DOOR

Dr. H. HARTOGH HEYS VAN ZOUTEVEEN.

De geschiedenis, gegrond op documenten en gedenkteekenen waarvan de

belangrijkheid en oudheid vaststaat, en op overleveringen die men op

begrijpelijke wijze kan verklaren, klimt op tot de grondvesting van het

Egyptische rijk door Menes, volgens Mariette in het jaar 5004 vóór het

begin onzer jaartelling. Op dit tijdstip hadden de Egyptenaars een

georganiseerde maatschappij, een goed ontwikkelde beschaving en groote

steden. Het is niet al te gewaagd om, als wij tot den oorsprong hunner

beschaving willen opklimmen, daar nog omtrent even vele jaren bij te

voegen, en Plato’s verzekering aan te nemen, dat het Egyptische volk in

zijn tijd tienduizend jaar bestond. [494]

Daaraan—twaalfduizend jaar geleden—gingen de vóórhistorische tijden

vooraf, die zich tot een veel ouder verleden uitstrekken. Is het

mogelijk om zonder schriftelijke gegevens, zelfs zonder een op

gissingen gegronde chronologie, een raming te maken van den duur van

die tijden? Al wat wij daartoe hebben, zijn sporen welke de

voorhistorische mensch in de natuur heeft nagelaten, welke door haar

onophoudelijke werking die sporen onder opeenhoopingen van

verschillende lagen bedekt, en ons zoo een soort van betrekkelijke

tijdrekenkunde gegeven heeft. De wetenschap houdt het tegenwoordig voor

zeker, dat de mensch gedurende het geheele zoogenaamde Quaternaire

Tijdvak (het Diluvium) heeft bestaan, en wanneer wij den duur van dat

tijdvak kunnen berekenen, zullen wij in staat zijn om voor den ouderdom

van het menschelijk geslacht bij benadering een minimum vast te

stellen. Dit is hetgeen de Mortillet tracht te doen bij het formuleeren

van zijn besluiten in zijn boek over de „Voorhistorische Oudheid van

den Mensch.” [495] Heeft de mensch echter ook reeds gedurende een deel

van het Tertiaire Tijdvak bestaan, dan klimt hij tot een nog verbazend

veel hooger ouderdom op.

Ook de vergelijkende taalkunde bevestigt de hooge oudheid van het

menschelijk geslacht. Zoo klimt de Arische taalstam, (gelijk wij reeds

in het „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz. 270,

mededeelden) in zijn oorspronkelijke eenheid volgens de geestrijke

onderzoekingen van Boltz (vergelijk Aug. Boltz, „Die Sprache und ihr

Leben”, 1868) tot een oudheid van wel 50,000 jaar op! Naast het volk,

dat 50,000 jaar geleden deze oorspronkelijke taal sprak, leefden

natuurlijk destijds vele andere volken, die de moedertalen van de

andere tegenwoordig bestaande familiën van talen spraken; want de

Arische taalstam is slechts één uit vele!

De jaarringen van boomen, die op bouwvallen in Amerika groeiden, de

ouderdom van verschillende achtereenvolgend op de zelfde plaats

gegroeide bosschen, die daar, boven elkander liggende, menschelijke

overblijfselen bedekten, de vormingssnelheid van rivierdelta’s en

aanslibbingen, de dikte van veenlagen enz. zijn de grondslagen geweest

van partiëele en ongetwijfeld onvoldoende berekeningen, krachtens welke

men o.a. aan het tijdperk van den geslepen steen van Robenhausen

(Zwitsersch paaldorp) een ouderdom van vijf- of zesduizend jaar [496]

toekent, en meer dan dertienduizend jaar aanneemt als de tijd noodig

voor de afzetting van het Nijlslib dat een gebakken steen bedekte,

welke onder een standbeeld van Rhamses werd gevonden. De druipsteen van

de grot van Kent in Engeland, in welke men op verschillende diepten

Romeinsche oudheden en overblijfselen uit het palaeolithische tijdvak

heeft gevonden, zijn de grondslag geweest van berekeningen, die tot

resultaat gaven, dat laatstgenoemde overblijfselen meer dan

tweehonderdvijftigduizend jaar oud waren. [497] Men ging bij die

berekening uit van de onderstelling, dat de vorming van dien druipsteen

nooit sneller geschied was dan tegenwoordig. Andere berekeningen hebben

een meer algemeene strekking. De schommelingen van den bodem gedurende

het Quaternaire Tijdvak, waardoor in Europa en het bekken der

Middellandsche Zee aanzienlijke veranderingen in de verdeeling van land

en water plaats hadden, vereischten, naar de geologen meenen, niet

minder dan zeventigduizend jaar. [498] Nog een ander en verwonderlijk

verschijnsel, de uitbreiding van het bergijs der Alpen, waardoor groote

rotsblokken over afstanden van zeventig of zelfs honderd

vijf-en-zeventig mijlen werden vervoerd, vereischte een verbazende

lengte van tijd. De snelste verplaatsing van dergelijke blokken door

het bergijs is niet meer dan zestig meter in een jaar; doch in het

Quaternaire Tijdvak, toen de hellingen nog op verre na zoo steil niet

waren als tegenwoordig, ging de verplaatsing volgens de Mortillet

vijfmaal langzamer, en elk zwerfblok moet meer dan twintigduizend jaar

noodig hebben gehad voor zijn verplaatsing van den Mont Blanc naar de

Beneden-Rhône. Wij mogen er bijvoegen, dat een verbazend groot aantal

blokken aldus werden vervoerd om de eindmoraine te vormen. Bij den tijd

gedurende welken die gletschers zich uitbreidden, moet nog gevoegd

worden de tijd welken zij noodig hadden om tot hun tegenwoordige

grootte samen te slinken, welke nagenoeg even lang zal zijn geweest als

de eerste. De tijdperken van de uitbreiding en het zich weder

samentrekken der gletschers werden verder voorafgegaan door een

prae-glaciale periode, en al de berekeningen te zamen geven de

Mortillet aanleiding om een totaal van 100000 jaar aan te nemen om den

geheelen duur van het Quaternaire Tijdvak uit te drukken, gedurende

hetwelk wij zeker zijn, dat de mensch op den bodem van Europa leefde.

[499]

Dit tijdvak, hoe lang het ook schijnt, is zeer kort in vergelijking van

de tienduizenden eeuwen van geologische ontwikkeling, die er aan

voorafgingen, en vertegenwoordigt alleen de laatste en kortste der

geologische perioden. De vraag ontstaat: Hoe is het menschelijk

geslacht in staat geweest zich over de geheele oppervlakte der aarde te

verspreiden? Zijn op de verschillende vastelanden onafhankelijk van

elkander menschen ontstaan, of heeft het geheele menschdom een

gemeenschappelijke bakermat, een zelfde oorspronkelijk vaderland gehad?

Op dit punt verschillen de geleerden van gevoelen; zoo beweert Karl

Vogt, dat de menschen op verschillende plaatsen ontstonden, terwijl

Quatrefages en Darwin, naar wij meenen terecht, volhouden dat het

menschdom uit een enkelen oorspronkelijken stam is ontstaan. Het blijft

in elk geval een feit, dat de mensch, de zelfde in al de wezenlijke

kenmerken van de soort, zich heeft verspreid over al de bewoonbare

plaatsen van den aardbol, en dat niet in de laatste eeuwen, toen hij

was voorzien van al de hulpbronnen, welke ondervinding, uitvindend

vernuft en wetenschap tot zijn beschikking stelden, maar in overoude

tijden, toen hij nog onwetend en onbeschaafd was. Zwak en bijna naakt,

nog pas in het bezit van het vuur en eenige weinige ruwe wapenen om

zich mede te verdedigen en voedsel te verschaffen, veroverde toen

niettemin het menschelijk geslacht de aarde en verspreidde zich van de

Noordpoolstreken tot Vuurland, van het land der Samojeden tot Van

Diemensland, van de Noordkaap tot de kaap De Goede Hoop. Van dezen

oorspronkelijken uittocht, even zeker als hij onbegrijpelijk is, moeten

wij een verklaring of ten minste een waarschijnlijke voorstelling

geven, en dat in een eeuw, waarin de beschaafde mensch slechts na de

verwonderlijkste ontdekkingen, met behulp van de krachtigste

toepassingen der werktuigkunde op de scheepvaart, door de stoutste en

meest avontuurlijke ontdekkingsreizen, zich hoogstens kan vleien, dat

hij even ver is doorgedrongen als de oorspronkelijke mensch trok in een

tijd die zoo ver van ons is verwijderd, dat zij met alle berekeningen

spot.

Wij moeten nadrukkelijk op dit punt wijzen; want het brengt een

hinderpaal aan het licht, welke zij die hebben beproefd het verband op

te sporen tusschen ver van elkander wonende rassen en den weg te

bepalen, gevolgd door stammen, welke nu door oceanen en uitgebreide

landstreken zijn gescheiden, tot dusver onoverkomelijk hebben gevonden;

want indien de menschheid één is,—waarvoor wij meenen, dat door Darwin

in Hoofdstuk VII van dit werk de meest overtuigende bewijsgronden zijn

aangevoerd,—moeten wij aannemen, dat haar verhuizingen oorspronkelijk

van een enkel punt zijn uitgegaan. Bij deze verhuizingen is de mensch

gegaan waarheên hij slechts kon, en heeft op elke plaats waar hij zich

vestigde, eigenaardige kenmerken verkregen, die hem verschillend

maakten van de op andere plaatsen gevestigde menschen. Van daar de

verschillen tusschen de menschenrassen. Sommige van deze plaatsen

schijnen bijzonder gunstig te zijn geweest voor zijn vooruitgang en

werden middelpunten van beschaving. Het aantal dier middelpunten is

echter zeer klein en hun geographische ligging zeer opmerkelijk.

De vastelanden vormen drie hoofdgroepen, in den vorm waarvan ééne

eigenaardigheid iedereen moet treffen, die met aandacht een wereldkaart

beschouwt. Hij zal opmerken, dat zij in het Noorden zoozeer zijn

uitgebreid, dat zij elkander in die richting aanraken of slechts door

nauwe zeearmen zijn gescheiden, en dat zij binnen den Noordpoolcirkel

een zee omsluiten vol groote eilanden. Naar het Zuiden gaande vinden

wij, dat de drie vastelanden Noord-Amerika, Europa en Azië, die zoo

dicht bij elkander liggen, plaats maken voor drie aanhangsels:

Zuid-Amerika, Afrika en Nieuw Holland (met de omliggende continentale

eilanden), welke op hun beurt langzamerhand smaller worden, tot zij

slinken tot eenvoudige punten in een grenzenloozen oceaan, lang voor

zij den Zuidpoolcirkel bereiken. [500] Binnen dezen cirkel is de

verdeeling van land en zee juist omgekeerd als in het Noorden; rondom

de Zuidpool strekt zich een landmassa uit te midden van een

uitgestrekten oceaan.

Indien wij de vastelanden nauwkeuriger beschouwen, zullen wij vinden,

dat de beschaving in elk daarvan ontstond onder gelijksoortige

geographische voorwaarden, namelijk nabij of iets ten Noorden van den

Kreeftskeerkring tusschen 20° en 35° N.B. Het oostelijkste van deze

middelpunten van beschaving is China, nabij de Japansche zee. Het

westelijkste, en naar het schijnt jongste, lag aan de stranden van de

golf van Mexico. Deze laatste beschaving was bezig toe te nemen en haar

gebied uit te breiden, toen de Europeanen Amerika ontdekten, en was

geheel onafhankelijk van die der Oude Wereld door zelfstandige

ontwikkeling ontstaan; maar zwak en betrekkelijk nieuw [501], was zij

niet in staat om weêrstand te bieden aan den plotselingen inval van een

sterker ras.

Omstreeks het midden van de ruimte, aan de uiterste punten waarvan

China en Mexico zijn gelegen, moeten twee andere middelpunten van

beschaving worden geplaatst, ouder dan Mexico en wellicht ook dan China

[502], doch ongeveer op de zelfde breedte gelegen, Egypte in het

Nijldal en nabij de Roode Zee, en Mesopotamië nabij de Perzische Golf.

Zoo had elk vasteland zijn eigen middelpunt van beschaving, behalve

Azië, dat er twee had—het eene in het uiterste Oosten, het andere nabij

de lijn welke het met Europa verbindt [503]. Deze bijzondere

groepeering van de voornaamste middelpunten van beschaving in zulk een

betrekkelijke nabuurschap vormt het belangrijkste palaeoëthnische feit

dat wij kennen. De Nijl en de Syrische zee in het Westen, Opper-Armenië

en de Kaspische zee in het Noorden, het Hindoe-Koh-gebergte en de Indus

in het Oosten, en de Roode zee in het Zuiden begrenzen de streek, waar

Kushieten, Semieten en Ariërs, de eersten landbouwers, werklieden en

stedenstichters, de tweeden een herdersvolk en de derden bergbewoners

en later landverhuizers en veroveraars, elkander ontmoetten, in

wrijving met elkander kwamen en zich vermengden, beurtelings

veroveraars en veroverden, de kunsten en het gebruik der metalen

uitvonden, betere wapenen leerden vervaardigen en zich hiërarchisch

organiseerden, hun ideaal trachtten te bereiken door den godsdienst, en

door de schrijfkunst in het bezit kwamen van het machtigste werktuig,

waarover het menschelijk verstand beschikt. Met hen begint de

geschiedenis en een onafgebroken keten van maatschappelijke

inrichtingen, die zich tot onze dagen uitstrekt. De groei der

beschaving in deze middelpunten laat echter de verspreiding der

menschheid over de geheele aarde, welke in veel vroegeren tijd plaats

vond, nog onverklaard.

De verspreiding van den mensch over Europa en Azië levert geen zeer

groote moeielijkheden op; want ten gevolge van de groote breedte

waarover beide vastelanden samenhangen, is Europa eigenlijk slechts een

stuk van Azië. De moeielijkheden zijn echter verbazend groot, als wij

Amerika beschouwen, dat wij van het eene eind tot het andere bezet

vinden door rassen, wier eenheid de beste waarnemers heeft getroffen.

Niet alleen verhief zich daarenboven de Amerikaansche mensch op den

bodem der Nieuwe Wereld tot een oorspronkelijke en betrekkelijk hooge

beschaving; maar hij heeft, vooral in het Noorden, onmiskenbare sporen

achtergelaten van zijn tegenwoordigheid in de meest verwijderde tijden.

Om niet te spreken van de in Californië gevonden overblijfselen van den

tertiairen mensch (vergelijk aanteekening 5, blz. 372), heeft men in de

Delaware-vallei te Trenton (New-Jersey) en nabij Guanajuato in Mexico

werktuigen gevonden, die zoo onmiskenbaar tot het palaeolithische

tijdperk behooren, dat geen vergissing mogelijk is, hun vindplaats

onder in de aanslibbingen uit het Quaternaire Tijdvak, tezamen met

overblijfselen van olifanten en mastodonten bewijzen, evenals de door

Lund in de holen van Lagoa Santa gevonden menschenschedels, het bestaan

van een ras, gelijktijdig met dat, waarvan de vuursteenwerktuigen uit

de Somme-vallei afkomstig zijn en dat in beschavingstoestand en

ongetwijfeld ook in levenswijze en in vele lichamelijke kenmerken met

dit laatste overeenkwam. Van waar kan dit oorspronkelijke Amerikaansche

ras, de broeder van dat hetwelk in dien zelfden tijd in Europa leefde,

zijn gekomen, tenzij wij onderstellen dat er een rechtstreeksche

landverbinding tusschen beide vastelanden was? De moeielijkheden, die

dergelijke menschen zouden hebben ondervonden als zij hadden beproefd

den Atlantischen Oceaan over te steken, en de zekerheid, welke ons

peilingen geven, van de oudheid van dien oceaan maken het echter

volstrekt onmogelijk om aan te nemen dat hij destijds niet bestond of

dat één der beide vastelanden van uit het andere werd ontdekt door

dezen of genen onbekenden Columbus, welke hem een honderdduizendtal

jaren vóór den historischen Columbus overstak.

Wij staan dus tegenover het vraagstuk, dat zich altijd aan ons voordoet

en waarvan de oplossing ons altijd ontgaat, van den oorsprong van den

Amerikaanschen mensch. Blijkbaar kan het niet worden opgelost door een

toevallige kolonisatie door Aziatische landverhuizers of door een troep

schipbreukelingen te hulp te roepen; maar moeten wij er rekening bij

houden met oorspronkelijke bevolkingen die zich, evenals in Europa, in

achtereenvolgende golvingen verspreidden, en getuigen van de

voortdurende aanwezigheid van den mensch, wiens trapsgewijze

ontwikkeling en verspreiding in Amerika op de zelfde wijze plaats had

als in de Oude Wereld. [504] De onderstelling van een landverhuizing

uit Azië over de Aleutische eilanden naar Alaska [505] zou aanneembaar

zijn, maar de zekerheid van het bestaan van een bevolking van

inboorlingen in Amerika in het Quaternaire Tijdvak, brengt die in elk

geval terug tot den rang van een secundair feit. Het zelfde is het

geval met de betrekkingen—die wel is waar in tegenspraak met elkander

en daarom verdacht zijn—welke sommigen hebben meenen te vinden tusschen

de gedenkteekenen, standbeelden en hiëroglyphen van Centraal-Amerika en

die van Egypte en Boeddhistisch Azië. Deze analogieën steunen op

onvoldoende bewijzen en moeten daarenboven vallen voor twee

overwegingen van het hoogste gewicht: in de eerste plaats de zekerheid,

dat de mensch in Amerika gelijktijdig met de groote dieren van het

Quaternaire Tijdvak heeft geleefd; en in de tweede plaats, de

betrekkelijke eenvormigheid van het koperkleurige ras, dat zoo gelijk

is over het geheele vasteland heên, met uitzondering van het gedeelte

dat door de Eskimo’s wordt bewoond. De moeilijkheid ontspruit uit het

feit dat de monogenisten, een enkele geboorteplaats en een enkel

uitgangspunt voor het geheele menschelijke geslacht aannemende en geen

van beide in de Nieuwe Wereld plaatsende, altijd hebben ondersteld, dat

Amerika was gekoloniseerd door landverhuizers uit Europa of Azië, die

de richting van de parallelcirkels waren gevolgd. Landverhuizing in

deze richting (van Oost naar West of omgekeerd) vindt dadelijk een

hinderpaal in de oceanen, die hoe langer hoe breeder worden, naarmate

wij zuidelijker komen. Die hinderpaal verdwijnt echter, als wij het

denkbeeld van een verhuizing in de richting der parallelcirkels opgeven

en onderstellen, dat zij heeft plaats gehad in de richting der

meridianen van het Noorden naar het Zuiden. Bij verhuizingen in die

richting stuiten wij op volstrekt geen hinderpalen; en de betrekkelijke

gelijkvormigheid van de Amerikanen van het eene uiteinde van hun

vasteland tot het andere, zou nooit verwondering hebben gewekt, als wij

niet bevooroordeeld waren geweest door het denkbeeld, dat zij in een

betrekkelijk laten tijd derwaarts waren verhuisd.

Wij moeten in verband hiermede opmerken, dat de uiterste zuidpunten der

drie vastelanden worden bewoond door rassen die ongetwijfeld

oorspronkelijk ergens elders vandaan kwamen, en die zoowel in Vuurland

als aan de Kaap de Goede Hoop en in Van Diemens Land tot de minst

ontwikkelde van het menschelijke geslacht worden gerekend. Die rassen,

welke door andere derwaarts werden opgedrongen, hebben den zichtbaren

stempel bewaard van de betrekkelijk lage ontwikkeling van den stam

waaruit zij lang geleden sproten. Wij moeten toch aannemen, dat deze

drie takken—Vuurlanders, Bosjesmannen en Tasmaniërs—zoo weinig verheven

in hun physieke, intellectueele en moreele eigenschappen, alleen zoo

ver voortgetrokken zijn en zich alleen in zoo afgelegen oorden hebben

gevestigd, omdat de beide laatste voor zich uit landstreken vonden die

nog geheel onbewoond waren, terwijl de Vuurlanders hoogstens door een

met de Papoea’s verwante bevolking werden voorafgegaan, welke laatste

echter geheel te gronde ging of door het roode ras werd geabsorbeerd.

[506] Als pioniers voor het overige gedeelte van het menschelijk

geslacht hebben zij stap voor stap de uiterste grenzen van het

bewoonbare land bereikt. Zij moeten ten minste tijdelijk ook

noordelijker gelegen landen hebben bewoond, maar zij konden gene

weerstand bieden aan den aandrang der sterkere rassen en konden niet

tot onzen tijd blijven bestaan, dan door zich terug te trekken op een

klein gebied in het meest afgelegen gedeelte van hun vroegere

woonplaats. Er is niets verwonderlijks in het feit dat Quatrefages en

Hamy bij het beschrijven van het oudste Europeesche ras waarvan wij

schedels bezitten, dat van Cannstatt [507], hebben gevonden, dat het

alleen overeenkomst bezat met die van deze zelfde bewoners van het

uiterste Zuiden—de Bosjesmannen, Nieuw-Hollanders en Tasmaniërs.

Men zal zien, dat wij geneigd zijn de rondom de Noordpool gelegen

landstreken als de waarschijnlijke bakermat der oorspronkelijke

menschheid te beschouwen. Van daar alleen kan zij, als van een

middelpunt uitgestraald zijn om zich tegelijkertijd over verschillende

vastelanden te verspreiden en achtereenvolgende landverhuizingen naar

het Zuiden te veroorzaken. Deze theorie komt het best overeen met den

weg, langs welken de menschenrassen waarschijnlijk hunne tegenwoordige

woonplaatsen hebben bereikt. Er blijft over aan te toonen, dat zij

evenzeer in overeenstemming is met de meest authentieke en nieuwste

geologische gegevens, en dat zij behalve op den mensch ook toepasselijk

is op de planten en dieren welke hem vergezellen en bij voortduring in

het nauwste verband met hem zijn gebleven in de gematigde luchtstreken

welke later de zetel zijner beschaving werden. De algemeene wetten der

geologie begunstigen deze onderstelling opmerkelijk. Om haar

waarschijnlijk te maken, hebben wij slechts twee hoofdpunten vast te

stellen, die door geen geoloog ernstig zullen worden betwist. Vooreerst

dat de poolstreken, welke met groote boomen waren bedekt, eens een

gematigder klimaat bezaten dan dat van het tegenwoordige Midden-Europa

en tot den 80° toe bewoonbaar en vruchtbaar waren minstens tot het

midden van het Tertiaire Tijdvak toe, een langzame en voortdurende

afkoeling ondergingen. Van toen af maakte de afkoeling snelle

vorderingen, totdat het ijs uitsluitend meester werd van het nabij de

polen gelegen land. Onder dergelijke omstandigheden moest de mensch,

zoo die daar leefde, even goed als de dieren en planten wegtrekken of

omkomen—stap voor stap verhuizen of zich tot een dagelijks onzekerder

wordend bestaan teruggebracht zien.

Het tweede punt is de betrekkelijke stabiliteit van de bestaande

vastelanden en hun ligging rondom een zee welke de Noordpool omsluit;

terwijl de andere pool wordt ingenomen door land, omringd door een

onmetelijken oceaan. Het belang van de Noordpool ten opzichte van het

ontstaan van dieren en planten en hun verhuizingen en de

onbeduidendheid van de Zuidpoolstreken in dit opzicht volgen uit die

groepeering. De hoofdzaak is, dat er niets grilligs is in die

verdeeling van land en zee, en dat er, zoo niet altijd, ten minste

sedert een zeer oud tijdvak, zich altijd landen hebben verheven, die

een aanmerkelijk gedeelte van het Noordelijk Halfrond besloegen, en

rondom de Poolzee een gordel van min of meer samenhangende landen en

eilanden vormden. Dit is werkelijk, wat de geologie leert. De

veranderingen, dalingen tot onder en verheffingen tot boven den

zeespiegel zijn altijd slechts gedeeltelijk en achtereenvolgend

geweest, terwijl de hoofdmassa’s der vastelanden sedert de oudste

tijden betrekkelijk slechts weinig van gedaante zijn veranderd. Er

zijn, zoolang er land bestaat, ook altijd een Europa, een Azië, een

Amerika en Poollanden, geweest. [508] Wij weten zeker dat er altijd om

de Noordpool uitgestrekte grondgebieden bestaan hebben; al zijn het

geen vastelanden geweest; dat die langen tijd het verblijf waren van de

zelfde planten als het overige gedeelte van den aardbol, en dat sedert

het einde van het Jura-tijdvak, het klimaat, dat daar eerst schier even

warm was als elders, langzamerhand trapsgewijze kouder is geworden. De

daling van de temperatuur openbaarde zich eerst zeer langzaam, en was

in het Tertiaire Tijdvak nog lang zoo ver niet voortgeschreden als

tegenwoordig; want de boomen, toenmaals in Groenland groeiende,—de

sequoia’s, magnolia’s en platanen,—bereiken nu in Zuid-Europa hun volle

ontwikkeling en passen niet voor het klimaat van Midden-Europa. [509]

We zijn dus verzekerd, dat er om de Noordpool vroeger een gordel van

landen met een rijken plantengroei heeft bestaan. Het voortdurend

bestaan eener Poolzee is niettemin bevestigd door versteeningen in alle

gedeelten dier streek gevonden. De omstreken van de Noordpool waren

lang bewoonbaar, en werden bewoond door den mensch, in een tijd niet

ver van dien, waarop de eerste sporen van zijn nijverheid zich

tegelijkertijd in Europa en in Amerika begonnen te vertoonen. Zich van

de Poollanden begevende naar die welke aan den poolcirkel grenzen, en

van de laatste naar Azië, Europa en Amerika, zou de mensch slechts den

zelfden weg gevolgd hebben, als een heir van planten en dieren, hetzij

vóór hem of ter zelfder tijd met hem, en onder de prikkel der zelfde

omstandigheden. [510] Door de hulp van verhuizingen van uit de

nabijheid der Noordpool kunnen wij in ’t algemeen het verschijnsel

verklaren, dat soorten verspreid of in verschillende afzonderlijke

deelen gescheiden zijn, een verschijnsel overeenstemmende met dat

hetwelk de menschen van de Oude en die van de Nieuwe Wereld vertoonen,

wanneer men ze met elkander vergelijkt.

Wanneer wij de hier uiteengezette opvatting vergelijken met de

aanwijzingen, door de fossielen geleverd, dan ontdekken wij talrijke

voorbeelden van afscheiding, in welke verwante, dikwijls nauwelijks van

elkander te onderscheiden vormen, terzelfdertijd in verschillende

streken zijn verspreid, over ver van elkander verwijderde punten van

het Noordelijk Halfrond, zonder eenige duidelijke verbinding langs de

parallelcirkels, waardoor hun blijkbare overeenkomst zou kunnen worden

verklaard. Europa getuigt door vele fossielen op onloochenbare wijze,

dat het eertijds een heirleger van plantentypen en vormen had, die nu

tot Amerika beperkt zijn, en die het alleen uit het uiterste Noorden

kan ontvangen hebben. Het heeft bij voorbeeld magnolia’s, tulpenboomen,

sassefras, ahornboomen en populieren bezeten, in alle opzichten

vergelijkbaar met die welke tegenwoordig in de Vereenigde Staten

groeien. De twee plataansoorten, die van het westelijk halfrond en die

van Klein-Azië, waaraan wij een uitgestorven fossielen Europeeschen

plataan mogen toevoegen, geven een voorbeeld van het zelfde

verschijnsel van verspreiding. Europa was in het Tertiaire Tijdvak

getuige van den groei van een ginko, gelijkende op die van Noordelijk

China (Ginko biloba of Salisburia japonica). Het had sequoia’s en een

kale cypres, overeenkomende met de boomen van dien naam, welke nu in

Californië en Louisiana groeien. De beuk schijnt in de streken rondom

de Noordpool gegroeid te hebben, vóór hij was doorgedrongen en zich had

uitgebreid in de zuidelijker gedeelten van het Noordelijk Halfrond.

Zonder twijfel is dit ook het geval geweest met de hemlock-spar (Tsuga

canadensis), van welke duidelijke overblijfselen zijn gevonden in

Grinnell-land op meer dan 82° breedte, en uit een veel vroegeren tijd

afkomstig dan die waarin hij in Canada begon te groeien. De goed

vastgestelde tegenwoordigheid in beide vastelanden van vele dieren die

eigen zijn aan het Noordelijk Halfrond, moet worden toegeschreven aan

landverhuizingen, zoo niet van de pool, dan ten minste uit landen in de

nabijheid van den poolcirkel gelegen. Dit is duidelijk in het geval van

het rendier, den bison, en het hert; maar het moet even waar zijn ten

opzichte van dieren uit oudere tijden, en hoewel wij daarvan geen

andere rechtstreeksche bewijzen hebben dan den overvloed van

overblijfselen van mammouthen in Opper-Siberië, gaat deze wet

ontegenzeggelijk ook voor de olifanten en mastodons door: wij bedoelen

hier de soorten van deze beide geslachten, welke zich van het Noorden

naar het Zuiden voortplantten, en die in Amerika en Europa de

metgezellen van den oorspronkelijken mensch waren. De verbinding van de

vastelandmassa’s met hun gordel van nauwelijks gescheiden landen rondom

en binnen den Poolcirkel geeft den sleutel tot al deze verschijnselen.

Volgens de denkbeelden van de transformistische school was de

oorspronkelijke mensch een anthropomorphe aap, in lichamelijk opzicht

volkomener geworden, wat zijn opgerichte houding en het gaan op twee

voeten betrof, en in verstandelijk opzicht door het grooter worden en

de ontwikkeling van zijn schedel en hersenen, waarmede het ontstaan van

het vermogen om gearticuleerd te spreken gepaard ging. [511] In

overeenstemming nu met onze theorie vinden wij, dat ook de apen, en

zelfs de anthropomorphen vroeger in veel noordelijker streken gevonden

werden dan tegenwoordig. Als voorbeelden halen wij aan den Mesopithecus

Pentelici, door Gaudry [512] te Pikermi in Griekenland fossiel

gevonden, den Dryopithecus van St. Gaudens, een anthropomorphen aap,

aan welken Gaudry vroeger geneigd was de zeer ruw bewerkte vuursteenen

toe te schrijven, welke de abt Bourgeois te Thénay in tertiairen

kalksteen (Calcaire de la Beauce) vond. [513] Verder den Pliopithecus

van Sansan (Gers), die op een gibbon gelijkt, enz. Om tegenwoordig de

het naast met Pliopithecus en Dryopithecus uit Midden-Europa verwante

diervormen te vinden, moet men den Kreeftskeerkring overschrijden en

tot 12° noorderbreedte reizen, of meer dan dertig graden zuidelijker

dan de plaatsen, waar deze fossielen zijn gevonden. Indien de zelfde

afstand (in omgekeerde richting) bestond tusschen de plaatsen, waar men

deze fossiele apen heeft gevonden en het oorspronkelijk vaderland van

den mensch, dan zou dit laatste op de breedte van Groenland, d.i. op

70° of 75° hebben gelegen. Deze onderstelling wordt gesteund door het

feit, dat ook tegenwoordig de streken, waar de mensch de hoogste

ontwikkeling bereikt, noordelijker liggen en koeler klimaat bezitten

dan die waar anthropomorphe apen leven, en dat de oudste middelpunten

van beschaving, allen, gelijk wij hebben gezien, tusschen 20° en 35°

N.B. gelegen, in gemiddelde temperatuur overeenstemmen met dat gedeelte

van het toenmalige Groenland. De overvloed van ruwe vuursteenwerktuigen

in de nabij elkander gelegen valleien van de Somme en de Seine bewijst,

dat daar oudtijds een klimaat enz. heerschte, bij uitstek geschikt voor

de vermenigvuldiging van den mensch. De flora van dien tijd, waarvan

nabij Fontainebleau fossiele overblijfselen zijn gevonden, bewijst dat

dit klimaat overeenkwam met dat, ’t welk men tegenwoordig in het Zuiden

van Frankrijk nabij den 42sten breedtegraad aantreft. Om nu, van dezen

42sten breedtegraad uitgaande, de bijna tropische streken te bereiken,

waar palmen, kamferboomen en zuidelijke laurieren te zamen groeien,

moeten wij twaalf of vijftien graden zuidelijker gaan, waar wij de

zelfde klimatologische toestanden aantreffen, die in Midden-Europa

bestonden, toen het de woonplaats van anthropomorphe apen was. Maar

toen er palmen groeiden in de nabijheid van Praag en kamferboomen in de

nabijheid van Dantzig, kan de mensch, als hij destijds bestond, zonder

bezwaar hebben geleefd in de streken onder den Noordpoolcirkel of nog

verder Noordwaarts, en zou van daar uit even gemakkelijk Noord-Amerika

als Europa hebben kunnen bereiken, welke hij bestemd was te bevolken.

De mensch heeft zich uit zijn stamvorm ontwikkeld in een gematigd

klimaat, en zoo hij tegenwoordig ook in de warmste landen leeft,

bewijst dit eenvoudig dat hij het vermogen bezat zich naar de

omstandigheden te schikken (zich te adapteeren aan de

levensvoorwaarden), maar hij bloeit het meest en komt tot zijn hoogste

ontwikkeling in de gematigde luchtstreek, terwijl de tegenwoordige

anthropomorphen echte tropenkinderen zijn en in de gematigde

luchtstreek slechts kort blijven leven.

Het besluit, waartoe wij komen, is dus, dat in het begin van het

Tertiaire Tijdvak de Noordpoolstreken grootendeels uit land bestonden

[514], dat een tropisch klimaat bezat en waar de anthropomorphe

stamvorm van den mensch leefde. Toen in den loop van de Miocene en

Pliocene periode dit klimaat allengs meer gematigd werd, stierven de

anthropomorphen daar gedeeltelijk uit, omdat zij het kouder klimaat

niet konden verdragen, gedeeltelijk verhuisden zij naar het Zuiden,

waarbij zij zich natuurlijk wijzigden, gedeeltelijk adapteerden zij

zich aan de omstandigheden en werden tot menschen. In de Pliocene

periode (of reeds vroeger) leefde derhalve de mensch (met vele andere

thans naar zuidelijker breedten verhuisde dieren en planten) in de

Noordpoolstreken, die een gematigd klimaat bezaten. Bij het invallen

van het ijstijdperk werden de Poolstreken voor hem onbewoonbaar [515]

en verspreidde hij zich (tegelijk met die dieren en planten) in alle

richtingen naar het Zuiden over de gematigde luchtstreken van Europa,

Azië en Noord-Amerika, terwijl de tropische vegetatie en de

dierenwereld, welke die streken in het Tertiaire Tijdvak bezaten,

tegelijkertijd ondergingen of naar het Zuiden werden teruggedrongen.

Hierbij konden in de Nieuwe Wereld meer plantentypen behouden blijven

dan in de Oude, omdat in deze laatste de vaak van het Oosten naar het

Westen loopende bergketenen en zeearmen dikwijls onoverkomelijke

hinderpalen voor de verhuizing der planten naar het Zuiden opleverden,

hetgeen in de Nieuwe Wereld veel minder het geval was, omdat de

voornaamste bergketenen daar van het Noorden naar het Zuiden loopen.

Voor de dieren vormden echter de bergketenen der Oude Wereld, wegens de

snelheid waarmede zij zich kunnen verplaatsen, veel minder

onoverkomelijke hinderpalen dan voor de planten.

Over het geheel moeten noodwendig de Poollanden ook in de oudste

tijdvakken de plaatsen zijn geweest, waar de landdieren ontstonden en

waar zij later de grootste wijzigingen ondergingen, waardoor nieuwe

soorten en typen ontstonden, die zich naar den equator toe

verspreidden. De polen moeten, zelfs toen de aarde nog gloeiend

vloeibaar was, reeds kouder zijn geweest dan de equator; want aan den

equator bestond aardwarmte + tropische zonnewarmte, aan de polen

aardwarmte + polaire zonnewarmte; dit ging vroeger evenzeer door als

tegenwoordig, al waren zoowel aardwarmte als zonnewarmte ook absoluut

grooter dan thans. Aan de polen moet de aardschors zijn begonnen zich

te vormen, daar moeten reeds voor planten en dieren bewoonbare streken

zijn ontstaan toen de equator nog te warm was om organisch leven

mogelijk te maken. Daar zijn de eerste planten en dieren ontstaan en

van daar hebben zij zich naar den equator verspreid, naarmate de

afkoeling voortschreed. Daar ontstonden door de afkoeling voortdurend

nieuwe levensvoorwaarden, die nog nergens elders op aarde voorkwamen,

naar welke de soorten zich moesten wijzigen of ondergaan, tenzij zij

emigreerden en meer naar den equator toe haar oude levensvoorwaarden

voor een groot deel terugvonden. Daar is ook eindelijk de ijskorst

begonnen zich te vormen, die waarschijnlijk na tal van eeuwen de

geheele aarde zal bedekken en een einde maken aan alle organisch leven

op aarde! De tropen zijn in palaeontologischen zin achter-, de

poolstreken vooruit in vergelijking van de gematigde luchtstreek. De

tropen geven ons een beeld uit het verleden der aarde, de poolstreken

schilderen ons haar toekomst!

Aan de Zuidpool moet derhalve in de vroegste tijden een geheel van die

aan de Noordpool verschillende dieren- en plantenwereld zijn ontstaan,

die zich echter, zoover het landbewoners waren, niet verder kon

uitbreiden dan het Zuidpoolland, en toen dit door het ijs werd bedekt,

volkomen moet zijn ondergegaan. [516] (2) De Noordpooltypen konden zich

daarentegen, zoodra de afkoeling het toeliet, over al de andere

vastelanden, zelfs Zuid-Amerika, Afrika en Nieuw-Holland uitbreiden,

daar zij landverbindingen (of hoogstens nauwe zeearmen) op hun

verhuizingen ontmoetten. De zeedieren en planten konden zich natuurlijk

van uit beide polen gemakkelijk door den geheelen oceaan verspreiden,

voor zoover en waar de temperatuur zulks toeliet. Zoo verklaart zich,

dat de dieren- en plantenwereld op het land rondom de Noordpool en in

de Noordelijke gematigde luchtstreek zoo eenvormig, zich hoe langer hoe

meer differentieert naarmate men zuidelijker komt, dat die verschillen

in de Zuidelijke gematigde luchtstreek het grootste zijn, en dat

evenals men vertegenwoordigers der oudste menschenrassen (door

gedwongen verhuizing derwaarts gekomen) aan de zuidpunten der

vastelanden vindt, men daar ook de laatste Mohicanen van overal elders

geheel of bijna geheel verdwenen dierentypen aantreft. Wij wijzen op de

Edentata en Luiaards van Zuid-Amerika, op de Edentata en de aan het

Tertiaire Tijdvak herinnerende fauna van Zuid-Afrika, op de

Buideldieren, Snaveldieren, Ceratodus enz. van Nieuw-Holland, dat in

zijn fauna aan het Secundaire Tijdvak van Europa herinnert!

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2) · 第 89 / 111 题