2. Orde: PROSIMII (Halfapen of Lemuridae).

De Lemuriden kunnen o.a. ook daarom niet met den mensch en de apen in

de zelfde orde worden vereenigd, omdat zij van hen afwijken in den vorm

der eivliezen en van de placenta, welke laatste bij hen, gelijk Milne

Edwards („Compt. rend.”, T. LXXIII, blz. 422) heeft aangetoond,

klokvormig is en veel meer nadert tot die der Carnivora, dan tot die

van den mensch, de apen, vledermuizen, insectivoren en knaagdieren,

wier gemeenschappelijke voorouders waarschijnlijk tot de Lemuriden

behoorden. Ook de anatomische verschillen zijn daartoe te groot.

(7) De maag der Slankapen bestaat uit drie deelen: het cardiale

gedeelte, waarin de slokdarm uitmondt, bezit inwendig een gladde

oppervlakte; het tweede gedeelte bestaat uit een dubbele rij zakjes;

het derde of pylorusgedeelte is langwerpig van vorm, bezit nog eenige

insnoeringen, evenals een karteldarm, doch wordt aan het einde van

eenvoudiger maaksel.

(8) Mesopithecus penthelicus Gaudry. In het maaksel van den kop geleek

hij op Semnopithecus, in dat der ledematen op Macacus.

(9) Onder al de verdraaide voorstellingen die de tegenstanders der

ontwikkelingstheorie van de denkbeelden der Darwinisten gelieven te

geven, is er wellicht geen belachelijker, dan dat de Darwinisten zouden

beweren, dat de mensch uit een der thans levende aapsoorten zou zijn

ontstaan. Tot hun verontschuldiging kan men bijbrengen, dat juist de

hevigste tegenstanders meestal personen zijn, die de eerste beginselen

missen van de kundigheden, noodig om de stellingen der Darwinisten te

beoordeelen, en wier uitspraken daaromtrent slechts even zoo vele

bewijzen zijn hunner onwetendheid. Daar de ontwikkelingstheorie berust

op het denkbeeld, dat de thans levende hoogere diersoorten slechts

gewijzigde afstammelingen zijn der uitgestorvene, ligt het voor de

hand, dat twee thans levende hoogere diersoorten nimmer in rechte lijn

met elkander verwant kunnen zijn, maar dat hun verwantschap beter zou

kunnen worden uitgedrukt door het woord „neef.” Niemand zal dus zoo

dwaas zijn te beweren, dat de mensch van den gorilla, chimpanzee of

orang afstamt, schoon deze dieren zeker tot onze naaste familie

behooren. Het is dus zeer duidelijk, hoe onze vaderlandsche geleerden

Schroeder van der Kolk en Vrolik hebben kunnen zeggen: „Wij kennen geen

soort van apen die een directen overgang tot den mensch vormt. Wilde

men met geweld den mensch van de apen afleiden, dan zou men zijn hoofd

moeten zoeken bij die kleine apen, die zich om de Ouistiti’s en Rolapen

groepeeren, zijn hand bij den Chimpanzee, zijn skelet bij den Siamang,

zijn hersenen bij den Orang” („zijn voet bij den Gorilla”, voegt Vogt

er bij). Zij hebben daardoor voldingend bewezen, dat de mensch niet in

rechte lijn van die apen afstamt, iets dat eigenlijk niet behoefde te

worden bewezen, daar niemand zulks beweert. Zij hebben daardoor echter

ook voldingend bewezen, dat de mensch met al die apen nauw verwant is.

Evenzoo nadert het Fransch in sommige opzichten tot het Italiaansch, in

andere tot het Spaansch, wederom in andere tot het Roemenisch, terwijl

het Spaansch wederom met het Portugeesch overeenkomt in punten, waarin

het van het Fransch en Italiaansch afwijkt, enz. Dit bewijst, dat het

Fransch geen dochtertaal is van een der genoemde talen, maar tevens,

dat zij allen afstammelingen zijn van een zelfde oude, doode taal, het

Latijn. De kinderen der verschillende menschenrassen gelijken meer op

elkander, dan de volwassen individu’s, evenzoo gelijken de jongen der

apen meer op onze kinderen en op elkander, dan de volwassen apen op ons

en op elkander. Wij hebben hier dus een aantal convergeerende lijnen

die elkander in een achter ons gelegen punt moeten snijden. De

ontwikkelingsgeschiedenis van het individu toch geeft de

ontwikkelingsphasen die het type heeft doorloopen, terug. Als dus de

jonge apen meer op onze kinderen gelijken, dan de volwassen apen op

ons, dan is er een tijd geweest dat de voorouders der tegenwoordige

apen meer op onze voorouders geleken, dan de tegenwoordige apen op ons.

Als er een tijdstip in de embryonale ontwikkeling is, waarop de embryo

van een aap niet van een menschelijk embryo is te onderscheiden, dan is

er ook een tijdstip geweest, waarop de voorouders der tegenwoordige

apen de zelfde kenmerken hadden, tot de zelfde soort behoorden, als de

onze. Iedere ontwikkelingsphase van het menschelijk type is op die

wijze om zoo te zeggen pro memoria aangeteekend in de

ontwikkelingsgeschiedenis van het individu.

(10) Haeckel ontwikkelde in de eerste uitgaven zijner „Natürliche

Schöpfungsgeschichte” (1ste uitgaaf, blz. 619), het denkbeeld, dat de

oorspronkelijke bakermat van het menschelijk geslacht een thans onder

den spiegel van den Indischen Oceaan verzonken vasteland zou zijn

geweest, dat zich ten zuiden van het tegenwoordige Azië (en

waarschijnlijk daarmede verbonden) eenerzijds tot Achter-Indië en

Insulinde, anderzijds westelijk tot Madagascar en Zuid-oostelijk Afrika

uitstrekte. Dit hypothetische vasteland is wegens de Lemuriden die

sommige nog overgebleven deelen er van bewonen, door den Engelschman

Sclater Lemuria genoemd. Deze hypothese moet als onjuist worden

beschouwd. Er leven ook op het vasteland van Afrika Lemuriden en in

Noord-Amerika zijn fossiele Lemuriden gevonden. Daarenboven is de

Indische Oceaan grootendeels zeer diep, en het is in hooge mate

onwaarschijnlijk, dat daarin ooit een vasteland zou hebben gelegen. In

zijn „Darwinism”, 2de uitgaaf, Londen 1889 geeft A. R. Wallace een

wereldkaart, waarop de lijn van 1000 vademen diepte is aangegeven, die,

gelijk hij in het breede aantoont, bijna overal de uiterste grens

aangeeft tot welke zich ooit het vasteland kan hebben uitgestrekt. Men

vergelijke het nevensgaande kaartje, dat echter in tegenoverstelling

van dat van Wallace ook de omstreken der polen bevat, en waarvan de

projectie mij voor het beoogde doel beter en duidelijker schijnt dan de

door Wallace gebruikte projectie. Op dit kaartje zijn al de gedeelten

der zee, die minder dan duizend vademen diep zijn, wit geteekend. Het

onderstelde Lemuria valt bijna overal buiten de lijn van 1000 vademen

diepte en heeft derhalve nooit bestaan. In de eerste uitgaaf van de

Nederlandsche vertaling maakte ik omtrent het oorspronkelijk vaderland

van den mensch de volgende opmerking: „Het is even waarschijnlijk, dat

het Aziatisch gewest van Insulinde, waar thans nog de Orang en de

Gibbons leven, de oorspronkelijke bakermat van den mensch is, als

West-Afrika, het vaderland van den Chimpanzee en den Gorilla. Bedenken

wij echter, dat alle volken van Afrika dolichocephaal zijn, en ook de

Chimpanzee en Gorilla dit kenmerk vertoonen, terwijl het Maleische ras

en vele andere Aziatische stammen brachycephaal zijn evenals de Orang

en de Gibbons, bedenken wij verder, dat evenals ten Oosten van het

vaderland van Chimpanzee en Gorilla een door Lemuriden bewoond eiland

(Madagascar) ligt, ook het oostelijk deel van het Aziatisch gewest van

Insulinde door een door Lemuriden bewoond eiland (Celebes) wordt

ingenomen, ja, dat ook op Borneo, Sumatra en Java Lemuriden wonen, en

dat de Lemuriden volgens Darwin en Haeckel de stam zijn, waaruit zich

de ware apen en de mensch hebben ontwikkeld, dan rijst de vraag op, of

de oorspronkelijke mensch niet op minstens twee afzonderlijke plaatsen

is ontstaan: 1o. In Zuid-west-Afrika uit met den Chimpanzee en Gorilla

verwante vormen; dit menschenras zou de oorspronkelijke stamvorm der

Negers, Kaffers en Hottentotten zijn, en 2o. In het Aziatische gewest

van Insulinde uit met den Orang en de Gibbons verwante vormen; dit

menschenras zou de oorspronkelijke stam der Aziatische volken zijn

geweest.” Hierbij komt nog, dat de Chimpanzee en Gorilla zwart zijn als

de Negers, de Orang bruin als de Maleiers.

Sedert is echter door den Markies de Saporta een geheel nieuwe

hypothese omtrent het oorspronkelijke vaderland van den mensch

geopperd, die mij uiterst waarschijnlijk en ook uit een algemeen

geologisch en palaeontologisch oogpunt hoogst belangrijk voorkomt. Ik

heb haar daarom nader uiteengezet en uitgebreid in een artikel over

„Het oorspronkelijk vaderland van den mensch en de oudste

volksverhuizingen in het palaeolithische tijdperk”, dat ik achter het

eerste gedeelte van Darwin’s werk (tusschen Hoofdstuk VII en VIII)

inlasch en waarnaar ik verder verwijs. Ik zal daar het kaartje ook

verder bespreken.

(11) De meening, dat de mensch niet reeds gedurende het zoogenaamde

Diluvium (de Pleistocene vorming) bestond (dit laatste is een volkomen

bewezen, niet meer te betwijfelen feit), maar dat zijn geslacht zelfs

opklimt tot de oude tertaire tijden, wordt zeer gesteund door

verscheidene overblijfselen van menschelijke nijverheid, of ten minste

van stukken vuursteen die sporen van bewerking schijnen te vertoonen,

welke men in verschillende tertaire lagen heeft gevonden.

Zoo vond de Abt Bourgeois in het Calcaire de la Beauce in de gemeente

Thénay, dicht bij Pont-Leroy, alwaar dit 4,80 meter dik is en uit

afwisselende lagen mergel, leem en zoetwater-kalksteen bestaat, in de

alleronderste, uit mergel bestaande laag eenige, en in de onmiddellijk

daarop rustende gele of groenachtige leem talrijke bewerkte

vuursteenen. Op het Calcaire de la Beauce rusten in die gemeente de

zoogenaamde Sables de l’Orléanais; ook in deze vond hij zeer grof en

onvolmaakt bewerkte vuursteenen en een bal („galet”), uit een

kunstmatig, kool bevattend deeg vervaardigd, te zamen met beenderen van

groote Olifantachtige Dieren en van Dinotherium. Deze Sables de

l’Orléanais behooren evenals de daarboven gelegen Faluns de la

Tourraine, die uit grijs, met zeeschelpen en zoogdierbeenderen vermengd

zand bestaan, tot de Miocene vorming. Ook in de Faluns de la Tourraine

vond de Abt Bourgeois bewerkte vuursteenen met de schelpen vermengd;

zij vertoonen sporen van lang door het water te zijn heên en weêr

gerold en zijn waarschijnlijk tijdens de vorming der Faluns door de zee

uit de onderliggende lagen losgespoeld.

Ook in de Miocene lagen van Lelles sur Cher (Loir-et-Cher) vonden de

Abt Bourgeois en de heer Vibraye, en in die van Pouancé

(Maine-et-Loire) de abt Delaunay sporen van den tertiairen mensch.

In de Sablonières de St. Prest (Eure-et-Loir), die tot de Pliocene

vorming behooren, zijn in 1863 beenderen van Rhinoceros leptorhinus,

Elephas meridionalis en Hippopotamus gevonden, waarop de heer Desnoyers

strepen of sporen van insnijdingen ontdekte, door ’s menschen hand

gemaakt, zeer duidelijk en regelmatig, volkomen overeenkomende met die

welke zijn waargenomen op de fossiele beenderen van nieuwere

zoogdiersoorten. De heer Issel vond dergelijke overblijfselen in de

Pliocene vorming van Colle del Vento in Savoye. Omtrent menschelijke

overblijfselen uit de oudere Pliocene-periode, in Italië in het

Tiberdal gevonden, vergelijke men de mededeelingen van G. Marinoni, G.

R. Gualterio en A. Issel in „Atti della società Italiana die scienze

naturali”, 1868 (en beknopt in „Neues Jahrb. f. Miner.”, 1871, blz.

196). In Portugal werden bewerkte vuursteenen in tertiaire lagen van

het dal van den Taag bij Lissabon door den geoloog Carlos Ribeira

gevonden, en tijdens het internationale voorhistorische congres te

Lissabon in 1880 en 1881 door verschillende Fransche, Engelsche en

Duitsche geleerden van grooten naam die ook de vindplaatsen bezochten,

als echt erkend.

In zijn in den winter van 1868 te Rotterdam gehouden lezingen deelde

Carl Vogt mede, dat men in het dal van den Manzanares in zekere laag

een volledig skelet van Elephas meridionalis en in een daaronder

gelegene en dus oudere laag overblijfselen van menschelijke kunstvlijt

en zelfs menschenbeenderen had gevonden. Elephas meridionalis nu sterft

reeds in de Pliocene vorming uit.

Ook de in 1844 het eerst beschreven, in den vulkanischen tuf van den

uitgebranden vulkaan van Denise nabij le Puy en Velay gevonden fossiele

menschenbeenderen behooren wellicht tot het tertiaire tijdvak.

Omtrent tertiaire menschenbeenderen en steenen voorwerpen uit

Californië zie men de aanteekeningen op het volgende hoofdstuk.

Het is mij wel eens ingevallen, of de in de Miocene vorming gevonden,

uiterst ruw bewerkte vuursteenen en de door den heer Desnoyers ontdekte

insnijdingen wellicht afkomstig konden zijn, niet van menschen, maar

van nog half-aapachtige voorouders van den mensch die reeds wat verder

ontwikkeld waren dan de tegenwoordige apen, welke laatste, zooals men

weet, steenen als werktuigen bezigen, zonder ze echter te bewerken. Er

moeten tusschentrappen zijn geweest waarop de voorouders van den mensch

verstandelijk vrij wat hooger ontwikkeld waren dan de Apen, doch nog

steeds veel lager stonden, dan de ruwsten der tegenwoordige wilden. Het

zelfde denkbeeld is, lang nadat deze opmerking in de eerste uitgaaf van

dit werk verscheen, ook gemaakt door G. de Mortillet, die de tertiaire

vuursteenwerktuigen toeschrijft aan „le précurseur de l’homme”,

wellicht Dryopithecus Fontani. Men vergelijke o.a. „Isis”, 1878, blz.

317. [372] Dryopithecus Fontani is echter later gebleken geenszins

nader met den mensch verwant te wezen dan de thans nog levende

anthropomorphen, zoodat „le précurseur de l’homme” blijkbaar een hooger

ontwikkeld wezen dan Dryopithecus moet zijn geweest. Daar de tertiaire

vuursteenen die men voor bewerkt houdt, sporen van de inwerking van het

vuur vertoonen, zou deze voorganger van den mensch met het gebruik van

het vuur bekend moeten zijn geweest, waarop ook de in de Sables de

l’Orléans gevonden, kool bevattende bal wijst. De tegenwoordige apen,

zelfs de anthropomorphen, warmen zich wel bij het door den mensch

ontstoken vuur, maar verstaan de kunst niet om het aan te houden door

de toevoeging van nieuwe brandstof, of om het te maken. Het verhaal

door Emin Pacha aan Stanley gedaan (zie „In Afrika’s donkere

wildernissen”, Dl. I, blz. 494), dat de chimpanzees uit het woud van

Msongwa ’s nachts fakkels gebruiken om hun weg te verlichten, als zij

vruchten uit de aanplantingen komen stelen, houden wij voor een

sprookje. Het verhaal komt wel in het Engelsche origineele werk („In

Darkest Africa”, vol. I, blz. 423) voor, maar ontbreekt, zonderling

genoeg, in de Duitsche vertaling.

(12) Prof. Cope beschreef in „The Amer. Naturalist” van Jan. 1882, blz.

73, onder den naam van Anaptomorphus Homunculus een lemuride, waarvan

de schedel in de Eocene lagen van westelijk Noord-Amerika is gevonden,

en die volgens hem meer nadert tot den hypothetischen lemuroïden

voorvader van den mensch dan eenige tot dusver ontdekte soort. In zijn

tandstelsel nadert dit dier eensdeels tot de Indri’s van Madagascar,

van den anderen kant tot de echte apen en vooral tot den mensch. De

hoektanden zijn zeer klein, de tanden vormen een onafgebroken reeks en

staan verticaal. De groote hersenen hadden voor een Eoceen zoogdier een

aanzienlijk volumen. De groote oogholten pleiten voor een nachtelijke

levenswijze.

(13) Een vijftal jaren geleden is het gebleken, dat de Snaveldieren

eierleggende dieren zijn, en dus ook in dit opzicht van de overige

zoogdieren afwijken en tot de reptielen en andere lagere klassen der

gewervelde dieren naderen.

In September 1884 werd dit, wat Ornithorhynchus aangaat, ontdekt door

Caldwell te Sydney. Hij ontdekte tevens, dat het ei meroblastisch is,

d.w.z. een dojerblaas bezit, en dus in zijn ontwikkeling groote

overeenkomst heeft met dat der Reptielen, vooral der slangen en

hagedissen, en niet met dat der Amphibieën. Het ei is uitwendig met een

fijn net van dunne kalkvezeltjes bedekt en gelijkt het meest op dat van

sommige slangen.

Reeds in Augustus 1884 had een andere in Nieuw-Holland verblijfhoudende

natuuronderzoeker, Dr. Wilhelm Haacke, bij Echidna in een zich

tijdelijk bij het wijfje vormenden zak het met een perkamentachtige

schaal bedekte ei van dit dier ontdekt. Hij maakte die ontdekking

echter eerst in December, dus na Caldwell, publiek.

Men vergelijke ook het stuk van Dr. D. Lubach, „Eierleggende

Zoogdieren” in Alb. d. Natuur 1886.

In 1886 werd door Miklucho-Macklay aangetoond, dat de

lichaamstemperatuur van Ornithorhynchus 25,2 °C. en die van Echidna 28

°C. is. Bij de hoogere zoogdieren is die temperatuur veel hooger en

gelijk of nagenoeg gelijk aan die van den mensch. Ook in dit opzicht

vormen dus de Snaveldieren een overgang tusschen de hoogere zoogdieren

en de koudbloedige Reptielen en Amphibieën.

Ofschoon de Snaveldieren geen eigenlijke tepels bezitten, bezitten zij

echter wel zogklieren. Deze scheiden echter geen eigenlijk gezegde melk

af. Het zijn gewijzigde zweetklieren, terwijl de zogklieren der overige

zoogdieren vervormde talkklieren zijn. De gemeenschappelijke voorouders

der zoogdieren brachten waarschijnlijk het vocht waarmede zij hun

jongen voedden, voort uit een orgaan, dat zoowel uit veranderde

zweetklieren als vervormde talkklieren bestond. Bij de typische

zoogdieren kwamen de laatste tot bijna uitsluitende ontwikkeling, bij

de snaveldieren de eerste. De typische zoogdieren stammen dus niet in

rechte lijn van snaveldieren af, maar deze laatste vormen een

zelfstandig ontwikkelden zijtak, die echter in organisatie veel dichter

bij den oorspronkelijken stam staat dan de typische zoogdieren

(Humboldt, Juni 1887, blz. 271).

(14) Als overgangsvormen tusschen de reptielen en de tegenwoordige

vogels zijn verder merkwaardig de vogels met tanden (Odontornithes),

door Prof. O. C. Marsh in 1870–72 in de krijtformatie van Westelijk

Kansas ontdekt. Men vergelijke Dr. T. C. Winkler, Vogels met Tanden, in

„Alb. d. Nat.”, 1882, blz. 51, 67. Ook Archaeopteryx is later, nadat

men er een tweede, beter bewaard skelet van had gevonden, gebleken

tanden te hebben bezeten. Ofschoon het een gevederd en vliegend dier

was, bleek Archaeopteryx echter in de meeste opzichten dichter bij de

Reptielen dan bij de echte vogels te staan, wat met de Odontornithes

geenszins het geval is.

(15) Treffend zijn Tab. XII en XIII van de achtste uitgaaf van

Haeckel’s „Natürliche Schöpfungsgeschichte”, die een vergelijking

tusschen de ontwikkelingsgeschiedenis van Ascidia en Amphioxus

bevatten. Bij de larven van Ascidia vindt men den aanleg eener chorda

dorsalis met een centraal zenuwstelsel daarboven, het darmkanaal

daaronder gelegen. Het centraal zenuwstelsel bestaat uit een langen

draad, die zich aan het kopeinde tot een rond ganglion uitzet; in dien

draad bevindt zich een holte, die zich tot in het ganglion voortzet.

Met het ganglion hangen zintuigen te zamen, die gehoor- en

gezichtswerktuigen schijnen te zijn, en de zelfde betrekkelijke ligging

hebben als bij de embryo’s der Gewervelde Dieren (Kupffer, „Die

Stammverwandtschaft zwischen Ascidiën und Wirbelthieren”, Bonn, 1870).

Bij de verdere ontwikkeling der Ascidiën verliezen de larven haar

staart en daarmede tevens de chorda dorsalis en draadvormige

zenuwstreng, zoodat dan de gelijkenis met Gewervelde Dieren geheel

verloren gaat.

Nu maakte echter Baehr, de beroemde embryoloog van St. Petersburg, er

opmerkzaam op, dat daar volgens Haeckel’s biogenetische hoofdwet

datgeen, wat het vroegst in de ontwikkeling optreedt, het erfdeel der

vroegste voorouders is, zoo die hoofdwet juist was, niet de Gewervelde

Dieren van Manteldieren (waartoe de Zakpijpen of Ascidiën behooren)

moesten afstammen, maar omgekeerd de Manteldieren van Gewervelde

Dieren, daar zij in hun vroegste jeugd de organisatie van Gewervelde

Dieren bezaten. [373]

Over deze quaestie is in den jaargang 1873 van Isis een

wetenschappelijke discussie gevoerd tusschen Dr. P. J. F. Vermeulen

(destijds leeraar aan de Roomsch-Katholieke Hoogere Burgerschool te

Rolduc) en schrijver dezes. Destijds heb ik er reeds op gewezen, dat

wanneer met de Ascidiën verwante wezens als stamvorm der Gewervelde

Dieren moesten worden opgegeven, vele gronden waren aan te voeren voor

de meening, dat de Gewervelde Dieren afstamden van Gelede Dieren

(waartoe ik ook de eigenlijke Ringwormen reken). Dit gevoelen werd

spoedig daarop ook door anderen, die er echter geheel onbekend mede

waren, dat ik het reeds vroeger had uitgesproken, verdedigd, en niet

slechts theoretisch verder uitgewerkt, maar ook door waarnemingen

gesteund.

Dr. Dohrn te Napels, stichter en directeur van het Zoölogisch Station

aldaar, wees er namelijk in een in 1875 verschenen geschrift („Ueber

den Princip des Functionswechsels”, Leipzig, Engelmann) op, dat bij

zeer laag staande visschen reeds punten van overeenkomst in

anatomischen bouw met de Manteldieren worden gevonden, en stelde de

vraag, in welk opzicht de levenswijze der Manteldieren met die van

bedoelde visschen overeenkomt? Hij antwoordde daarop, dat zoowel de

Manteldieren als die visschen een half of geheel parasitisch leven

leiden of toch ten minste op den zeebodem vastgegroeide wezens zijn

geworden. In deze levenswijze zocht nu Dohrn de oorzaak van de lage

organisatie. Alle woekerdieren gaan, gelijk Dohrn aantoonde en ook

algemeen bekend is (men vergelijke Vogt’s stuk over „Woekerdieren en

aanverwant gespuis” in Isis 1875, blz. 197), ten gevolge hunner

levenswijze in organisatie achteruit. Dikwijls zien wij, zegt Vogt (ib.

blz. 203), „hoe het woekerdier in het binnenste van het lichaam van

zijn gastheer aangekomen, langzamerhand een menigte van organen

afwerpt, die het niet meer kan gebruiken en die door het niet meer

gebruiken allengs verdwijnen; zintuigen en bewegingsorganen, organen

van bloedsomloop en ademhaling, ja zelfs ten laatste de

verteringsorganen, waarvan de nevenklieren afnemen, tot zelfs het

darmkanaal verarmt, zich aan het achterste einde als een blinde zak

sluit, en eindelijk zelfs geheel en al verdwijnt, om evenals de andere

organen, voor het eenige stelsel plaats te maken, dat zich op kosten

der andere ontwikkelt, namelijk het voortplantingsstelsel.”

Woekerdieren onttrekken zich door hun levenswijze aan den voor de

ontwikkeling der organen zoo noodzakelijken strijd om het bestaan, het

gevolg daarvan is achteruitgang der organen. Dohrn voegde daarom bij

Darwin’s beide beginselen, de aanpassing en de erfelijkheid, nog een

derde, dat even krachtig op de organisatie terugwerkt, namelijk het

parasitisme of woekerleven.

Volgens deze beschouwing van Dohrn zouden derhalve de Manteldieren

werkelijke, doch door parasitisme achteruitgaand ontwikkelde Gewervelde

Dieren zijn, die zich tot de overige Gewervelde Dieren ongeveer even

zoo verhouden als de (eens tot de wormen gerekende) Linguatulinen

(vergelijk Harting’s „Leerboek” III, 1, blz. 359) tot de overige

Spinachtige Dieren.

Dohrn onderscheidde echter nog een vierde beginsel, door hem „Princip

des Functionswechsels” genoemd. Elk orgaan, zegt hij, bezit meer dan

ééne functie, ééne daarvan is hoofdfunctie, de andere zijn

nevenfuncties. Nu kan echter een nevenfunctie zoo op den voorgrond

treden, dat zij de andere verdringt, en daardoor verkrijgt het orgaan

een andere beteekenis in de huishouding van het lichaam en ondergaat

tevens secundaire wijzigingen in zijn bouw. Zoodoende kan b.v. uit een

oorspronkelijk eenvoudige maag een kliermaag en een spiermaag ontstaan.

Deze beschouwingen verder uitwerkende, kwam Dohrn tot de hypothese:

„dat de mond der tegenwoordige Gewervelde Dieren vroeger op een geheel

andere plaats, namelijk in de streek van de tegenwoordige vierde

hersenholte (ventriculus quartus) heeft gelegen, en dat onze

tegenwoordige mond bij de stamouders der Gewervelde Dieren slechts een

kieuwspleet is geweest.” Het spijsverteringskanaal zou destijds het

tegenwoordige ruggemerg hebben doorboord, onze tegenwoordige buikzijde

rugzijde zijn geweest en omgekeerd, het ruggemerg zou buikmerg zijn

geweest, evenals bij de tegenwoordige Gelede Dieren, het verlengde merg

en de hersenen zouden een slokdarmring hebben gevormd. Op deze wijze

ontstaat een volkomen homologie tusschen het zenuwstelsel der

Gewervelde Dieren en dat der Ringwormen. De plaatsverandering van den

mond is geen grooter wonder dan die van het eene oog bij de

tegenwoordige platvisschen, bij welker jongen de oogen symmetrisch

liggen, evenals bij de andere Gewervelde Dieren, terwijl zij bij de

ouden asymmetrisch, beide aan ééne zijde van het lichaam liggen. De

uitwendig zichtbare geleding der Gelede Dieren wordt bij de

tegenwoordige Gewervelde Dieren inwendig nog aangeduid in de

wervelkolom, en is bij hun embryo nog duidelijker in de zoogenaamde

voorwervels, die geenszins uitsluitend de beginsels van wervels, maar

bovendien die van de rugzenuwknoopen en van het geheele

zijdespierstelsel zijn.

Dohrn kwam tot het resultaat, dat de Gewervelde Dieren afstammen van

Gelede Wormen, op de tegenwoordige Ringwormen of Anneliden gelijkende.

[374]

Dit resultaat werd zeer gesteund, toen twee andere deskundigen,

Professor Semper te Würzburg [375] en Balfour te Edinburg [376] die

beiden de ontwikkeling der geslachtswerktuigen bij jonge haaien

bestudeerden, ongeveer gelijktijdig ontdekten, dat de eerste aanleg van

de eierstokken en testikels van deze dieren uit afzonderlijke stukken

bestaat, waarvan elk met een der onderste wervelsegmenten overeenkomt.

De algemeene vorm dezer organen herinnerde beide onderzoekers dadelijk

aan dergelijke organen, die men sinds lang aan de geslachtsorganen der

Ringwormen had opgemerkt en waaraan men den naam van segmentaalorganen

of segmentaaltrechters had gegeven.

Ook Leydig, Hatschek, Kleinenberg, Eisig en anderen hebben vervolgens

de hypothese uitgesproken en met groot talent verdedigd, dat van alle

ongewervelden de Ringwormen de meeste overeenkomst met de Gewervelde

Dieren vertoonen, en dat zij en de Arthropoda (Schaaldieren, Spinnen,

Insekten, Duizendpooten) afstammen van een oorspronkelijken diervorm,

die in maaksel min of meer overeenkwam met Polygordius.

Gegenbaur en Haeckel hebben zich echter nooit met dit denkbeeld kunnen

vereenigen. Eerstgenoemde wijst op het centraalzenuwstelsel der

Nemertinen (de hoogst bewerktuigde der zoogenaamde Platwormen), dat

bestaat uit een boven den slokdarm gelegen zenuwknoop, waarvan twee

zijdelingsche zenuwstammen uitgaan, als een zeer oorspronkelijken

toestand, waaruit, doordat die zenuwstammen bij sommige soorten hooger,

bij andere lager gelegen zijn, door samensmelting aan de buikzijde de

buikstreng en slokdarmring der Ringwormen en Arthropoda zou kunnen

worden afgeleid. Harting („Leerboek der Dierkunde”, 1874) wees van den

anderen kant op de mogelijkheid van een dergelijke rugwaartsche

vereeniging, waaruit dan een ruggemerg kon ontstaan. Balfour en

Hubrecht (destijds conservator aan ’s Rijks Museum te Leiden, thans

Hoogleeraar in de Dierkunde te Utrecht) kozen aan die zijde partij, de

eerste door in zijn „Development of Elasmerobranch Fishes”, blz. 171,

zulk een ontwikkelingsgang nog eenmaal te schetsen, de laatste door de

feiten te rangschikken, welke zich in het maaksel van sommige

Nemertinen aan hem hadden doen kennen, en welke inderdaad ten

duidelijkste aantoonden, dat de zijdelingsche zenuwstammen onmiskenbaar

een neiging tot rugwaartsche verplaatsing vertoonen („Verhandelingen v.

d. Kon. Akad.”, Amsterdam, 1880).

In een verhandeling „Over de voorouderlijke stamvormen der

Vertebraten”, in 1883 door de Koninklijke Akademie van Wetenschappen te

Amsterdam uitgegeven, ging Hubrecht echter verder, en voerde vele

feiten aan tot staving der hypothese, „dat de slurp der Nemertinen, die

ontstaat als een voor instulping vatbaar orgaan, dit geheel afkomstig

is zoowel phylo- als ontogenetisch (d.i. zoowel in de ontwikkeling der

soort als van het individu) uit het epiblast, en die zijn weg neemt

door het hersenganglion, homoloog is aan het rudimentaire orgaan, dat

men in de geheele reeks der Vertebrata aantreft: de hypophysis cerebri”

(hersenslijmklier). „De slurpscheede der Nemertinen is vergelijkbaar in

ligging (en in ontwikkeling?) met de chorda dorsalis” (ruggestreng)

„der Gewervelde Dieren.” Verder toonde hij zich zeer geneigd van de

darmuitstulpingen der Nemertinen als de voorloopers te beschouwen der

coelomzakken, die dan weder met die van de Amphioxus-(slakprik-)larve

vergelijkbaar zouden zijn.

Hij wees er echter uitdrukkelijk op (hetgeen evenwel voor iemand die

goed met Darwin’s theorie bekend is geen betoog behoefde), dat hij

geenerlei directe verwantschap (in rechte lijn namelijk) tusschen

hedendaagsche Nemertinen en Vertebrata beoogde, maar slechts trachtte

aan te toonen, dat het algemeen bouwplan eener Nemertine meer

beantwoordt aan dat van een gewerveld dier dan b.v. dat van de

Oer-ringwormen (Archi-Anneliden), en dat de schakel die

Coelenteraten-voorouders met gewervelde afstammelingen verbindt,

waarschijnlijk vormen heeft omvat, die in het bezit waren van twee

zijdelingsche zenuwstammen, welke zich rugwaarts hebben vereenigd, en

die een ektodermale slurp bezaten met functies welke later verdwenen of

gewijzigd zijn, toen deze dieren langzamerhand uit het Plathelminthen-

in het Chordaten-Type overgingen.

Gelijktijdig met dezen overgang van het type der Coelenteraten

(Maagzak- of Neteldieren, waartoe de Kwallen, de Polypen of Veelvoeten

en de Sponzen behooren) naar dat der Chordata (Ruggestrengdieren)

moeten ook volgens Hubrecht de hoogst belangrijke processen zijn

ingetreden, die tot de vorming leidden van een lichaamsholte,

afgescheiden van het oer-ingewand (archenteron). De

ontwikkelingsgeschiedenis leert ons, dat zekere uitstulpingen van dit

laatste, die aanvankelijk daarmede in open verbinding staan, later

worden afgesnoerd en de zoogenaamde splanchnische en somatische lagen

vormen, tusschen welke de lichaamsholte besloten is.

De schitterende onderzoekingen van Lang over Gunda segmentata (een

Platworm) en van Hatschek over de ontwikkeling van den slakprik

(Amphioxus) moeten hier in de eerste plaats tot richtsnoer strekken.

Alles bijeengenomen kwam Hubrecht tot het resultaat, dat de stamouders

der Gewervelde Dieren platwormen waren, die overeenstemming vertoonden

met Gunda door het bezit van metameer geplaatste darmuitstulpingen, ja

zelfs door een algemeene inwendige metamerie [377], maar die

daarentegen van Gunda verschilden in zoo belangrijke punten als de

aanwezigheid van voorloopers, zoowel van de chorda als van de

hypophysis. Zoodanige platwormen, voegt hij er bij, moeten

noodwendigerwijze meer overeenkomst hebben gehad met de thans levende

Nemertinen dan met andere vormen, welke ook.

Wij verwijzen verder belangstellenden naar het oorspronkelijke.

In het 93ste deel van de negende uitgaaf der „Encyclopedia Britannica”,

in 1888 verschenen, komt een belangrijk artikel over Vertebrata voor

van Prof. E. Ray Lankester, waarin het vraagstuk van de afstamming der

Gewervelde Dieren in aansluiting met de denkbeelden van Hubrecht, een

belangrijke schrede verder werd gebracht. Wij ontleenen daaraan het

volgende.

De onderscheidene kenmerken der Gewervelde Dieren zijn, dat zij allen,

hetzij als volwassen dieren, hetzij gedurende een gedeelte hunner

embryonale ontwikkeling, zijdelingsche openingen (kieuwspleten)

bezitten, die uit de keel naar buiten loopen, dat zij allen een

wervelkolom, of zoo niet, dan toch een ruggestreng (chorda dorsalis)

bezitten, en dat het centraal-zenuwstelsel, dat steeds oorspronkelijk

den vorm van een buis bezit, aan de rugzijde van het dier boven die

wervelkolom of ruggestreng is gelegen. Bij alle Gewervelde Dieren in de

oude beteekenis van het woord (Zoogdieren, Vogels, Reptielen,

Amphibieën en Visschen, met uitzondering van Amphioxus) bedraagt het

aantal kieuwspleten hoogstens acht, meest veel minder, bij Amphioxus

veel meer (honderd of meer).

Daar de larven der Ascidiën in alle drie deze kenmerken met de

Gewervelde Dieren overeenkomen, stelde Ray Lankester reeds in 1877 voor

ze onder de Gewervelde Dieren op te nemen, en met hen al de overige

Manteldieren (Tunicata). Het geslacht Appendicularia (dat tot de laagst

ontwikkelde Manteldieren behoort) behoudt levenslang een dergelijken

staart als de larven der Ascidiën, en het spierstelsel van dien staart

is duidelijk in segmenten verdeeld, evenals men bij de Gewervelde

Dieren (in de oude beteekenis) waarneemt, waar die segmentatie

beantwoordt aan de wervels (of liever aan de zoogenaamde voorwervels

van den embryo).

Balfour geeft er, daar de Tunicata geen wervels bezitten (Amphioxus en

eenige lagere visschen trouwens evenmin), de voorkeur aan de Tunicata

en de Gewervelde Dieren in een hoogere groep, door hem Chordata

genoemd, te vereenigen. Dit is echter enkel een verschil in woorden.

Feitelijk komt het op het zelfde neer dat Lankester wil.

De vereeniging der Tunicata met de Gewervelde Dieren werd door verdere

stappen gevolgd. In 1866 toonde Kowalewski aan, dat de merkwaardige

zeeworm Balanoglossus (er komen daarvan soorten voor in de golf van

Napels en aan de Atlantische kusten van Amerika en van Bretagne)

kieuwspleten bezit, met die der Manteldieren en Gewervelde Dieren

overeenkomende. Latere onderzoekingen van Bateson bewezen, dat

Balanoglossus in den embryonalen toestand een darmuitstulping bezit,

die mogelijkerwijze met een korte ruggestreng vergelijkbaar is, en zijn

centraal-zenuwstelsel gedeeltelijk buisvormig is, en wat plaatsing en

wijze van oorspronkelijke ontwikkeling aangaat, met dat van de

Manteldieren en Gewervelde Dieren overeenstemt. Het is dus onmogelijk

Balanoglossus een plaats naast de Manteldieren en Gewervelde Dieren te

ontzeggen, en hij behoort in de zelfde hoofdgroep als deze te worden

geplaatst. Wij zullen die hoofdgroep liever met Balfour Chordata dan

met Lankester Vertebrata noemen. Onderzoekingen in den laatsten tijd

door Harmer gedaan omtrent Cephalodiscus, zullen het noodig maken ook

dien vorm en naar alle waarschijnlijkheid ook Rhabdopleura, nevens

Balanoglossus onder de Chordata op te nemen. [378]

Het Onder-rijk der Chordata vervalt dus in vier takken, waaraan R.

Lankester de volgende namen geeft:

1. Craniata (Schedeldieren, de Vertebrata van Cuvier).

2. Cephalochorda (Amphioxus, de ruggestreng loopt door tot in het

voorste gedeelte van het dier, dat met den kop der schedeldieren

overeenstemt).

3. Urochorda (de Manteldieren (Tunicata); bij diegene waar de

ruggestreng niet geheel door degeneratie is verloren gegaan, is zij

tot het staartgedeelte van het dier beperkt).

4. Hemichorda (Balanoglossus, zeer korte ruggestreng bij den embryo)

Wij zullen omtrent elk dier afdeelingen eenige opmerkingen maken, die

met hun afstamming in verband staan.

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2) · 第 70 / 111 题