GRONDBEGINSELEN DER SEKSUEELE TEELTKEUS.

Secundaire seksueele kenmerken.—De seksueele teeltkeus.—Overmaat

van mannetjes.—Veelwijverij.—Het mannetje alleen wordt gewoonlijk

door de seksueele teeltkeus veranderd.—Begeerlijkheid van het

mannetje.—Variabiliteit van het mannetje.—Keus door het wijfje

uitgeoefend.—Vergelijking tusschen de seksueele en de natuurlijke

teeltkeus.—Overerving op overeenkomstigen leeftijd, in

overeenkomstige jaargetijden en haar beperking door de

sekse.—Betrekking tusschen de verschillende vormen van

erfelijkheid.—Oorzaken waarom de eene sekse en de jongen door de

seksueele teeltkeus niet worden gewijzigd.—Bijvoegsel over de

verhouding tusschen het aantal mannetjes en wijfjes in het geheele

dierenrijk.—Over de beperking van het aantal individu’s van elke

sekse door natuurlijke teeltkeus.

Bij dieren die gescheiden seksen hebben, verschillen de mannetjes

blijkbaar van de wijfjes in hun voortplantingsorganen; en deze vormen

de primaire seksueele kenmerken. De seksen verschillen echter dikwijls

in hetgeen Hunter secundaire seksueele kenmerken heeft genoemd, dat is

in kenmerken die niet rechtstreeks in verband staan met de

voortplantingshandeling; zoo bezit b.v. het mannetje soms zekere

zintuigen die het wijfje geheel mist, of zij zijn bij hem hooger

ontwikkeld, opdat hij haar gemakkelijk zou kunnen vinden of bereiken;

of het mannetje heeft bijzondere grijpwerktuigen om het wijfje stevig

vast te houden. Deze laatste organen van oneindig verschillende soorten

vormen den overgang tot, en kunnen soms bijna niet worden onderscheiden

van die welke gewoonlijk als primaire worden beschouwd, zooals de

samengestelde aanhangsels aan het uiteinde (apex) van het achterlijf

bij mannelijke insekten. Tenzij wij toch den term „primair” tot de

geslachtsklieren beperken, is het, voorzoover er grijpwerktuigen in

betrokken zijn, moeielijk te beslissen, welke primair en welke

secundair behooren te worden genoemd.

Het wijfje verschilt dikwijls van het mannetje door het bezit van

organen voor de voeding of bescherming harer jongen, zooals de

melkklieren der Zoogdieren en de buidels der Buideldieren. Het mannetje

verschilt ook in eenige weinige gevallen van het wijfje door het bezit

van dergelijke organen, zooals die welke tot opneming der eieren

dienen, bij de mannetjes van sommige Visschen, en die welke zich bij de

mannetjes van sommige kikvorschen tijdelijk ontwikkelen. De wijfjes der

bijen hebben een bijzonderen toestel om stuifmeel te verzamelen en weg

te dragen, en hun larven en de vereeniging waartoe zij behooren, te

verdedigen. Bij de wijfjes van vele Insekten is de eierlegger op de

meest ingewikkelde wijze veranderd om de eieren veilig te plaatsen.

Talrijke dergelijke gevallen zouden kunnen worden opgenoemd, maar zij

gaan ons hier niet aan. Er zijn echter andere seksueele verschillen die

volstrekt niet in verband staan met de primaire organen, en die ons

meer in het bijzonder aangaan,—zooals grootere lichaamsgestalte, kracht

en strijdlustigheid van het mannetje, zijn aanvallende wapenen of

verdedigingsmiddelen tegen zijn mededingers, de kleuren en

verschillende versierselen waarmede hij prijkt, zijn vermogen om te

zingen, en andere dergelijke kenmerken.

Behalve door bovengenoemde primaire en secundaire verschillen wijken

het mannetje en het wijfje soms van elkander af door inrichtingen die

met een verschillende levenswijze in verband staan; en in het geheel

niet, of slechts indirect, betrekking hebben op hun

voortplantingshandelingen. Zoo zuigen de wijfjes der Steekmuggen en

Dazen (Culicidae en Tabanidae) het bloed van andere dieren uit, terwijl

de mannetjes op bloemen leven en aan hun mond geen bovenkaken bezitten.

[535] Bij sommige soorten van Nachtvlinders en Schaaldieren (b.v.

Tanais) hebben alleen de mannetjes onvolkomen, gesloten monden en

kunnen zich niet voeden. De complementaire mannetjes van sommige

Mosselkreeften (Cirrhipedia) leven gelijk woekerplanten hetzij op den

vrouwelijken, of op den hermaphroditischen (tweeslachtigen) vorm, en

bezitten geen mond, noch tot grijpen geschikte ledematen. In deze

gevallen is het het mannetje dat gewijzigd is en zekere belangrijke

organen heeft verloren, die de andere leden der zelfde groep bezitten.

In andere gevallen is het het wijfje dat dergelijke deelen heeft

verloren; zoo bezit bij voorbeeld het wijfje van den glimworm geen

vleugels, en het zelfde is het geval met de wijfjes van vele

nachtvlinders waarvan vele haar poppehulsel nooit verlaten. De wijfjes

van vele parasitische Schaaldieren hebben haar zwempooten verloren. Bij

sommige Snuitkevers (Curculionidae) is er tusschen het mannetje en het

wijfje een groot verschil in de lengte van den snuit (rostrum) [536];

de beteekenis van deze en vele dergelijke verschillen begrijpt men

echter volstrekt niet. Verschillen in maaksel tusschen de twee seksen,

die betrekking hebben op een verschillende levenswijze, zijn over het

algemeen tot de lagere dieren beperkt; bij eenige weinige vogels echter

verschilt de snavel van het mannetje van dien van het wijfje.

Ongetwijfeld staan in de meeste dezer gevallen, maar blijkbaar niet in

alle, de verschillen indirect in verband met de voortplanting der

soort; zoo zal een wijfje dat een menigte eieren moet voeden, meer

voedsel dan het mannetje en derhalve ook bijzondere middelen noodig

hebben om zich dat te verschaffen. Een mannelijk dier dat slechts zeer

korten tijd leeft, zal zonder schade door onbruik zijn organen om zich

voedsel te verschaffen kunnen verliezen, maar het moet zijn

bewegingsorganen behouden om het wijfje te kunnen bereiken. Het wijfje

kan daarentegen veilig haar organen om te vliegen, te zwemmen of te

loopen verliezen, als zij langzamerhand gewoonten heeft aangenomen, die

dergelijke vermogens nutteloos maken.

Wij hebben hier echter slechts te maken met die soort van teeltkeus

welke ik seksueele teeltkeus heb genoemd. Deze hangt af van het

voordeel dat zekere individu’s boven andere individu’s van de zelfde

sekse en soort hebben, uitsluitend met betrekking tot de voortplanting.

Als de beide seksen in maaksel verschillen met betrekking tot haar

verschillende levenswijze, gelijk in de bovenvermelde gevallen, zijn

zij ongetwijfeld door natuurlijke teeltkeus gewijzigd, vergezeld van

tot ééne en de zelfde sekse beperkte erfelijkheid. Evenzoo behooren ook

de primaire seksueele organen en die welke dienen om de jongen te

voeden en te beschermen, tot deze zelfde afdeeling; want die individu’s

welke zich het best voortplanten of hun kroost het best voeden, moeten,

caeteris paribus, het grootste aantal nakomelingen nalaten om hun

meerdere voortreffelijkheid te erven, terwijl zij die zich slecht

voortplanten of hun kroost slecht voeden, weinig nakomelingen moeten

nalaten om hun zwakkere vermogens te erven. Als het mannetje het wijfje

moet gaan opzoeken, heeft hij tot dit doel zintuigen en

bewegingsorganen noodig; maar indien deze organen noodig zijn voor

andere levensdoeleinden, zooals gewoonlijk het geval is, zullen zij

door natuurlijke teeltkeus ontwikkeld zijn geworden. Als het mannetje

het wijfje heeft gevonden, heeft hij somtijds volstrekt grijporganen

noodig om haar vast te houden; zoo meldt mij Dr. Wallace, dat de

mannetjes van sommige nachtvlinders niet met de wijfjes kunnen paren,

als hun voeten (tarsi) zijn gebroken. Bij de mannetjes van vele

zeeschaaldieren zijn de pooten en sprieten in buitengewone mate

gewijzigd om het wijfje te kunnen vasthouden; wij mogen daarom

vermoeden, dat deze dieren, daar zij door de golven van de open zee

worden voortgespoeld, deze organen volstrekt noodig hebben om hun soort

te kunnen voortplanten, en als dit zoo is, zal de ontwikkeling daarvan

het gevolg zijn geweest van gewone of natuurlijke teeltkeus.

Sommige dieren die zeer laag op de ladder staan, zijn tot het zelfde

doel gewijzigd; zoo is bij de mannetjes van zekere ingewandswormen, als

zij volwassen zijn, de onderste oppervlakte van het achterste gedeelte

van het lichaam ruw gelijk een rasp, en dit kronkelen zij om de wijfjes

en houden ze zoo bestendig vast. [537]

Als beide seksen volkomen de zelfde levenswijze leiden en het mannetje

hooger ontwikkelde zintuigen of bewegingswerktuigen heeft dan het

wijfje, dan kan het zijn, dat deze in hun volkomen staat voor het

mannetje onmisbaar zijn om het wijfje te vinden; maar in verreweg de

meeste gevallen dienen zij alleen om aan het eene mannetje een voordeel

boven het andere te geven; want de minder goed begaafde mannetjes

zouden er, als er hun tijd voor werd gegeven, in slagen om met de

wijfjes te paren, en zij zouden, naar het maaksel van het wijfje te

oordeelen, in alle andere opzichten even goed geschikt zijn voor hun

gewone levenswijze. In dergelijke gevallen moet er seksueele teeltkeus

in het spel zijn gekomen; want de mannetjes hebben hun tegenwoordig

maaksel verkregen, niet omdat zij beter geschikt waren om in den strijd

om het bestaan te blijven leven, maar omdat zij een voordeel boven

andere mannetjes hadden verworven, en dat voordeel alleen op hun

mannelijke nakomelingschap hebben overgeplant. Het was de

belangrijkheid van deze onderscheiding, die mij aanleiding gaf om dezen

vorm van teeltkeus de Seksueele Teeltkeus te noemen. Indien de

voornaamste dienst, aan het mannetje door zijn grijporganen bewezen, is

om te voorkomen, dat het wijfje ontsnapt voor de aankomst van andere

mannetjes, of als hij door deze wordt aangevallen, zullen deze organen

evenzoo volkomener zijn gemaakt door seksueele teeltkeus, dat is door

het voordeel door zekere bepaalde mannetjes over hun mededingers

verkregen. In de meeste gevallen is het echter nauwelijks mogelijk de

gevolgen der natuurlijke en die der seksueele teeltkeus van elkander te

onderscheiden. Geheele hoofdstukken zouden gemakkelijk kunnen worden

gevuld met bijzonderheden omtrent de verschillen tusschen de seksen in

haar zintuigen, bewegings- en grijporganen. Daar deze deelen echter

niet belangwekkender zijn dan andere, die voor de gewone doeleinden van

het leven zijn ingericht, zal ik er bijna niet van spreken, en erbij

elke klasse slechts eenige voorbeelden van geven.

Er zijn vele andere organen en instinkten die door seksueele teeltkeus

moeten zijn ontwikkeld—zooals de aanvallende wapenen en

verdedigingsmiddelen welke de mannetjes bezitten om met hun mededingers

te vechten en hen weg te jagen—hun moed en strijdlustigheid—hun

versierselen van velerlei soort—hun organen om vocale muziek voort te

brengen—en hun riekende stoffen afscheidende klieren; want de meeste

dezer laatste organen dienen om het wijfje aan te lokken of op te

wekken. Dat deze kenmerken het gevolg zijn van seksueele en niet van

gewone teeltkeus, is duidelijk, daar ongewapende, onversierde of niet

aantrekkelijke mannetjes even voorspoedig zouden zijn in den strijd om

het leven en het nalaten van een talrijk kroost, indien er geen beter

begaafde mannetjes bestonden. Wij mogen besluiten, dat dit het geval

zou zijn; want de wijfjes, die ongewapend en onversierd zijn, zijn in

staat te blijven leven en haar soort voort te planten. Secundaire

seksueele kenmerken van de zoo even vermelde soort zullen in de

volgende hoofdstukken uitvoerig worden besproken, omdat zij in vele

opzichten belangwekkend zijn, maar vooral ook omdat zij afhangen van

den wil, de keus en de mededinging der individu’s van een der beide

seksen. Als wij twee mannetjes om het bezit van het wijfje zien

vechten, of verscheidene mannetjes met hun prachtig gevederte zien

pronken en de vreemdste vertooningen zien uitvoeren voor een vergaderde

menigte van wijfjes, kunnen wij niet twijfelen, dat zij, hoezeer door

instinkt geleid, weten wat zij in hun schild voeren, en met bewustheid

hun geestelijke en lichamelijke vermogens oefenen.

Op de zelfde wijs als de mensch het ras van zijn vechthanen kan

verbeteren door voor de voortteling die vogels uit te kiezen, welke in

de hanengevechten overwinnaars zijn, schijnt het, dat ook in de natuur

de sterkste en krachtigste mannetjes, of zij die met de beste wapens

waren voorzien, de bovenhand hebben behouden en aanleiding gegeven tot

de verbetering van het natuurlijke ras of de soort. Door herhaalde

doodelijke gevechten, zou een geringe mate van variabiliteit, als zij

eenig voordeel verschafte, hoe gering dan ook, voldoende zijn voor het

werk der seksueele teeltkeus; en het is zeker, dat secundaire seksueele

kenmerken bij uitnemendheid variabel zijn. Op de zelfde wijze als de

mensch, overeenkomstig zijn smaak, schoonheid kan geven aan zijn

mannelijk pluimgedierte,—aan de Bantamhoenders een nieuw en sierlijk

gevederte, een opgerichte en bijzondere houding,—schijnen in den

natuurstaat de wijfjes, door gedurende langen tijd de meest

aantrekkelijke mannetjes voor de voortteling uit te kiezen, de

schoonheid dezer laatste te hebben verhoogd. Ongetwijfeld onderstelt

dit bij het wijfje vermogens van onderscheiding en smaak, die eerst

uiterst onwaarschijnlijk zullen voorkomen; maar ik hoop later aan te

toonen, dat dit geenszins het geval is.

Wegens onze onwetendheid op verscheidene punten, is de juiste wijze

waarop de seksueele teeltkeus werkt, tot op zekere hoogte onzeker.

Indien echter de natuuronderzoekers die reeds aan de veranderlijkheid

der soorten gelooven, de volgende hoofdstukken lezen, zullen zij mij,

geloof ik, toegeven, dat de seksueele teeltkeus een belangrijke rol in

de geschiedenis van de organische wereld heeft gespeeld. Het is zeker,

dat bij bijna alle dieren de mannetjes met elkander vechten om het

bezit van het wijfje. Dit feit is zoo bekend, dat het overtollig zou

zijn daarvan voorbeelden te geven. Vandaar konden de wijfjes,

ondersteld dat haar verstandelijke vermogens voldoende waren om een

keus te doen, uit meerdere mannetjes één voor de voortteling uitkiezen.

In talrijke gevallen schijnt het echter, alsof het er bijzonder op was

aangelegd, dat er een strijd tusschen vele mannetjes zou zijn. Zoo

komen bij de trekvogels de mannetjes over het algemeen vroeger in de

streek waar zij broeden, dan de wijfjes, zoodat vele mannetjes gereed

zijn om om elk wijfje te vechten. De vogelaars verzekeren, dat dit

steeds het geval is met den nachtegaal en den zwartkop, zooals mij de

heer Jenner Weir meldt, die deze getuigenis ten opzichte van den

laatsten vogel bevestigt.

De heer Swaysland van Brighton, die gedurende de laatste veertig jaar

gewoon was onze trekvogels bij hun eerste aankomst te vangen, schrijft

mij, dat hem geen enkele soort bekend is, van welke de wijfjes vroeger

aankomen dan de mannetjes. Gedurende ééne lente schoot hij

negen-en-dertig mannetjes van Ray’s kwikstaart (Budytes Raii), voordat

hij een enkel wijfje zag. De heer Gould heeft zich, naar hij mij meldt,

door ontleding overtuigd, dat de mannelijke snippen vroeger in dit land

aankomen, dan de vrouwelijke. In het geval van visch zijn, als de zalm

onze rivieren opzwemt, de mannetjes in grooten getale voor de

voortplanting gereed, vóór de wijfjes zulks zijn. Evenzoo schijnt het

bij kikvorschen en padden te zijn. In de geheele groote klasse der

Insekten komen de mannetjes bijna altijd vroeger uit de pop dan de

wijfjes, zoodat zij over het algemeen een tijd lang rondvliegen,

voordat er een enkel wijfje te zien is. [538] De oorzaak van dit

verschil tusschen de mannetjes en de wijfjes in hun tijden van aankomst

en rijpheid is duidelijk genoeg. Die mannetjes welke jaarlijks het

eerst naar eenig land verhuisden, of in de lente het eerst voor de

paring gereed waren, of het vurigst waren, moesten het talrijkste

kroost nalaten en dit moest de neiging hebben om dergelijke instinkten

en gestel te erven. Over het geheel kan er geen twijfel bestaan, dat er

bij bijna alle dieren bij welke de seksen gescheiden zijn, tusschen de

mannetjes een voortdurend terugkeerende strijd om het bezit der wijfjes

plaats heeft.

Onze moeielijkheid ten opzichte der seksueele teeltkeus is, te

begrijpen hoe het komt, dat de mannetjes die andere mannetjes

overwinnen, of die welke het aantrekkelijkst voor de wijfjes blijken te

zijn, een talrijker kroost nalaten om hun voortreffelijkheid te erven,

dan de overwonnen en minder talrijke mannetjes. Wanneer dit niet het

gevolg was, zouden de kenmerken die aan sommige mannetjes een voordeel

over andere gaven, door de seksueele teeltkeus niet volkomener gemaakt

en vermeerderd kunnen worden. Als de seksen volkomen even talrijk zijn,

zullen de slechtst-begaafde mannetjes ten laatste (behalve bij dieren

die veelwijvig zijn) wijfjes vinden, en evenvele nakomelingen, die even

geschikt zijn voor hun algemeene levenswijze, nalaten, als de

bestbegaafde mannetjes.

Uit onderscheidene feiten en overwegingen leidde ik vroeger af, dat bij

de meeste dieren die goed ontwikkelde secundaire seksueele kenmerken

bezitten, de mannetjes de wijfjes aanmerkelijk in aantal overtroffen;

en dit houdt in eenige weinige gevallen steek. Indien de mannetjes tot

de wijfjes stonden als twee tot één of als drie tot twee, of zelfs in

een nog iets lager verhouding, zou de geheele zaak eenvoudig zijn; want

de beter gewapende of meer aantrekkelijke mannetjes zouden het

talrijkste kroost nalaten. Maar na, zoover zulks mogelijk is, de

getalsverhouding tusschen de beide seksen te hebben onderzocht, geloof

ik niet, dat er gewoonlijk eenige groote ongelijkheid in aantal

bestaat. In de meeste gevallen schijnt de seksueele teeltkeus op de

volgende wijze te hebben gewerkt.

Laat ons de eene of andere soort nemen, een vogel bij voorbeeld, en de

wijfjes die in een landstreek wonen, in twee gelijke afdeelingen

verdeelen, waarvan de eene uit de krachtiger en beter gevoede

individu’s en de andere uit de minder krachtige en minder gezonde

bestaat. Er kan weinig twijfel bestaan, of de eerste zullen in de lente

vroeger gereed zijn om te paren dan de andere, en dit is ook de meening

van den heer Jenner Weir die gedurende vele jaren de gewoonten der

vogels nauwkeurig heeft nagegaan. Er kan ook geen twijfel bestaan, dat

de krachtigste, gezondste en best gevoede wijfjes er in zullen slagen

om gemiddeld het grootste aantal jongen voort te brengen. De mannetjes

zijn, zooals wij hebben gezien, over het algemeen vroeger gereed om te

paren dan de wijfjes; van de mannetjes zullen de sterkste en in sommige

gevallen de best gewapende de zwakkere wegjagen, en de eerste zullen

zich dus vereenigen met de sterkste en best gevoede wijfjes, daar deze

het eerst voor de paring gereed zijn. Dergelijke krachtige paren zullen

zeker een grooter aantal jongen voortbrengen dan de achterlijke

wijfjes, die genoodzaakt zullen zijn, ondersteld dat de beide seksen

even talrijk waren, om zich met de overwonnen en minder krachtige

mannetjes te verbinden, en dit is al wat wordt vereischt om, in den

loop van opeenvolgende generaties, de grootte, de kracht en den moed

van de mannetjes te vermeerderen, of hun wapenen te verbeteren.

In een menigte gevallen komen echter de mannetjes die andere mannetjes

overwinnen, niet in het bezit der wijfjes, tenzij deze laatste hen

kiezen. De vrijage der dieren is in geenen deele een zoo eenvoudige en

korte zaak als men wellicht zou denken. De wijfjes worden het meest

opgewekt door, of paren bij voorkeur met de fraaist versierde

mannetjes, of die welke de beste zangers zijn, of de schoonste

vertooningen uitvoeren; het is echter blijkbaar waarschijnlijk, zooals

in sommige gevallen ook werkelijk is waargenomen, dat zij

tegelijkertijd aan de krachtigste en vurigste mannetjes de voorkeur

zullen geven. [539] De krachtigste wijfjes, die het eerst voor de

paring gereed zijn, zullen dus de keus tusschen vele mannetjes hebben;

en al mogen zij niet altijd de sterkste en best gewapende kiezen,

zullen zij toch die kiezen, welke sterk en goed gewapend en in andere

opzichten het meest aantrekkelijk zijn. Zulke vroege paren zullen in

het voortbrengen van jongen aan de vrouwelijke zijde het zelfde

voordeel hebben als boven is verklaard, en aan de mannelijke zijde

bijna het zelfde voordeel. En dit schijnt, gedurende een lange reeks

van generaties voldoende voortgezet, voldoende te zijn geweest om niet

alleen de kracht en het strijdvermogen der mannetjes, maar eveneens hun

verschillende versierselen en andere aantrekkelijkheden te

vermeerderen.

In het omgekeerde en veel zeldzamer geval, dat de mannetjes bijzondere

wijfjes voor de voortteling uitkiezen, is het duidelijk, dat zij die

het krachtigst waren en anderen hebben overwonnen, de vrijste keus

zullen hebben, en het is bijna zeker, dat zij krachtige en tegelijk

aantrekkelijke wijfjes zullen uitkiezen. Dergelijke paren zullen een

voordeel hebben in het voortbrengen van jongen, vooral als het mannetje

het vermogen bezit om het wijfje gedurende den paartijd te verdedigen,

zooals bij sommige hoogere dieren geschiedt, of om haar te helpen in de

zorg voor de jongen. De zelfde beginselen zouden toepasselijk zijn,

indien beide seksen wederkeerig de voorkeur gaven aan zekere individu’s

van de andere sekse en deze voor de voortteling uitkozen, ondersteld

dat zij niet slechts de aantrekkelijkste, maar tevens de sterkste

individu’s kozen.

Getalsverhouding tusschen de beide Seksen.—Ik heb opgemerkt, dat de

seksueele teeltkeus een eenvoudige zaak zou zijn, als de mannetjes de

wijfjes aanmerkelijk in aantal overtroffen. Vandaar kwam ik er toe om,

zoover ik kon, de verhoudingen tusschen de seksen van zoovele dieren

als mogelijk was, te onderzoeken, maar de bronnen zijn beperkt. Ik zal

hier slechts een kort uittreksel van den uitslag geven en de

bijzonderheden als een bijvoegsel mededeelen, om den loop van mijn

bewijsvoering niet af te breken. Alleen tamme dieren geven gelegenheid

om zekerheid te verkrijgen omtrent de getalsverhouding bij de geboorte,

maar men heeft geen aanteekeningen met dit bepaalde doel gemaakt. Langs

indirecten weg heb ik echter een aanmerkelijke hoeveelheid statistieke

gegevens verzameld, waaruit blijkt, dat bij de geboorte het aantal

jongen van elke sekse nagenoeg gelijk is. Zoo zijn bij renpaarden 25560

geboorten gedurende een-en-twintig jaren opgeteekend, en de mannelijke

geboorten stonden tot de vrouwelijke als 99.7:100. Bij windhonden is de

ongelijkheid grooter dan bij eenig ander dier; want gedurende twaalf

jaren stonden bij 6878 geboorten de mannelijke geboorten tot de

vrouwelijke als 110.1:100. Het is echter eenigermate twijfelachtig, of

men hieruit veilig mag afleiden, dat in den natuurstaat de zelfde

verhoudingsgetallen doorgaan als in den tammen staat; want kleine en

onbekende verschillen in de levensvoorwaarden hebben tot op zekere

hoogte invloed op de verhouding tusschen de seksen. Zoo staan bij den

mensch de mannelijke geboorten in Engeland als 104.5, in Rusland als

108.9 en bij de Lijflandsche Joden als 120 tot 100 vrouwelijke. Op deze

verhouding oefenen ook de wettigheid of onwettigheid der geboorten een

geheimzinnigen invloed uit.

Voor ons tegenwoordig doel hebben wij te maken met de verhouding

tusschen de seksen, niet bij de geboorte, maar op volwassen leeftijd,

en dit doet een ander element van twijfel ontstaan; want het is een

goed bewezen feit, dat bij den mensch voor of gedurende de geboorte en

in de eerste dagen der kindsheid veel meer jongens dan meisjes sterven.

Wij weten zeker, dat het evenzoo met mannelijke lammeren is, en

wellicht is het ook zoo met de mannetjes van andere dieren. De

mannetjes van sommige dieren dooden elkander in het gevecht, of drijven

elkander rond, totdat zij zeer vermagerd zijn. Zij moeten ook, terwijl

zij rondzwerven om vurig de wijfjes op te sporen, dikwijls aan

onderscheidene gevaren blootgesteld zijn. Bij vele soorten van visschen

zijn de mannetjes veel kleiner dan de wijfjes, en men gelooft, dat zij

dikwijls door deze laatste of door andere visschen worden verslonden.

Bij sommige vogels schijnen de wijfjes in sterker verhouding te sterven

dan de mannetjes; zij zijn ook blootgesteld om bij het broeden, of

terwijl zij voor haar jongen zorgen, te worden omgebracht. Bij insekten

zijn de vrouwelijke larven dikwijls grooter dan de mannelijke, en

zullen bij gevolg meer kans hebben om te worden verslonden; in sommige

gevallen zijn de wijfjes minder levendig en minder vlug in haar

bewegingen dan de mannetjes, en zullen derhalve niet zoo goed in staat

zijn om aan gevaar te ontsnappen. Vandaar moeten wij bij dieren in den

natuurstaat, om te oordeelen over de verhouding tusschen de seksen in

volwassen toestand, op bloote schatting afgaan; en dit verdient slechts

weinig vertrouwen, behalve wanneer de ongelijkheid zeer aanmerkelijk

is. Toch mogen wij, voor zoover wij er een oordeel over kunnen vormen,

uit de als bijvoegsel medegedeelde feiten besluiten, dat bij eenige

weinige Zoogdieren, bij vele Vogels en bij sommige Visschen en Insekten

de mannetjes de wijfjes aanmerkelijk in aantal overtreffen.

De verhouding tusschen de seksen wisselt gedurende opeenvolgende jaren

eenigszins af; zoo varieerden op elke 100 wijfjes die geboren werden,

bij renpaarden de mannetjes van 107.1 in het eene jaar tot 92.6 in een

ander jaar, en bij windhonden van 119.3 tot 95.3. Waren echter grooter

getallen opgeteekend over een grooter oppervlakte dan Engeland, dan

zouden deze afwisselingen waarschijnlijk zijn verdwenen, en zoo als zij

zijn, zouden zij moeielijk voldoende wezen om in den natuurstaat tot de

werking van den invloed der seksueele teeltkeus aanleiding te geven.

Toch schijnen bij eenige weinige wilde dieren de verhoudingen, zooals

in het bijvoegsel is aangetoond, hetzij gedurende verschillende

jaargetijden of in verschillende streken in genoegzame mate af te

wisselen om tot de werking daarvan aanleiding te geven. Want men moet

bedenken, dat elk voordeel gedurende zekere jaren of in zekere streken

behaald door die mannetjes welke in staat waren andere mannetjes te

overwinnen of het aantrekkelijkst voor de wijfjes waren, waarschijnlijk

op de jongen overgedragen en later niet geëlimineerd zou worden.

Gedurende de volgende jaargetijden, als wegens de gelijkheid der seksen

elk mannetje in staat was zich overal een wijfje te verschaffen, zouden

de vroeger voortgebrachte sterkere of meer aantrekkelijke mannetjes nog

een minstens even goede kans hebben om nakomelingen na te laten als de

minder sterke of minder aantrekkelijke.

Veelwijverij.—De gewoonte der veelwijverij (polygamie) leidt tot de

zelfde uitwerkselen die zouden volgen uit een werkelijke ongelijkheid

in het aantal der seksen; want als elk mannetje zich van twee of meer

wijfjes meester maakt, zullen vele mannetjes niet in staat zijn te

paren, en deze laatste zullen gewis de zwakkere en minder

aantrekkelijke individu’s zijn. Vele zoogdieren en eenige weinige

vogels leven in veelwijverij; bij tot de lagere klassen behoorende

dieren vond ik geen bewijzen van deze gewoonte. De verstandelijke

vermogens van dergelijke dieren zijn wellicht niet voldoende om hen er

toe te brengen een harem van wijfjes te verzamelen en te beschermen.

Dat er eenige betrekking bestaat tusschen veelwijverij en de

ontwikkeling van secundaire seksueele kenmerken, schijnt bijna zeker,

en dit ondersteunt de meening, dat een overwicht in getal van de

mannetjes uiterst gunstig zou zijn voor de werking der seksueele

teeltkeus. Toch vertoonen vele dieren, vooral vogels, die met slechts

een enkel wijfje leven, sterk uitgesproken secundaire seksueele

kenmerken, terwijl eenige weinige dieren die in veelwijverij leven,

dergelijke kenmerken niet bezitten.

Wij zullen eerst kortelijk de Klasse der Zoogdieren doorloopen en dan

tot de Vogels overgaan. De gorilla schijnt in veelwijverij te leven, en

het mannetje verschilt aanmerkelijk van het wijfje; evenzoo is het met

sommige bavianen, die in kudden leven, welke tweemaal zooveel volwassen

wijfjes als mannetjes bevatten. In Zuid-Amerika vertoont Mycetes Caraya

goed uitgedrukte seksueele kenmerken in zijn kleur, baard en

stemorganen en het mannetje leeft gewoonlijk met twee of drie wijfjes;

het mannetje van Cebus capucinus verschilt een weinig van het wijfje en

schijnt in veelwijverij te leven. [540] Weinig is in dit opzicht bekend

omtrent de meeste andere apen; maar sommige soorten leven met slechts

één wijfje (zijn monogaam). De Herkauwende Dieren zijn bij

uitnemendheid in veelwijverij levende dieren en zij vertoonen

veelvuldiger seksueele verschillen dan bijna eenige andere groep van

zoogdieren, vooral in hun wapens, maar eveneens in andere kenmerken. De

meeste soorten van herten, hoornvee en schapen leven in veelwijverij;

en ook de meeste antilopen, hoewel sommige dezer laatste met slechts

één wijfje leven. Sir Andrew Smith zegt, van de antilopen van

Zuid-Afrika sprekende, dat er in kudden van ongeveer een dozijn zelden

meer dan één volwassen mannetje was. De Aziatische Antilope Saïga

schijnt van alle dieren der wereld de veelwijverij het sterkst uit te

oefenen; want Pallas [541] verzekert, dat het mannetje alle mededingers

verjaagt en een kudde van ongeveer een honderdtal individu’s, uit

wijfjes en jongen bestaande, bijeenverzamelt: het wijfje bezit geen

horens en heeft zachter haar, maar verschilt overigens niet veel van

het mannetje. Het wilde paard leeft, zoowel op de Falklands-eilanden

als in de Westelijke Staten van Noord-Amerika, in veelwijverij, maar,

behalve door zijn aanzienlijker grootte en de verhoudingen van zijn

lichaam, verschilt de hengst slechts weinig van de merrie. Het mannetje

van het wilde zwijn vertoont in zijn slagtanden en sommige andere

punten goed uitgedrukte seksueele kenmerken; in Europa en in Indië

leidt het, behalve gedurende den paartijd, een eenzaam leven; maar

gedurende dien tijd leeft het in Indië met verscheidene wijfjes, naar

Sir W. Elliot, die veel ondervinding had in het waarnemen van dit dier,

gelooft; of dit ook in Europa doorgaat, is twijfelachtig, maar wordt

door sommige getuigenissen gesteund. De volwassen mannelijke Indische

olifant brengt, evenals het wilde zwijn, een groot deel van zijn tijd

in eenzaamheid door; maar als hij zich met andere vereenigt, „is het”,

volgens Dr. Campbell, „zeldzaam om meer dan één mannetje bij een

geheele kudde wijfjes te vinden.” De grootere mannetjes verjagen de

kleinere en zwakkere. Het mannetje verschilt van het wijfje door zijn

verbazende slagtanden en aanzienlijke lichaamsgrootte, kracht en

taaiheid; in deze laatste opzichten is het verschil zoo groot, dat men

de gevangen mannetjes twintig percent meer waard schat dan de wijfjes.

[542] Bij de andere Dikhuidige Dieren verschillen de seksen zeer weinig

of in het geheel niet, en zij leven, voor zoover ons bekend is, niet in

veelwijverij. Ook heb ik nooit gehoord, dat eenige soort in de orden

der Vledermuizen (Cheiroptera), Tandelooze Dieren (Edentata),

Knaagdieren en Insekteneters (Insectivora) in veelwijverij leefde,

behalve wellicht de gewone rat, van welke, naar sommige rattenvangers

verzekeren, de mannetjes met verscheidene wijfjes leven. Toch

verschillen de beide seksen van sommige luiaards (Edentata) in den aard

en kleur van het haar van zekere vlekken op hun schouders. [543] En

vele soorten van vledermuizen (Cheiroptera) vertoonen goed uitgedrukte

seksueele verschillen, vooral doordat de mannetjes geur verspreidende

klieren en zakken bezitten en lichter van kleur zijn. [544] In de

groote orde der Knaagdieren verschillen de seksen, zoover ik kan

nagaan, zelden, en als zij zulks doen, is het slechts door een

eenigszins andere kleur van den pels.

De leeuw leeft in Zuid-Afrika, naar ik van Sir Andrew Smith hoor,

somwijlen met een enkel wijfje, maar gewoonlijk met meer dan één, en

werd in één geval met niet minder dan vijf wijfjes gevonden, zoodat hij

in veelwijverij leeft. Hij is, zoover ik kan ontdekken, het eenige in

veelwijverij levende dier uit de geheele groep der Landroofdieren, en

tevens het eenige dat goed uitgedrukte seksueele kenmerken bezit.

Indien wij ons echter tot de Zeeroofdieren wenden, is het een geheel

ander geval; want vele soorten van zeehonden bieden, gelijk wij zullen

zien, buitengewoon groote seksueele verschillen aan, en zijn bij

uitnemendheid in veelwijverij levende dieren. Zoo bezit de mannelijke

zeeolifant van den zuidelijken oceaan, volgens Péron, altijd

verscheidene wijfjes, en men zegt dat de zeeleeuw van Forster altijd

door twintig tot dertig wijfjes wordt omringd. In het Noorden wordt de

Stellersche zeebeer zelfs door een nog grooter aantal wijfjes

vergezeld.

Wat de Vogels aangaat, leven vele soorten van welke de seksen veel van

elkander verschillen, gewis slechts met één wijfje. In Groot-Brittannië

zien wij bij voorbeeld goed uitgedrukte seksueele kenmerken bij de

wilde eend die met een enkel wijfje paart, bij de gewone merel of

zwarte lijster, en bij den goudvink, die, naar men zegt, levenslang met

het zelfde wijfje paart. Evenzoo is het, gelijk de heer Wallace mij

mededeelt, met de Snatervogels (Cotingidae) van Zuid-Amerika en

talrijke andere vogels. Bij verscheidene groepen was ik niet in staat

te ontdekken, of de soorten al dan niet in veelwijverij leven. Lesson

zegt, dat de paradijsvogels, die zoo opmerkelijk zijn wegens hun

seksueele verschillen, in veelwijverij leven; doch de heer Wallace

betwijfelt, of hij daarvoor bewijzen genoeg had. De heer Salvin meldt

mij, dat hij aanleiding heeft gevonden om te gelooven, dat de kolibri’s

in veelwijverij leven. Het schijnt zeker te zijn, dat de mannelijke

weduwvogel, opmerkelijk wegens zijn staartvederen, in veelwijverij

leeft. [545] De heer Jenner Weir en anderen hebben mij verzekerd, dat

niet zelden drie spreeuwen het zelfde nest bezoeken, maar of dit een

geval van veelwijverij (polygamie) of van veelmannerij (polyandrie) is,

is niet uitgemaakt.

De Hoenderachtige Vogels (Gallinaceae) vertoonen bijna even sterk

uitgedrukte seksueele verschillen als de paradijsvogels of kolibri’s,

en vele soorten daarvan leven, zooals algemeen bekend is, in

veelwijverij, terwijl andere uitsluitend met een enkel wijfje leven.

Welk een verschil tusschen de seksen bij den in veelwijverij levenden

pauw of fazant, en de met een enkel wijfje levende parelhoenders en

patrijzen! Vele dergelijke gevallen zouden kunnen worden vermeld,

gelijk in de afdeeling der Ruigpoothoenders, in welke de in

veelwijverij levende groote auerhaan en korhaan zeer van de wijfjes

verschillen, terwijl bij de met een enkel wijfje levende roode

Schotsche boschhoenders en sneeuwhoenders de seksen slechts weinig

verschillen. Onder de Loopvogels (Cursores) (1) vertoont geen groot

getal soorten sterk uitgedrukte seksueele kenmerken, behalve de

trapganzen, en men zegt, dat de groote trapgans (Otis tarda) in

veelwijverij leeft. Bij de Steltloopers (Grallatores) verschillen de

seksen bij zeer weinige soorten; maar de kemphaan (Machetes pugnax)

maakt hierop een sterke uitzondering, en Montagu gelooft, dat deze

soort in veelwijverij leeft. Het schijnt dus, dat er bij vogels

dikwijls een nauw verband bestaat tusschen veelwijverij en de

ontwikkeling van sterk uitgedrukte seksueele verschillen. Toen ik in

den Londenschen Dierentuin aan den heer Burlett, die zulk een groote

ondervinding omtrent vogels heeft, vroeg, of de mannelijke tragopan

(een der Hoenderachtige Vogels) in veelwijverij leeft, was ik getroffen

door zijn antwoord: „Ik weet het niet, maar ik denk van ja, wegens zijn

prachtige kleuren.”

Het verdient opmerking, dat het instinkt om met een enkel wijfje te

paren, gedurende de temming gemakkelijk wordt verloren. De wilde eend

leeft uitsluitend met één wijfje, de tamme eend oefent in hooge mate de

veelwijverij uit. De weleerw. heer W. D. Fox meldt mij, dat van sommige

half getemde wilde eenden, die men in een grooten vijver in zijn

nabuurschap hield, zoovele woerden door den boschwachter werden

doodgeschoten, dat er slechts één voor elke zeven of acht wijfjes

overbleef; toch werden ongewoon groote broedsels van jongen

voortgebracht. Het parelhoen leeft uitsluitend met één wijfje, doch de

heer Fox heeft bemerkt, dat hij met zijn vogels het voorspoedigst is,

als hij één haan op twee of drie hennen houdt. [546] De kanarievogels

leven in den natuurstaat paarsgewijze, maar de fokkers van vogels

zetten met goed gevolg één mannetje bij vier of vijf wijfjes; het

eerste wijfje wordt echter, naar men den heer Fox verzekerde, alleen

als wettige vrouw beschouwd, zij en haar jongen alleen worden door het

mannetje gevoed, de andere worden als bijwijven behandeld. Ik heb deze

gevallen opgeteekend, omdat daardoor eenigermate waarschijnlijk wordt

gemaakt, dat eenwijvige soorten in den natuurstaat gemakkelijk hetzij

tijdelijk of blijvend de gewoonte van veelwijverij zouden kunnen

aannemen.

Wat de Reptielen en Visschen aangaat, is er te weinig van hun gewoonten

bekend om ons in staat te stellen over hun huwelijkstoestanden te

spreken. Men zegt echter, dat de stekelbaars (Gasterosteus) in

veelwijverij leeft [547], en het mannetje verschilt gedurende den

rijtijd in ’t oog loopend van het wijfje.

Laten wij thans nog eens de middelen opsommen door welke, voorzoover

wij kunnen beoordeelen, de seksueele teeltkeus tot de ontwikkeling der

secundaire seksueele kenmerken heeft geleid. Wij hebben aangetoond, dat

het grootste aantal krachtige jongen zal worden voortgebracht door de

paring van de sterkste en best gewapende mannetjes, die andere

mannetjes hebben overwonnen, met de sterkste en best gevoede wijfjes,

die in de lente het eerst voor de voortplanting gereed zijn. Dergelijke

wijfjes zullen, als zij de aantrekkelijkste en terzelfdertijd

krachtigste mannetjes uitkiezen, een grooter aantal jongen voortbrengen

dan de achterlijke wijfjes, die met de minder krachtige en minder

aantrekkelijke mannetjes moeten paren. Evenzoo zal het gaan, als de

krachtigste wijfjes uitkiezen; en dit zal vooral doorgaan, indien het

mannetje het wijfje verdedigt en haar helpt om aan de jongen voedsel te

verschaffen. Het aldus door de krachtigste paren verkregen voordeel in

het voortbrengen van een grooter aantal nakomelingen is waarschijnlijk

voldoende geweest om de seksueele teeltkeus invloed te doen uitoefenen.

Een groot overwicht in getal van de mannetjes over de wijfjes zou

echter nog krachtiger hebben gewerkt; hetzij dat dit overwicht slechts

toevallig en plaatselijk, of blijvend was geweest, hetzij het bij de

geboorte reeds bestond, of dat het eerst later door de grootere sterfte

der wijfjes intrad; of dat het eindelijk een indirect gevolg was van de

gewoonte der veelwijverij.

Het Mannetje over het algemeen meer gewijzigd dan het Wijfje.—Door het

geheele Dierenrijk heên is het, wanneer de seksen in uiterlijk aanzien

van elkander verschillen, op weinige uitzonderingen na steeds het

mannetje dat voornamelijk is gewijzigd; want het wijfje blijft meer

gelijk aan de jongen van haar eigen soort en aan de andere leden van de

zelfde groep. De oorzaak daarvan schijnt hierin te liggen, dat de

mannetjes van bijna alle dieren sterker hartstochten hebben dan de

wijfjes. Vandaar komt het, dat het de mannetjes zijn, die te zamen

vechten en zich beijveren voor de wijfjes met hun bekoorlijkheden te

pronken, en diegene welke overwinnaars zijn, planten hun

voortreffelijkheid op hun mannelijke nakomelingen over. Waarom de

mannetjes hun kenmerken niet op beide seksen overplanten, zal later

worden overwogen. Dat de mannetjes van alle Zoogdieren met vurigheid de

wijfjes vervolgen, is iedereen bekend. Evenzoo is het met de Vogels;

maar vele mannelijke vogels vervolgen de wijfjes niet zoozeer, dan dat

zij in haar tegenwoordigheid met hun gevederte pronken, vreemdsoortige

vertooningen uitvoeren en hun zang aanheffen. Bij de weinige Visschen

die zijn waargenomen, schijnt het mannetje veel vuriger te zijn dan het

wijfje; evenzoo is het met de Alligators en waarschijnlijk ook met de

Vorschen (Batrachii) gelegen. Door de geheele verbazend groote klasse

der Insekten is het, gelijk Kirby opmerkt, „de wet, dat het mannetje

het wijfje moet zoeken.” Bij de Spinnen en Schaaldieren zijn, naar ik

van twee groote autoriteiten, de heeren Blackwall en C. Spence Bate

hoor, de mannetjes bedrijviger en leiden een meer zwervende levenswijze

dan de wijfjes. Als bij de Insekten en de Schaaldieren zintuigen of

bewegingswerktuigen bij de eene sekse aanwezig zijn, doch bij de andere

ontbreken, of als zij, zooals dikwijls het geval is, bij de eene hooger

ontwikkeld zijn dan bij de andere, is het bijna altijd het mannetje,

voorzoover ik kan nagaan, dat die organen heeft behouden, of ze in den

meest ontwikkelden toestand bezit, en dit bewijst, dat het mannetje bij

de vrijage der seksen het bedrijvigste lid is. [548]

Het wijfje daarentegen is, op zeer zeldzame uitzonderingen na, minder

vurig dan het mannetje. Gelijk de beroemde Hunter [549] lang geleden

opmerkte, „is het over het algemeen noodig, dat haar het hof wordt

gemaakt”: zij is ingetogen en men kan dikwijls zien, hoe zij gedurende

langen tijd haar best doet om aan het mannetje te ontsnappen. Iedereen

die op de gewoonten van dieren heeft gelet, zal zich voorbeelden

daarvan kunnen herinneren. Naar onderscheidene, later te vermelden

feiten en naar de uitwerkselen die men veilig aan seksueele teeltkeus

kan toeschrijven, te oordeelen, oefent het wijfje, hoewel

vergelijkenderwijze lijdelijk, over het algemeen eenige keus uit, en

geeft aan het eene mannetje de voorkeur boven het andere. Of wellicht

geeft zij, gelijk de schijn ons dikwijls zou doen gelooven, de voorkeur

niet aan het mannetje dat haar het meest aantrekt, maar aan dat hetwelk

haar het minst tegenstaat. De uitoefening van eenige keus van den kant

van het wijfje schijnt een bijna even algemeene wet als de vurigheid

van het mannetje.

Wij komen er nu van zelf toe om te onderzoeken, waarom het mannetje in

zoo vele en zoo sterk verschillende gevallen vuriger is geworden dan

het wijfje, zoodat hij haar zoekt en bij de vrijage de bedrijvigste rol

speelt. Er zou geen voordeel en zelfs eenig krachtverlies in zijn

gelegen, als beide seksen elkander wederkeerig moesten zoeken; maar

waarom moet het altijd het mannetje zijn dat zoekt? Bij planten moeten

de eitjes na de bevruchting een tijd lang worden gevoed; vandaar moet

het stuifmeel noodzakelijk naar de vrouwelijke organen gevoerd en door

de tusschenkomst van insekten of van den wind of door de spontane

bewegingen der meeldraden, en bij de Algen enz. door het

bewegingsvermogen der antherozoïden op den stempel worden gebracht (2).

Bij laag georganiseerde dieren die voortdurend op de zelfde plaats

bevestigd blijven en gescheiden seksen bezitten, wordt steeds het

mannelijk element naar het vrouwelijke gebracht, en wij kunnen de reden

daarvan inzien; want de eieren kunnen, zelfs als zij vóór de

bevruchting worden losgemaakt en geen latere voeding en bescherming

vereischen, wegens hun betrekkelijk aanzienlijker grootte minder

gemakkelijk worden verplaatst dan het mannelijk element. Vandaar komen

de planten [550] en vele lagere dieren in dit opzicht overeen. Daar de

mannetjes van vastzittende dieren er dus toe zijn gekomen om hun

bevruchtend element uit te werpen, is het natuurlijk, dat eenige hunner

nakomelingen, die hooger klommen op de ladder en het vermogen verkregen

om van plaats te veranderen, de zelfde gewoonte moesten behouden en

dicht tot het wijfje moesten naderen, opdat het bevruchtende element

het gevaar niet zou loopen van een langen weg door het zeewater af te

leggen. Bij eenige weinige der lagere dieren zijn alleen de wijfjes

vastzittend en bij deze moet het mannetje haar zoeken. Wat de vormen

aangaat, wier voorouders geen vastzittende dieren waren, is het

moeilijk te begrijpen, waarom het altijd de mannetjes moesten zijn, die

de gewoonte verkregen om naar de wijfjes toe te komen, in plaats dat

deze laatste naar hen toe kwamen. In alle gevallen echter zou het,

opdat de mannetjes met goed gevolg zouden zoeken, noodzakelijk zijn,

dat zij met sterke hartstochten waren begiftigd; en het verkrijgen van

dergelijke hartstochten moest daaruit volgen, dat de vurigste mannetjes

meer nakomelingen nalieten dan de minder vurige.

De groote vurigheid van het mannetje heeft aldus indirect geleid tot de

veelvuldiger ontwikkeling van secundaire seksueele kenmerken bij het

mannetje dan bij het wijfje. De ontwikkeling van dergelijke kenmerken

zal echter, indien het besluit te vertrouwen is, waartoe ik door het

bestudeeren der tamme dieren ben gekomen, zeer zijn bevorderd, doordat

het mannetje meer aanleg tot variatie heeft dan het wijfje. Von

Nathusius, die zeer groote ondervinding hieromtrent had, is van de

zelfde meening. [551] Ik weet, hoe moeilijk het is een dergelijk

besluit te verificeeren. Eenige geringe bewijzen daarvoor kunnen echter

worden verkregen door de vergelijking der beide seksen van den mensch,

daar de mensch zorgvuldiger is bestudeerd dan eenig ander dier.

Gedurende de Novara-expeditie [552] werd een groot aantal metingen van

onderscheidene lichaamsdeelen bij verschillende rassen gedaan, en in

bijna ieder geval vond men, dat de mannen een grootere verscheidenheid

vertoonden dan de vrouwen; op dit onderwerp zal ik echter in een

volgend hoofdstuk moeten terugkomen. De heer J. Wood [553], die

zorgvuldig de variaties in het spierstelsel bij den mensch heeft

nagegaan, heeft met cursieve letters zijn besluit doen drukken, dat

„het grootste aantal abnormale vormen bij een enkel persoon bij de

mannen wordt gevonden.” Hij had te voren opgemerkt, dat „bij elkander

gerekend op een aantal van 102 personen de afwijkingen door het bezit

van overtallige deelen werden bevonden de helft veelvuldiger te zijn

bij mannen dan bij vrouwen, hetgeen een sterke tegenstelling vormt met

het te voren beschreven veelvuldiger voorkomen van afwijkingen door het

ontbreken van deelen bij vrouwen.” Prof. Macalister merkt eveneens op

[554], dat variaties in het spierstelsel, „waarschijnlijk algemeener

bij mannen dan bij vrouwen voorkomen.” Zekere spieren die bij den

mensch in normalen toestand niet aanwezig zijn, komen ook veelvuldiger

bij de mannelijke dan bij de vrouwelijke sekse tot ontwikkeling, hoewel

men zegt, dat uitzonderingen op dezen regel voorkomen. Dr. Burt Wilder

[555] heeft een tabel gemaakt van 152 gevallen van individu’s met

overtallige vingers, van welke 86 mannen en 39, of de helft minder,

vrouwen waren; van de overige 27 was de sekse niet bekend. Men zie

echter niet voorbij, dat vrouwen veelvuldiger een dergelijke misvorming

zullen trachten te verbergen dan mannen. Ook verzekert Prof. L. Meyer,

dat de ooren van den man verschillender van vorm zijn dan die van de

vrouw. [556] Eindelijk is de temperatuur bij den man meer variabel dan

bij de vrouw. [557]

De oorzaak waarom de algemeene variabiliteit bij de mannelijke sekse

grooter is dan bij de vrouwelijke, is onbekend, uitgezonderd in zoover

als secundaire seksueele kenmerken uiterst variabel en gewoonlijk tot

de mannetjes beperkt zijn; en, gelijk wij nu zullen zien, is dit feit

tot op zekere hoogte begrijpelijk. Door de werking der seksueele

teeltkeus zijn de mannelijke dieren in zeer vele gevallen zeer

verschillend van hun wijfjes gemaakt; maar, onafhankelijk van

teeltkeus, hebben de beide seksen, omdat ze constitutioneel

verschillen, een neiging om op eenigszins verschillende wijze te

varieeren. Het wijfje moet veel organische stof besteden tot de vorming

van haar eieren, terwijl het mannetje veel kracht besteedt in de

woedende gevechten met zijn medeminnaars, in het rondloopen om het

wijfje te zoeken, het gebruiken van zijn stem, het afscheiden van

welriekende stoffen enz.; en dit verbruik heeft over het algemeen

geheel en al plaats gedurende een korten tijd van het jaar. De grootere

kracht van het mannetje gedurende het jaargetijde der liefde schijnt

dikwijls zijn kleuren levendiger te maken, onafhankelijk van eenig

verschil van beteekenis met het wijfje. [558] Bij den mensch, en zelfs

bij dieren die zoo laag op de ladder staan als de Schubvleugelige

Insekten (Lepidoptera), is de temperatuur van het mannetje hooger dan

die van het wijfje, hetgeen in het geval van den mensch gepaard gaat

met een langzamer pols. [559] Over het geheel is het gebruik van stof

en kracht door de beide seksen waarschijnlijk ongeveer gelijk, hoewel

het geschiedt op zeer verschillende wijzen.

Wegens bovengenoemde oorzaken kan het moeilijk anders, of de beide

seksen moeten een weinig in gestel (constitutie) verschillen, ten

minste gedurende den paartijd; en, hoewel zij aan volkomen de zelfde

levensvoorwaarden mogen zijn onderworpen, zullen zij een neiging hebben

op verschillende wijze te varieeren. Indien dergelijke variaties voor

geen van beide seksen nuttig zijn, zullen zij niet worden opeengehoopt

of vermeerderd door seksueele of natuurlijke teeltkeus. Desniettemin

kunnen zij blijvend worden, indien de oorzaak waarvan zij het gevolg

zijn, bestendig blijft werken; en in overeenstemming met een veelvuldig

voorkomenden vorm van erfelijkheid kunnen zij worden overgeërfd alleen

door die sekse bij welke zij het eerst zijn verschenen. In dit geval

zullen de seksen bestendige, maar toch onbelangrijke verschillen in hun

kenmerken gaan vertoonen. De heer Allen toont bij voorbeeld aan, dat

bij een groot aantal vogels die de noordelijke en zuidelijke Vereenigde

Staten bewonen, de voorwerpen uit het Zuiden donkerder gekleurd zijn

dan die uit het Noorden; en dit schijnt een rechtstreeksch gevolg te

zijn van het verschil in temperatuur, licht enz., tusschen die beide

streken. Nu schijnen in eenige weinige gevallen de beide seksen van een

zelfde soort verschillend te zijn aangedaan, bij Ageloeus phoeniceus

zijn bij de mannetjes de kleuren in het Zuiden veel sterker geworden;

terwijl bij Cardinalis virginianus zulks juist bij de wijfjes heeft

plaats gehad; bij Quiscalus major zijn de wijfjes uiterst variabel van

tint geworden, terwijl de mannetjes nagenoeg eenvormig bleven. [560]

Bij onderscheidene Klassen van dieren komen eenige weinige

exceptioneele gevallen voor, waarin niet het mannetje, maar het wijfje

goed uitgedrukte secundaire seksueele kenmerken, zooals levendiger

kleuren, grooter gestalte, sterkte of strijdlustigheid, bezit. Bij

vogels heeft er, zooals wij later zullen zien, dikwijls een volkomen

omkeering in de gewoonlijk aan elke sekse eigen kenmerken plaats gehad,

daar de wijfjes het vurigst bij de vrijage zijn geworden en de

mannetjes daarbij vergelijkenderwijze lijdelijk blijven, doch

blijkbaar, voor zoover wij zulks uit de uitwerkselen mogen afleiden, de

aantrekkelijkste wijfjes hebben uitgezocht. Zekere vrouwelijke vogels

hebben op die wijze fraaier kleuren en andere versierselen gekregen,

zijn sterker en strijdlustiger dan het mannetje geworden, terwijl deze

kenmerken alleen op de vrouwelijke nakomelingen worden overgeplant.

Men zou kunnen onderstellen, dat in sommige gevallen een dubbel proces

van teeltkeus heeft plaats gehad, daar de mannetjes de aantrekkelijkste

wijfjes, en deze laatste de aantrekkelijkste mannetjes uitkozen. Hoewel

dit proces zou kunnen leiden tot wijziging van beide seksen, zou het de

eene sekse niet verschillend maken van de andere, wanneer hun

schoonheidsgevoel ten minste niet verschilde, maar deze onderstelling

is te onwaarschijnlijk in het geval van eenig dier, uitgezonderd den

mensch, om overweging te verdienen. Er zijn echter vele dieren bij

welke de seksen op elkander gelijken en beide met de zelfde

versierselen zijn voorzien, welke de analogie ons zou doen besluiten om

aan de werking der seksueele teeltkeus toe te schrijven. In dergelijke

gevallen zou het een zeer aannemelijke onderstelling schijnen, dat er

een dubbel of wederkeerig proces van seksueele teeltkeus heeft plaats

gehad, de sterkste en vroegst ontwikkelde wijfjes de aantrekkelijkste

en krachtigste mannetjes hebben uitgekozen, en deze laatste alle

wijfjes behalve de aantrekkelijkste hebben versmaad. Bij al wat wij van

de gewoonten der dieren weten, is deze onderstelling echter niet zeer

waarschijnlijk, daar het mannetje over het algemeen vurig met elk

wijfje verlangt te paren. Het is waarschijnlijker, dat de aan beide

seksen gemeen zijnde versierselen door ééne sekse, over het algemeen

het mannetje, werden verkregen, en daarna op beide seksen werden

overgeplant. Indien nochtans gedurende een lang tijdperk de mannetjes

van de eene of andere soort de wijfjes sterk in aantal hadden

overtroffen, en daarna gedurende een ander lang tijdperk onder

verschillende omstandigheden het omgekeerde was geschied, zou er

gemakkelijk een dubbel, maar niet gelijktijdig proces van seksueele

teeltkeus plaats kunnen hebben gehad, waardoor de beide seksen zeer

verschillend zouden kunnen zijn gemaakt.

Wij zullen later zien, dat er vele dieren bestaan, bij welke geen van

beide seksen prachtig gekleurd of van bijzondere versierselen is

voorzien, en toch de leden van beide seksen, of van een enkele sekse

waarschijnlijk door seksueele teeltkeus zijn gewijzigd. De afwezigheid

van levendige kleuren of andere versierselen kan het gevolg daarvan

zijn, dat zich nooit afwijkingen van de goede soort hebben voorgedaan,

of dat de dieren zelf de voorkeur geven aan eenvoudige kleuren, zooals

effen zwart of wit. Donkere kleuren zijn dikwijls door natuurlijke

teeltkeus ter wille van de bescherming verkregen, en het verkrijgen van

levendige kleuren door seksueele teeltkeus kan door het daardoor

geloopen gevaar zijn tegengehouden. In andere gevallen hebben de

mannetjes waarschijnlijk gedurende lange eeuwen met elkander gestreden,

door ruwe kracht of door het pronken met hun bekoorlijkheden of door

beide middelen tegelijk, en toch zal er geen uitwerking zijn

voortgebracht, tenzij door de voorspoedigste mannetjes een grooter

nakomelingschap werd nagelaten om hun meerdere voortreffelijkheid te

erven, dan door de minder voorspoedige mannetjes, en dit hangt, gelijk

vroeger is aangetoond, van verschillende ingewikkelde omstandigheden

af.

De seksueele teeltkeus werkt op minder strenge wijs dan de natuurlijke.

Deze laatste brengt haar uitwerkselen voort door het leven of den dood

op alle leeftijden van de meerder of minder voorspoedige individu’s.

Nochtans is niet zelden de dood het gevolg van de gevechten tusschen

mededingende mannetjes. Over het algemeen echter slaagt het minder

voorspoedige mannetje er alleen niet in om een wijfje te verkrijgen, of

verkrijgt eerst later in het jaargetijde een achterlijk en minder sterk

wijfje, of, als hij in veelwijverij leeft, verkrijgt hij minder

wijfjes, zoodat hij minder of zwakker of in het geheel geen

nakomelingen achterlaat. Wat bijzonderheden van maaksel aangaat, die

door gewone of natuurlijke teeltkeus zijn verkregen, is er in de meeste

gevallen, zoolang de levensvoorwaarden de zelfde blijven, een grens

voor de hoegrootheid der voordeelige wijziging met betrekking tot het

eene of andere doel; maar wat bijzonderheden van maaksel aangaat, die

geschikt zijn om het eene mannetje overwinnaar van het andere te maken,

hetzij in het gevecht of in het bekoren van het wijfje, is er geen

bepaalde grens voor de hoegrootheid der voordeelige wijziging, zoodat,

zoolang zich geschikte variaties voordoen, de seksueele teeltkeus zal

voortgaan te werken. Deze omstandigheid kan wellicht gedeeltelijk

rekenschap geven van de veelvuldige en buitengewoon groote

variabiliteit der secundaire seksueele kenmerken. Toch zal de

natuurlijke teeltkeus veroorzaken, dat de overwinnende mannetjes geen

dergelijke kenmerken kunnen verkrijgen, die voor hen in eenigszins

groote mate nadeelig zouden zijn, hetzij omdat zij hun levenskrachten

te veel uitputten, of hen aan het eene of andere groote gevaar

blootstellen. De ontwikkeling van zekere deelen—bij voorbeeld van de

horens van sommige soorten van herten—is echter tot een verwonderlijk

uiterste gedreven; en in sommige gevallen tot een uiterste dat, voor

zoover de algemeene levensvoorwaarden aangaat, eenigszins nadeelig voor

het mannetje moet zijn. Wij leeren hieruit, dat de voordeelen die

begunstigde mannetjes hebben verkregen door andere mannetjes in het

gevecht of in de vrijage te overwinnen, op den langen duur grooter zijn

geweest, dan die welke voortvloeiden uit iets betere geschiktheid voor

de uitwendige levensvoorwaarden. Wij zullen later zien, en dit zou men

nimmer vooruit hebben kunnen vermoeden, dat het vermogen om het wijfje

te bekoren in eenige weinige gevallen belangrijker is geweest dan dat

om andere mannetjes in het gevecht te overwinnen.

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2) · 第 95 / 111 题