AANTEEKENINGEN.

(1) Wij zouden, liever dan hier aan Salomo’s Ophir te denken, geneigd

zijn de ruïnen in Zuid-Afrika toe te schrijven aan het in de oudheid

beroemde volk, dat bij de Grieken onder den naam van Macrobiërs bekend

was. Herodotus (III, 17–25) verhaalt, dat eigenlijk tegen hen de tocht

van Cambyses gericht was, die, volgens sommige berichten (Dion. p. 38),

tot Meroë zou zijn doorgedrongen, en in elk geval tot ver bezuiden de

grens van Egypte kwam. Volgens Herodotus woonden deze Macrobiërs aan de

zuidelijke zee (d.i. den Indischen Oceaan) aan het uiterste einde der

aarde, en had Cambyses, toen hij den tocht opgaf, nog niet het vijfde

deel van den weg naar hen afgelegd. Een eenvoudige meting op de kaart

kan bewijzen, dat Herodotus vrij nauwkeurig wist, hoever Afrika’s

zuidkust van Egypte verwijderd was, en dat de Macrobiërs, als wij zijn

bericht streng opvatten, nabij de Kaapkolonie moeten hebben gewoond.

[524] De Macrobiërs bezaten volgens Herodotus een stad, voor de

overblijfselen waarvan ik de ruïnen van Zimbalye houd; het goud was

onder hen het algemeenste metaal, zoodat zelfs de boeien der gevangenen

in de gevangenis daaruit bestonden (dit stemt overeen met de

goudrijkheid van Transvaal en Matabeleland en de sporen van overoude

ontginningen van goudmijnen aldaar). Zij kenden echter het brood niet

en voedden zich met vleesch, hetgeen overeenstemt met het feit, dat ook

de Kaffers en hun verwanten en de Hottentotten herdersvolken zijn, en

ook met den grooten rijkdom van Zuid-Afrika (nog heden) aan grof wild

(vele soorten van antilopen), dat een uitstekend voedsel oplevert.

Macrobiërs, een naam van hun ondersteld lang (makros) leven (bios)

afgeleid, kan echter de wezenlijke naam van dit volk evenmin zijn

geweest als Kaffer (kafir = ongeloovige) die van de Kaffers, of Bantu’s

(Bantu = mensch) die van de Bantuvolken is. In elk geval meenen wij te

hebben aangetoond, dat er wel degelijk historische berichten zijn

omtrent het bestaan van een beschaafd, stedenbouwend,

goudmijnenontginnend volk in Zuid-Afrika, eenige eeuwen vóór het begin

onzer jaartelling.

(2) Als men nagaat, dat als de zeespiegel 1000 vademen daalde, het

Zuidpoolland (waarvan wij ten stelligste het bestaan aannemen, schoon

de kustlijn op het kaartje gedeeltelijk hypothetisch is) door juist

zulke nauwe straten van Zuid-Amerika en Nieuw-Holland zou zijn

gescheiden als Madagascar van Afrika en Nieuw-Zeeland van Nieuw-Holland

[525]; als men verder bedenkt, dat in zeer ouden tijd Madagascar

ongetwijfeld met Afrika [526] en Nieuw-Zeeland met Nieuw-Holland

samenhing, is de onderstelling niet gewaagd, dat wellicht Zuid-Amerika

eens met het Zuidpoolland en dit met Nieuw-Holland en over den

Indischen Archipel met Azië samenhing; in welk geval natuurlijk, als

die samenhang viel in den tijd dat het Zuidpoolland een warm of

gematigd klimaat bezat, organismen van daar wel degelijk in

Zuid-Amerika en Nieuw-Holland en uit het laatste in Azië [527] konden

komen. Den evenaar konden zij echter ook dan niet overkomen vóór deze

genoeg was afgekoeld om organisch leven toe te laten. Dan zouden zij

echter, nadat de evenaar tot dien graad was afgekoeld, met de in de

grootere vastelanden van het Noordelijk Halfrond ontstane organismen in

concurrentie zijn gekomen, en daardoor waarschijnlijk op de zelfde

wijze zijn verdrongen als de fauna en flora van Nieuw-Holland en

Nieuw-Zeeland tegenwoordig terugwijkt voor de Europeesche.

Als men de duizend vademenlijn beschouwt als de eigenlijke grens van

het vasteland, ziet men hoe het vasteland op aarde een bijna gesloten

kring om den wereldbol maakt, die over beide polen loopt [528] en

krijgen wij een bijna even regelmatige verdeeling der continenten als

op de planeet Mars, waar deze den bol echter in den vorm van een

slechts een flauwen hoek met den evenaar makenden ring omgeven, zoodat

de evenaar zelf, daar deze ring breed is, overal door land, met enkele

nauwe straten er door, wordt bedekt. Die regelmatigheid wordt nog

grooter als wij ons Afrika door de zee bedekt denken, daar zich dan aan

weerszijden van den over de polen loopenden ring van continenten twee,

gelijk men met één oogopslag ziet [529], nagenoeg even groote Oceanen

uitstrekken

Er is gegronde reden om de lijn van 1000 vademen ongeveer als de

eigenlijke grens der continenten aan te nemen. Buiten deze lijn wordt

de Oceaan spoedig veel dieper, zoodat men buiten die lijn bijna overal

diepten van 2000 tot 3000 vademen aantreft.

Hoe volslagen ontoereikend de gesteentemassa’s van het vasteland zouden

zijn om die ontzettende diepten te vullen, blijkt hieruit, dat het

vasteland (dat daarenboven slechts 7⁄25 of iets meer dan ¼ van de

oppervlakte van den Oceaan beslaat) gemiddeld volgens Krümmel slechts

440 M., volgens von Tillo 693 M. boven den zeespiegel uitsteekt. [530]

Werd een deel van het diepe gedeelte [531] van den Oceaan door rijzing

droog, dan zoude, daar de vaste bestanddeelen der geheele aarde niet

toenemen, een even groot volumen, dus een zeer veel grootere

oppervlakte van het vasteland moeten dalen, en om een eenigszins

aanzienlijk gedeelte van den diepen Oceaan droog te doen worden, zou

bijna het geheele vasteland beneden den zeespiegel moeten zinken. Alles

tenzij men mocht willen aannemen, dat bij de rijzing van een gedeelte

van den bodem des diepen Oceaans een ander deel van dien bodem zonk tot

veel grooter diepte dan thans ergens wordt aangetroffen [532], wat zeer

onwaarschijnlijk is. Hierin ligt één bewijs, dat de continenten over

het geheel vaste trekken in het wezen der aarde zijn, die zich nimmer

buiten beperkte grenzen, ten ruwe door de lijn van 1000 vademen

aangegeven, hebben uitgebreid [533] en ook over het geheel nimmer

gedeeltelijk door zeeën van meer dan 1000 vademen diep zijn bedekt

geweest. Waar men op ’t vasteland dikke uit zeewater afgezette

formaties aantreft, heeft men te denken aan langdurige daling van den

bodem eener ondiepe zee die door de zich daarin afzettende bezinksels

ook voortdurend ondiep bleef. Een tweede bewijs ligt daarin, dat uit

diepzeepeilingen blijkt dat de bodem der zeer diepe deelen des Oceaans

in aard van dien van het vasteland en der ondiepe zeeën afwijkt en

bestaat uit eigenaardige slijkformaties (geheel bestaande uit

overblijfselen van in zee levende organismen, zonder eenige inmenging

van slib of zand) en brokstukken van gesteenten, waaronder men overal

vele van vulkanischen aard, en ook een goed herkenbaar, uit de

wereldruimte afkomstig (meteorisch) gedeelte onderscheidt, welk laatste

natuurlijk op ’t vasteland evengoed neêrvalt, maar daar zeer spoedig

door de verweering geheel onkenbaar wordt. [534]

De projectie in twee halfronden, waarvan de polen het midden innemen,

is daarom veel beter voor ons doel dan de door Wallace („Darwinism”,

blz. 348) gevolgde Mercatorprojectie, omdat daaruit ten duidelijkste

blijkt, dat de vroegere samenhang tusschen Amerika en Europa-Azië niet

slechts bestond in tijdelijke landbruggen, nu eens over de

Behringstraat, dan weder over IJsland en Groenland, maar dat beide

vastelanden oudtijds één geheel uitmaakten, waarover de passage even

ruim en vrij was als thans b.v. tusschen Canada en de Vereenigde Staten

of tusschen Rusland, Polen en Duitschland. In de tweede plaats omdat er

ten duidelijkste uit blijkt wat de beteekenis is der vreemdsoortige

verlengstukken van minder dan 1000 vademen diep, die Wallace bezuiden

Van Diemens Land en ten zuiden en zuidwesten van Kaap Hoorn teekent; op

onze kaart blijken zij de verbinding te zijn tusschen Zuid-Amerika en

Nieuw-Holland, over het Zuidpoolland heên, en noodzakelijke schakels in

de rangschikking van het vasteland in een over beide polen loopenden

ring, met twee nagenoeg gelijke oceanen aan weêrszijden, welke

merkwaardige symmetrie wij meenen, dat vroeger nog nimmer door iemand

is opgemerkt.

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2) · 第 91 / 111 题