(1) Vergelijk aanteekening 6, blz. 217.
(2) „De geestelijke Hamlet Clark zegt, dat de Saüba van Rio de Janeiro,
een soort zeer nauw verwant aan die waarvan wij spreken [365], een
tunnel heeft uitgegraven onder het bed der rivier Parahyba, op een
plaats, waar zij zoo breed is als de Theems bij London-Bridge” (Snellen
van Vollenhoven, „Gedaantewisseling en Levenswijze der Insekten”,
Haarlem, 1870, blz. 435).
In Texas leeft een soort van mieren, die de zaden van een bepaalde
grassoort op daartoe toebereiden grond zouden uitzaaien, oogsten en
bewaren, en een deel van den oogst weêr tot uitzaaiing gebruiken, dus
landbouw beoefenen. Volgens andere berichten zouden zij die
„mierenrijst”, echter niet zaaien, maar eenvoudig alle andere planten
op de plekken waar die groeit, vernielen, met andere woorden: wieden.
Hierdoor kan de „mierenrijst” natuurlijk weliger groeien.
Men vergelijke over de mieren ook „Ontstaan der Soorten”, 3e Ned.
Uitgaaf, blz. 304, 315, 353, 362, 366, 408; Büchner, Dr. L., „Uit het
Leven der Dieren”, Nijmegen, 1877, en vooral Sir John Lubbock, „Ants,
Bees and Wasps. A Record of Observations on the Habits of the Social
Hymenoptera”, 9de Uitgaaf, deel uitmakende van de bekende
„International Scientific Series.”
(3) Deze vier Onder-klassen dragen den naam van Archencephala,
Gyrencephala, Lissencephala en Lyencephala. De Archencephala, waartoe
alleen de Mensch (Orde der Bimana) behoort, zouden zich van alle andere
zoogdieren onderscheiden, doordat bij hen alleen de halfronden der
groote hersenen zich van boven tot achter de kleine hersenen zouden
uitstrekken, en zij alleen ook een lobus posterior en hippocampus minor
zouden bezitten. Wij hebben er reeds in aanteekening 10, blz. 39, op
gewezen, dat Owen hierin dwaalde en de hersenen der hoogere apen de
zelfde kenmerken aanbieden. Tot de Onder-klasse der Gyrencephala, bij
welke de groote hersenen bijna altijd windingen bezitten en de groote
hersenen de kleine nog steeds grootendeels bedekken, brengt Owen de
Orden der Quadrumana, Carnivora, Artiodactyla [366], Perissodactyla
[367], Proboscidea [368], Toxodontia [369], Sirenia en Cetacea. Tot de
Lissencephala, bij welke de groote hersenen gewoonlijk glad zijn of
slechts weinig windingen vertoonen, en de lobi olfactorii van voren en
de geheele massa der kleine hersenen van achteren onbedekt laten,
brengt Owen de Orden der Bruta [370], Insectivora en Rodentia. De
Onder-klasse der Lyencephala die zich door het gemis van het corpus
callosum onderscheidt, bevat de Orden der Marsupialia en Monotremata
(R. Owen, „On the Characters, Principles of Division and Primary Groups
of the Class Mammalia.” Read at the Linnean Society, Febr. 17th and
21st, 1857).
(4) Ik ben bewust, dat velen het woord Snaveldieren voor een Germanisme
verklaren. Het is echter goed gevormd volgens de regels der
Nederlandsche taal en m.i. fraaier dan vogelbekdier (dat vooral in
samenstellingen als Eendvogelbekdier en Egelvogelbekdier afschuwelijk
is). Den naam Vogelbekdier wensch ik alleen gegeven te zien aan
Ornithorhynchus (waarvan het de letterlijke vertaling is) en die van
Snaveldieren aan alle Monotremata. Voor Echidna sla ik den naam
Stekeldier voor. Gestekelde miereneter, zooals Lubock hem noemt, kan
aanleiding geven tot verwarring met de eigenlijke miereneters
(Myrmecophaga) die tot een geheel andere Orde en zelfs Onder-klasse der
Zoogdieren behooren.
(5) Bij eenige buitengewoon behaarde individu’s van de Japansche Aino’s
(gelijk bekend is, een buitengewoon harig volk) vond B. H. Chamberlain
(„Memoirs of the Literature College of the University of Japan”, 1886,
afl. 1) dat de haren op het borstbeen, tusschen de schouders en billen
juist zoodanig gericht waren als het nuttigst zou zijn om den regen af
te doen druppelen. De daar groeiende haarbossen waren verscheidene Eng.
duimen lang.
(6) De beide ondergroepen, waaruit de groep der Platyrrhinae is
samengesteld en die de namen van Hesperopitheci of Cebidae en van
Hemipitheci of Hapalidae dragen, verschillen evenveel van elkander als
de Platyrrhinae van de Catarrhinae. [371]
Wij meenen daarom, dat het beter is de ware apen in drie hoofdgroepen
van gelijke waarde te verdeelen: 1o. de Catarrhinae of Heopitheci (Apen
der Oude Wereld); 2o. de Cebidae of Hesperopitheci (voor welke groep
men ook den naam Platyrrhinae (in beperkten zin) zou kunnen behouden);
3o. de Hemipitheci of Hapalidae (Eekhoornapen). Deze laatste
vertegenwoordigen o.i. de Nieuwe Wereld de Lemuriden der Oude Wereld.
Deze indeeling komt met die van Mivart (blz. 274, noot) overeen maar
wijkt o.i. belangrijk van de door Darwin (blz. 273) gegeven
rangschikking af. De verschillen blijken uit de volgende tabel:
CATARRHINAE PLATYRRHINAE.
OF HEOPITHECI HESPEROPITHECI HEMIPITHECI