Zesde trap: Platwormen of Turbellariën, of ten minste laag ontwikkelde
wormen van een zeer eenvoudige samenstelling (Archelminthes), die zich
uit de Gastraeaden ontwikkelden, en met welke onder de thans levende
wormen de Turbellariën het naast verwant zijn. Tot deze behooren de
Nemertinen die volgens Hubrecht en Ray Lankester ’t naast met de
laatste voorouders der Gewervelde Dieren verwant zijn.
Zevende trap: Weekwormen of Scoleciden die den overgang vormden
tusschen de Turbellariën van den zesden trap en de Himategen van den
achtsten trap. Deze trap vervalt als men Ringwormen als de laatste
voorouders der Gewervelde Dieren beschouwt. Volgens de beschouwingen
van E. Ray Lankester wordt deze trap ingenomen door de Hemichorda, in
de levende schepping vertegenwoordigd door het geslacht Balanoglossus.
[385]
Achtste trap: Zakwormen of Himategen (Urochorda van Ray Lankester), in
de thans levende dierenwereld in gedegenereerden vorm vertegenwoordigd
door de Manteldieren (Tunicata) en bijzonder de Zakpijpen (Ascidiae).
De uitgestorven soorten van dezen trap, waarvan de Gewervelde Dieren
afstammen, kwamen met deze laatste vooral overeen door de ontwikkeling
van den aanleg van het ruggemerg en de daaronder gelegen ruggestreng
(chorda dorsalis). Volgens Dohrn, Hubrecht, Ray Lankester enz. een
gedegenereerde zijtak der Gewervelde Dieren en dus geen directe
voorouders van den mensch.