4. Hemichorda.

De Hemichorda (het geslacht Balanoglossus) zijn wormvormige dieren, met

langen en van boven naar beneden eenigszins afgeplatten bouw. Voor den

mond ligt een lange cylindervormige slurp, en achter den mond een

kraag, waarvan de vrije zoom naar achteren gekeerd en homoloog is met

de operculaire epipleurale plooien der Cephalochorda en Craniata. Deze

homologie wordt aangetoond door een paar kraagporiën, die in de holte

van den kraag uitmonden, gelijk de „bruine trechters” van Amphioxus in

de epipleuraalholte van dat dier. Een slurpporie, die aan de

linkerzijde in den vóór den mond gelegen slurpholte uitloopt (bij B.

Kupfferi parig), komt juist overeen met een soortgelijk geplaatste

porie, welke bij den jongen Amphioxus (volgens Hatschek, 15) naar het

buisvormig orgaan leidt, dat uit de linkerkamer van de holte van den

vóór den mond van dat dier gelegen lob komt. De geheele oppervlakte van

het lichaam is met trilharen bedekt, gelijk bij de Nemertinen en

Echinodermen, maar bij geen enkel der Craniata, Urochorda en Hemichorda

het geval is. Op den kraag volgt een doorboorde streek—kieuwspleten,

die van de buitenzijde van het lichaam naar de keel loopen. Bij den

jongen vorm bestaat er gedurende zekeren tijd, evenals bij

Appendicularia en de Ascidiënlarven, slechts één paar kieuwspleten,

maar zij nemen later in aantal toe, naarmate het dier langer wordt. De

notochorda (ruggestreng, h in Fig. 11) ontstaat bij het jonge dier aan

het voorste einde van den hypoblast, en groeit naar voren, als een

steunpunt voor de basis van den slurp. Zij is tot deze zeer kleine

streek beperkt. De cerebro-spinale zenuwstreng ontstaat door een

plaatvormige afscheiding van een vaste streng epiblast in de midden

over den rug loopende lijn van het middelste derde gedeelte van het

lichaam, daarna breidt hij zich door de invaginatie (samengroeiing) van

zijn beide zijden, als een buis, zoowel naar voren als naar achteren

uit. Onder de opperhuid bestaat over het geheele lichaam een netwerk

van zenuwdraden (en cellen?). Het stelsel van den bloedsomloop is

eigenaardig, daar het bestaat uit een voorste hart (in den slurp) en

een rugge- en buikvat, welke door een vlecht onderhuidsche vaten worden

verbonden. Het spierstelsel van den lichaamswand is niet in achter

elkander liggende myomeren verdeeld, maar van den anderen kant zijn de

geslachtsdeelen (eierstokken of zaadklieren) zakvormig, en herhalen

zich, evenals bij Amphioxus, als een reeks over een groot gedeelte van

de lengte van het lichaam. In de keelstreek komen de geslachtszakken in

aantal met de kieuwspleten overeen. Er zijn geen nieren (tenzij de

snuitporie en de kraagporiën als zoodanig moeten worden beschouwd);

maar de bindweefselcellen der lichaamsholte werken als uitscheidende

organen, gelijk bij de Echinodermata en de Urochorda, en ook een lang

klierachtig orgaan in den slurp, dat aan het uiteinde van de notochorda

is vastgehecht, schijnt met deze functie in verband te staan. Niet het

minst opmerkelijk bij de Hemichorda is de aard hunner larven. Geen

andere Chordata bezitten larvenvormen welke wijzen op het maaksel

hunner vroege voorouders uit den tijd toen deze nog geen ruggestreng

(chorda) bezaten; hoe belangwekkend de Ascidiënlarven, de jonge

Amphioxus en de embryo van den hondshaai (Scyllium) ook zijn, brengen

zij ons niet buiten de wereld der chordadieren. Eenige soorten van

Balanoglossus (? B. minutus) doorloopen echter een larvetoestand,

waarin zij banden van trilharen bezitten, welke larven als Tornaria

bekend zijn, en vroeger, voordat haar betrekking tot Balanoglossus was

ontdekt, werden beschouwd als echinodermenlarven, met Bipinnaria

verwant. Het is onmogelijk de Tornaria-larve van Balanoglossus niet als

geheel overeenkomstig met de larven der Echinodermata te beschouwen, en

daaruit volgt, dat er tusschen Balanoglossus en de Echinodermata de

eene of andere verwijderde genetische betrekking moet bestaan, met

andere woorden: dat het verre bloedverwanten zijn.

Wij zijn omtrent de Hemichorda eenigszins uitvoerig geweest en de op

speciaal zoölogisch terrein minder thuis zijnde lezer zal veel in het

door ons aan Lankester ontleende aantreffen, dat hem niet volkomen

duidelijk is. Zonder tal van afbeeldingen en veel grooter uitvoerigheid

dan het bestek van dit werk toelaat, was zulks echter onmogelijk te

vermijden. Van den anderen kant zijn deze feiten, die, zoover ons

bekend is, nog in geen enkel Nederlandsch werk zijn behandeld, voor de

afstammingsleer der Gewervelde Dieren (en dus ook van den mensch) zoo

buitengewoon belangrijk, dat zij hier onmogelijk mochten worden gemist,

en zullen door diegenen onzer lezers, welke meer op de hoogte der

wetenschap zijn, ongetwijfeld met de meeste oplettendheid worden

gelezen.

Het schijnt, dat in Balanoglossus eindelijk een diervorm is gevonden,

met den stamvorm der Gewervelde Dieren nauw verwant, die, hoewel

ongetwijfeld gewijzigd, zoodat hij voor zijn bijzondere leefwijze (hij

graaft holen in het natte zeezand) geschikt werd, en wellicht in zekere

mate gedegenereerd, echter niet afstamt van een veel hooger

ontwikkelden voorvader. De met trilharen bekleede opperhuid, de lange,

wormachtige vorm en het volkomen ontbreken van segmentatie in het

spierstelsel van het lichaam, leiden ons naar vormen, op de Nemertinen

gelijkende. De groote slurp van Balanoglossus mag wel worden vergeleken

met het voor instulping vatbare orgaan, dat bij de Nemertinen een

dergelijke plaats inneemt. De kraag is het eerste begin van een toestel

dat bestemd was een groote belangrijkheid te verkrijgen bij de

Cephalochorda en Craniata, en diende misschien bij de voorouders van

Balanoglossus om een enkele kieuwspleet te beschermen, vóór het aantal

dezer openingen was toegenomen. Als men, gelijk geoorloofd is, de

nieren, alsmede de zijdelingsche en dorsale zenuwstammen aan de

Nemertinen ontleent, vindt men, dat de Balanoglossus de hoopvolste

hypothetische oplossing van den stamboom der Vertebrata geeft. Die

stamboom, aan den wortel met de Echinodermata en de Nemertinen

samenhangende, geeft hooger de drie zijtakken der Hemichorda

Cephalochorda en Urochorda af. Ze wordt uitgedrukt door onderstaande

(met eenigszins gewijzigde namen) aan Lankester ontleende figuur:

(16) De hier bedoelde Serranussoorten zijn de zoogenaamde zeebaarzen

der Middellandsche Zee, Serranus Scriba, S. Cabrilla en S.

(Centropristis) Hepatus. Ook bij den karper, kabeljauw, baars,

melanurus, steur, snoek en wijting heeft men somwijlen

hermaphroditische voorwerpen aangetroffen. Het hermaphroditisme van

deze laatste soorten verschilt echter van dat der Serranussoorten in

verschillende belangrijke opzichten, namelijk:

a. Bij de Serranussoorten ontwikkelt zich de hom tusschen de rokken der

kuit, en elke helft der primitieve dubbele kiemklier zet zich tot beide

organen om.

b. Bij de andere soorten vormen hom en kuit afzonderlijke lichamen, en

ontwikkelen de beide helften der primitieve dubbele kiemklier zich

rechts en links nimmer tot hom en kuit te gelijk.

Hieruit volgt, dat het hermaphroditisme bij Serranus symmetrisch en

tweezijdig (bilateraal), bij de andere soorten daarentegen asymmetrisch

en hoogstens eenzijdig (unilateraal) is. Deze laatste komen dus overeen

met de hermaphroditische voorwerpen die men soms bij zekere

insektensoorten heeft waargenomen en bij welke de eene (b.v. de

rechter-) helft mannelijk, de andere (b.v. de linker-) helft vrouwelijk

was.

Wanneer nu het hermaphroditisme bij Serranus niet normaal was, zou men

mogen verwachten, dat het met dat abnormale hermaphroditisme van de

andere vischsoorten en insekten zou overeenkomen. Dat het er echter op

bovenvermelde wijze van verschilt, pleit sterk voor de meening, dat wij

bij Serranus wel degelijk met een normalen toestand hebben te doen

(Vergelijk Prof. H. J. Halbertsma in „Verslagen en Mededeelingen der

Kon. Akad. v. Wet. Afd. Nat.” Deel XVI).

Dat de aal (Conger) hermaphroditisch is, gelijk men vroeger wel heeft

beweerd, is onjuist gebleken, daar voor eenige jaren (vergelijk Isis,

1881, blz. 88 en 125) de mannelijke alen zijn ontdekt, waarbij bleek,

dat de gewone alen allen wijfjes zijn.

De tot een geheel andere afdeeling der visschen behoorende slijmaal

(Myxine glutinosa), een met de lampreien verwante, zeer laag

georganiseerde visch (behoorende tot de onder-klasse der Monorrhina),

is echter volgens de jongste onderzoekingen hermaphroditisch, maar

tevens (evenals verschillende planten, bij welke het stuifmeel rijpt

vóór de stampers geslachtsrijp zijn) proteraudrisch, d.w.z. dat in de

jeugd de mannelijke organen tot ontwikkeling komen, en deze op later

leeftijd (zoodra hij 32 à 33 cM. lang is geworden) achteruitgaan en

niet meer kunnen worden gebruikt, terwijl daarentegen de vrouwelijke

organen, die in de jeugd zeer weinig ontwikkeld waren, dan tot volkomen

ontwikkeling komen. Zulk een slijmaal is dus feitelijk in zijn jeugd

een mannetje, op zijn ouden dag een wijfje! („Bergens Museum

Aarberetning for 1887.”) Zelfbevruchting is derhalve bij den slijmaal

onmogelijk.

Dr. P. P. C. Hoek heeft in 1809 in het Zoölogisch station van Dr. A.

Dohrn te Napels onderzoekingen gedaan aangaande het hermaphroditisme

bij visschen. Aan zijn verslag dienaangaande aan den minister van

binnenlandsche zaken is het volgende ontleend:

„Verschillende waarnemingen hebben aan het licht gebracht, dat in de

klasse der visschen hermaphroditisme juist geen groote zeldzaamheid is.

Dufossé (1856) stelde vast, dat Serranus Cabrilla steeds tweeslachtig

is; Syrski (1876) toonde aan, dat niet alleen onder de Percidae,

waartoe het geslacht Serranus behoort, maar ook onder de Sparidae

visschen voorkomen, die regelmatig hermaphrodiet zijn en ook Brock

(1878) wijdde, bij gelegenheid van zijn op de geslachtsorganen der

visschen betrekking hebbende onderzoekingen, zijn aandacht aan de

zelfde aangelegenheid. Het kwam mij wenschelijk voor dat

hermaphroditisme bij visschen van verschillende groepen aan een

vernieuwd vergelijkend onderzoek te onderwerpen.

„Voor zooverre zij in de Golf van Napels voorkomen, heb ik van alle

repraesentanten der Percidae en Sparidae (beide families uit de

afdeeling der stekelvinnige visschen) exemplaren onderzocht. Dit waren

de volgende visschen:

Percidae:

Apogon rex mulorum.

Centropristis hepatus.

Labrax lupus.

Polypiron cernium.

Serranus cabrilla.

,, scriba.

Sparidae:

Box boops.

,, salpa.

Chrysophrys auratus.

Charax puntazzo.

Cantarus lineatus.

Oblata melanura.

Pagellus erythrinus.

,, mormyrus.

Sargus annularis.

,, Rondeletti.

,, Salviani.

„Bovendien werden Smaris alcedo (Fam. Pristipomini) en Ophidium

barbatum (een weekvinnige visch uit de afdeeling der Anacanthini),

beide visschen, bij welke Syrski eveneens verschijnselen van

hermaphroditisme waarnam, in mijn onderzoekingen opgenomen.

„Het resultaat nu van mijn waarnemingen is in ’t algemeen een

bevestiging van hetgeen vroegere onderzoekers mededeelden:

hermaphroditisme blijkt bij talrijke visschen een vrijwel standvastig

voorkomend verschijnsel te zijn. De door mij onderzochte visschen waren

echter geen van allen geslachtsrijp (daarvoor was het tijdens mijn

verblijf te Napels nog te vroeg in den tijd); de physiologische zijde

van het vraagstuk heb ik dan ook geheel buiten beschouwing gelaten en

mij geheel tot beschouwing uit een morphologisch oogpunt bepaald.

„Ik bespreek in deze voorloopige mededeeling alleen de door mij bij de

twee bovengenoemde families (Percidae en Sparidae) verkregen

resultaten. Al aanstonds verdient vermelding, dat het verschijnsel der

tweeslachtigheid zich bij elke familie onder een eigen vorm vertoont.

Tot de Percidae behooren de oudst bekende vormen van hermaphrodiete

visschen: Serranus cabrilla, S. scriba en Centropristis hepatus.

Terwijl de andere door mij onderzochte Percidae niet tweeslachtig

bleken te zijn, waren de genoemde soorten het in alle door mij ontlede

exemplaren en wel op die wijze, dat hun geslachtsklieren er als

eierstokken uitzagen, dat zij echter niet uitsluitend eierstokken

waren, daar de wand der klier aan de binnenvlakte niet overal met

ovariaal-lamellen was bezet, maar in een bepaald, gewoonlijk naar de

buikzijde van den visch toegekeerd gedeelte, een tweetal naar binnen

groeiende uitstulpingen of aanzwellingen ontwikkelden, die uit

testiculair parenchym waren samengesteld. Steeds was echter het

vrouwelijke deel van de geslachtsklier veel omvangrijker dan de

mannelijke—men zou deze visschen dus kunnen beschouwen als wijfjes die

tevens mannelijke voortplantingsproducten voortbrengen.

„Bij de Sparidae komt hermaphroditisme nu veel algemeener voor dan bij

de Percidae. In verreweg de meeste soorten dezer familie treft men

naast éénslachtige ook tweeslachtige exemplaren aan en wel schijnt het

dan de regel te zijn, dat de exemplaren òf vrouwelijk zijn òf

hermaphrodiet. Soorten bij welke alle exemplaren hermaphrodiet zijn,

schijnen echter in deze familie te ontbreken, ten minste ik trof in

alle door mij onderzochte soorten ook exemplaren aan, die éénslachtig

en wel vrouwelijk waren. Zoo ook bij Chrysophrys auratus—ofschoon

Syrski voor deze soort vermeldt, dat zij constant hermaphrodiet is. De

soorten, bij welke ik tweeslachtigheid constateerde, waren de volgende:

Box salpa, Charax puntazzo, Sargus Rondeletti, S. annularis, S.

Salviani en Pagellus mormyrus. Voegt men hier nu nog Chrysophrys

auratus bij, van welke soort ik slechts een enkel exemplaar dat

uitsluitend vrouwelijk was, heb kunnen onderzoeken, een soort die

echter volgens Syrski en Brock beide onder de tweeslachtigen moet

worden gerekend; neemt men dan nog in aanmerking dat ik

toevalligerwijze van Cantharus lineatus alleen vrouwelijke exemplaren

heb kunnen onderzoeken, dan blijven er van de in de Golf van Napels

voorkomende Sparidae slechts drie soorten over (Box boops, Oblata

melanura en Pagellus erythrinus), van welke kan worden vermoed dat zij

niet tweeslachtig zullen zijn. Alleen bij deze drie soorten trof ik

naast vrouwelijke exemplaren uitsluitend zuiver mannelijke aan: bij

alle andere (en vermoedelijk ook bij Cantharus lineatus) komen, naast

de vrouwelijke, hermaphrodiete exemplaren voor, terwijl ware mannetjes

er schijnen te ontbreken of zeldzaam voor te komen.

„In één opzicht echter valt er ook bij de mannelijke exemplaren van de

drie genoemde soorten nog een overblijfsel van het oorspronkelijk

hermaphroditisme te constateeren. Onderzoekt men de uitvoergangen van

de geslachtsorganen bij een hermaphrodiet uit de groep der Sparidae,

b.v. bij Box salpa, dan blijkt de oviduct een kanaal te zijn met een

dikken wand, terwijl de vasa efferentia bestaan uit een systeem van met

elkander communiceerende lacunen die hun verloop hebben door dien

dikken wand van den oviduct. Terwijl nu bij de door mij onderzochte

mannelijke exemplaren van Box boops en Pagellus erythrinus geen spoor

van een eierstok is te bekennen, is de oviduct er nog aanwezig in den

vorm van een aan beide zijden blind gesloten gang, waaromheên de vasa

efferentia op de zelfde wijze zijn gerangschikt als dit bij de

hermaphrodiete exemplaren van de verwante soorten het geval is. Vergis

ik mij niet, dan levert het voorkomen van dezen rudimentairen oviduct

bij exemplaren die overigens volstrekt niet tweeslachtig zijn, een

krachtig bewijs ten voordeele van de opvatting, dat in de geheele

familie der Sparidae het hermaphroditisme oorspronkelijk een algemeen

voorkomend verschijnsel is.

„Wat de geslachtsklieren aangaat, zoo vertoonen deze zich bij de

hermaphrodiete Sparidae onder een anderen vorm dan bij de tweeslachtige

Serranussoorten. Is het bij deze laatste als ’t ware een gedeelte van

den eierstok, dat uit testiculair weefsel is opgebouwd, heeft er dus

bij hen een zoo innige vergroeiing van de twee de verschillende

geslachtsproducten voortbrengende klieren plaats gevonden, dat men

slechts van een enkele kliermassa kan spreken, zoo bestaat elke

geslachtsklier bij de tweeslachtige Sparidae uit twee slechts

gedeeltelijk samenhangende kliermassa’s en wel uit een meer naar het

mediane vlak van den visch toegekeerden eierstok en een meer naar

buiten gelegen testis. Vermoedelijk vertoonen de Sparidae een toestand

die meer met den oorspronkelijken overeenkomt dan dit met de

hermaphrodiete Percidae (de Serranus- en Centropristis soorten) het

geval is, en moet dus de toestand waarin de voortplantingsklieren dezer

laatste zich bevinden, als een van jongere dagteekening worden

beschouwd. Zeker is het, dat uit de door mij ingestelde onderzoekingen

blijkt, dat we in het hermaphroditisme van de visschen niet hebben te

zien een abnormaal in slechts enkele gevallen optredend verschijnsel,

maar veeleer een toestand die voor de meeste leden van een vrij groote

groep van deze dieren een volkomen normale is.”

(18) De zwarte salamander van Zwitserland is levendbarend, en de jongen

worden volkomen ontwikkeld (dus zonder kieuwen) geboren. Onder de

vorschen is een soort (Hylodes martinicensis) op Guadeloupe, die wel is

waar niet levendbarend is, maar bij welke de jongen toch al de

larventoestanden binnen het ei doorloopen. Hier is dus embryo, wat bij

de stamsoort larve was. Wellicht zouden ook deze embryo’s, uit het ei

genomen, kunstmatig tot vorschen zijn op te kweeken, evenals het Mej.

de Chauvin in Zwitserland is gelukt de embryo’s van den levendbarenden

salamander buiten het moederlichaam tot salamanders op te kweeken,

vergelijk „Ontstaan der Soorten”, 3de Nederlandsche uitgaaf, blz. 629.

De larven der salamanders en vorschen vertegenwoordigen in haar

jongeren, pootloozen toestand de vischvormige stamsoort der amphibieën.

Dat de larve vaak den vroegeren volkomen toestand der soort

vertegenwoordigt, blijkt uit de gevallen, waarin ook de larve in

ouderen toestand, maar toch nog van kieuwen voorzien, het geslacht kan

voortplanten (Axolotl).

Ook bij insekten zijn voorbeelden bekend, dat zij zich in onvolkomen

toestand (als maskers of zelfs poppen) voortplanten. Als dit zonder

voorafgaande copulatie (parthenogenetisch) geschiedt, heeft von Baer

(„Mém. de l’Acad. de St. Pétersbourg”, vol. XV, No. 8) daaraan den naam

van paedogenesis gegeven.

(19) „Zij worden sympathetisch aangedaan door den invloed van sommige

ziekten.” Sympathetische aandoeningen van een orgaan noemt men

ziekelijke verschijnselen die zich in dat orgaan voordoen, zonder dat

eenige oorzaak van ziekte rechtstreeks op het zelve werkt, maar door de

reactie van een ander oorspronkelijk beleedigd orgaan. Zoo veroorzaakt

de aanwezigheid van ingewandswormen in het darmkanaal jeukte in den

neus. Deze sympathie is dus pathologisch, hetgeen de correlatie (zie

aanteekening 6, blz. 37) physiologisch en teratologisch is.

(20) Deze verklaring komt ons hoogst gewrongen voor. De voornaamste

intermitteerende normale en abnormale processen zijn de nachtelijke

slaap, de maandstonden en haar vervangende verschijnselen, de

ademhaling, het kloppen van het hart, de intermitteerende koortsen. Dat

men ’s nachts slaapt en over dag waakt, zal wel eensdeels aan onze

levenswijze, die zich er naar regelt, dat het ’s nachts donker en over

dag licht is, en anderzijds aan de overgeërfde gevolgen van de gewoonte

bij tallooze geslachten van voorvaderen liggen. Daarenboven staat deze

periodieke slaap, evenmin als de duur der in- en uitademingen, der

hartkloppingen en van periodieke koortsen in eenig duidelijk verband

met de schijngestalten en den omloopstijd der maan. Wat de menstruatie

en de haar vervangende verschijnselen aangaat, zoo hebben wij er reeds

in aanteekening 11, blz. 40 op gewezen, dat die bij verschillende

individu’s een zeer verschillende lengte hebben. Wat den duur der

zwangerschap aangaat, deze is ook bij verschillende individu’s van een

zelfde soort niet geheel gelijk en bij de verschillende zoogdiersoorten

hoogst ongelijk. Ware nu de duur der zwangerschap te verklaren op de

door Darwin aangegevene wijze, dan zouden alle zoogdieren den zelfden

duur van zwangerschap moeten hebben; want zij stammen van éénen

voorvader, het eerste zoogdier, af, die geen stranddier, maar slechts

de zeer verwijderde afstammeling van een stranddier was, en zouden met

dezen in duur van zwangerschap moeten overeenkomen. Daarenboven staat

de duur der zwangerschap in zeer indirect verband met de

schijngestalten en den omloopstijd der maan. Het zelfde gaat door bij

het uitbroeden van vogeleieren. Wat intermitteerende koortsen aangaat,

staat de intermittentie in verband met de levensperioden van de microbe

die de malaria veroorzaakt, en die in den koortsvrijen tijd niet in

volwassen toestand in het bloed des lijders voorkomt. Wij voor ons

vinden, dat het geen nadere verklaring behoeft, dat een organisme om

zich, uitgaande van het zelfde punt onder nagenoeg de zelfde

omstandigheden tot nagenoeg de zelfde hoogte te ontwikkelen ook steeds

nagenoeg den zelfden tijd noodig heeft; het spreekt daarom van zelf,

dat de zwangerschap bij de zelfde zoogdiersoort steeds nagenoeg even

lang duurt, en dat het evenzoo gaat bij het uitbroeden der eieren van

een bepaalde vogelsoort. Daar wij nu den tijd meten door den omloop der

hemellichamen, ontstaat er natuurlijk een schijnbaar verband tusschen

deze en den duur der zwangerschap, der uitbroeding, enz. Wij meten

echter den tijd ook door middel van uurwerken, en elke zwangerschap of

broedtijd zal dus in duur eenigermate overeenstemmen met een zeker

aantal omloopstijden van den wijzer onzer pendule, en toch zal niemand

op het denkbeeld komen een wezenlijk verband tusschen deze beide

verschijnselen te zoeken!

(21) Haeckel geeft in zijn verhandeling „Ueber die Entstehung und den

Stammbaum des Menschengeschlechts”, Berlin, 1870, in zijn „Natürliche

Schöpfungsgeschichte”, en (verbeterd en vermeerderd) in zijn

„Anthropogenie” [381] den geheelen dierlijken stamboom, dien de mensch

volgens hem zou hebben gehad, op. Deze stamboom verschilt van den door

Darwin aangenomenen slechts weinig, maar wordt nog veel verder dan de

onderstelde, met de tegenwoordige Zakpijpen (Ascidiae) verwante

stamouders der Werveldieren voortgezet. Voor wij dezen stamboom

mededeelen, moeten wij echter een overzicht van Haeckel’s indeeling der

Gewervelde Dieren vooraf laten gaan. Haeckel verdeelt de Gewervelde

Dieren in acht klassen volgens het volgende schema:

Schedellooze werveldieren 1. Lancetdieren

(Acrania).

Schedeldieren { Craniata met enkelvoudig

(Craniata). { reukorgaan 2. Rondmuilen

{ (Monorrhina).

{ Craniata met { Amnionlooze { 3. Visschen

{ dubbel { (Anamnia) { (Pisces).

{ reukorgaan { { 4. Dipneusta.

{ (Amphirrhina) { { 5. Amphibia.

{ { Amniondieren { 6. Reptilia.

{ { (Amniota). { 7. Vogels (Aves).

{ { { 8. Zoogdieren

{ { { (Mammalia).

De klasse der Acrania of Leptocardii wordt in de hedendaagsche

dierenwereld slechts door den slakprik (Amphioxus) vertegenwoordigd. De

klasse der Monorrhina omvat de Cyclostomen, die der Dipneusta de

Protopteri (de geslachten Lepidosiren, Protopterus en Ceratodus). Voor

de klasse der eigenlijke Visschen blijven dus nog over de onder-klassen

der Selachiërs, Ganoïden en Teleostiërs.

De stamboom van den mensch wordt nu door Haeckel ondersteld de volgende

te zijn:

A. Eencellige voorouders der gezamenlijke Meercellige Dieren.

Protozoa.

Eerste trap: Moneren, organismen van de eenvoudigst denkbare

samenstelling, gelijk de nog heden levende Protamoeben, Protogenes,

Bathybius enz., slechts uit een vormloos stukje levend oerslijm of

protoplasma bestaande; de oudste Moneren, waaruit zich eerst later

cellen ontwikkelden, kunnen volgens Haeckel slechts door generatio

spontanea („Urzeugung”) uit anorganische verbindingen zijn ontstaan.

[382]

Tweede trap: Lobvoeten of Amoeben, organismen van de morphologische

waarde eener eenvoudige cel zonder wand, derhalve slechts uit een

vormloos stukje levend protoplasma en een daarin omsloten kern of

nucleus gevormd. Waarschijnlijk verschilden deze eencellige oerdieren

niet sterk van de tegenwoordige Amoeben, gelijk ook nog heden het

menschelijk ei niet wezenlijk van een ingekapselde Amoebe verschilt.

B. Veelcellige voorouders der gezamenlijke Darmdieren.

Metazoa.

Derde trap: Synamoeben of eenvoudige Amoebengroepen, gevormd uit een

hoop gelijksoortige naakte cellen, evenals de tegenwoordige

Labyrinthuleeën, of de moerbezievormige celkogel (morula) van het

gekliefde ei. [383]

Vierde trap: Trilhaarzwermers of Planaeaden, gelijkende op de van

trilharen voorziene larve of Planula van Amphioxus en vele Ongewervelde

Dieren; veelcellige, rondachtige, holle lichamen, waarvan de

oppervlakte met trilharen is bezet. [384]

Vijfde trap: Oerdarmdieren of Gastraeaden, holle lichamen, wier wand

uit twee verschillende cellagen (huidblad of exoderm en darmblad of

entoderm) bestaat, met een opening (oermond) aan het eene uiteinde. De

binnenste cellaag vormt den oerdarm. Zij geleken op de darm larve

(Gastrula), die nog heden bij de meest verschillende dieren, zooals

sponzen, polypen, koralen, medusa’s, wormen, weekdieren, manteldieren

en den slakprik voorkomt.

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2) · 第 74 / 111 题