

terwijl elk ander kenmerk in gelijke mate op beide seksen wordt

overgebracht. Evenmin, waarom bij katten de driekleurigheid, op

zeldzame uitzonderingen na, alleen bij het wijfje tot ontwikkeling

komt. Geheel de zelfde kenmerken, zooals ontbrekende of overtallige

vingers, kleurenblindheid enz., kunnen bij den mensch in de eene

familie alleen door de mannen, en in de andere familie alleen door de

vrouwen worden overgeërfd, hoewel zij in beide gevallen even goed door

de tegenovergestelde als door de zelfde sekse op haar nakomelingen

worden overgebracht. [566] Hoewel wij derhalve onwetend zijn, gaan twee

regels door, namelijk dat variaties die zich bij ééne der beide seksen

eerst op een laat levenstijdperk vertoonen, een neiging bezitten om

alleen bij die zelfde sekse tot ontwikkeling te komen, terwijl

variaties die reeds vroeg in het leven bij ééne der beide seksen voor

het eerst verschijnen, een neiging bezitten om bij beide seksen tot

ontwikkeling te komen. Ik ben echter ver van te onderstellen, dat dit

de eenige bepalende oorzaak is. Daar ik elders dit onderwerp nog niet

heb besproken, en het een belangrijke beteekenis heeft voor de

seksueele teeltkeus, moet ik hier in tamelijk uitvoerige en eenigszins

ingewikkelde bijzonderheden treden.

Het is op zich zelf waarschijnlijk, dat een op vroegen leeftijd

verschijnend kenmerk een neiging moet hebben om door beide seksen

gelijkelijk te worden overgeërfd; want de seksen verschillen niet veel

in gestel, voordat zij het vermogen om zich voort te planten hebben

verkregen. Aan den anderen kant zullen, nadat dit vermogen is

verkregen, en de seksen er toe zijn gekomen om in gestel te

verschillen, de kiemen (als ik nogmaals de taal der pangenesis mag

spreken) die door elk afwijkend deel bij de eene sekse worden

afgeworpen, wel veel meer de geschikte verwantschappen bezitten om zich

met de weefsels der zelfde sekse te vereenigen en zoo tot ontwikkeling

te komen, dan om zich met die van de tegenovergestelde sekse te

vereenigen.

Ik werd er het eerst toe gebracht om te vermoeden, dat er een

betrekking van dezen aard bestaat, door het feit, dat wanneer ook en op

welke wijze ook het volwassen mannetje er toe is gekomen om van het

volwassen wijfje te verschillen, het op de zelfde wijze van de jongen

van beide seksen verschilt. De algemeenheid van dit feit is zeer

opmerkelijk; het gaat door bij alle Zoogdieren, Vogels, Amphibieën en

Visschen, ook bij vele Schaaldieren (Crustacea), Spinnen en bij eenige

weinige Insekten, namelijk bij sommige Rechtvleugeligen (Orthophtera)

en Waternimfen (Libellulae). In al deze gevallen moeten de variaties,

door de opeenhooping waarvan het mannetje de hem eigen mannelijke

kenmerken heeft verkregen, zich hebben vertoond in een eenigszins laat

levenstijdperk; anders zouden de jonge mannetjes gelijksoortige

kenmerken hebben verkregen; en overeenkomstig onzen regel worden zij

alleen overgeplant op en ontwikkeld bij de volkomen mannetjes. Als

daarentegen het volwassen mannetje veel op de jongen van beide seksen

gelijkt (deze laatste komen op zeldzame uitzonderingen na met elkander

overeen), gelijkt het over het algemeen ook op het volwassen wijfje; en

in de meeste van deze gevallen ontstonden de variaties door welke de

jongen en ouden hun tegenwoordige kenmerken verkregen, waarschijnlijk

overeenkomstig onzen regel gedurende de jeugd. Er bestaat hier echter

reden van twijfel, daar somtijds kenmerken op de jongen worden

overgeplant op vroegeren leeftijd dan dien waarop zij zich het eerst

bij de ouders vertoonden, zoodat de ouders wellicht zijn afgeweken toen

zij volwassen waren, en hun kenmerken op hun kroost hebben overgeplant

toen dat nog jong was. Er zijn daarenboven vele dieren bij welke de

twee seksen sterk op elkander gelijken en beide toch van de jongen

verschillen; hier moeten de kenmerken der volwassenen op lateren

leeftijd zijn verkregen, en toch worden deze kenmerken, schijnbaar in

tegenspraak met onzen regel, op beide seksen overgeplant. Wij moeten

echter de mogelijkheid of zelfs de waarschijnlijkheid niet voorbijzien,

dat opeenvolgende variaties van den zelfden aard bij blootstelling aan

gelijksoortige voorwaarden zich bij beide seksen tegelijkertijd

vertoonden in een vrij laat levenstijdperk; en in dit geval zouden de

variaties op de jongen van beiderlei seksen worden overgeplant in een

overeenkomstig laat levenstijdperk, en zou er geen wezenlijke

tegenspraak bestaan met onzen regel, dat variaties die zich in een laat

levenstijdperk vertoonen, uitsluitend worden overgeplant op de sekse

bij welke zij het eerst verschenen. Deze laatste regel schijnt meer

algemeen door te gaan dan de tweede regel, namelijk dat variaties die

zich bij ééne der beide seksen in een vroeg levenstijdperk vertoonen,

een neiging bezitten om op beide seksen te worden overgeplant. Daar het

klaarblijkelijk onmogelijk was, zelfs bij schatting te bepalen, in hoe

groot een aantal gevallen deze beide regels door het geheele dierenrijk

heên doorgaan, kwam het mij in den zin eenige treffende of beslissende

voorbeelden te onderzoeken, en mij op den uitslag te verlaten.

Een uitnemend geval voor het onderzoek wordt opgeleverd door de familie

der Herten. Bij alle soorten, ééne enkele uitgezonderd, zijn de horens

alleen bij het mannetje ontwikkeld, hoewel zeker door het wijfje heên

overgeplant, en vatbaar om nu en dan abnormaal bij haar te worden

ontwikkeld. Bij het rendier daarentegen is het wijfje van horens

voorzien, zoodat bij deze soort volgens onzen regel de horens vroeg in

het leven behooren te verschijnen, lang voor de seksen volwassen

geworden en er toe gekomen zijn om veel in gestel van elkander te

verschillen. Bij alle andere soorten van herten behooren de horens in

een laat levenstijdperk te verschijnen, hetgeen er toe leidt, dat zij

alleen tot ontwikkeling komen bij die sekse bij welke zij onder de

voorouders der geheele familie het eerst verschenen. Bij zeven soorten

nu, tot verschillende afdeelingen van de familie behoorende en

verschillende landen bewonende, vind ik, dat de horens het eerst

verschijnen op tijdperken, afwisselende van negen maanden na de

geboorte bij den reebok tot tien of twaalf of zelfs meer maanden bij de

herten van de zes andere grootere soorten. [567] Bij het rendier echter

is het een geheel ander geval; want, naar ik van Prof. Nilsson hoor,

die zoo vriendelijk was voor mij een bijzonder onderzoek in Lapland in

te stellen, verschijnen de horens bij de jonge dieren binnen vier of

vijf weken na de geboorte en tegelijkertijd bij beide seksen. Wij

hebben hier dus een deel, dat bij een enkele soort der familie op een

buitengewoon vroegen leeftijd tot ontwikkeling komt, en ook alleen bij

die ééne soort aan beide seksen gemeen is.

Bij verscheidene soorten van Antilopen zijn alleen de mannetjes van

horens voorzien, terwijl bij de meeste beide seksen horens hebben. Ten

opzichte van het tijdperk van ontwikkeling meldt mij de heer Blyth, dat

er in den Londenschen dierentuin tegelijkertijd een jonge koedoe

(Antilope strepsiceros), bij welke soort alleen de mannetjes gehorend

zijn, en de jongen van een verwante soort leefden, namelijk van de

eland-antilope (Ant. oreas), bij welke beide seksen gehorend zijn. In

volkomen overeenstemming met onzen regel nu, waren bij den jongen

mannelijken koedoe, hoewel hij reeds tien maanden oud was, de horens

opmerkelijk klein, in vergelijking met de grootte die zij ten laatste

bereiken; terwijl bij den jongen mannelijken eland, hoewel nog slechts

drie maanden oud, de horens reeds veel grooter dan bij den koedoe

waren. Het is ook opmerkenswaardig, dat bij de antilope met gevorkte

horens [568], bij welke soort de horens, hoewel bij beide seksen

aanwezig, bij het wijfje bijna rudimentair zijn, zij niet verschijnen

voor vijf of zes maanden na de geboorte. Bij de schapen, de geiten en

het hoornvee, waarbij de horens, bij beide seksen goed ontwikkeld,

hoewel niet volkomen even groot zijn, kan men ze bij de geboorte of

spoedig daarna voelen of zelfs zien. [569] Onze regel gaat echter mank

bij sommige onder-rassen van schapen, b.v. merino’s, bij welke alleen

de mannetjes gehorend zijn; want na onderzoek [570] kan ik niet

bevinden, dat de horens bij dit ras in een later tijdperk van het leven

tot ontwikkeling komen dan bij gewone schapen, bij welke beide seksen

gehorend zijn. Bij het tamme schaap is echter de aanwezigheid of

afwezigheid van horens geen zeer standvastig kenmerk, daar een zeker

aantal ooien van merino-schapen kleine horens dragen en enkele rammen

ongehorend zijn, terwijl bij gewone schapen nu en dan ongehorende ooien

worden voortgebracht. (3)

Dr. W. Marshall heeft voor eenige jaren een bijzondere studie gemaakt

van de uitwassen die op de koppen van vogels zoo algemeen zijn [571],

en hij komt tot het volgende besluit: bij die soorten waarbij zij tot

de mannetjes beperkt zijn, komen zij laat in het leven tot

ontwikkeling, terwijl zij bij die soorten bij welke zij aan beide

seksen gemeen zijn, op zeer jeugdigen leeftijd tot ontwikkeling komen.

Dit is zeker een treffende bevestiging van mijn beide wetten der

erfelijkheid.

Bij de meeste soorten van de prachtige familie der Fazanten verschillen

de mannetjes in het oog vallend van de wijfjes en verkrijgen zij hun

versierselen in een vrij laat tijdperk van het leven. De geoorde fazant

(Crossoptilon auritum) maakt hierop echter een merkwaardige

uitzondering, want beide seksen bezitten de schoone staartvederen, de

groote vederbossen op de ooren en het fluweelachtige karmozijn op den

kop; en ik bevind na onderzoek in den Londenschen dierentuin, dat al

deze kenmerken zich, overeenkomstig onzen regel, zeer vroeg in het

leven vertoonen. Het volwassen mannetje kan echter door één kenmerk van

het volwassen wijfje worden onderscheiden, namelijk door de

aanwezigheid van sporen en overeenkomstig onzen regel beginnen deze

zich, naar de heer Bartlett mij mededeelt, niet te ontwikkelen voor den

leeftijd van zes maanden, en zelfs op dien leeftijd kan men te dien

opzichte nauwelijks onderscheid tusschen de beide seksen zien. [572] De

pauw en de pauwin verschillen in het oog loopend van elkander in bijna

elk deel van hun gevederte, behalve in de sierlijke kuif, die aan beide

seksen gemeen is; en deze ontwikkelt zich op zeer jongen leeftijd, lang

voor de andere versierselen, die tot het mannetje zijn beperkt. De

wilde eend levert een overeenkomstig geval op; want de fraaie, groene

spiegelvlek op de vleugels is aan beide seksen gemeen, hoewel zij bij

het wijfje doffer en iets kleiner is, en zij ontwikkelt zich op jongen

leeftijd, terwijl de gekrulde staartvederen en andere blonder aan het

mannetje eigen versierselen zich later ontwikkelen. [573] Men zou vele

gevallen kunnen opnoemen, die tusschen de beide uitersten van groote

overeenkomst en sterke ongelijkheid van de seksen, zooals die van den

geoorden fazant en den pauw, inliggen, en in welke de kenmerken in de

orde van hun ontwikkeling onze beide regels volgen.

Daar de meeste Insekten in volwassen toestand uit de pop te voorschijn

komen, is het twijfelachtig of het tijdperk van ontwikkeling de

overplanting hunner kenmerken op ééne of op beide seksen bepaalt. Wij

weten echter niet, of, bij voorbeeld, de gekleurde schubben van twee

soorten van kapellen, bij de eene waarvan de seksen in kleur

verschillen, terwijl zij bij de andere gelijk gekleurd zijn, op den

zelfden betrekkelijken leeftijd in de pop worden gevormd. Wij weten ook

niet, of al de schubben zich tegelijkertijd ontwikkelen op de vleugels

van de zelfde soort van kapel, bij welke zekere gekleurde teekeningen

tot de eene sekse beperkt, en andere teekeningen aan beide seksen

gemeen zijn. Een verschil van dezen aard in het tijdperk van

ontwikkeling is niet zoo onwaarschijnlijk als het op het eerste gezicht

wel schijnt; want bij de Rechtvleugeligen (Orthoptera) die zich tot

volkomen insekten ontwikkelen, niet door een enkele

gedaanteverwisseling, maar door opeenvolgende vervellingen, gelijken de

jonge mannetjes van eenige soorten eerst op de wijfjes en verkrijgen

hun onderscheidende mannelijke kenmerken eerst bij een latere

vervelling. Volkomen overeenkomstige gevallen komen voor gedurende de

opeenvolgende vervellingen van zekere mannelijke Schaaldieren

(Crustacea).

Wij hebben tot dusverre de overplanting van kenmerken, met betrekking

tot het tijdperk hunner ontwikkeling, alleen beschouwd hij soorten in

den natuurstaat; wij zullen nu tot tamme dieren overgaan en eerst

monstruositeiten en ziekten beschouwen. De aanwezigheid van overtallige

vingers en het ontbreken van zekere kootjes moet in een vroeg

embryonaal tijdperk worden bepaald—de neiging tot overmatige bloeding

is op zijn minst aangeboren (congenitaal) en evenzoo is het

waarschijnlijk met kleurenblindheid,—toch zijn deze en andere

dergelijke bijzonderheden dikwijls in haar overplanting tot ééne sekse

beperkt, zoodat de regel, dat kenmerken die zich op een vroeg tijdperk

ontwikkelen, neiging bezitten om op beide seksen te worden overgeplant,

hier volstrekt niet doorgaat. Deze regel schijnt echter, gelijk vroeger

is opgemerkt, lang zoo algemeen niet steek te houden als de omgekeerde

stelling, namelijk dat kenmerken die zich bij ééne sekse laat in het

leven vertoonen, in hun overplanting tot die zelfde sekse zijn beperkt.

Uit het feit, dat de bovengenoemde abnormale bijzonderheden zich

uitsluitend bij ééne sekse vertoonen, lang voor de seksueele functies

in werking treden, mogen wij afleiden dat er op uiterst jeugdigen

leeftijd reeds een zekere mate van verschil tusschen de seksen moet

bestaan. Ten opzichte van tot ééne sekse beperkte ziekten weten wij te

weinig van het tijdperk waarop zij ontstaan, om daaruit met eenige

zekerheid gevolgtrekkingen te kunnen maken. De jicht schijnt echter aan

onzen regel te gehoorzamen; want zij wordt gewoonlijk veroorzaakt door

onmatigheid na de vroege jeugd en wordt door den vader op veel sterker

uitgedrukte wijze op zijn zonen dan op zijn dochters overgeplant.

Bij de verschillende tamme rassen van schapen, geiten en hoornvee

verschillen de mannetjes van hun respectieve wijfjes in den vorm of de

ontwikkeling van hun horens, voorhoofd, manen, kossem, staart en bult

op de schouders; en deze bijzonderheden ontwikkelen zich overeenkomstig

onzen regel eerst vrij laat in het leven. Bij honden verschillen de

seksen niet, behalve dat bij sommige rassen, vooral bij den Schotschen

hertenhond, het mannetje veel grooter en zwaarder dan het wijfje is;

en, zooals wij in een volgend hoofdstuk zullen zien, begint het

mannetje in een ongewoon laat tijdperk van het leven in grootte toe te

nemen, hetgeen, overeenkomstig onzen regel, verklaart, waarom zijn

meerdere grootte alleen op zijn mannelijke nakomelingschap wordt

overgebracht. De driekleurigheid van het haar daarentegen, die tot de

vrouwelijke katten is beperkt, is bij de geboorte volkomen te

onderscheiden, en dit geval strijdt met onzen regel. Er is een

duivenras waarbij alleen de mannetjes zwarte strepen vertoonen, en die

strepen kan men zelfs al opmerken bij de pasgeboren jongen; maar zij

worden bij elke opeenvolgende ruiing duidelijker, zoodat dit

gedeeltelijk in tegenspraak en gedeeltelijk in overeenstemming met

onzen regel is. Bij den Engelschen Carrier en Kropper heeft de volkomen

ontwikkeling van de wrattige huid en den krop vrij laat in het leven

plaats, en deze kenmerken worden, overeenkomstig onzen regel, in

volkomen ontwikkelden toestand alleen op de mannetjes overgeplant. De

volgende gevallen behooren wellicht tot de klasse, waarop vroeger is

gezinspeeld, bij welke beide seksen op de zelfde wijze hebben

gevarieerd in een vrij laat levenstijdperk, en bij gevolg hun nieuwe

kenmerken op beide seksen op een overeenkomstig laat tijdperk hebben

overgeplant; en wanneer dit zoo is, strijden dergelijke gevallen niet

met onzen regel. Zoo zijn er onder-rassen van duiven door Neumeister

beschreven [574], bij welke beide seksen van kleur veranderen na twee-

of driemaal te hebben geruid, zooals eveneens de Almond-Tuimelaar doet;

hoewel deze veranderingen vrij laat in het leven plaats hebben, zijn

zij toch aan beide seksen gemeen. Ééne variëteit van den kanarievogel,

namelijk de „London Prize”, levert een omtrent overeenkomstig geval op.

Bij de Hoenderrassen schijnt de overerving van verschillende kenmerken

door ééne sekse of door beide seksen over het algemeen te worden

bepaald door het tijdperk waarop die kenmerken zich ontwikkelden. Zoo

verschilt het volwassen mannetje bij al de vele rassen waarbij hij

sterk in kleur van het wijfje en van de volwassen mannelijke stamsoort

afwijkt, ook van het jonge mannetje, zoodat de nieuw verkregen

kenmerken op een vrij laat levenstijdperk moeten zijn verschenen. Bij

de meeste rassen daarentegen bij welke de seksen op elkander gelijken,

zijn de jongen op bijna de zelfde wijze gekleurd als hun ouders, en dit

maakt het waarschijnlijk, dat hun kenmerken zich de eerste maal op

jeugdigen leeftijd hebben vertoond. Wij hebben voorbeelden van dit feit

bij alle zwarte en witte rassen, bij welke de jongen en ouden van

beiderlei sekse op elkander gelijken; en men kan niet beweren, dat er

in een zwart of wit gevederte iets bijzonders is, dat tot de

overplanting daarvan op beide seksen aanleiding geeft; want van vele

natuurlijke soorten zijn alleen de mannetjes zwart of wit, terwijl de

wijfjes geheel anders zijn gekleurd. Bij de zoogenaamde koekoeksveêrige

onder-rassen van het hoen, waarbij de vederen met overdwarse zwarte

strepen geteekend zijn, zijn beide seksen en de kuikens op bijna de

zelfde wijze gekleurd. Het gegaloneerde gevederte van het Bantam-hoen

is het zelfde bij beide seksen, en bij de kuikens hebben de vederen

zwarte punten, hetgeen een groote toenadering tot galoneering vormt.

Hamburger Pellen maken echter een gedeeltelijke uitzondering; want de

beide seksen, hoewel niet geheel gelijk, gelijken veel meer op elkander

dan de seksen van de oorspronkelijke stamsoort; toch verkrijgen zij hun

eigenaardig gevederte laat in het leven, want de kuikens hebben

duidelijk overdwars gestreepte veêren. Laten wij thans tot andere

kenmerken dan de kleur overgaan; alleen de mannetjes van de wilde

stamsoort en van de meeste tamme rassen bezitten een redelijk wel

ontwikkelden kam; maar bij de jongen van het Spaansche hoen ontwikkelt

deze zich sterk op zeer jongen leeftijd, en klaarblijkelijk ten gevolge

daarvan is hij bij de volwassen wijfjes buitengewoon groot. Bij de

Vechthoenders ontwikkelt zich de strijdlustigheid op een verwonderlijk

jongen leeftijd, waarvan merkwaardige bewijzen kunnen worden gegeven;

en dit kenmerk wordt op beide seksen overgeplant, zoodat de hennen,

wegens haar bijzonder groote strijdlustigheid, tegenwoordig algemeen in

afgescheiden hokken ten toon worden gesteld. Bij de Kuifhoenders

ontwikkelt zich het beenige uitsteeksel op den schedel, dat de kuif

draagt, gedeeltelijk zelfs vóór de kuikens uit het ei zijn gekomen, en

de kuif zelve begint spoedig te groeien, hoewel in het eerst langzaam

[575]; en bij dit ras kenmerken een groote beenige knobbel op den

schedel en een ontzaglijke kuif de volwassenen van beiderlei sekse.

Wij mogen uit al, wat wij nu hebben gezien van de betrekking, die bij

vele natuurlijke soorten en tamme rassen bestaat tusschen het tijdperk

van de ontwikkeling hunner kenmerken en de wijze van overplanting

daarvan—bij voorbeeld het treffende feit van den vroegen groei der

horens van het rendier, bij hetwelk beide seksen horens hebben, in

vergelijking van hun veel later groei bij de andere soorten, bij welke

alleen het mannetje horens draagt—ten eerste besluiten, dat ééne

oorzaak, ofschoon niet de eenige, van het alleen door ééne sekse

overgeërfd worden van kenmerken de ontwikkeling dier kenmerken op laten

leeftijd is. En ten tweede, dat ééne, hoewel naar het schijnt minder

werkzame oorzaak van het door beide seksen overgeërfd worden van

kenmerken de ontwikkeling dier kenmerken op jongen leeftijd is, wanneer

de seksen slechts weinig in gestel verschillen. Het schijnt echter, dat

er zelfs eenig verschil tusschen de seksen moet bestaan gedurende een

vroeg tijdperk van het embryonale leven; want kenmerken, die zich in

dien tijd ontwikkelen, worden niet zelden tot ééne sekse beperkt.

Overzicht en Slotopmerkingen.—Uit de voorgaande bespreking van de

verschillende wetten van de erfelijkheid zien wij, dat kenmerken

dikwijls of zelfs algemeen een neiging hebben om zich te ontwikkelen

bij de zelfde sekse, op den zelfden leeftijd en periodiek in het zelfde

jaargetijde, waarbij, waarop of waarin zij zich het eerst bij de ouders

hebben vertoond. Deze wetten zijn echter, wegens onbekende oorzaken,

zeer onderhevig aan verandering. De opeenvolgende trappen in de

wijziging van een soort zouden daarom gemakkelijk langs verschillende

wegen kunnen worden overgeplant, doordat sommige dier trappen werden

overgeplant op ééne sekse en andere op beide; sommige op de jongen op

één leeftijd, en andere op alle leeftijden. Niet slechts de wetten der

erfelijkheid zijn uiterst ingewikkeld, maar eveneens ook de oorzaken

die de variabiliteit teweegbrengen en besturen. De aldus veroorzaakte

variaties worden bewaard en opeengehoopt door seksueele teeltkeus, die

op zich zelve al een uiterst ingewikkelde zaak is, daar zij afhangt van

de vurigheid in de liefde, van den moed en de mededinging der

mannetjes, en van de waarnemingsvermogens, den smaak en den wil van het

wijfje. De seksueele teeltkeus zal ook door de natuurlijke teeltkeus

worden beheerscht voor het algemeen welzijn van de soort. Het kan

daarom niet missen, of de wijze waarop elk der beide seksen of beide

worden aangedaan door de seksueele teeltkeus, moet in de hoogste mate

ingewikkeld zijn.

Als variaties zich bij ééne sekse laat in het leven vertoonen en bij de

zelfde sekse op den zelfden leeftijd worden overgeplant, blijven de

andere sekse en de jongen noodzakelijkerwijze onveranderd. Als zij zich

laat in het leven vertoonen, maar op beide seksen op den zelfden

leeftijd worden overgeplant, blijven alleen de jongen onveranderd.

Variaties kunnen zich echter op den eenen of anderen leeftijd bij ééne

sekse of bij beide vertoonen en op beide seksen op alle leeftijden

worden overgeplant, en dan zullen alle individu’s der soort op

gelijksoortige wijze worden gewijzigd. In de volgende hoofdstukken zal

men zien, dat al deze gevallen in de natuur veelvuldig voorkomen.

De seksueele teeltkeus kan nimmer op eenig dier werken, vóór het den

leeftijd heeft bereikt, waarop het in staat is zich voort te planten.

Wegens de groote vurigheid van het mannetje heeft zij over het algemeen

op die sekse en niet op de wijfjes gewerkt. De mannetjes zijn op die

wijze voorzien van wapenen om met hun medeminnaars te strijden, of met

organen om het wijfje te ontdekken en stevig vast te houden, of om haar

op te wekken en te bekoren. Als de seksen in deze opzichten

verschillen, is het ook, gelijk wij hebben gezien, een uiterst

algemeene wet, dat het volwassen mannetje in meerdere of mindere mate

van het jonge mannetje verschilt; en wij mogen uit dit feit besluiten,

dat de opeenvolgende variaties waardoor het volwassen mannetje is

gewijzigd, zich over het algemeen niet veel vroeger hebben vertoond dan

op den leeftijd waarop hij zich voortplant. Telkens, wanneer sommige of

vele der variaties zich op jeugdigen leeftijd hebben voorgedaan, zullen

de jonge mannetjes in meerdere of mindere mate deelen in de kenmerken

der volwassen mannetjes. Verschillen van deze soort tusschen de oude en

de jonge mannetjes kunnen dikwijls worden waargenomen, bij voorbeeld

bij vogels.

Het is waarschijnlijk, dat jonge mannelijke dieren dikwijls een neiging

hebben bezeten om te varieeren op een wijze, die hun niet alleen op

jongen leeftijd geen nut zou hebben aangebracht, maar werkelijk

schadelijk voor hen zou zijn geweest,—zooals in het verkrijgen van

levendige kleuren, die hen aan hun vijanden in het oog zouden hebben

doen vallen, of van deelen, zooals groote horens, die bij hun

ontwikkeling veel levenskracht zouden hebben verbruikt. Als variaties

van deze soort zich bij de jonge mannetjes voordeden, zullen zij bijna

zeker door de natuurlijke teeltkeus zijn geëlimineerd. Bij de volwassen

en ondervinding opgedaan hebbende mannetjes daarentegen zal het

voordeel, door de verkrijging van dergelijke kenmerken over hun

medeminnaars verworven, dikwijls meer dan opgewogen hebben tegen het

blootgesteld zijn aan een zekere mate van gevaar.

Daar variaties, overeenkomende met die welke aan het mannetje een

meerderheid gaven over andere mannetjes in het gevecht, of in het

vinden, vasthouden of bekoren van de andere sekse, als zij toevallig

bij het wijfje ontstonden, haar van geen dienst zouden zijn, zullen zij

bij deze sekse niet door seksueele teeltkeus bewaard zijn. Wij hebben

voldoende zekerheid, dat bij tamme dieren variaties van allerlei aard

spoedig door kruising en toevallige sterfgevallen verloren gaan, als

zij niet zorgvuldig voor de voortplanting worden uitgezocht. Derhalve

zouden variaties van de bovengemelde soort, als het gebeurde, dat zij

eens bij het wijfje voorkwamen, uiterst veel kans hebben om verloren te

gaan; en de wijfjes zouden, wat deze kenmerken aangaat, ongewijzigd

worden gelaten, behalve in zoover zij van de mannetjes door

overplanting werden verkregen. Indien de wijfjes varieerden en haar

nieuw verkregen kenmerken op haar jongen van beiderlei sekse

overbrachten, zouden ongetwijfeld de kenmerken die voor de mannetjes

voordeelig waren, door de seksueele teeltkeus worden bewaard, hoewel

zij den wijfjes zelf van geen nut waren. In dit geval zouden beide

seksen op de zelfde wijze worden gewijzigd. Ik zal echter later op deze

meer ingewikkelde mogelijke gevallen moeten terugkomen.

Variaties die zich laat in het leven vertoonden en slechts op ééne

sekse werden overgeplant, hebben onophoudelijk voordeel getrokken uit,

en zijn opeengehoopt door seksueele teeltkeus, in verband met de

voortplanting der soort; het schijnt daarom op het eerste gezicht een

onverklaarbaar feit, dat dergelijke variaties niet dikwijls zijn

opeengehoopt door natuurlijke teeltkeus, in verband met de gewone

levenswijze. Indien dit ware gebeurd, zouden de beide seksen dikwijls

verschillend zijn gewijzigd, met het doel b.v. om de prooi te vangen of

aan gevaar te ontsnappen. Wij hebben reeds gezien en zullen er hierna

andere voorbeelden van ontmoeten, dat er soms verschillen van deze

soort tusschen de beide seksen bestaan, voornamelijk bij de lagere

dieren, maar bij de hoogere klassen zijn zij zeldzaam. Wij moeten

echter steeds bedenken, dat bij de hoogere klassen de seksen over het

algemeen de zelfde levenswijze volgen; en onderstellende, dat alleen de

mannetjes varieerden op een wijze die hun vermogen om zich voedsel te

verschaffen enz. vermeerderde en dergelijke variaties alleen op hun

mannelijke nakomelingschap overplantten, zouden deze een organisatie

verkrijgen, voortreffelijker dan die der wijfjes; het is echter

waarschijnlijk, dat de wijfjes, daar zij het zelfde algemeen gestel

hadden en aan de zelfde voorwaarden waren blootgesteld, vroeger of

later op de zelfde wijze zouden varieeren; en zoodra dit gebeurde,

zouden de afwijkingen door de natuurlijke teeltkeus bij beide seksen

gelijkelijk bewaard blijven, zoodat zij aldus ten laatste aan elkander

gelijk zouden worden. Het geval is zeer verschillend bij variaties die

door de seksueele teeltkeus worden opeengehoopt; want de gewoonten der

beide seksen met betrekking tot de voortplantingsfuncties zijn niet de

zelfde, en seksueel overgeplante wijzigingen die voor de eene sekse

nuttig waren, zouden bij deze worden bewaard, terwijl gelijksoortige

wijzigingen volkomen nutteloos zouden zijn voor de andere sekse en bij

deze laatste bijgevolg spoedig verloren zouden gaan.

In de volgende hoofdstukken zal ik handelen over de secundaire

seksueele kenmerken bij dieren van alle klassen en zal ik in elk geval

de in dit hoofdstuk uiteengezette beginselen trachten toe te passen. De

laagste klassen zullen ons slechts zeer korten tijd bezig houden; maar

de hoogere dieren, vooral de Vogels, moeten zeer uitvoerig worden

behandeld. Men bedenke voortdurend, dat ik, wegens reeds vermelde

redenen, mij slechts voorstel eenige weinige toelichtende voorbeelden

te geven van de tallooze inrichtingen, met behulp waarvan het mannetje

het wijfje vindt, of als hij haar heeft gevonden, vasthoudt.

Daarentegen zullen alle inrichtingen en instinkten, waardoor het

mannetje andere mannetjes overwint, of waardoor hij het wijfje lokt of

opwekt, uitvoerig worden besproken, daar deze in vele opzichten de

meest belangwekkende zijn.

BIJVOEGSEL OVER DE VERHOUDING TUSSCHEN HET AANTAL INDIVIDU’S VAN

BEIDERLEI SEKSE BIJ TOT VERSCHILLENDE KLASSEN BEHOORENDE DIEREN.

Daar niemand, voor zoover ik kan nagaan, zijn aandacht heeft gewijd aan

de verhouding tusschen het aantal individu’s van beiderlei sekse door

het geheele dierenrijk heên, zal ik hier die bouwstoffen daartoe

mededeelen, welke ik in staat was te verzamelen, hoewel zij uiterst

onvolkomen zijn. Zij bestaan slechts in eenige weinige voorbeelden van

werkelijke telling en de getallen zijn niet zeer groot. Daar de

verhoudingen op groote schaal alleen in het geval van den mensch met

zekerheid bekend zijn, wil ik die eerst geven, als maatstaf van

vergelijking.

De Mensch.—In Engeland zijn gedurende tien jaren (van 1857 tot 1866)

jaarlijks gemiddeld 707120 kinderen levend geboren, in de verhouding

van 104.5 jongens tegen 100 meisjes. In 1857 stonden echter de

mannelijke geboorten tot de vrouwelijke, over geheel Engeland gerekend,

als 105.2 en in 1865 als 104.0 tot 100. Afzonderlijke districten

beschouwende, was in Buckinghamshire (waar jaarlijks gemiddeld 5000

kinderen worden geboren), de gemiddelde verhouding van de mannelijke

tot de vrouwelijke geboorten, gedurende het geheele tijdperk der

bovengenoemde tien jaren, 102.8 tot 100, terwijl die in Noord-Wales

(waar jaarlijks gemiddeld 12873 geboorten plaats grijpen) de hoogte van

106.2 tot 100 bereikte; een kleiner district nemende namelijk

Rutlandshire (waar jaarlijks slechts gemiddeld 739 geboorten plaats

grijpen) stonden daar de mannelijke geboorten tot de vrouwelijke als

114.6 en in 1862 als 97.0 tot 100; maar zelfs in dit kleine district

was het gemiddelde van de 7385 geboorten gedurende de geheele tien

jaren als 104.5 tot 100, d.i. in de zelfde verhouding als over geheel

Engeland. [576] De verhoudingen worden soms door onbekende oorzaken

eenigermate gewijzigd; zoo getuigt Prof. Faye, „dat er in sommige

districten van Noorwegen gedurende een tijdperk van tien jaren een

voortdurend tekort aan jongens was, terwijl zich in andere tijdperken

het tegenovergestelde verschijnsel voordeed.” In Frankrijk stonden

gedurende vier-en-veertig jaren de mannelijke geboorten tot de

vrouwelijke als 106.2 tot 100; maar gedurende dit tijdvak is het in één

departement vijfmaal, in een ander zesmaal gebeurd, dat de vrouwelijke

geboorten de mannelijke in aantal overtroffen. In Rusland bereikt de

gemiddelde verhouding de hoogte van 108.9 tot 100. [577] Te

Philadelphia in de Vereenigde Staten is de verhouding 110.5 tot 100.

[578] Het gemiddelde voor Europa, door Bickes afgeleid uit omstreeks

zeventig millioen geboorten, is 106 jongens op 100 meisjes. Daarentegen

is bij blanke kinderen, aan de Kaap de Goede Hoop geboren, het aantal

jongens zoo gering, dat gedurende een reeks van jaren van 90 tot 99

jongens op 100 meisjes werden geboren. Het is een vreemd feit, dat bij

de Joden de verhouding der mannelijke geboorten tot de vrouwelijke

stellig hooger is dan bij de Christenen (4); zoo is in Pruisen de

verhouding als 113, in Breslau als 114 en in Lijfland als 120 tot 100;

terwijl de christelijke geboorten in deze landen de zelfde verhouding

vertoonen als elders, in Lijfland b.v. als 104 tot 100 [579]. Het is

een nog vreemder feit, dat bij verschillende natiën, onder

verschillende omstandigheden en luchtstreken, in Napels, Pruisen,

Westphalen, Frankrijk en Engeland, de overmaat van de mannelijke over

de vrouwelijke geboorten minder is, wanneer zij onwettig, dan wanneer

zij wettig zijn.

In verschillende deelen van Europa zou men, volgens Prof. Faye en

andere schrijvers, „een nog grooter overmaat van jongens vinden, indien

de dood beide seksen in gelijke verhouding trof in de baarmoeder en

gedurende de geboorte. Het is echter een feit, dat in onderscheidene

landen op 100 doodgeboren meisjes van 134,6 tot 144,9 doodgeboren

jongens komen.” Daarenboven sterven gedurende de vier of vijf eerste

levensjaren meer jongens dan meisjes; „in Engeland sterven bij

voorbeeld gedurende het eerste levensjaar 126 jongens tegen 100

meisjes,—een verhouding die in Frankrijk nog ongunstiger is. [580] Dr.

Stockton Hough verklaart deze feiten gedeeltelijk, doordat de jongens

veelvuldiger gebrekkig ontwikkeld zijn dan de meisjes. Wij hebben reeds

vroeger gezien, dat de mannelijke sekse meer variabel van maaksel is

dan de vrouwelijke, en variaties in belangrijke organen zullen over het

algemeen nadeelig zijn. Doch de grootte van het lichaam, en vooral van

het hoofd, dat bij mannelijke kinderen grooter dan bij vrouwelijke is,

is een andere oorzaak; want de jongens loopen daardoor meer kans om te

worden beschadigd dan de meisjes. Bij gevolg zijn de doodgeborenen

onder de jongens talrijker en hebben, gelijk een hoogst bevoegd

beoordeelaar, Dr. Crichton Browne, aanneemt [581], jongens dikwijls nog

eenige jaren na hun geboorte een minder goede gezondheid. Ten gevolge

van deze grootere sterfte bij mannelijke kinderen, zoowel bij de

geboorte als eenigen tijd daarna, en omdat volwassen mannen aan

verschillende gevaren zijn blootgesteld en meer neiging tot

landverhuizing hebben, zijn de vrouwen in alle van ouds bewoonde landen

waar statistieke opteekeningen zijn gedaan [582], aanmerkelijk

talrijker dan de mannen. (5)

Het schijnt op het eerste gezicht een geheimzinnig feit, dat in

verschillende landen onder verschillende toestanden en klimaten, in

Napels, Pruisen, Westfalen, Nederland, Frankrijk, Engeland en de

Vereenigde Staten, de overmaat der mannelijke geboorten over de

vrouwelijke kleiner is, wanneer zij onwettig, dan wanneer zij wettig

zijn. [583] Dit is door verschillende schrijvers op vele verschillende

wijzen verklaard, zooals omdat de moeders over het algemeen jong zijn,

dat het grootendeels de eerste kinderen zijn die zij krijgen, enz. Doch

wij hebben gezien, dat jongens wegens de grootere afmeting van hun

hoofd bij de geboorte meer lijden dan meisjes; en daar de moeders van

onwettige kinderen meer kans loopen een moeilijke baring te hebben dan

andere vrouwen, om verschillende oorzaken, zooals pogingen om haar

zwangerschap te verbergen door zich sterk te rijgen, harden arbeid,

wanhoop enz., zullen haar mannelijke vruchten naar verhouding meer

lijden. En dit is waarschijnlijk de krachtigste van alle oorzaken,

waarom de verhouding van de jongens tot de meisjes bij levendgeboren

kinderen kleiner is bij onwettige dan bij wettige geboorten. Bij de

meeste dieren is de oorzaak dat het volwassen mannetje grooter dan het

wijfje is, daarin gelegen, dat de sterkere mannetjes de zwakkere hebben

overwonnen in hun gevechten om het bezit van het wijfje, en

ongetwijfeld is het een gevolg van dit feit, dat de beide seksen, ten

minste van eenige dieren, bij de geboorte in grootte verschillen. Zoo

hebben wij hier het merkwaardige feit, dat wij de grootere sterfte

onder mannelijke dan onder vrouwelijke kinderen, vooral onder de

onwettige, ten minste gedeeltelijk aan seksueele teeltkeus mogen

toeschrijven.

Men heeft dikwijls ondersteld, dat de betrekkelijke leeftijd der ouders

de sekse der kinderen bepaalt, en Prof. Leuckart [584] heeft zijns

inziens voldoende bewijzen geleverd ten opzichte van den mensch en

zekere tamme dieren, om aan te toonen, dat dit een belangrijke factor

daartoe is. Evenzoo dacht men ook wel, dat het tijdstip der bevruchting

de daarbij werkzame oorzaak was; doch onlangs gedane waarnemingen

strijden tegen deze meening. Men heeft ook wel ondersteld, dat bij den

mensch de veelwijverij (polygamie) aanleiding gaf tot de geboorte van

een naar verhouding grooter aantal meisjes; maar Dr. J. Campbell [585]

gaf nauwkeurig acht op dit onderwerp in de harems van Siam, en hij komt

tot het besluit, dat de verhouding tusschen mannelijke en vrouwelijke

geboorten de zelfde is als bij eenwijvige (monogame) verbintenissen.

(6) Nauwelijks eenig dier is in zoo hooge mate veelwijvig (polygaam)

gemaakt als onze Engelsche renpaarden en wij zullen zoo dadelijk zien,

dat hun mannelijk en vrouwelijk kroost in aantal bijna geheel gelijk

is.

Paarden.—De heer Tegetmeier is zoo vriendelijk geweest uit de „Racing

Calendar” voor mij een tabel te maken van de geboorten van renpaarden

gedurende een tijdvak van één-en-twintig jaren, namelijk van 1846 tot

1867; waarbij 1849 is overgeslagen, daar dat jaar het bedrag er van

niet publiek is gemaakt. Het totaal aantal geboorten is 25,560 [586]

geweest, bestaande uit 12763 hengstveulens en 12797 merrieveulens, of

in de verhouding van 99.7 hengstveulens tegen 100 merrieveulens. Daar

deze getallen tamelijk groot zijn, en daar zij zijn getrokken uit alle

deelen van Engeland, gedurende verscheidene jaren, mogen wij met veel

vertrouwen besluiten, dat bij het tamme paard, of ten minste bij het

renpaard, de beide seksen in bijna gelijk aantal worden voortgebracht.

De afwisselingen in de verhoudingen gedurende opeenvolgende jaren

naderen zeer tot die welke bij den mensch plaats grijpen, als men een

klein en dun bevolkt gebied beschouwt; zoo stonden in 1856 de

hengstveulens tot de merrieveulens als 107.1, en in 1867 als slechts

92.6 tot 100. Op de tabellen van het bedrag der geboorten wisselen de

verhoudingen volgens vaste tijdperken af; want de hengstveulens

overtroffen de merrieveulens in aantal gedurende zes achtereenvolgende

jaren; en de merrieveulens overtroffen de hengstveulens in aantal

gedurende twee tijdperken, elk van vier jaren; dit is echter wellicht

slechts toevallig; ik kan ten minste niets van dezen aard ontdekken bij

den mensch in de tienjarige tabel in het „Registrar’s Report” voor

1866. Ik mag er bijvoegen, dat zekere merries, en dit is ook het geval

bij zekere koeien en vrouwen, een neiging bezitten om meer jongen van

de eene sekse voort te brengen dan van de andere; de heer Wright van

Yeldersley House meldt mij, dat ééne van zijn Arabische merries, hoewel

zeven malen door verschillende hengsten gedekt, zeven merrieveulens

wierp.

Honden.—Gedurende een tijdvak van twaalf jaren, van 1857 tot 1868, zijn

de geboorteopgaven van een aanzienlijk aantal windhonden, door geheel

Engeland heên, aan de „Field” courant gezonden; en ik ben wederom aan

den heer Tegetmeier zorgvuldig bewerkte tabellen van den uitslag

verschuldigd. De opgeteekende geboorten waren ten getale van 6878,

bestaande uit 3605 reuen en 3273 teven, dat is in verhouding van 110.1

reuen tegen 100 teven. De grootste afwisselingen hadden in 1864 plaats,

toen de verhouding als 95.3 reuen, en in 1867, toen zij als 116.3 reuen

tegen 100 teven was. De bovenvermelde gemiddelde verhouding 110.1 tot

100 is waarschijnlijk bijna nauwkeurig in het geval van den windhond;

maar of zij steek zou houden bij andere tamme rassen, is eenigermate

twijfelachtig. De heer Cupples heeft onderzoek gedaan bij

onderscheidene groote hondenfokkers en vindt, dat allen zonder

uitzondering gelooven, dat er teven in overmaat worden geboren; hij

oppert de meening, dat dit geloof wellicht kan zijn ontstaan, doordat

teven minder waarde hebben, en doordat de daardoor teweeggebrachte

teleurstelling een sterkeren indruk op den geest maakt.

Schapen.—De sekse der schapen wordt door de landbouwers niet

onderzocht, dan verscheidene maanden na de geboorte, op het tijdstip,

dat de rammen worden gesneden (gecastreerd); zoodat de hier volgende

getallen niet de verhoudingen bij de geboorte geven. Ik vind

daarenboven, dat verscheidene groote veefokkers in Schotland, die

jaarlijks eenige duizenden schapen aanfokken, vast overtuigd zijn, dat

er gedurende de eerste een of twee jaar meer rammen dan ooien sterven;

de verhouding der rammen zou dus bij de geboorte iets grooter zijn, dan

op den leeftijd der snijding (castratie). Dit is een merkwaardiger

overeenkomst met hetgeen, zooals wij hebben gezien, bij den mensch

gebeurt, en beide gevallen hangen waarschijnlijk van de eene of andere

gemeenschappelijke oorzaak af. Ik heb opgaven ontvangen van vier heeren

in Engeland, die gedurende de laatste tien of zestien jaar laaglandsche

schapen, voornamelijk Leicester-schapen, hebben aangefokt; het

gezamenlijk bedrag der geboorten klimt tot 8965, bestaande uit 4407

rammen en 4558 ooien, dat is in de verhouding van 96.7 rammen tot 100

ooien. Ten opzichten van Cheviot- en zwartsnoetige schapen, in

Schotland aangefokt, ontving ik opgaven van zes fokkers, twee daarvan

op groote schaal, voornamelijk voor de jaren 1867–1869, maar sommige

opgaven klommen op tot 1862. Het totale opgeteekende aantal klimt tot

50685, bestaande uit 25071 rammen en 25614 ooien, dat is in de

verhouding van 97.9 rammen tot 100 ooien. Indien wij de Engelsche en

Schotsche opgaven te zamen nemen, klimt het totale aantal tot 59650,

bestaande uit 29478 rammen en 30172 ooien, of als 97.7 tot 100, zoodat

het zeker is, dat bij schapen op den leeftijd der snijding (castratie)

de wijfjes de mannetjes in aantal overtreffen; maar of dit ook zou

doorgaan bij de geboorte, is twijfelachtig, ten gevolge van het meer

onderhevig zijn der mannetjes aan een vroegen dood. [587]

Hoornvee.—Hieromtrent ontving ik opgaven van negen heeren van 982

geboorten, te weinig om vertrouwen te verdienen; deze bestonden uit 477

stierkalveren en 505 koekalveren, d.i. in de verhouding van 94.4

stierkalveren tot 100 koekalveren. De weleerw. heer W. D. Fox meldt

mij, dat in 1867 van 34 kalveren die op ééne hoeve in Derbyshire werden

geboren, slechts één een stier was.

Varkens.—De heer Harrison Weir schrijft mij, dat hij bij verscheidene

varkensfokkers onderzoek heeft gedaan, en de meesten daarvan schatten,

dat de geboorten van beeren tot die van zeugen ongeveer staan als 7 tot

6.

Konijnen.—De zelfde heer heeft voor vele jaren konijnen gefokt en heeft

opgeteekend, dat er een veel grooter aantal rekels dan voedsters worden

geboren.

Zoogdieren in den natuurstaat.—Omtrent deze heb ik slechts zeer weinig

kunnen te weten komen. Omtrent de gewone Rat heb ik tegenstrijdige

mededeelingen ontvangen. De heer R. Elliot van Laighwood meldt mij, dat

een rattenvanger hem heeft verzekerd, dat hij altijd een groote

overmaat van mannetjes had gevonden, zelfs bij de jongen in het nest.

Ten gevolge daarvan onderzocht de heer Elliot zelf later eenige

honderden oude ratten en vond die mededeeling bevestigd.

De heer F. Buckland heeft een groot aantal witte ratten aangefokt, en

ook hij gelooft, dat de mannetjes de wijfjes verreweg in aantal

overtreffen. Wat Mollen aangaat, wordt gezegd, dat „de mannetjes veel

talrijker zijn dan de wijfjes” [588]; en daar het vangen van deze

dieren een bijzonder beroep is, kan men deze getuigenis wellicht

vertrouwen. Sir A. Smith merkt, een antilope van Zuid-Afrika [589]

(Kobus ellipsiprymnus) beschrijvende, op, dat bij de kudden van deze en

andere soorten de mannetjes gering in aantal zijn in vergelijking van

de wijfjes; de inboorlingen gelooven, dat zij in die verhouding worden

geboren; anderen gelooven, dat de jongere mannetjes uit de kudden

worden verdreven, en Sir A. Smith zegt, dat, hoewel hij zelf nooit

kudden heeft gezien die alleen uit jonge mannetjes bestonden, anderen

hem verzekeren, dat dit wel voorkomt. Waarschijnlijk zullen de jonge

mannetjes, als zij uit de kudde worden verdreven, zeer zijn

blootgesteld om de prooi te worden van de vele roofdieren van dat land.

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2) · 第 96 / 111 题