Uit de boven gegeven uiteenzetting volgt, dat de mensch, uitgaande van
een oorspronkelijk vaderland, waarvan de juiste plaats niet te bepalen
is, maar dat om vele redenen moet worden geacht waarschijnlijk in het
hooge Noorden te hebben gelegen, zich straalsgewijze in verschillende
richtingen heeft verspreid; dat zijn verhuizingen over het algemeen
plaats hadden van het Noorden naar het Zuiden en dat zij rassen hebben
doen ontstaan, waarvan de oudste het verste naar het Zuiden trokken en
het minst ontwikkeld waren. De hoogere rassen waren die, welke, later
verhuizende en zich vestigende in streken met bijzonder gunstig
klimaat, langzamerhand zijn opgeklommen tot hetgeen wij beschaving
noemen.
De Mortillet heeft zich met dit onderwerp beziggehouden, en overtuigd,
dat de bestaande menschheid slechts een resultante en de laatste term
is van een reeks achtereenvolgende transformaties, onderscheidt hij
verschillende menschensoorten: de tertiaire mensch, de quaternaire
mensch, de tegenwoordige mensch. De mensch van het oudste gedeelte van
het Quaternaire Tijdvak, waarvan in het Neanderdal, te Denise [517], te
Cannstatt, Spy enz. overblijfselen zijn gevonden, schijnt hem zoo
verschillend van de tegenwoordige menschen, dat hij er hem niet slechts
van scheidt, maar zelfs voor de tijden, voorafgaande aan het
Quaternaire Tijdvak, een bijzondere soort van menschen of
pseudo-menschen onderscheidt. [518] Dit waren, gelijk hij het uitdrukt,
„voorloopers van den mensch”, waaraan hij den veelbeteekenenden naam
van anthropopithecus of „mensch-aap” geeft, omdat hij gelooft, dat zij
in de reeks der wezens aan den mensch voorafgingen, en een type
vormden, dat het midden hield tusschen de tegenwoordig levende
anthropomorphe apen en den mensch. Wij moeten ze ons voorstellen als
wezens, die hoog genoeg stonden boven den gorilla en den chimpanzee om
vuursteen ruw te kunnen bewerken [519] en het vuur te gebruiken, doch
niet in staat waren om zich uit zich zelven boven dien trap van
verstandelijke ontwikkeling te verheffen en een wezenlijk mensch te
worden, als een ras dus, dat tot de Bosjesmannen en Tasmaniërs ongeveer
in de zelfde verhouding stond als deze tot ons. Deze hypothese is door
ons, onafhankelijk van de Mortillet, reeds vroeger uitgesproken (zie
aanteekening 11, blz. 295). Wij stellen ons die menschapen echter voor
als nauw verwant met den stam waaruit de eigenlijke mensch zich heeft
ontwikkeld, of wellicht zelfs identiek met dien stam, zoodat wij hun
den aanleg tot hoogere ontwikkeling geenszins ontzeggen (gelijk de
Mortillet wel schijnt te doen) en houden hen dan zelfs voor een
onmisbaren schakel in den stamboom van den mensch. Zulk een vorm moet
eens hebben bestaan. Zelfs al vond men nimmer overblijfselen van hem of
van zijn werktuigen of wapenen, vloeit zulks met logische
noodzakelijkheid uit Darwin’s theorie van de afstamming van den mensch
voort! Een geheel verschillende vraag is of die vorm in Frankrijk en
Portugal voorkwam en reeds in de miocene periode met de anthropomorphen
van St. Gaudens leefde.
Wij worden er zoodoende toe geleid om te onderzoeken of de vuursteenen,
door den abt Bourgeois te Thénay verzameld, en die welke later in
Portugal zijn verzameld, wezenlijk bewerkt zijn, dan wel of het
eenvoudig splinters en natuurlijke brokstukken zijn, die men bij
vergissing voor met voordacht vervaardigde werktuigen heeft aangezien.
Thénay, waar de oudste dezer vuursteenen zijn ontdekt, behoort tot de
onderste miocene formatie welke lager ligt dan die van Sansan, waarin
men de overblijfselen van anthropomorphen heeft gevonden, van welke wij
hebben gesproken. Het bestaan (op die breedte natuurlijk) van den
rhinoceros te dier tijde is nog twijfelachtig, de mastodons waren nog
niet verschenen, de olifanten waren nog ver weg, de hipparions, de
voorloopers van het paard, zouden niet dan lang daarna verschijnen. De
buideldieren waren verdwenen en de verscheurende dieren werden alleen
vertegenwoordigd door typen die het midden hielden tusschen
tegenwoordig levende geslachten. Geen der diervormen welke den mensch
op zijn vroegste tochten zouden vergezellen, en die hij zou moeten
bestrijden, of aan zich onderwerpen, had zich nog vertoond. En toch zou
de mensch moeten worden geplaatst in deze hem vreemde omgeving, in die
wereld, welke als het ware nog slechts de embryo was van de
tegenwoordige, en zou hij alleen soortelijk niet veranderd zijn! A
priori bestaat dus weinig waarschijnlijkheid, dat destijds echte
menschen hebben geleefd. Maar hun voorganger dan, soortelijk van den
tegenwoordigen mensch verschillende en op een lageren trap staande dan
hij? Om van diens bestaan in Frankrijk en Portugal tijdens de miocene
periode volkomen overtuigd te worden, zouden meer bewijzen noodig zijn,
dan men ons heeft geleverd,—eenige weinige vuursteenen, die wellicht
met voordacht bewerkt zijn, te midden van vele duizenden andere! Het is
iets, maar niet genoeg, met het oog op de menigte onwaarschijnlijkheden
die ons weêrhouden vertrouwen te stellen in dergelijke aanwijzingen.
Gaudry wijst er ook op, dat wanneer men de gerolde en zoogenaamd
bewerkte vuursteenen uit den miocenen kalksteen van Thénay in groot
aantal naast elkander legt, de grens tusschen beide soorten moeilijk is
aan te wijzen.
De tertiaire bewerkte vuursteenen welke men in Portugal heeft gevonden,
komen uit een ongetwijfeld tertiaire zoetwatervorming uit de miocene
periode. De Portugeesche flora van dien tijd werd gekenmerkt door de
aanwezigheid van olmen, populieren, kaneelboomen, saponaria’s en
tamarinden, welke bewijzen, dat er in Europa een zacht en gelijkmatig
klimaat heerschte, waarin de mensch zeer gunstige voorwaarden voor zijn
ontwikkeling zou hebben gevonden. Wanneer wij echter beproeven te
bewijzen, dat hij daar toenmaals bestond, kunnen wij niets aanvoeren
dan een laag zandsteen, waarin stukken kiezel voorkomen, gedeeltelijk
gebroken, die onderworpen is geweest aan latere afspoelingen en
atmospherische invloeden, die de tallooze kiezelsplinters verklaren,
waarmede de grond bedekt is, en waaruit die, welke men meent dat sporen
van bewerking vertoonen, na lang zoeken zijn uitgezift. Cazalis de
Foudouce, die lid was van het Praehistorisch Congres te Lissabon in
1880—iemand van erkende bevoegdheid omtrent dergelijke zaken—bezocht de
miocene beddingen van Monte Redondo, en rechtvaardigt zijn
ongeneigdheid om een bepaalde opinie uit te spreken over het al- of
niet bewerkt zijn van de zeer weinige vuursteenen, welke het mogelijk
is te vergelijken met die uit de zoogenaamde Moustier periode
(waaromtrent later), door te wijzen op de ontblootingen, verschuivingen
en verwoestingen, welke de lagen hebben ondergaan. Het is niet
onmogelijk, dat de steenen door den mensch of zijn voorlooper bewerkt
zijn. Een daarvan schijnt gevonden te zijn in een laag, die sedert haar
vorming onaangeroerd was gebleven; maar, al geeft men dit toe, is het
dan niet beter te wachten dan zulk een groot vraagstuk maar kortweg in
eens en zonder rechtstreeksch bewijs te beslissen? De Mortillet zelf
bevestigt niets rechtstreeks dan de echtheid der vuursteenwerktuigen.
Hij voegt er bij, dat hun geringe grootte hem doet gelooven, dat de
wezens welke ze maakten, geen wezenlijke menschen kunnen zijn geweest.
Den twijfel, dien hij terecht oppert omtrent de makers, breiden wij uit
tot de werktuigen, en wachten op de resultaten van toekomstige
ontdekkingen, vóór wij het vraagstuk als opgelost beschouwen. Blijkt
dan echter met zekerheid, dat in de miocene lagen van Zuid-Europa
bewerkte vuursteenen voorkomen, dan houden wij het er stellig voor, dat
zij afkomstig zijn van wezens, hooger staande dan de anthropomorphen,
maar lager dan de echte mensch en soortelijk van dezen verschillende,
en dat deze wezens verwant (of wellicht identiek) waren met de soort,
waaruit de echte mensch zich ontwikkeld heeft.
Het wordt nog moeielijker de miocene, zoogenaamde bewerkte steenen te
beschouwen als bewijzen van het bestaan van den echten mensch in
Zuid-Europa gedurende het Tertiaire Tijdvak, als wij zien, hoe helder
licht de te Chelles (bij Parijs) gevonden overblijfselen op den mensch
van de volgende periode werpen, welke de Mortillet „période Chelléenne”
noemt, en die de oudste uit het Quaternaire Tijdvak is. De mensch bezat
in die periode een blijkbare nijverheid—primitief wel is waar; want zij
bestaat alleen in het vervaardigen van een enkele soort van werktuigen,
maar deze zijn toch door hun vorm en grootte zoo duidelijk
kunstproducten, dat zelfs de meest bevooroordeelde geest geen oogenblik
kan betwijfelen, dat zij van één en het zelfde ras afkomstig zijn. De
te Chelles gevonden bewerkte vuursteenen zijn zelfs karakteristieker
dan die van St. Acheul, waar dergelijke in zoo groot aantal zijn
gevonden. De Elephas antiquus van Falconer, de waarschijnlijke stamvorm
van den Afrikaanschen olifant en de voorganger van den mammouth in
Europa, wordt uitsluitend te Chelles te zamen met door den mensch
vervaardigde werktuigen gevonden, terwijl te St. Acheul de mammouth
veelvuldiger wordt gevonden, hoezeer de andere soort niet ontbreekt. De
mensch uit de „periode van Chelles” zag dus twee soorten van olifanten
voor elkander plaats maken. Waarschijnlijk veranderde ook langzamerhand
het klimaat en werd het kouder, zonder echter de levenswijze en
nijverheid van den mensch te veranderen. Op den duur bleef echter de
werking van de physiologische en biologische gebeurtenissen waarvan
Europa het tooneel werd, invloed op den quaternairen mensch uitoefenen
en het ras van Chelles, overgaande in dat van Moustier, veranderde
langzamerhand zijn levenswijze en leerde andere werktuigen
vervaardigen. Deze ontwikkeling behoeft volstrekt niet plotseling in
haar werk te zijn gegaan, daar zij het gevolg was van de eischen van
een zeer langzaam kouder wordend klimaat. In den beginne waren de
dieren, planten en klimaat die van het tegenwoordige Noord-Afrika, en
waren de levensomstandigheden voor den mensch uitstekend. De mensch van
Chelles leefde in de open lucht, wellicht in hutten van licht
vlechtwerk, maar woonde niet in holen en was niet gewoon zijn dooden te
begraven. Deze feiten verklaren den overvloed van werktuigen uit dien
tijd in aanslibbingen, het ontbreken daarvan in de holen, waarin de
mensch in de volgende perioden een schuilplaats zocht, en de zeer
groote zeldzaamheid van menschenbeenderen. Het groote aantal
werktuigen, in verschillende deelen van Frankrijk gevonden, geven den
indruk van een werkzame en dichte bevolking, wier vreedzame uitbreiding
gedurende vele eeuwen door geen ongelukkige gebeurtenissen werd
verhinderd. Door het vinden van geheel gelijksoortige steenen
werktuigen (behalve dat de steensoort natuurlijk verschilt, al naar de
petrographische gesteldheid der vindplaatsen) heeft men sporen van dit
zelfde menschenras teruggevonden in België, Engeland, Moravië,
Duitschland, Spanje Portugal, Italië, Barbarije, Egypte, en zelfs aan
de Kaap de Goede Hoop en in Noord-Amerika in de Delaware vallei
(New-Jersey) en 4000 kilometers westelijker in het bekken van Bridger
(Wyoming op 40° à 44° N.B.).
Het menschenras van Chelles is dus, even voor het klimaat van het
ijstijdperk zich in Europa begon te doen gevoelen, van uit het Noorden
tegelijkertijd Europa en Noord-Amerika binnengetrokken en in beide tot
de zelfde breedte doorgedrongen. [520] De Noordzee was destijds nog
droog land en Engeland met Europa verbonden.
De amandelvormige werktuigen uit de „periode van Chelles” mogen,
volgens de Mortillet, geenszins als eigenlijke bijlen worden beschouwd.
Ongeschikt om aan een steel te worden bevestigd, hield men ze in de
hand vast, waarin ze juist pasten en waarvan het gewicht er door werd
vergroot, terwijl de punt er uit te voorschijn kwam; de Mortillet geeft
ze daarom den naam van „coup de poing.” Zij konden, al naar de
omstandigheden, worden gebruikt als wapen (een soort van dolk) of als
universaal-instrument, dat onvolkomen onze bijl, mes, beitel, zaag,
boor enz. verving. Het hoofdwapen van het ras was waarschijnlijk een
knots, waarvan alle sporen natuurlijk zijn verdwenen.
De langzame ontwikkeling van de verdeeling van den arbeid schijnt
plaats te hebben gehad in de volgende periode, die van Moustier, welke
zich aan die van Chelles nauw aansluit, doch in welke de werktuigen,
hoewel minder zorgvuldig afgewerkt, toch getuigen van meer bekwaamheid,
een snellere bewerking en een meer op nuttigheid lettenden geest. De
werktuigen van deze periode zijn verschillender van vorm en meer tot
bijzondere doeleinden ingericht. Het klimaat was strenger geworden; de
gletschers hadden bijna hun grootste uitgebreidheid bereikt; en de
mensch uit de „periode van Moustier” was genoodzaakt een schuilplaats
te zoeken in holen, waarin de overblijfselen van zijn nijverheid even
veelvuldig worden aangetroffen als daarbuiten. In andere opzichten
schijnt het ras en de periode van Moustier eenvoudig een voortzetting
te zijn geweest van die van Chelles. Alleen ondervond de mensch, onder
den drang van nieuwe noodzakelijkheden, behoeften welke hij vóór dien
tijd niet had gekend. Hij moest arbeidzamer worden. De groote dieren
waren in aantal toegenomen, hij moest zich voor zijn verdediging
wapenen en werd een jager.
Daar men zich geen moeite gaf om aan de dooden een blijvend graf te
verschaffen, kunnen wij niet verwachten vele beenderen van deze oudste
rassen te vinden. Mogelijk plaatsten zij de lijken op boomen, of in op
palen gebouwde hutten, gelijk sommige Indiaansche stammen heden nog
doen, en dat zou een reden te meer zijn, waarom hun overblijfselen zijn
verdwenen. De twijfelachtige overblijfselen van geraamten daargelaten,
vindt de Mortillet slechts eenige weinige beenderen, die geacht kunnen
worden van den mensch uit de periode van Chelles afkomstig te zijn. Zij
behooren allen tot het ras, dat de Quatrefages en Hamy op zuiver
anatomische gronden, als een bijzonder uitgestorven menschenras
beschreven, en waaraan zij den naam van „ras van Cannstatt” hebben
gegeven, naar den schedel, daar ter plaatse met olifantsbeenderen te
zamen gevonden in 1790. Deze schedel, de schedel van Eguisheim bij
Colmar, de beenderen van Spy, van Denise, de Neanderdalschedel, die van
Gibraltar, de kaak van la Naulette, die uit het Schipkahol, zijn schier
al wat wij er van bezitten, en wij moeten erkennen dat zulks zeer
weinig is. Genoeg echter om ons het ras in algemeene trekken voor te
stellen en aan te toonen, dat het lager stond dan de Bosjesmannen,
Nieuw-Hollanders en Tasmaniërs, ja volgens de Mortillet meer beneden
hen dan deze beneden de Europeanen staan. De Mortillet gelooft, dat het
ras van Cannstatt oploopend, ruw en strijdlustig was, en gaat zoover
van het het bezit van een gearticuleerde spraak te ontzeggen. Dit is
alles wat wij met eenige zekerheid weten van de oudste bewoners van
Europa en van hun geschiedenis. Het gelijktijdig optreden van het ras
van Cannstatt of Chelles in een zoo groot aantal zoo ver uiteengelegen
streken, doet het denkbeeld oprijzen, dat het, ten minste
oorspronkelijk, niet een bijzonder ras, maar den gemeenschappelijk
stamvorm van alle latere rassen vertegenwoordigde, die zich op
verschillende manieren zou wijzigen, toen hij zich op verschillende
plaatsen vestigde, waar hij aan uiterst verschillende levensvoorwaarden
zou zijn onderworpen. „Zijn bloed ging dus over in alle latere rassen
en kan zich”, zegt de Mortillet, „zelfs in den tegenwoordigen tijd door
het verschijnen van atavismen openbaren.” Het ras van Cannstatt was dus
het origineel van hetgeen volgde. Steeds meer zuidwaarts
voorttrekkende, heeft het de aarde bevolkt en is in allerlei locale
rassen en stammen verdeeld geworden. [521] De periode van Moustier
vertegenwoordigt in Europa het tweede bedrijf, en de perioden, volgende
op die van Moustier, welke de Mortillet (naar plaatsen, waar in
Frankrijk typische overblijfselen daaruit zijn gevonden) die van de
Solutré [522] en van la Madeleine [523] heeft genoemd, stemmen overeen
met de tijden, waarin de mensch, zich op bepaalde plaatsen gevestigd
hebbende, zich langzamerhand wijzigde, en in verschillende opzichten de
specifieke kenmerken verkreeg, waardoor die rassen zich onderscheidden,
hoedanigheden ontwikkelde, even verschillend als zijn woonplaatsen, en
achtereenvolgens bleef staan op allerlei verschillende sporten van de
ladder welke hij bestemd was te beklimmen, maar die hem alleen kon
leiden tot de volle uitoefening zijner edelste vermogens op voorwaarde
dat hij tot haar hoogste sport zou doorklimmen.
„De periode van Solutré” is slechts een kort overgangstijdperk, dat ons
snel tot die van la Madeleine brengt, en schijnt meer een locale, dan
een algemeene ontwikkeling te hebben vertegenwoordigd. Beide perioden
zijn de uitdrukking van de steeds toenemende koude van het ijstijdperk,
gedurende hetwelk de groote dikhuidige dieren langzamerhand verdwenen
door de toenemende ruwheid van het klimaat, en het rendier en het paard
zich vermenigvuldigden en de plaats daarvan innamen. Het rendier trok
uit het Noorden naar Midden-Europa, schoon het de zuidelijke deelen
daarvan niet bereikte, in talrijke verscheidenheden, die echter alle
met de nog bestaande rendieren van Lapland verwant waren. Van het paard
zijn minstens twintigduizend, mogelijk veertigduizend geraamten te
Solutré gevonden. Geen van beide dieren was toen getemd, en de hond was
nog onbekend. De mensch bemachtigde de dieren op de jacht, hetzij door
hen te dooden, hetzij door hen gebonden mede naar zijn woonplaats te
voeren. De mammouth was een soort van legendair wezen geworden, in het
diepste der wouden verscholen, een voorwerp van nieuwsgierigheid,
veelvuldig genoeg om ivoor op te leveren en den mensch van dien tijd te
prikkelen om afbeeldingen van hem te maken. Feitelijk had de mensch uit
die periode groote vorderingen in beschaving gemaakt. De verdeeling van
den industrieelen arbeid was tot stand gekomen. De bewerking van den
vuursteen was tot groote volkomenheid en fijnheid gebracht en een
nieuwe tak van nijverheid was er aan toegevoegd, namelijk het bewerken
van been, ivoor en rendierhoorn. Men maakte verschillende soorten van
werktuigen uit bepaalde grondstoffen, de Saporta vermeldt punten van
werpspietsen en pieken, die hij heeft gezien, welke aan beide zijden
zeer kunstig waren bewerkt en bestemd om aan houten staven te worden
bevestigd; ook de schrappers zijn uitstekend geschikt voor het gebruik
waartoe zij uitsluitend waren bestemd. Van been werden naalden,
harpoenen en tot sieraad bestemde voorwerpen, zooals beeldhouwwerk,
vervaardigd en teekeningen er op gegraveerd. Het rendier, de holenbeer
en mammouth werden afgebeeld, alsmede de mensch zelf. Deze schijnt
altijd naakt te zijn voorgesteld. Op een afbeelding van een vrouw, uit
deze periode afkomstig, ziet het lichaam er uit alsof het met haar was
bedekt; wellicht stelt dit echter kleederen van dierenhuid voor. Een
der afbeeldingen stelt een loopenden man voor met een knots over zijn
schouders. De mensch wijzigde zich ook al naar de plaats die hij
bewoonde, en de mensch van la Madeleine levert ons in Europa een der
vroegste voorbeelden daarvan op. Het ras van Solutré, wiens lanspunten
zoo fraai zijn afgewerkt, en het jongere en meer artistieke ras uit de
holen van Périgord, wiens eenvoudige teekeningen en primitieve
beeldhouwwerken wij bewonderen, vertoonen ons de eerste pogingen van
dien geest van initiatief, die, na bij sommigen van hen tot
ontwikkeling te zijn gekomen, hen leidde tot uitvindingen op stoffelijk
gebied en tot ideale concepties, en door deze kwam de mensch allengs
tot die hoogere ontwikkeling welke wij beschaving noemen.
Gelijk de Mortillet aantoont, waren de menschen van la Madeleine
jagers, actief, vernuftig en vatbaar om levendige gemoedsindrukken te
ontvangen van de omringende natuur. Zij hadden een tehuis, vreugde en
zorgen, vierden jachtfeesten en wisten zich te vermaken met het
vervaardigen van primitieve beeldhouwwerken teekeningen en
versierselen. Zij hadden verschil van stand en opperhoofden; want zij
bezaten eereteekenen en commandostokken. Maar dit was alles. Zij kenden
den landbouw niet, bezaten geen huisdieren, en begroeven hun dooden
niet: indien zij de eene of andere bijzondere handelwijze omtrent hen
in acht namen, plaatsten zij hen op boomen of in hutten op palen in de
open lucht; en dit is waarschijnlijk de reden, dat men zoo weinig
overblijfselen van hun skeletten vindt.
Is het mogelijk zich een denkbeeld te maken van het lichamelijk
voorkomen en de osteologische eigenaardigheden van den mensch van la
Madeleine? Men dacht, dat de talrijke menschenbeenderen, te Cro-Magnon
gevonden met voortbrengselen van kunstvlijt uit de periode van la
Madeleine, van het kunstlievende ras van Périgord afkomstig waren; doch
de Mortillet bestrijdt dit en tracht aan te toonen, dat de plaatsen
waar men die overblijfselen vond, te huis behooren in een volgende
periode, die van Robenhausen (waarmede het Neolithische Tijdvak
begint). Hij beweert het zelfde omtrent de te Furfooz, te Aurignac, te
Mentone gevonden schedels en geraamten. De menschenbeenderen van Eyzies
(zie aant. 25 blz. 49) zijn echter waarschijnlijk van dit ras
afkomstig.
Volgens de Mortillet was het Europeesche ras van la Madeleine slechts
een voortzetting van dat van Chelles en Moustier. Vermengingen door
immigratie en het gelijktijdig bestaan van onderscheidene rassen,
verschillend van schedelvorm, vonden volgens hem in Midden-Europa eerst
plaats na het einde van het Quaternaire Tijdvak, toen de mammouth
geheel was uitgestorven en het rendier zich weder naar het Noorden had
teruggetrokken. Toen brak de tijd aan, waarin het klimaat zich weder
verbeterde, de gletschers zich tot den voet der bergen terugtrokken en
de verdeeling van land en zee in West-Europa meer en meer de zelfde
werd als tegenwoordig: het Neolithische Tijdvak begon. Dit was een
tijdvak van voortdurende ontwikkeling en werkzaamheid, waarin de
vooruitgang ons langzamerhand, stap voor stap, brengt tot de uitvinding
der metalen en de morgenschemering der geschiedenis. Dat Neolithische
Tijdvak duurde echter zeer lang en wordt in vele kleinere perioden
verdeeld. Het duurde nog zeer vele eeuwen vóór men de metalen ontdekte,
en tot zoolang was steen nog steeds de eenige grondstof voor eigenlijk
gezegde werktuigen; men sleep en polijstte echter den steen. Eenige
weinige kunsten en bedrijven, die het noodzakelijke uitgangspunt zijn
van elke maatschappij, begonnen te worden uitgeoefend; daaronder de
temming van nuttige dieren, te beginnen met den hond, de veeteelt dus;
later de landbouw, dus de cultuur van enkele voedselopleverende
planten; de kunst om aardewerk te maken (waarvan de beginselen echter
reeds tot het Palaeolithisch Tijdvak opklimmen), en eindelijk het
bijeenwonen der menschen in dorpen, met het oog op gemakkelijker
verdediging en op het nakomen van godsdienstvoorschriften.
Overblijfselen uit dit tijdvak worden in alle werelddeelen en door
geheel Europa, van Skandinavië tot Zwitserland, en van het hart van
Frankrijk tot het Zuiden van Italië toe gevonden. Ook deze te bespreken
en onze schets van de oorspronkelijke geschiedenis van den mensch tot
den bronstijd toe voort te zetten, ligt buiten ons bestek. Het was het
tijdvak der kjökkenmöddinger, der paaldorpen en der hunebedden
(dolmen), en in hetzelve begon de mensch in Europa de kinderschoenen te
ontwassen. Ofschoon hij (ten minste in ons werelddeel) onbekend was met
de metalen en slechts in het bezit van een rudimentairen landbouw en
nijverheid, ofschoon zijn voedsel nog schaarsch was en zijn leven door
vele gevaren werd bedreigd, was hij reeds begonnen gerst en tarwe te
zaaien, weefde hij van vlas ruwe kleederen, maakte hij aardewerk en
bakte dat in het vuur, en bouwde hij wezenlijke gedenkteekenen voor
zijn dooden, kunstmatige voorstellingen van grotten, vervaardigd door
ruwe steenblokken opeen te stapelen. Godsdienstige gebruiken, een soort
van weelde in de voorwerpen van dagelijksch gebruik, genees- en
heelkundige practijken, zooals het trepaneeren, kwamen in zwang. Wij
gevoelen, dat wij hier de morgenschemering aanschouwen van groote
uitvindingen en reusachtige inspanning, die den weleer uiterst engen
kring der kennis en van de kunstvlijt meer en meer zouden verruimen.