J. Thacher te New-Haven stelde in 1877 een hypothese omtrent den
oorsprong van de ledematen der Craniata, welke van die van Gegenbaur
(vergelijk „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, I, blz.
528) gedeeltelijk afwijkt, en van vele zijden met instemming werd
begroet. Hij vergelijkt de parige en onparige vinnen der visschen en
verklaart ze voor gelijksoortige organen. Uitsluitend onparige vinnen
of liever zoomen bezitten de laagste Craniata (de lampreien) en de
Cephalochorda. Eerst bij de haaien vindt men parige vinnen. Evenals de
rug- en aarsvin uit mediane plooien of zoomen ontstaan, laat Thacher nu
de parige vinnen uit parige zijdeplooien ontstaan, die bij den embryo
der hoogere Craniata door de zoogenaamde Wolffsche lijsten worden
vertegenwoordigd. Uit de talrijke kraakbeenige stralen waardoor de
vinnen worden gesteund, en die oorspronkelijk alle evenwijdig loopen,
ontstonden in den loop der palaeontologische ontwikkeling door
versmeltingen en verdeelingen het skelet der borst- en buikvinnen en
daaruit dat van de ledematen der hoogere gewervelde dieren. Balfour
vond deze hypothese bij het onderzoek van haaiembryo’s bevestigd, en
ook Dohrn sluit zich bij diens beschouwingen aan.
Lankester zegt t.a.p.: „De kieuwspleten der Craniata worden, als zij
tot de ademhaling dienen, over het algemeen beschermd door een
operculaire [379] plooi van den lichaamswand, die er overheên hangt, en
homoloog is met den epipleuralen [380] plooi van Amphioxus, den kraag
van Balanoglossus en wellicht met den wand der atriale kamer van de
Urochorda. De uitbreiding van deze plooi langs de zijden van het
middelste gedeelte van het lichaam (tusschen de keelstreek en de aars)
verkreeg bij voorouders der Craniata de functie van een doorloopende
rechter- en linker zijdelingsche vin (zie Fig. 9). Tegelijkertijd
ontwikkelde zich een doorloopende onparige vin, over rug- en
staartgedeelte tot den aars om het lichaam heên, welke overeenstemt met
de rug-, staart- en aarsvinnen der bestaande visschen. Zoowel in de
parige als in de onparige vinnen ontwikkelde zich een kraakbeenig
geraamte, bestaande uit een overlangs loopende staaf, die een aantal
stralen, evenals de tanden van een kam gerangschikt, steunde. De
oorspronkelijke vorm van het vinskelet is in de onparige vinnen van
sommige haaien bewaard gebleven; de oorspronkelijke zijdelingsche vin
is in alle gevallen òf geheel verdwenen (lampreien) evenals haar
verlenging aan den voorkant (het operculum), òf zij is met de elementen
van haar skelet geconcentreerd in twee streken en heeft aldus aan de
borst- en buikvinnen, met haar respectieve gordels, het aanzijn
gegeven.