OVER DE VERWANTSCHAPPEN EN DEN STAMBOOM VAN DEN MENSCH.

Plaats van den mensch in het dierenrijk.—Het natuurlijke stelsel

berust op de afstamming.—Adaptieve kenmerken hebben geringe

waarde.—Verschillende kleine punten van overeenkomst tusschen den

mensch en de apen.—Rang van den mensch in het natuurlijke

stelsel.—Plaats van ontstaan en oudheid van den mensch.—Afwezigheid

van fossiele verbindingsleden.—Lagere trappen in den stamboom van

den mensch, afgeleid, ten eerste uit zijn verwantschap, ten tweede

uit het maaksel van zijn lichaam.—Voormalige tweeslachtigheid

(hermaphroditisme) der Gewervelde Dieren.—Besluit.

Zelfs al gaf men toe, dat het verschil in lichamelijk maaksel tusschen

den mensch en zijn naaste verwanten zoo aanmerkelijk is, als sommige

natuuronderzoekers beweren, en hoewel niet valt te ontkennen, dat het

verschil in geestvermogens tusschen hen verbazend groot is, bewijzen

toch de in de voorgaande hoofdstukken medegedeelde feiten, naar het mij

toeschijnt, op de duidelijkste wijze, dat de mensch afstamt van den

eenen of anderen lageren vorm, hoewel tot nog toe geen verbindingsleden

zijn ontdekt.

De mensch is onderhevig aan talrijke, kleine en zeer uiteenloopende

variaties, die het gevolg zijn van de zelfde algemeene oorzaken en

worden beheerscht door en overgeërfd volgens de zelfde algemeene

wetten, als bij de lagere dieren. De mensch streeft naar een zoo snelle

vermenigvuldiging, dat zijn kroost noodzakelijk is blootgesteld aan een

strijd om het leven en derhalve aan natuurlijke teeltkeus. Hij heeft

het aanzijn gegeven aan vele rassen, waarvan sommige zoozeer van

elkander verschillen, dat er natuuronderzoekers zijn, die ze als

afzonderlijke soorten beschouwen. Zijn lichaam is gebouwd volgens het

zelfde homologe plan als dat van andere zoogdieren. Hij doorloopt als

embryo de zelfde ontwikkelingsphasen. Hij heeft vele rudimentaire en

nuttelooze deelen behouden, die hem ongetwijfeld eens van dienst waren.

Nu en dan verschijnen kenmerken opnieuw, die wij alle reden hebben om

te gelooven, dat eens door zijn vroege voorouders werden bezeten.

Indien de oorsprong van den mensch verschillend was geweest van dien

van alle andere dieren, zouden deze verschillende verschijnselen

slechts misleidingen zonder beteekenis zijn, en dit is niet aan te

nemen, noch te gelooven. Daarentegen worden deze verschijnselen

begrijpelijk, ten minste voor een groot deel, als de mensch met andere

zoogdieren de medeafstammeling is van dezen of genen onbekenden en

lageren vorm.

Sommige natuuronderzoekers, op welke de verstandelijke en geestelijke

vermogens van den mensch een diepen indruk hadden gemaakt, hebben de

geheele organische wereld in drie rijken verdeeld, het Menschenrijk,

het Dierenrijk en het Plantenrijk, en dus den mensch tot een

afzonderlijk Rijk gebracht. [335] (1) Geestvermogens kunnen door een

natuuronderzoeker niet worden vergeleken noch geklassificeerd; maar hij

kan beproeven om aan te toonen, zooals ik heb gedaan, dat de

geestvermogens van den mensch niet in hoedanigheid, ofschoon verbazend

in hoeveelheid van die der overige dieren verschillen. Een verschil in

hoeveelheid, hoe groot het ook zij, geeft ons nog geen recht om den

mensch in een afzonderlijk Rijk te plaatsen, zooals wellicht het best

zal worden bewezen door de geestvermogens van twee insekten, een

schildluis (Coccus) en een mier, die ontegenzeggelijk tot de zelfde

klasse behooren, met elkander te vergelijken. Het verschil is hier

grooter, hoewel van eenigszins verschillenden aard, dan tusschen den

mensch en het hoogste zoogdier. De vrouwelijke schildluis hecht zich,

terwijl zij jong is, met haar zuigsnuit aan een plant, zuigt het sap

uit, maar verandert nooit meer van plaats, wordt bevrucht en legt

eieren, en dit is haar geheele geschiedenis. Daarentegen zou, zooals

Pierre Huber heeft aangetoond, de beschrijving der gewoonten en

geestvermogens van een vrouwelijke mier een dik boekdeel vullen; ik wil

echter eenige punten nader opnoemen. Mieren doen elkander mededeelingen

en verscheidene vereenigen zich tot het volbrengen van het zelfde werk

of om met elkander te spelen. Zij herkennen hun medemieren na

maandenlange afwezigheid. Zij bouwen groote gebouwen, houden die

schoon, sluiten ’s avonds de deuren en zetten schildwachten uit. Zij

maken wegen en zelfs tunnels onder rivieren. (2) Zij verzamelen voedsel

voor het gemeenebest en wanneer een voorwerp, te groot om binnen te

komen, naar het nest wordt gebracht, vergrooten zij de deur en

herstellen die later weder. [336] Zij trekken in geregelde benden ten

strijde, en offeren vrijwillig hun leven op voor het algemeen welzijn.

Zij verhuizen volgens een vooraf beraamd plan. Zij houden

slavenjachten. Zij houden bladluizen als melkkoeien. Zij brengen de

eieren van hun bladluizen even goed als hun eigen eieren en poppen naar

warme plaatsen in het nest, opdat zij spoedig zouden worden uitgebroed;

tallooze dergelijke feiten zou men kunnen opsommen. Over het geheel is

het verschil in geestvermogens tusschen een mier en een schildluis

verbazend groot; en toch heeft niemand er ooit over gedacht ze tot

verschillende Klassen, laat staan tot verschillende Rijken te brengen.

Ongetwijfeld wordt deze tusschenruimte overbrugd door de tusschen beide

in staande geestvermogens van vele andere insekten; en dit is niet het

geval met den mensch en de hoogere apen. Wij hebben echter alle reden

om aan te nemen, dat dergelijke gapingen in de reeks eenvoudig het

gevolg zijn van het uitsterven van vele vormen.

Professor Owen heeft, zich voornamelijk grondende op het maaksel der

hersenen, de reeks der zoogdieren in vier Onderklassen verdeeld. (3)

Een daarvan wijdt hij aan den mensch, in een ander plaatst hij zoowel

de Buideldieren als de Snaveldieren (Monotremata) (4); zoodat hij

evenveel onderscheid maakt tusschen den mensch en alle andere

zoogdieren, als tusschen deze en de beide laatstgenoemde groepen. Deze

beschouwingswijze wordt, zoover mij bekend is, door geen enkel

natuuronderzoeker die in staat is een zelfstandig oordeel te vellen,

gedeeld, en behoeft daarom hier niet verder te worden beschouwd.

Wij kunnen begrijpen, waarom het bijna zeker is, dat een klassificatie,

gegrond op één enkel kenmerk of orgaan,—zelfs al is dat orgaan zoo

verwonderlijk samengesteld en belangrijk als de hersenen,—of op de

hooge ontwikkeling der geestvermogens, steeds zal blijken onvoldoende

te zijn. Men heeft inderdaad beproefd dit beginsel bij de

Vliesvleugelige Insekten (Hymenoptera) toe te passen, maar toen zij op

die wijze werden gerangschikt volgens hun gewoonten of instinkten,

bleek dit een geheel en al kunstmatige klassificatie te zijn. [337]

Klassificaties mogen natuurlijk gegrond zijn op elk kenmerk, welk het

ook zij, zooals op grootte, kleur, het element, waarin de dieren wonen;

maar de natuuronderzoekers hebben reeds lang een diepe overtuiging

gevoeld, dat er een natuurlijk stelsel bestaat. Dit stelsel moet, naar

men tegenwoordig algemeen aanneemt, genealogisch zijn,—dat is, al de

gezamenlijke afstammelingen van één en den zelfden vorm moeten in ééne

groep te zamen gehouden, en van de gezamenlijke afstammelingen van

elken anderen vorm worden afgescheiden; als er echter tusschen die

stamvormen bloedverwantschap bestaat, zal dit ook het geval zijn met

hun afstammelingen, en zullen de beide groepen gezamenlijk een grootere

groep uitmaken. De hoegrootheid van het verschil tusschen de

verschillende groepen,—dat is de hoegrootheid van het verschil dat elk

daarvan heeft ondergaan—zal worden uitgedrukt door woorden, als

Geslacht (Genus), Familie (Familia), Orde (Ordo) en Klasse (Classis).

Daar wij geen registers hebben, waarin de lijnen van afstamming zijn

opgeteekend, kunnen deze lijnen slechts worden ontdekt door de mate van

gelijkenis tusschen de wezens die moeten worden gerangschikt. Voor dit

doel zijn talrijke punten van gelijkenis veel belangrijker dan de

hoegrootheid van de gelijkheid of ongelijkheid in eenige weinige

punten. Wanneer men bevond, dat twee talen een menigte woorden en

regelen van zinbouw gemeen hadden, zou algemeen worden erkend, dat zij

een gemeenschappelijken oorsprong hadden, niettegenstaande zij in

eenige weinige woorden of regelen van zinbouw sterk van elkander

afweken. Bij organische wezens moeten echter de punten van gelijkenis

niet bestaan in het geschikt zijn voor gelijksoortige levensgewoonten

(adaptatie): het geheele geraamte van twee dieren kan bij voorbeeld

zijn gewijzigd voor het leven in het water, en toch zullen zij daardoor

in het natuurlijke stelsel volstrekt niet nader tot elkander zijn

gebracht. Wij kunnen daaruit zien, hoe het komt, dat gelijkenissen in

onbelangrijke deelen, in nuttelooze en rudimentaire organen, en in

deelen die nog niet volkomen zijn ontwikkeld of nog tot geen bepaalde

functie dienen, voor de klassificatie verreweg de nuttigste zijn; want

zij kunnen moeilijk het gevolg zijn van geschiktwording (adaptatie) in

een laat tijdperk; en zoo openbaren zij de oude lijnen van afstamming

of van ware verwantschap.

Wij kunnen verder begrijpen, waarom een belangrijke wijziging in een of

ander afzonderlijk kenmerk ons niet behoort te bewegen om twee

organismen ver van elkander te scheiden. Een deel dat reeds veel

verschilt van het zelfde deel bij een andere verwante soort, heeft

volgens de ontwikkelingstheorie reeds een groote wijziging ondergaan;

bij gevolg moet het (zoolang het organisme aan de zelfde daarop

inwerkende oorzaken blootgesteld blijft) vatbaar zijn voor verdere

veranderingen van deze soort, en deze zouden, zoo zij voordeelig waren,

behouden blijven en dus voortdurend worden vermeerderd. In vele

gevallen zou de voortdurende ontwikkeling van een deel, bij voorbeeld

van den snavel van een vogel of van de tanden van een zoogdier, voor de

soort niet voordeelig zijn om zijn voedsel te verkrijgen of voor eenig

ander doel; maar bij den mensch kunnen wij geen bepaalde grens zien,

wat het voordeel aangaat, voor de voortdurende ontwikkeling van de

hersenen en de geestvermogens. Bij de bepaling van ’s menschen plaats

in het natuurlijke of genealogische stelsel, behoort de verbazende

ontwikkeling zijner hersenen niet zwaarder te wegen dan een menigte

overeenkomsten in andere minder belangrijke of volstrekt onbelangrijke

punten.

De meeste natuuronderzoekers die het geheele maaksel van den mensch met

inbegrip zijner geestvermogens in aanmerking hebben genomen, hebben

Blumenbach en Cuvier gevolgd, en den mensch in een afzonderlijke Orde

geplaatst onder den titel van Tweehandigen (Bimana), en hem dus

gelijkgesteld met de Orden der Vierhandigen (Quadrumana), der

Verscheurende Dieren (Carnivora), enz. Voor korten tijd zijn velen

onzer beste natuuronderzoekers teruggekeerd tot de beschouwingswijze

die het eerst door Linnaeus, die zulk een opmerkelijke scherpzinnigheid

bezat, is voorgestaan, en hebben den mensch met de apen in ééne Orde

geplaatst onder den naam van Primaten. De juistheid van dit besluit zal

worden toegegeven, als wij ons in de eerste plaats de zoo even gemaakte

opmerkingen herinneren omtrent de vergelijkenderwijze geringe

belangrijkheid voor de klassificatie van de groote ontwikkeling der

hersenen bij den mensch, en ook bedenken, dat de sterk uitgesproken

verschillen tusschen de schedels van den mensch en de apen (waaraan nog

onlangs Bischoff, Aeby en anderen zooveel gewicht hechtten) blijkbaar

slechts een gevolg is van de verschillende ontwikkeling hunner

hersenen. In de eerste plaats moeten wij niet vergeten, dat de andere

en belangrijker verschillen tusschen den mensch en de apen blijkbaar

adaptief van aard zijn en hoofdzakelijk een gevolg van de rechtopgaande

houding van den mensch; dit is bij voorbeeld het geval met het maaksel

van de hand, den voet en het bekken, de kromming van zijn ruggegraat en

de stelling van zijn hoofd. De familie der zeehonden levert een goed

voorbeeld van de geringe belangrijkheid der adaptieve kenmerken voor de

klassificatie. Deze dieren verschillen van alle andere Verscheurende

Dieren (Carnivora) in den vorm van hun lichaam en het maaksel hunner

ledematen: en toch worden in alle stelsels, van dat van Cuvier af tot

het nieuwste, dat van den heer Flower, toe [338], de zeehonden als een

eenvoudige Familie tot de Orde der Carnivora gebracht. Als de mensch

niet zijn eigen klassificator was, zou het hem nooit zijn ingevallen

een afzonderlijke Orde, om hem zelf op te nemen, te gronden.

Het zou de grenzen van dit werk te buiten en geheel en al mijn kennis

te boven gaan, om de tallooze punten waardoor de mensch in zijn maaksel

met de andere Primaten overeenkomt, zelfs maar alleen op te noemen.

Onze groote ontleedkundige en wijsgeer, Prof. Huxley, heeft dit

onderwerp uitvoerig behandeld [339], en is tot het besluit gekomen, dat

de mensch in alle punten van zijn maaksel minder van de hoogere apen

verschilt dan deze laatste van de lagere leden der zelfde groep.

Derhalve „heeft men geen recht om den mensch in een afzonderlijke Orde

te plaatsen.”

In een vroegere afdeeling van dit werk heb ik verschillende feiten

aangevoerd om te toonen hoe nauw de mensch in gestel met de hoogere

zoogdieren overeenkomt; en deze overeenkomst is ongetwijfeld een gevolg

van de groote gelijkheid in fijneren bouw en scheikundige

samenstelling. Ik gaf als voorbeelden, dat wij aan de zelfde ziekten en

aan de aanvallen van verwante parasieten bloot stonden, dat wij den

zelfden smaak hadden voor de zelfde opwekkende middelen, dat deze

middelen, en ook verschillende geneesmiddelen gelijksoortige

uitwerkselen voortbrachten, en meer dergelijke feiten.

Daar kleine onbelangrijke punten van overeenkomst tusschen den mensch

en de hoogere apen in systematische werken gewoonlijk niet worden

opgeteekend, en daar zij, als zij talrijk zijn, duidelijk onze

bloedverwantschap openbaren, zal ik eenige weinige dergelijke punten

opgeven. De betrekkelijke plaats der gelaatstrekken is blijkbaar de

zelfde bij den mensch en de apen, en de verschillende

gemoedsaandoeningen worden uitgedrukt door bijna gelijksoortige

bewegingen van de spieren en de huid, vooral boven de wenkbrauwen en

rondom den mond. Eenige weinige uitdrukkingen zijn inderdaad bijna

geheel de zelfde, zooals bij het weenen van sommige soorten van apen en

bij het lachend geluid dat andere voortbrengen, gedurende hetwelk de

hoeken van den mond teruggetrokken en de onderste oogleden gerimpeld

worden. Bij den mensch steekt de neus veel meer vooruit dan bij de

meeste apen; maar wij kunnen het begin van een arendsneusachtige bocht

waarnemen bij den Hoelock Gibbon, en bij den neusaap (Semnopithecus

nasicus) wordt deze tot een belachelijk uiterste gedreven.

Het gelaat van vele apen is versierd met een baard, met bakkebaarden of

knevels. Het hoofdhaar wordt bij sommige soorten van slankapen

(Semnopithecus) zeer lang [340], en bij den muts-aap (Macacus radiatus)

loopt het straalsgewijze van een punt op de kruin van het hoofd uit,

met een scheiding in het midden, evenals bij den mensch. Men zegt

gewoonlijk, dat het voorhoofd den mensch zijn edel en verstandig

uiterlijk geeft, maar het dikke haar op den kop van den muts-aap

eindigt aan de benedenzijde plotseling, en wordt door zulk kort en fijn

haar of dons opgevolgd, dat op geringen afstand gezien, het voorhoofd,

met uitzondering der wenkbrauwen, geheel naakt schijnt. Men heeft ten

onrechte wel eens beweerd, dat geen enkele aap wenkbrauwen bezit. Bij

de zooeven genoemde soort verschilt de graad van naaktheid bij

verschillende individu’s, en Eschricht [341] verzekert, dat bij onze

kinderen de afscheiding tusschen de behaarde schedelhuid en het naakte

voorhoofd soms niet scherp begrensd is; zoodat wij hier een klein

voorbeeld hebben van terugkeer tot het type van een voorvader

(atavisme) bij wien het voorhoofd nog niet, zooals thans, geheel naakt

was geworden.

Het is zeer bekend, dat het haar op onze armen van boven en beneden

eenigszins convergeert naar een punt van den elleboog. Deze

merkwaardige rangschikking, zoo ongelijk aan die bij de meeste lagere

zoogdieren, vindt men terug bij den gorilla, chimpanzee, orang, sommige

soorten van gibbons (Hylobates) en zelfs bij sommige Amerikaansche

apen. Bij Hylobates agilis is echter het haar op de gewone wijze naar

beneden of naar den pols toe gericht; en bij H. lar staat het bijna

recht overeind, met een slechts geringe helling naar voren; zoodat deze

laatste in een overgangstoestand verkeert. Het kan moeielijk worden

betwijfeld, dat bij de meeste zoogdieren de dichtheid van het haar en

de richting daarvan op den rug dient om den regen te doen afdruipen;

zelfs de dwarse haren aan de voorpooten van een hond kunnen daartoe

dienen, als hij bij het slapen ineengerold is. De heer Wallace merkt

op, dat het convergeeren van het haar naar den elleboog op de armen van

den orang (wiens levenswijze hij zoo nauwkeurig heeft bestudeerd) dient

om den regen te doen afdruipen, als de armen, zooals de gewoonte van

dit dier is, gebogen en de handen om een tak of om zijn eigen kop zijn

geklemd. Volgens Livingstone zit ook de gorilla „als het sterk regent,

met zijn handen over zijn kop.” [342] Wij moeten echter bedenken, dat

de houding van dit dier wellicht gedeeltelijk wordt bepaald door de

richting van het haar, en niet de richting van het haar door de

houding. Indien de bovenvermelde uitlegging in het geval van den orang

juist is, dan herinnert ons het haar op onze voorarmen op merkwaardige

wijze aan onzen vroegeren toestand; want niemand zal onderstellen, dat

het nu eenig nut doet voor het afdruipen van den regen, en in onze

tegenwoordige rechtopgaande houding is de richting er van daartoe ook

niet geschikt. (5)

Het zou echter overijld zijn te veel gewicht te hechten aan het

beginsel van adaptatie ten opzichte van de richting van het haar bij

den mensch en zijn vroege voorouders; want het is onmogelijk de

afbeeldingen die Eschricht geeft van de rangschikking van het haar bij

den menschelijken foetus (welke de zelfde is als bij den volwassene) te

bestudeeren, zonder dien uitnemenden waarnemer toe te geven, dat andere

en meer ingewikkelde oorzaken in het spel zijn geweest. De punten, naar

welke de haren convergeeren, schijnen eenigermate in betrekking te

staan tot die punten van het embryo die zich gedurende de ontwikkeling

het laatst hebben gesloten. Er schijnt ook eenige betrekking te bestaan

tusschen de rangschikking der haren op de ledematen en den loop der

mergslagaderen. [343]

Men moet niet onderstellen, dat de punten van overeenkomst tusschen den

mensch en sommige apen in de bovengenoemde en vele andere

opzichten—zooals in het bezit van een naakt voorhoofd, lange haarlokken

op het hoofd, enz.—allen het gevolg zijn van onafgebroken overerving

van een gemeenschappelijken voorvader welke die kenmerken bezat, of van

een later atavisme. Het is waarschijnlijker, dat de oorzaak van vele

dezer punten van overeenkomst moet worden gezocht in analoge variatie,

die, zooals ik elders heb trachten aan te toonen [344], het gevolg is

van de inwerking van gelijksoortige, tot wijzigingen aanleiding gevende

oorzaken, op organismen die van een zelfden stamvorm afstammen en een

gelijksoortige lichaamsgesteldheid bezitten. Wat de overeenstemmende

richting van het haar op de voorarmen van den mensch en van zekere apen

aangaat, zoo moet dit kenmerk, daar het aan bijna al de anthropomorphen

gemeen is, waarschijnlijk aan overerving worden toegeschreven; schoon

zulks niet zeker is, want ook eenige zeer van hen verschillende

Amerikaansche apen bezitten het eveneens. De zelfde opmerking is

toepasselijk op den staarteloozen toestand van den mensch; want de

staart ontbreekt bij al de anthropomorphen. Toch kan dit kenmerk niet

met zekerheid aan overerving worden toegeschreven, daar de staart,

hoewel niet ontbrekende, echter rudimentair is bij verscheidene andere

apen uit de Oude Wereld en bij sommige uit de Nieuwe Wereld, en geheel

ontbreekt bij verscheidene soorten van de verwante groep der Lemuriden.

Hoewel de mensch, zooals wij nu hebben gezien, geen recht heeft om een

afzonderlijke Orde voor zich zelf te vormen, mag hij wellicht aanspraak

maken op den rang van een afzonderlijke Onder-orde of Familie. Prof.

Huxley verdeelt in zijn laatste werk [345] de Primaten in drie

Onder-orden; namelijk, de Anthropidae alleen uit den mensch bestaande,

de Simiadae die alle soorten van ware apen bevat, en de Lemuridae,

waarin de verschillende geslachten van half apen worden opgenomen. Voor

zooverre het verschillen in zekere belangrijke punten van maaksel

betreft, mag de mensch ongetwijfeld met recht aanspraak maken op den

rang van een Onder-orde, en deze rang is te laag, als wij hoofdzakelijk

op zijn geestvermogens letten. Uit een genealogisch oogpunt schijnt het

echter, dat deze rang te hoog is, en dat de mensch eenvoudig een

Familie of mogelijk zelfs slechts een Onder-familie behoort te vormen.

Indien wij ons drie lijnen van afstamming voorstellen die van een

gemeenschappelijke bron uitgaan, dan is het zeer goed te begrijpen, dat

twee daarvan in den loop der eeuwen zoo weinig kunnen zijn veranderd,

dat zij nog soorten van een zelfde geslacht blijven, hoewel de derde

zoo sterk is gewijzigd, dat zij als een afzonderlijke Onder-familie,

Familie of zelfs Orde moet worden beschouwd. In dit geval is het echter

bijna zeker, dat de derde lijn door overerving nog talrijke kleine

punten van overeenkomst met de beide andere lijnen zal behouden. Hier

zou men dan stuiten op de tegenwoordig nog onoplosbare moeilijkheid, of

wij in onze klassificaties meer gewicht behooren te hechten aan sterk

sprekende verschillen in eenige weinige punten,—dat is aan de

hoegrootheid der ondergane wijziging,—dan wel aan groote overeenkomst

in talrijke onbelangrijke punten, die de lijnen van afstamming of den

stamboom aanwijzen. Het eerste is het duidelijkste en wellicht het

veiligste, hoewel het laatste het meest juiste schijnt te zijn, daar

het een werkelijk natuurlijke klassificatie geeft.

Om hierover een oordeel te kunnen vellen, moeten wij een kort overzicht

geven van de klassificatie der Simiadae of Ware Apen. Deze familie

wordt door bijna alle natuuronderzoekers verdeeld in de groep der

Simiae Catarrhinae of Apen der Oude Wereld, die, zooals hun Latijnsche

naam uitdrukt, allen zijn gekenmerkt door het bijzondere maaksel hunner

neusgaten en door het bezit van vier valsche maaltanden in elke kaak,

en in de groep der Simiae Platyrrhinae of Apen der Nieuwe Wereld (die

uit twee zeer verschillende ondergroepen bestaat) die zich allen

kenmerken door anders gevormde neusgaten en het bezit van zes valsche

maaltanden in elke kaak. (6) Nog enkele andere kleine verschillen

zouden hier kunnen worden vermeld. Nu behoort de mensch, wat zijn

tandstelsel, het maaksel zijner neusgaten en eenige andere kenmerken

aangaat, ongetwijfeld tot de Catarrhinae of Apen der Oude Wereld; en in

geen enkel opzicht gelijkt hij meer op de Platyrrhinae, dan op de

Catarrhinae, behalve in eenige weinige kenmerken van niet veel belang

en van adaptieven aard. Het zou daarenboven tegen alle

waarschijnlijkheid strijden, om te onderstellen, dat de eene of andere

voormalige soort, tot de Apen der Nieuwe Wereld behoorende, zich

gewijzigd en zoo een op den mensch gelijkend wezen met al de

onderscheidende kenmerken van de Apen der Oude Wereld zou hebben

voortgebracht, terwijl het tegelijkertijd al zijn eigen onderscheidende

kenmerken had verloren. Het kan bijgevolg moeielijk worden betwijfeld,

dat de mensch is gesproten uit den stam van de Apen der Oude Wereld, en

dat hij uit een genealogisch oogpunt tot de groep der Catarrhinae moet

worden gebracht. [346]

De anthropomorphe apen, namelijk de gorilla, de chimpanzee, de orang en

de gibbons worden door de meeste natuuronderzoekers als een

afzonderlijke onder-groep van de overige apen der Oude Wereld

afgescheiden. Ik weet, dat Gratiolet, zich grondende op het maaksel der

hersenen, het bestaan van deze onder-groep niet aanneemt; en

ongetwijfeld vormt zij geen goed geheel; zoo is de orang, gelijk de

heer St. George Mivart opmerkt [347], „een der meest bijzondere en

afwijkende vormen, die in de geheele Orde worden gevonden.” De overige,

niet-anthropomorphe Apen der Oude Wereld worden door sommige

natuuronderzoekers weder verdeeld in twee of drie kleinere

onder-groepen, waarbij dan de Slankapen (Semnopithecus) met hun

eigenaardige in zakken verdeelde maag (7) het type van één dier

onder-groepen zijn. Het schijnt echter, volgens Gaudry’s wondervolle

ontdekkingen in Attika, dat er gedurende de Miocene periode een vorm

leefde die de Slankapen (Semnopithecus) met het geslacht Macacus

verbond (8), en dit is waarschijnlijk een voorbeeld van de wijze,

waarop de andere en hoogere groepen eens ineensmolten.

Indien men aanneemt, dat de anthropomorphe apen een natuurlijke

onder-groep vormen, dan mogen wij, daar de mensch met hen overeenkomt,

niet alleen in die kenmerken welke hij met de geheele groep der

Catarrhinae gemeen heeft, maar ook in andere bijzondere kenmerken,

zooals in het gemis van een staart en van eeltplekken aan de billen en

in algemeen uiterlijk, daaruit afleiden, dat een of ander voormalig lid

van de onder-groep der anthropomorphen de stamvader was van het

menschelijk geslacht. Het is niet waarschijnlijk, dat een lid van een

der andere lagere onder-groepen door de wet der analoge variatie een op

den mensch gelijkend schepsel zou hebben voortgebracht, dat in zoovele

opzichten op de hoogere anthropomorphe apen geleek. Ongetwijfeld heeft

de mensch, in vergelijking met zijn meeste verwanten buitengewoon

groote wijzigingen ondergaan, hoofdzakelijk ten gevolge van de sterke

ontwikkeling zijner hersenen en rechtopgaande houding; wij moeten

echter nimmer vergeten, dat hij „slechts een der verschillende

afwijkende vormen van de Primaten is.” [348]

Ieder natuuronderzoeker die gelooft in het beginsel van ontwikkeling,

zal toestemmen, dat de twee hoofdgroepen der Simiadae, namelijk de

Catarrhinen en Platyrrhinen, met hun ondergroepen, alle uit een enkelen

zeer ouden stamvader zijn voortgesproten. De vroege afstammelingen van

dien stamvader moeten, vóór zij op eenigszins belangrijke wijze van

elkander waren afgeweken, nog een enkele natuurlijke groep hebben

gevormd; maar sommige van de soorten of beginnende geslachten moeten

door hun uiteenloopende kenmerken reeds eenigszins de toekomstige

onderscheidingsteekenen van de groepen der Catarrhinen en Platyrrhinen

hebben vertoond. De leden van deze onderstelde oude groep moeten dus

niet zoo gelijkvormig zijn geweest in hun tandstelsel en in het maaksel

hunner neusgaten, als het de tegenwoordige Catarrhinen eenerzijds en de

Platyrrhinen anderzijds zijn, maar zij moeten in dit opzicht hebben

geleken op de verwante Lemuriden, die zeer van elkander afwijken in den

vorm van hun snoet [349], en op buitengewone wijze in hun tandstelsel.

De Catarrhinen en Platyrrhinen komen in een menigte van kenmerken

overeen, zooals daaruit blijkt, dat zij onbetwistbaar tot ééne en de

zelfde Orde behooren. De vele gemeenschappelijke kenmerken die zij

bezitten, kunnen moeielijk door zoovele verschillende soorten

onafhankelijk van elkander zijn verkregen, zoodat deze kenmerken moeten

zijn overgeërfd. Een voormalige vorm, die vele kenmerken met de

Catarrhinen en Platyrrhinen gemeen had, andere in een tusschen hen in

liggenden toestand, en wellicht ook eenige weinige bezat, welke van die

welke thans aan die beide groepen eigen zijn, verschilden, zou, als hij

door een natuuronderzoeker werd gezien, door dezen zonder den minsten

twijfel tot de apen worden gebracht. Daar nu de mensch uit een

genealogisch oogpunt tot den stam der Catarrhinen of Apen der Oude

Wereld behoort, moeten wij tot het besluit komen, hoezeer deze

gevolgtrekking ook onzen trots moge kwetsen, dat onze vroege voorouders

met recht aldus zouden zijn genoemd. [350] Wij moeten echter niet in de

dwaling vervallen van te onderstellen, dat de voormalige voorvader van

den geheelen stam der apen, met insluiting van den mensch, identisch

was met, of zelfs zeer sterk geleek op eenige bekende aapsoort. (9)

Over het oorspronkelijk Vaderland en de Oudheid van den Mensch.—Wij

worden er nu van zelf toe gebracht te onderzoeken, waar het

oorspronkelijk vaderland van den mensch was op dat tijdperk van de

afstamming, toen onze voorouders uit den stam der Catarrhinen

ontsproten. Het feit dat zij tot dien stam behoorden, bewijst

klaarblijkelijk, dat zij de Oude Wereld bewoonden, maar niet Australië,

noch eenig Oceanisch eiland, zooals wij mogen afleiden uit de wetten

van de geographische verspreiding der dieren. In elke groote streek van

de wereld zijn de daar levende zoogdieren nauw verwant met de

uitgestorven soorten van die zelfde streek. Het is daarom

waarschijnlijk, dat Afrika vroeger werd bewoond door uitgestorven

aapsoorten, die nauw verwant waren met den gorilla en den chimpanzee;

en daar deze beide soorten nu de naaste verwanten van den mensch zijn,

is het een weinig waarschijnlijker, dat onze vroegere voorouders het

vasteland van Afrika bewoonden, dan eenige andere streek. (10) Het is

echter nutteloos hierover bespiegelingen te maken, want een aap bijna

zoo groot als de mensch, namelijk de Dryopithecus van Lartet, die nauw

verwant was met de anthropomorphe Gibbons, leefde in Europa gedurende

de Opper-Miocene periode; en sinds een zoo lang geleden tijdvak heeft

de aarde zekerlijk vele groote omwentelingen ondergaan, en is er

ruimschoots tijd geweest voor verhuizingen op de grootste schaal.

In het tijdperk en op de plaats; wanneer en waar zulks ook moge zijn

geweest, toen de mensch zijn haarkleed verloor, bewoonde hij

waarschijnlijk een warm land, en dit zou het hem gemakkelijk hebben

gemaakt zich met vruchten te voeden, waarvan hij, naar de analogie te

oordeelen, leefde. Wij weten volstrekt niet, hoe lang het geleden is,

dat de mensch het eerst uit den stam der Catarrhinen ontsproot; maar

dit is wellicht geschied in een zoo lang vervlogen tijd als de Eocene

periode (11); want de hoogere apen hadden zich reeds in de

Opper-Miocene periode van de lagere gescheiden, zooals blijkt uit het

bestaan van den Dryopithecus. Wij kunnen dus ook volstrekt niet zeggen,

hoe snel organismen, hetzij zij hoog of laag op de ladder staan, zich

onder gunstige omstandigheden kunnen wijzigen; wij weten echter, dat

sommige gedurende een langen tijd den zelfden vorm hebben behouden. Uit

hetgeen wij bij getemde dieren zien gebeuren, leeren wij, dat sommige

afstammelingen van een zelfde soort volstrekt niet kunnen zijn

veranderd, terwijl andere een weinig, en wederom andere in groote mate

zijn veranderd. Zoo kan het ook met den mensch zijn gegaan, die in

zekere kenmerken zeer groote wijzigingen heeft ondergaan in

vergelijking van de hoogere apen.

De groote gaping in de organische reeks tusschen den mensch en zijn

naaste verwanten, die door geen uitgestorven of levende soort kan

worden aangevuld, is dikwerf aangemerkt als een ernstig bezwaar tegen

het geloof dat de mensch van den eenen of anderen lageren vorm afstamt,

maar dit bezwaar zal niet zeer gewichtig toeschijnen aan hen die, door

algemeene redenen overtuigd, in het algemeene beginsel van ontwikkeling

gelooven. Men ontmoet elk oogenblik gapingen in alle deelen van de

reeks, sommige wijd en scherp begrensd, andere in verschillende mate

minder sterk uitgesproken; zooals tusschen den orang en zijn naaste

verwanten; tusschen Tarsius en de overige Lemuriden; tusschen den

olifant, en in nog sterkere mate tusschen de Snaveldieren

(Ornithorhynchus of Echidna) en de overige Zoogdieren. Al deze gapingen

hangen echter alleen af van het aantal verwante vormen dat is

uitgestorven. In een toekomstig tijdperk, niet zoo verwijderd, als men

het bij eeuwen meet, zullen de beschaafde menschen bijna zeker de wilde

rassen over de geheele wereld uitgeroeid en hun plaats ingenomen

hebben. In het zelfde tijdperk zullen de anthropomorphe apen, zooals

Professor Schaaffhausen heeft opgemerkt [351], ongetwijfeld ook zijn

uitgeroeid. De gaping zal dan nog wijder zijn geworden; want zij zal

bestaan tusschen den mensch in een beschaafder staat, naar wij mogen

hopen, dan de Kaukasiër, en den eenen of anderen aap, zoo laag

ontwikkeld als de baviaan, in plaats van, zooals tegenwoordig, tusschen

den neger of Nieuw-Hollander en den gorilla.

Wat de afwezigheid van fossiele overblijfselen aangaat, die als

verbindingsleden tusschen den mensch en zijn op apen gelijkende

voorouders zouden kunnen dienen, zal niemand veel gewicht daaraan

hechten, die de verhandeling van Sir C. Lyell [352] heeft gelezen,

waarin deze aantoont, dat bij al de klassen van Gewervelde Dieren de

ontdekking van fossiele overblijfselen uiterst langzaam en toevallig

heeft plaats gehad. Ook moeten wij niet vergeten, dat die streken, waar

men de meeste kans heeft fossiele verbindingsleden tusschen den mensch

en een of ander uitgestorven aapachtig schepsel te vinden, tot nog toe

niet door geologen zijn doorzocht.

Lagere ontwikkelingstrappen in de geschiedenis van den mensch. Wij

hebben gezien, dat de mensch zich uit de Catarrhinen of de afdeeling

der Simiadae die de Oude Wereld bewoont, schijnt te hebben ontwikkeld,

nadat deze laatste zich van de afdeeling der Apen der Nieuwe Wereld had

gescheiden. Wij zullen nu de meer verwijderde sporen van zijn stamboom

trachten te volgen, en daarbij in de eerste plaats afgaan op de

wederzijdsche verwantschappen tusschen de verschillende klassen en

orden, waarbij wij eenige geringe hulp zullen ontvangen van de

perioden, zoover die met zekerheid bekend zijn, waarin zij

achtereenvolgens op aarde verschenen. De halfapen (Lemuriden) staan

beneden de ware apen (Simiadae), doch zij zijn nauw met hen verwant;

zij vormen een zeer onderscheiden familie der Primaten, of, volgens

Haeckel, een afzonderlijke orde. Deze groep omvat zeer verschillende,

ja, soms sterk van elkander afwijkende vormen, tusschen welke gapingen

bestaan. Het is daarom waarschijnlijk, dat vele daartoe behoorende

soorten zijn uitgestorven. De overblijvende leven meest op eilanden,

namelijk op Madagascar en in Insulinde, waar zij niet blootgesteld

waren aan een zoo sterke mededinging in den levensstrijd, als zij zulks

op goed aaneenhangende vastelanden zouden zijn geweest. Deze groep

omvat vormen die op zeer verschillende trappen van ontwikkeling staan,

en leidt ons dus, zooals Huxley opmerkt [353], „ongevoelig van de kroon

en het toppunt der dierlijke schepping naar beneden tot wezens welke,

naar het schijnt, nog slechts ééne schrede zijn verwijderd van de

laagste, kleinste en verstandelijk het minst ontwikkelde der Placentale

Zoogdieren.” Deze verschillende redenen maken het waarschijnlijk, dat

de Simiadae zich oorspronkelijk hebben ontwikkeld uit de voorouders der

thans levende Lemuriden (12); en deze op hun beurt uit vormen die zeer

laag stonden in de reeks der zoogdieren.

De Buideldieren (Marsupialia) staan door vele belangrijke kenmerken

beneden de Placentale Zoogdieren. Zij verschenen in een vroegere

geologische periode en hun verbreiding was eertijds veel grooter dan

tegenwoordig. Daarom onderstelt men algemeen, dat de Placentale

Zoogdieren zijn ontsproten uit de Implacentale of Buideldieren; echter

niet uit vormen die zeer veel geleken op de thans levende Buideldieren,

maar uit de vroege voorouders van deze. De Snaveldieren (13)

(Monotremata) zijn nauw verwant met de Buideldieren en vormen een derde

en nog lagere afdeeling in de groote reeks der Zoogdieren. Zij worden

in onzen tijd alleen vertegenwoordigd door het vogelbekdier

(Ornithorhynchus) en het Stekeldier (Echidna), en deze beide vormen mag

men veilig beschouwen als overblijfselen van een veel grootere groep,

die in Australië door een gelukkigen samenloop van omstandigheden zijn

bewaard gebleven. De Snaveldieren zijn hoogst belangwekkend, daar zij

ons door vele belangrijke punten van hun maaksel tot de klasse der

Reptielen voeren.

Bij onze pogingen om den stamboom der zoogdieren, en derhalve ook dien

van den mensch, nog lager in de reeks te vervolgen, worden wij door hoe

langer hoe grooter wordende duisternis omgeven. Hij die wenscht te zien

wat scherpzinnigheid en kennis tot stand kunnen brengen, raadplege

Prof. Haeckel’s werken. [354] Ik zal mij tevreden stellen met eenige

weinige algemeene opmerkingen. Ieder aanhanger der ontwikkelingstheorie

zal aannemen, dat de vijf groote klassen van Gewervelde Dieren,

namelijk de Zoogdieren, Vogels, Reptielen, Amphibieën en Visschen,

allen gezamenlijk van een enkelen grondvorm afstammen want zij hebben

vele gemeenschappelijke kenmerken, vooral gedurende den embryonalen

staat. Daar de klasse der Visschen de laagst georganiseerde is en

vroeger dan de andere op aarde verscheen, mogen wij besluiten, dat al

de leden van het onder-rijk der Gewervelde Dieren afstammen van een of

ander op een visch gelijkend dier, minder hoog georganiseerd dan eenige

visch die tot dusverre in de laagste formaties die bekend zijn, is

gevonden. Het geloof dat dieren, zoo verschillend als een aap of

olifant en een kolibri, een slang, een kikvorsch en een visch, enz.,

allen kunnen zijn voortgekomen uit de zelfde stamouders, zal

monsterachtig schijnen aan hen, die geen acht hebben geslagen op de

vorderingen, die de natuurlijke geschiedenis in de laatste jaren heeft

gemaakt. Want dit geloof sluit in zich het voormalig bestaan van

tusschenvormen, welke al die thans zoo uiterst ongelijke vormen nauw

met elkander verbonden.

Het is echter zeker, dat er groepen van dieren hebben bestaan of nog

bestaan, welke dienen om verscheidene groote klassen van Gewervelde

Dieren meer of minder nauw met elkander te verbinden. Wij hebben

gezien, dat het vogelbekdier (Ornithorhynchus) een overgang vormt tot

de Reptielen; en Prof. Huxley heeft de merkwaardige, door den heer Cope

en anderen bevestigde ontdekking gedaan, dat de voormalige Dinosauriërs

in vele belangrijke punten tusschen zekere Reptielen en zekere Vogels

in staan—welke laatste bestaan uit de struisvogelachtige vogels (zelven

blijkbaar een wijdverspreid overblijfsel van een grootere groep) en uit

de Archaeopteryx, dien vreemdsoortigen vogel uit het secundaire

tijdvak, die een langen staart bezat, op dien van een hagedis

gelijkende. (14) Verder vertoonen volgens Prof. Owen [355] de

Ichthyosauriërs—roeipooten bezittende, groote zeehagedissen—vele punten

van verwantschap met de Visschen, of liever, volgens Huxley, met de

Amphibieën. Deze laatste klasse (tot de hoogste afdeeling waarvan de

kikvorschen en padden behooren) is blijkbaar verwant met de Ganoïde

Visschen. Van deze laatste visschen wemelde het gedurende de oudere

geologische vormingen, en zij waren gebouwd volgens hetgeen men een

sterk gegeneraliseerd type noemt, dat is, zij vertoonden verschillende

punten van verwantschap met verscheidene andere groepen van organismen.

De Amphibieën en Visschen worden ook door de Lepidosiren zoo nauw

verbonden, dat de natuuronderzoekers het gedurende langen tijd niet

eens waren, tot welke dezer beide klassen dit dier moet worden

gebracht. De Lepidosiren en eenige Ganoïde Visschen zijn voor volkomen

uitsterving bewaard gebleven, doordat zij onze rivieren bewoonden, die

vluchthavens zijn en tot de groote wateren van den oceaan in de zelfde

betrekking staan, als eilanden tot de vastelanden.

Eindelijk wijkt één enkel lid van de uitgebreide en zeer verschillend

gevormde klasse der visschen, de Slakprik of Amphioxus, in maaksel

zoozeer van alle andere visschen af, dat Haeckel volhoudt, dat het een

afzonderlijke klasse van het onder-rijk der Gewervelde Dieren behoorde

te vormen. Deze visch is merkwaardig wegens zijn negatieve kenmerken;

men kan moeielijk zeggen, dat hij hersenen, of hart enz. bezit, zoodat

hij door de oudere natuuronderzoekers onder de wormen werd

gerangschikt. Vele jaren geleden merkte Prof. Goodsir op, dat de

slakprik eenige punten van verwantschap vertoonde met de Zakpijpen

(Ascidiae), ongewervelde, tweeslachtige (hermaphroditische) zeedieren,

die voortdurend aan een steunsel zijn bevestigd. Zij gelijken

nauwelijks op dieren en bestaan uit een eenvoudigen, harden,

lederachtigen zak, met twee vooruitstekende openingen. Zij behooren tot

de Molluscoïda van Huxley,—een lagere afdeeling van het groote

onder-rijk der Weekdieren (Mollusca);—maar zij zijn sedert korten tijd

door sommige natuuronderzoekers onder de Wormen (Vermes) geplaatst.

Haar larven gelijken in vorm eenigszins op de maskers van kikvorschen

[356], en bezitten het vermogen om vrij rond te kunnen zwemmen. De heer

Kowalewski [357] heeft onlangs ontdekt, dat de larven der Zakpijpen

(Ascidiae) verwant zijn met de Gewervelde Dieren in hun wijze van

ontwikkeling, in de betrekkelijke ligging van het zenuwstelsel, en door

het bezit van een deel, dat zeer veel gelijkt op de chorda dorsalis der

Gewervelde Dieren. Het schijnt dus, als wij mogen afgaan op de

embryologie, die altijd gebleken is de veilige gids te zijn voor de

klassificatie, dat wij eindelijk een leiddraad hebben naar de bron

waaruit de Gewervelde Dieren zijn gesproten. [358] Wij zouden dus recht

hebben om aan te nemen, dat er in een uiterst lang geleden tijdperk een

groep van dieren bestond, die in vele opzichten op de larven der

tegenwoordige Zakpijpen (Ascidiae) geleek, en zich in twee groote

takken splitste,—waarvan de eene in ontwikkeling achteruitging en de

tegenwoordige klasse der Zakpijpen (Ascidiae) voortbracht, terwijl de

andere opsteeg tot de kroon en het toppunt van het Dierenrijk, door het

aanzijn te geven aan de Gewervelde Dieren. (15)

Wij hebben tot dusverre beproefd den stamboom der Gewervelde Dieren met

behulp hunner wederkeerige punten van verwantschap op te maken. Wij

zullen nu den mensch beschouwen, zooals hij bestaat, en, dunkt mij, in

staat zijn het maaksel onzer vroege voorouders gedeeltelijk te

beschrijven, zooals het in opvolgende tijdperken was, ofschoon niet in

nauwkeurige tijdsorde. Dit kan geschieden door middel der rudimentaire

deelen die de mensch nog heeft behouden, door de kenmerken die zich nu

en dan door atavisme bij hem vertoonen, en door behulp van de

beginselen der morphologie en embryologie. De verschillende feiten

waarop ik hier zinspeel, zijn in de vorige hoofdstukken medegedeeld. De

vroege voorouders van den mensch waren ongetwijfeld eens geheel met

haar bedekt, terwijl beide seksen baarden bezaten; hun ooren waren

puntig en konden worden bewogen, en hun lichamen waren voorzien van een

staart, die de daartoe behoorende spieren bezat. Hun ledematen en

lichamen werden ook in beweging gebracht door vele spieren, die

tegenwoordig slechts nu en dan opnieuw verschijnen, maar bij de apen

normaal voorkomen. De groote slagader en zenuw van het opperarmbeen

liep door een foramen supra condyloïdeum. In dit of in een vroeger

tijdperk bezat het darmkanaal een veel grooter diverticulum of coecum

(blinden darm), dan tegenwoordig. Te oordeelen naar de plaatsing van

den grooten teen bij den foetus, was de voet toen een grijporgaan; en

onze voorouders hadden ongetwijfeld de gewoonte van in de boomen te

leven en bewoonden een of ander warm boschrijk land. De mannetjes

bezaten groote hoektanden, en gebruikten die als geduchte wapenen.

In een veel vroeger tijdperk was de baarmoeder dubbel, werden de

uitwerpselen door een cloaca ontlast, en werd het oog beschermd door

een derde ooglid (membrana nictitans). In een nog vroeger tijdperk

waren de voorouders van den mensch waterbewoners; want de morphologie

leert ons op duidelijke wijze, dat onze longen uit een gewijzigde

zwemblaas bestaan, die eens diende om zich drijvende te houden. De

spleten in den hals van den menschelijken embryo toonen de plaats waar

zich eens de kieuwen bevonden. Ongeveer in dit zelfde tijdvak vervulden

de oernieren (corpora Wolffiana) de plaats der ware nieren. Het hart

bestond slechts uit een eenvoudig kloppend vat en de wervelkolom werd

vervangen door een ruggestreng (chorda dorsalis). Deze vroege

voorgangers van den mensch, aldus beschouwd in de duistere schuilhoeken

van het verleden, moeten even laag, of zelfs nog lager georganiseerd

zijn geweest, dan de Slakprik of Amphioxus.

Er is een ander punt dat een nadere vermelding verdient. Het is lang

bekend geweest, dat in het onder-rijk der Gewervelde Dieren de eene

sekse rudimenten bezit van verschillende bijkomende deelen, behoorende

tot het voortplantingsstelsel, die eigenlijk aan de andere sekse

toekomen; en het is tegenwoordig uitgemaakt, dat op een zeer vroeg

tijdstip van de embryonale ontwikkeling, beide seksen ware mannelijke

en vrouwelijke geslachtsklieren hebben. Een uiterst ver verwijderde

stamvorm van het geheele onder-rijk der Gewervelde Dieren schijnt dus

tweeslachtig (hermaphroditisch) te zijn geweest. [359] Hier stuiten wij

echter op een eigenaardige moeielijkheid. In de klasse der Zoogdieren

bezitten de mannetjes in hun vesiculae prostaticae rudimenten van een

baarmoeder met den daaraan verbonden doorgang; zij hebben ook

rudimentaire tepels en sommige mannelijke buideldieren vertoonen

rudimenten van een buidel. [360] Andere dergelijke feiten zouden

hierbij gevoegd kunnen worden. Moeten wij derhalve onderstellen, dat

eenig uiterst oud zoogdier de organen bezat aan beide seksen eigen, dat

nog hermaphrodiet bleef, nadat het de voornaamste kenmerken van zijn

eigen klasse had verkregen, en dus nadat het zich had afgescheiden van

de lagere klassen van het onder-rijk der Gewervelde Dieren? Dit is in

de hoogste mate onwaarschijnlijk; want wij moeten afdalen tot de

Visschen, de laagste van alle klassen der Gewervelde Dieren, eer wij

eenige nog bestaande hermaphroditische vormen vinden. [361] Waarom

mannelijke zoogdieren rudimenten van de bijkomende vrouwelijke organen,

en vrouwelijke zoogdieren rudimenten van de mannelijke organen

bezitten, kan wellicht worden verklaard door aan te nemen, dat toen de

eene sekse trapsgewijze de aan haar eigen bijkomende organen verkreeg,

sommige der achtereenvolgende trappen of wijzigingen op de andere sekse

werden overgebracht. Wanneer wij de seksueele teeltkeus behandelen,

zullen wij tallooze voorbeelden van dezen vorm van overbrenging

ontmoeten,—zooals in het geval van de sporen, vederen en schitterende

kleuren, door mannelijke vogels verkregen voor den strijd of tot

versiering, maar op de wijfjes overgebracht in een rudimentairen of

onvolmaakten toestand.

Het feit, dat mannelijke zoogdieren borsten bezitten die, wat hun

functie aangaat, onvolkomen zijn, is in sommige opzichten bijzonder

merkwaardig. De Snaveldieren (Monotremata) bezitten wel

melkafscheidende klieren met openingen, maar geen tepels; en daar deze

dieren geheel onder aan de reeks der Zoogdieren staan, is het

waarschijnlijk, dat de stamvormen dier klasse eveneens wel

melkafscheidende klieren, doch geen tepels bezaten. Deze gevolgtrekking

wordt gesteund door hetgeen van de ontwikkelingswijze bekend is; want

Professor Turner verzekert mij, op autoriteit van Kölliker en Langer,

dat bij den embryo de melkafscheidende klieren duidelijk zijn

afgeteekend, vóór er nog een spoor van tepels zichtbaar is; en wij

moeten ons steeds herinneren, dat de opeenvolgende ontwikkeling der

deelen bij het individu over het algemeen schijnt te vertegenwoordigen

en in overeenstemming te zijn met de opeenvolgende ontwikkeling der

wezens in de zelfde lijn van afstamming. (18) De Buideldieren

(Marsupialia) verschillen van de Snaveldieren (Monotremata) door het

bezit van tepels; zoodat deze organen waarschijnlijk het eerst werden

verkregen door de Buideldieren, nadat zij zich van de Snaveldieren

hadden gescheiden en deze in ontwikkeling waren voorbijgestreefd, en

daarna op de Placentale Zoogdieren werden overgebracht. [362] Niemand

zal onderstellen, dat, nadat de Buideldieren ongeveer hun tegenwoordig

maaksel hadden verkregen en daarom in een vrij laat tijdperk van de

ontwikkeling van de reeks der Zoogdieren, eenige daartoe behoorende

soort nog hermaphroditisch was gebleven. Wij schijnen dus genoodzaakt

te zijn tot de voorgaande beschouwingswijze terug te keeren en te

besluiten, dat de tepels zich het eerst hebben ontwikkeld bij de

wijfjes van den eenen of anderen zeer ouden vorm van Buideldieren, en

later overeenkomstig een gewone wet van erfelijkheid op de mannetjes

werden overgebracht in een, wat hun functie aangaat, on volmaakten

toestand.

Toch is het vermoeden wel eens bij mij opgekomen, dat, lang nadat de

stamouders van de geheele klasse der Zoogdieren hadden opgehouden

hermaphroditen te zijn, beide seksen wellicht melk voortgebracht en de

jongen daarmede gevoed hadden; en in het geval van de Buideldieren, dat

beide seksen de jongen in haar buidels hadden gedragen. Dit zal niet

volstrekt ongelooflijk schijnen, als wij bedenken, dat de mannetjes der

Naaldvisschen of Zeenaalden (Syngnatus) de eieren der wijfjes in een

door zijdelingsche uitbreiding der huid gevormden broedzak opnemen, ze

uitbroeden en later, naar sommigen gelooven, de jongen voeden

[363];—dat sommige andere mannelijke visschen de eieren in hun bekken

of kieuwholten uitbroeden;—dat de mannetjes van sommige soorten van

padden de eiersnoeren aan de wijfjes ontnemen en om hun eigen dijen

winden en ze daar houden tot de maskers geboren zijn;—dat de mannetjes

van sommige vogels den geheelen plicht der uitbroeding op zich nemen en

dat mannelijke duiven, even goed als de wijfjes, hun jongen met een in

hun krop afgescheiden stof voeden. Het bovenvermelde vermoeden kwam

echter het eerst bij mij op, omdat de melkklieren bij de mannelijke

zoogdieren zooveel volkomener zijn ontwikkeld dan de rudimenten van die

andere bijkomende voortplantingsorganen, welke men bij de eene sekse

vindt, hoewel zij eigenlijk aan de andere toebehooren. De melkklieren

en tepels, zooals zij bij de mannelijke zoogdieren bestaan, kunnen

inderdaad nauwelijks rudimentair worden genoemd; zij zijn eenvoudig

niet ontwikkeld en wat hun functie aangaat, niet werkzaam. Zij worden

sympathetisch (19) aangedaan onder den invloed van sommige ziekten,

evenals de zelfde organen bij het wijfje. Bij de geboorte scheiden zij

dikwijls eenige weinige droppels melk af, en er bestaan voorbeelden dat

zij nu en dan bij den mensch en andere zoogdieren goed ontwikkeld waren

en een behoorlijke hoeveelheid melk afscheidden. Dit laatste was ook

het geval bij dien jongen man, waarvan ik vroeger melding heb gemaakt,

die twee paar tepels bezat. Indien wij nu onderstellen dat gedurende

een vroegere langdurige periode de mannelijke zoogdieren de wijfjes

behulpzaam waren in het voeden van hun jongen en dat naderhand door de

eene of andere oorzaak, b.v. omdat er minder jongen werden

voortgebracht, de mannetjes ophielden deze hulp te verleenen, zou

onbruik dezer organen gedurende den volwassen leeftijd maken, dat zij

ophielden werkzaam te zijn, en volgens twee welbekende beginselen van

de erfelijkheid zou deze werkeloosheid waarschijnlijk overgaan op de

mannetjes op den overeenkomstigen volwassen leeftijd. In vroegere

leeftijden zouden zij daardoor echter niet zijn aangedaan, zoodat zij

even goed ontwikkeld zouden zijn bij de jongen van beide seksen.

Besluit.—De beste definitie van vooruitgang of hoogere ontwikkeling in

de organische reeks, welke ooit is gegeven, is die van von Baer; en

deze berust op de hoegrootheid der differentiatie en specialisatie van

de verschillende deelen van het zelfde wezen, als het, zooals ik

geneigd zou zijn er bij te voegen, op volwassen leeftijd is gekomen.

Daar nu de organismen door middel der natuurlijke teeltkeus op langzame

wijze geschikt zijn gemaakt voor verschillende levenswijzen, zullen hun

organen, wegens het voordeel, verkregen door de verdeeling van den

physiologischen arbeid, meer en meer voor verschillende functies

gedifferentieerd en gespecialiseerd zijn geworden. Het zelfde deel

schijnt soms eerst voor het eene doel, en dan lang naderhand voor eenig

ander en geheel verschillend doel te zijn gewijzigd; en zoo zijn alle

deelen hoe langer hoe samengestelder geworden. Elk organisme zal echter

in zijn maaksel nog het algemeene type hebben behouden van den stamvorm

waaruit het zich oorspronkelijk ontwikkelde. In overeenstemming met

deze beschouwingswijze schijnt het, als wij ons tot de geologische

bewijzen wenden, dat de organisatie over de geheele wereld met langzame

en afgebroken stappen is vooruitgegaan. In het groote onder-rijk der

Gewervelde Dieren bereikte zij haar toppunt in den Mensch. Men moet

echter niet onderstellen, dat groepen van organische wezens altijd

worden verdrongen en verdwijnen, zoodra zij andere en meer volmaakte

groepen hebben doen geboren worden. Deze laatste, hoewel overwinnaars

van haar voorgangers, zijn niet altijd beter geschikt voor alle

plaatsen in de huishouding der natuur. Sommige oude vormen schijnen te

zijn blijven leven, omdat zij beschermde streken bewoonden, waar zij

niet aan strenge mededinging waren blootgesteld; en deze helpen ons

dikwijls bij het opmaken van onze stamboomen door ons een goed

denkbeeld te geven van voormalige verloren gegane bevolkingen. Wij

moeten ons echter hoeden voor het dwaalbegrip om de bestaande leden van

de eene of andere laag georganiseerde groep aan te zien voor volmaakte

vertegenwoordigers van hun oude voorgangers.

De oudste stamvormen van het Onder-rijk der Gewervelde Dieren, waarvan

wij in staat zijn een duister denkbeeld te verkrijgen, bestonden, naar

het schijnt, in een groep van zeedieren [364], op de larven der

tegenwoordige Zakpijpen (Ascidiae) gelijkende. Deze dieren gaven

waarschijnlijk het aanzijn aan een groep Visschen, even laag

georganiseerd als de Slakprik; en uit deze moeten zich de Ganoïden en

andere op Lepidosiren gelijkende Visschen hebben ontwikkeld. Van zulk

een visch zou een zeer kleine vooruitgang ons tot de Amphibieën leiden.

Wij hebben gezien, dat er eens een innig verband heeft bestaan tusschen

Vogels en Reptielen, en de Snaveldieren (Monotremata) verbinden nog

heden in geringe mate de Zoogdieren met de Reptielen. Niemand kan

echter op dit oogenblik zeggen, door welke afstammingslijn de drie

hoogere verwante klassen, namelijk de Zoogdieren, Vogels en Reptielen,

zijn ontstaan uit een der beide lagere klassen van Gewervelde Dieren,

namelijk de Amphibieën en de Visschen. In de klasse der Zoogdieren zijn

de stappen niet moeielijk te begrijpen, die van de oude Snaveldieren

(Monotremata) tot de oude Buideldieren (Marsupialia) en van deze tot de

voormalige stamouders der Placentale Zoogdieren leiden. Wij kunnen op

die wijze opklimmen tot de Lemuriden, en deze worden door geen wijde

tusschenruimte van de Ware Apen (Simiadae) gescheiden. De Ware Apen

(Simiadae) vertakten zich toen in twee groote stammen, de Apen der

Nieuwe Wereld en de Apen der Oude Wereld; en uit den laatsten kwam, in

een lang geleden tijdperk, de Mensch, het wonder en de roem van het

Heelal, voort. (21)

Wij hebben op deze wijze den mensch een stamboom gegeven van verbazende

lengte, maar, het moet worden bekend, niet van den edelsten aard. Men

heeft dikwijls opgemerkt dat de wereld juist zoo is ingericht, alsof

zij gereed was gemaakt voor de ontvangst van den mensch; en dit is in

zekeren zin de zuivere waarheid; want hij is het aanzijn verschuldigd

aan een lange reeks van voorouders. Tenzij wij willens de oogen

sluiten, kunnen wij met onze tegenwoordige kennis bij benadering onze

voorouders en bloedverwanten leeren kennen; en wij behoeven ons

geenszins over hen te schamen. (22) Het nederigste organisme staat een

weinig hooger dan het onbezielde stof onder onze voeten; en niemand kan

met een onbevooroordeelden geest eenig levend wezen bestudeeren, zonder

in verrukking te geraken over deszelfs wondervol maaksel en

eigenschappen.

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2) · 第 66 / 111 题