De Urochorda zijn zoo uiterst afwijkend, en vertoonen zelfs in hun
ontwikkeling zoo weinig meer dan een voorbijgaand spoor van de organen
der typische Gewervelde Dieren, dat wij niet kunnen hopen van hen veel
positief licht omtrent de voorouders dezer laatste te kunnen
verkrijgen. Alleen de kleine Appendiculariae (Larvalia) behouden
levenslang de sporen van hun verwantschap met de typische Gewervelde
Dieren en zij zijn blijkbaar, gelijk ook hun geringe grootte bewijst,
uiterst gedegenereerd (Fig. 10). Het is mogelijk hypothesen te maken
omtrent de in meerdere of mindere mate hoogere organisatie van de
voorouders der Urochorda, en zelfs vol te houden, dat hun stamouders
een even hooge organisatie als de Craniata hadden bereikt; van den
anderen kant is het niet waarschijnlijk, dat het punt waarop zij zich
van de hoofd-afstammingslijn welke tot de Craniata leidt, scheidden,
lager was dan, of zelfs zoo laag als dat, waarop de Cephalochorda er
zich van scheidden. De scheiding van romp en staart door beperking van
de chorda aan de voorzijde is een grooter toenadering tot het maaksel
der Craniata dan Amphioxus vertoont, terwijl de stellige ontwikkeling
van hersenen van betrekkelijk aanzienlijke grootte de Urochorda dichter
bij de Craniata plaatst dan Amphioxus. De metamerische myomeren zijn
bij dezen laatste wel sterk ontwikkeld, maar zij ontbreken toch ook bij
de Urochorda niet (gelijk dikwijls wordt beweerd), maar bestaan bij
deze in een rudimentairen vorm, welke bewijst, dat zij bij hun
voorouders een grootere ontwikkeling bezaten.