3. Urochorda.

De Urochorda zijn zoo uiterst afwijkend, en vertoonen zelfs in hun

ontwikkeling zoo weinig meer dan een voorbijgaand spoor van de organen

der typische Gewervelde Dieren, dat wij niet kunnen hopen van hen veel

positief licht omtrent de voorouders dezer laatste te kunnen

verkrijgen. Alleen de kleine Appendiculariae (Larvalia) behouden

levenslang de sporen van hun verwantschap met de typische Gewervelde

Dieren en zij zijn blijkbaar, gelijk ook hun geringe grootte bewijst,

uiterst gedegenereerd (Fig. 10). Het is mogelijk hypothesen te maken

omtrent de in meerdere of mindere mate hoogere organisatie van de

voorouders der Urochorda, en zelfs vol te houden, dat hun stamouders

een even hooge organisatie als de Craniata hadden bereikt; van den

anderen kant is het niet waarschijnlijk, dat het punt waarop zij zich

van de hoofd-afstammingslijn welke tot de Craniata leidt, scheidden,

lager was dan, of zelfs zoo laag als dat, waarop de Cephalochorda er

zich van scheidden. De scheiding van romp en staart door beperking van

de chorda aan de voorzijde is een grooter toenadering tot het maaksel

der Craniata dan Amphioxus vertoont, terwijl de stellige ontwikkeling

van hersenen van betrekkelijk aanzienlijke grootte de Urochorda dichter

bij de Craniata plaatst dan Amphioxus. De metamerische myomeren zijn

bij dezen laatste wel sterk ontwikkeld, maar zij ontbreken toch ook bij

de Urochorda niet (gelijk dikwijls wordt beweerd), maar bestaan bij

deze in een rudimentairen vorm, welke bewijst, dat zij bij hun

voorouders een grootere ontwikkeling bezaten.

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2) · 第 73 / 111 题