OVER DE ONTWIKKELING DER VERSTANDELIJKE EN ZEDELIJKE VERMOGENS
GEDURENDE DE VOORHISTORISCHE EN BESCHAAFDE TIJDEN.
De volmaking der verstandelijke vermogens door natuurlijke
teeltkeus.—Belangrijkheid van de nabootsing.—Sociale en zedelijke
vermogens.—Hun ontwikkeling binnen de grenzen van een zelfden
stam.—De natuurlijke teeltkeus oefent ook op beschaafde volken
invloed uit.—Bewijzen dat de beschaafde volken eens in wilden staat
verkeerden.
De onderwerpen die in dit hoofdstuk moeten worden besproken, zijn van
het hoogste belang, maar worden door mij slechts hoogst onvolkomen
stuksgewijze behandeld. De heer Wallace toont in een reeds vroeger
aangehaalde verhandeling [299] aan, dat de mensch, nadat hij
gedeeltelijk die verstandelijke en zedelijke vermogens had verkregen,
welke hem van de lagere dieren onderscheiden, slechts weinig
vatbaarheid moet hebben bezeten voor veranderingen in zijn lichamelijk
maaksel door natuurlijke teeltkeus of andere middelen. Want de mensch
is door zijn geestvermogens in staat „met een onveranderd lichaam in
harmonie te blijven met het veranderd heelal.” Hij bezit een groot
vermogen om zijn gewoonten te wijzigen naar de behoeften, door nieuwe
levensvoorwaarden ontstaan. Hij vindt wapenen, werktuigen en
verschillende listen uit, waarmede hij zich voedsel verschaft of zich
verdedigt. Als hij naar een kouder klimaat verhuist, gebruikt hij
kleederen, bouwt hutten en ontsteekt vuur; met behulp van het vuur
kookt hij voedsel, dat anders onverteerbaar zou zijn. Zelfs in een lang
vervlogen tijdperk maakte hij eenigszins gebruik van de verdeeling van
den arbeid.
Bij de lagere dieren moet daarentegen het maaksel van het lichaam
worden gewijzigd, willen zij bij sterk veranderde levensvoorwaarden
blijven bestaan. Zij moeten sterker worden of scherper tanden of
klauwen verkrijgen om zich tegen hun vijanden te verdedigen; of zij
moeten in grootte afnemen om aan ontdekking en gevaar te ontkomen. Als
zij naar een kouder klimaat verhuizen, moeten zij met een dikker pels
worden bekleed of hun gestel moet veranderen. Wanneer zij dergelijke
wijzigingen niet ondergaan, zullen zij ophouden te bestaan.
Met de verstandelijke en zedelijke vermogens van den mensch is het,
zooals de heer Wallace terecht heeft beweerd, geheel anders gesteld.
Deze vermogens zijn variabel, en wij hebben alle reden om te gelooven,
dat die variaties een neiging tot erfelijkheid hebben. Als zij daarom
vroeger van hoog belang waren voor den oorspronkelijken mensch en zijn
op apen gelijkende voorouders, moeten zij door natuurlijke teeltkeus
meer volkomen gemaakt en vooruitgegaan zijn. Over de hooge
belangrijkheid der verstandelijke vermogens kan geen twijfel bestaan;
want de mensch heeft daaraan voornamelijk zijn verheven plaats op aarde
te danken. Wij kunnen nagaan, dat in den ruwsten staat der
maatschappij, de individu’s die het scherpzinnigst waren, die de beste
wapenen en vallen uitvonden en gebruikten, en die het best in staat
waren zich te verdedigen, het talrijkste kroost moesten voortbrengen.
De stammen die de meeste aldus begaafde mannen bezaten, moesten in
aantal toenemen en andere stammen verdringen. Het aantal menschen hangt
oorspronkelijk van de hoeveelheid levensmiddelen af, en deze
gedeeltelijk van de natuurlijke gesteldheid van het land, maar in veel
grooter mate van de kunsten die daar worden beoefend. Als een stam
vermeerdert en overwint, wordt hij verder nog dikwijls vermeerderd,
doordat andere stammen met hem samensmelten. [300] De lichaamsgrootte
en spierkracht van een stam zijn eveneens van belang voor zijn
voorspoed, en deze hangen gedeeltelijk van den aard en de hoeveelheid
voedsel af, die kan worden verkregen. In Europa werden de menschen van
den bronstijd verdrongen door een machtiger ras, dat, te oordeelen naar
de gevesten hunner zwaarden, grootere handen bezat [301], maar de
voorspoed van dit laatste was waarschijnlijk in veel hooger mate
daaraan te danken, dat zij veel verder in de kunsten waren gevorderd.
Al wat wij van wilde volksstammen weten, of af mogen leiden uit hun
overleveringen en uit oude gedenkteekenen, waarvan de geschiedenis door
de tegenwoordige bewoners volkomen is vergeten, bewijst, dat sedert de
vroegste tijden voorspoedige stammen andere stammen hebben verdrongen.
Overblijfselen van uitgestorven of vergeten stammen zijn overal op
aarde ontdekt, zoowel in beschaafde landen als in de woeste vlakten van
Amerika en op de eenzame eilanden van den Stillen Oceaan. In den
tegenwoordigen tijd verdringen de beschaafde volken overal de
onbeschaafde, behalve waar het klimaat een doodelijken slagboom
daartegen opwerpt, en zij slagen daarin voornamelijk, hoewel niet
uitsluitend, door hun kunsten, die voortbrengselen zijn van het
verstand. Het is daarom hoogst waarschijnlijk, dat bij het menschelijk
geslacht de verstandelijke vermogens trapsgewijze volkomener zijn
geworden door natuurlijke teeltkeus; en dit besluit is genoegzaam voor
ons doel. Ongetwijfeld zou het zeer belangwekkend zijn geweest, om de
ontwikkeling van elk afzonderlijk vermogen te schetsen van den toestand
waarin het zich bij lagere dieren bevindt, af, tot dien waarin het bij
den mensch bestaat, toe; maar ik bezit noch genoegzame bekwaamheid,
noch genoegzame kennis om dit te beproeven.
Het verdient opmerking, dat zoodra de voorouders van den mensch een
gezellige levenswijze aannamen (en dit geschiedde waarschijnlijk in een
zeer vroeg tijdperk), de vooruitgang der verstandelijke vermogens in
hooge mate geholpen en gewijzigd moet zijn op een wijze, waarvan wij
bij de lagere dieren slechts sporen zien, namelijk door het beginsel
van nabootsing, verbonden met rede en ondervinding. Apen bezitten,
evenals de laagste wilden, de aandrift tot nabootsing in zeer hooge
mate; en het vroeger aangehaalde feit, dat na eenigen tijd geen dier op
de zelfde plaats in de zelfde soort van val kan worden gevangen,
bewijst alleen reeds, dat dieren door ondervinding leeren en elkanders
omzichtigheid navolgen. Indien nu één man in een stam, die
scherpzinniger dan de anderen was, eene nieuwe list of wapen, of andere
middelen van aanval of verdediging uitvond, moest eenvoudig het
eigenbelang zonder behulp van veel redeneering de andere leden van den
stam aandrijven om hem na te volgen, en zoo moesten allen er voordeel
uit trekken. De voortdurende uitoefening van een nieuwe kunst moest ook
eenigermate het verstand versterken. Als de nieuwe uitvinding
belangrijk was, moest de stam in aantal toenemen, zich uitbreiden en
andere stammen verdringen. In een op die wijze talrijker geworden stam
moest altijd meer kans bestaan op de geboorte van meer scherpzinnige en
vindingrijke leden dan bij andere stammen. Indien dergelijke mannen
kinderen nalieten, die hun verstandelijke meerderheid erfden, moest de
kans op de geboorte van nog vernuftiger leden iets grooter en in een
zeer kleinen stam stellig grooter worden. Zelfs als zij geen kinderen
achterlieten, bevatte de stam toch nog hun bloedverwanten; en de
veefokkers verzekeren, dat men, door de bloedverwanten van een dier,
dat bij het slachten goed was bevonden, uit te kiezen en met elkander
voort te doen telen, het gewenschte kenmerk heeft verkregen.
Laten wij thans overgaan tot de sociale en zedelijke vermogens. De
oorspronkelijke menschen of de op apen gelijkende voorouders van den
mensch moesten, om een gezellige levenswijze aan te nemen, eerst de
zelfde instinktmatige gevoelens verkrijgen, die andere dieren
aandrijven om in gezelschap te leven; en vertoonden ongetwijfeld de
zelfde algemeene neigingen. Zij moeten zich onaangenaam aangedaan
hebben gevoeld als zij van hun makkers, voor welke zij een zekere mate
van genegenheid koesterden, werden gescheiden; zij moeten elkander voor
gevaar gewaarschuwd en bij den aanval en de verdediging geholpen
hebben. Dit alles sluit een zekere mate van sympathie, trouw en moed in
zich. Dergelijke sociale hoedanigheden, wier hooge belangrijkheid voor
de lagere dieren door niemand wordt betwist, werden ongetwijfeld door
de voorouders van den mensch op gelijksoortige wijze verkregen,
namelijk door natuurlijke teeltkeus, geholpen door overgeërfde
gewoonte. Als twee stammen van oorspronkelijke menschen, die in
hetzelfde land woonden, elkanders mededingers waren, en als een dier
stammen (de overige omstandigheden de zelfde zijnde) een grooter aantal
moedige, medegevoel bezittende en getrouwe leden bezat, die altijd
bereid waren om elkander voor gevaar te waarschuwen, te helpen en te
verdedigen, moest die stam ongetwijfeld het best slagen en de andere
overwinnen. Dat men steeds bedenke, van hoe hoog belang bij de
onophoudelijke oorlogen der wilden trouw en moed moeten zijn. Het
voordeel, dat gedisciplineerde soldaten over ongedisciplineerde hebben,
is voornamelijk het gevolg van het vertrouwen dat elk hunner op zijn
makkers stelt. Gehoorzaamheid is, zooals de heer Bagehot zeer juist
heeft aangetoond [302], van de hoogste waarde; want de een of andere
vorm van bestuur is beter dan in het geheel geen. Zelfzuchtige en
twistzieke menschen zijn niet eensgezind, en zonder eendracht kan niets
tot stand worden gebracht. Een stam die de bovengenoemde hoedanigheden
in hooge mate bezat, moest zich uitbreiden en andere stammen
overwinnen; maar in den loop der tijden moest hij, te oordeelen naar al
wat wij van de geschiedenis van vroegere eeuwen weten, op zijn beurt
onderdoen voor den eenen of anderen nog hooger begaafden stam. Zoo was
er kans, dat de sociale en zedelijke hoedanigheden langzamerhand
vooruitgingen en zich over de wereld verspreidden.
Men zou echter kunnen vragen, hoe het kwam, dat binnen de grenzen van
een zelfden stam een groot aantal leden voor het eerst met deze sociale
en zedelijke hoedanigheden begaafd werden, en op welke wijze deze
hoedanigheden hoe langer hoe uitnemender werden. Het is uiterst
twijfelachtig, of de meer medegevoel bezittende en welwillende
menschen, of zij die het getrouwst waren aan hun makkers, een grooter
aantal kinderen moesten nalaten, dan de zelfzuchtige en verraderlijke
leden van den zelfden stam. Hij die bereid was zijn leven op te
offeren, zooals menig wilde is geweest, liever dan zijn makkers te
verraden, moest dikwijls geen kinderen nalaten die zijn edele inborst
konden erven. De dapperste mannen die altijd bereid waren om in den
oorlog aan de spits te staan en vrijwillig hun leven voor anderen op te
offeren, moesten gemiddeld in grooter getale omkomen dan andere
menschen. Daarom schijnt het nauwelijks mogelijk (als men bedenkt, dat
wij hier niet spreken van éénen stam, die een anderen overwint), dat
het aantal der mannen, met dergelijke deugden begaafd, toegenomen, of
dat die deugden zelf hooger ontwikkeld zouden zijn door natuurlijke
teeltkeus, dat is, door het overleven van hen die ze in de hoogste mate
bezaten.
Hoewel de omstandigheden die aanleiding gaven tot de vermeerdering van
het aantal der dus begaafde menschen in den zelfden stam, te
ingewikkeld zijn om dadelijk te worden nagegaan, kunnen wij echter
eenige waarschijnlijke stappen aangeven. In de eerste plaats moest,
zoodra de redeneerkracht en het vooruitziend vermogen der leden
vooruitgingen, elk man spoedig door ondervinding leeren, dat hij, als
hij zijn medemenschen hielp, gewoonlijk wederkeerig door hen werd
geholpen. Door deze lage beweegreden verkreeg hij wellicht de gewoonte
om zijn makkers te helpen, en de gewoonte om welwillende handelingen te
volbrengen versterkt ongetwijfeld het medegevoel, dat den eersten stoot
aan welwillende handelingen geeft. Daarenboven hebben gewoonten die
gedurende vele geslachten zijn gevolgd, een neiging tot erfelijkheid.
Er is echter een ander en veel machtiger prikkel voor de ontwikkeling
der sociale deugden, namelijk, de lof en de afkeuring onzer
medemenschen. De begeerte naar lof en de vrees voor schande berusten
oorspronkelijk, zooals wij reeds hebben gezien, op het instinkt van
medegevoel; en dit instinkt werd ongetwijfeld, evenals alle andere
sociale instinkten, oorspronkelijk verkregen door natuurlijke
teeltkeus. In hoe vroeg een tijdperk de voorouders van den mensch in
den loop van hun ontwikkeling voor het eerst vatbaar werden om gevoelig
te zijn voor en te worden aangedreven door den lof en de afkeuring
hunner medeschepselen, kunnen wij natuurlijk niet zeggen. Het schijnt
echter, dat zelfs honden gevoelig zijn voor aanmoediging, lof en
afkeuring. De ruwste wilden bezitten het gevoel van roem, zooals zij
duidelijk toonen door de zegeteekenen hunner heldendaden te bewaren,
door hun gewoonte van bovenmate te snoeven en zelfs door de groote zorg
die zij aan hun uiterlijk aanzien en versierselen besteden; want,
wanneer zij geen prijs stelden op de meening hunner makkers, zouden
dergelijke gewoonten zinneloos zijn.
Zij gevoelen ongetwijfeld schaamte, wanneer zij een hunner zedelijke
regels overtreden; maar in hoe verre zij ook berouw ondervinden, is
twijfelachtig. Ik was eerst verwonderd, dat ik mij niet kon herinneren
ooit eenig voorbeeld van dit gevoel bij wilden te hebben opgeteekend
gevonden, en Sir J. Lubbock getuigt [303], dat ook hem daarvan geen
voorbeeld bekend is. Als wij echter alle gevallen uit onzen geest
verbannen die in romans en tooneelspelen en in bekentenissen, op het
sterfbed aan priesters gedaan, worden medegedeeld, betwijfel ik, of
velen van ons in den tegenwoordigen tijd getuige zijn geweest van een
oprecht berouw; hoewel wij dikwijls schaamte en droefheid over geringe
misdrijven hebben gezien. Berouw is een diep verborgen gevoel. Het is
niet te gelooven, dat een wilde die liever zijn leven zou opofferen,
dan zijn stam te verraden, of die zich liever gevangen wil geven, dan
zijn woord te breken, geen berouw zou gevoelen in het binnenste van
zijn ziel, hoewel hij het ook verborgen mocht houden, als hij een
plicht had verzuimd, dien hij voor heilig hield.
Wij mogen daarom besluiten, dat in een zeer verwijderd tijdperk de lof
of de afkeuring zijner makkers op den oorspronkelijken mensch invloed
moet hebben uitgeoefend. Het is duidelijk, dat de leden van den stam
een gedrag dat hun voorkwam voordeelig te zijn voor het algemeene
welzijn, goedkeuren, en handelingen die daarmede in strijd waren,
afkeuren moesten. Anderen goed te doen,—anderen te behandelen, zooals
men zelf wenscht door hen te worden behandeld,—is de hoeksteen der
zedelijkheid. Het is daarom nauwelijks mogelijk de belangrijkheid van
de begeerte naar lof en de vrees voor afkeuring gedurende onbeschaafde
tijden te hoog te schatten. Iemand die niet door eenig diep
instinktmatig gevoel werd gedreven om zijn leven voor het welzijn van
anderen op te offeren, maar toch tot dergelijke daden werd aangezet
door de zucht naar roem, moest door zijn voorbeeld de zelfde zucht naar
roem bij anderen opwekken en door oefening het edel gevoel van
bewondering versterken. Hij deed zoo wellicht veel meer goed aan zijn
stam, dan door kinderen te verwekken, die aanleg bezaten om zijn eigen
verheven karakter te erven.
Met vermeerderde ondervinding en rede, begrijpt de mensch de meer
verwijderde gevolgen zijner handelingen, en de op het individu zelf
betrekking hebbende deugden, zooals matigheid, kuischheid enz., die in
vroege tijden, zooals wij hierboven zagen, zeer weinig in aanzien
stonden, komen in hooge achting of worden zelfs voor heilig gehouden.
Ik behoef echter niet te herhalen wat ik hierover in het derde
hoofdstuk heb gezegd. Ten slotte bestaat onze zedelijke zin of geweten
uit een zeer samengesteld gevoel, dat zijn eersten oorsprong vindt in
de sociale instinkten, in hooge mate geleid door de goedkeuring onzer
medemenschen, bestuurd door rede, eigenbelang, en in latere tijden door
diepe godsdienstige gevoelens, bevestigd door onderwijs en gewoonte.
Men moet niet uit het oog verliezen, dat, hoewel een groote zedelijke
ontwikkeling ieder individu en diens kinderen slechts weinig of geen
voordeel boven de andere menschen van den zelfden stam geeft, een
algemeene vooruitgang in zedelijke ontwikkeling en een vermeerdering
van het aantal zedelijk hoog ontwikkelde menschen echter ongetwijfeld
aan een stam een zeer groot voordeel boven andere zal geven. Het valt
niet te betwijfelen, dat een stam die vele leden bevatte, welke, daar
zij een groote mate van vaderlandslievenden geest, trouw,
gehoorzaamheid, moed en medegevoel bezaten, altijd bereid waren
elkander te helpen en zich voor het algemeen welzijn op te offeren,
andere stammen zou overwinnen, en dit zou natuurlijke teeltkeus zijn.
Ten allen tijde en overal op aarde hebben stammen andere stammen
verdrongen; en daar zedelijkheid een der elementen van hun slagen is,
moet de zedelijke ontwikkeling en het aantal zedelijk hoog ontwikkelde
menschen overal een neiging tot vergrooting en vermeerdering hebben.
Het is echter zeer moeielijk zich eenig oordeel er over te vormen,
waarom deze of gene bijzondere stam en niet een andere voorspoedig
geweest en geklommen is op de ladder der beschaving. Vele wilden zijn
in den zelfden toestand als toen zij verscheidene eeuwen geleden werden
ontdekt. Zooals de heer Bagehot heeft opgemerkt, zijn wij geneigd om
vooruitgang als den normalen regel der menschelijke maatschappij te
beschouwen; maar de geschiedenis spreekt dit tegen. De Ouden dachten
daaraan zelfs niet; en evenmin doen dit tegenwoordig de volken in het
Oosten. Volgens een andere groote autoriteit, den heer Maine [304],
„heeft het grootste gedeelte van het menschelijk geslacht nooit eenige
de minste begeerte aan den dag gelegd naar verbetering van zijn
maatschappelijke instellingen.” Vooruitgang schijnt af te hangen van de
samenwerking van vele gunstige omstandigheden, veel te ingewikkeld om
ze geheel te doorgronden. Het is echter reeds dikwijls opgemerkt, dat
een koud klimaat, omdat het tot nijverheid en de beoefening van
verschillende kunsten leidt, daartoe zeer bevorderlijk of zelfs
onmisbaar is geweest. De Eskimo’s zijn, door harde noodzakelijkheid
gedrongen, in vele vernuftige uitvindingen geslaagd, maar hun klimaat
was te streng voor voortdurenden vooruitgang. Een nomadische
levenswijze, hetzij in uitgestrekte vlakten of in de dichte bosschen
der tropische gewesten of langs de stranden der zee, is in elk geval
daarvoor zeer nadeelig geweest. Toen ik de onbeschaafde bewoners van
Vuurland waarnam, trof het mij, dat het bezit van eenig eigendom, een
vaste woonplaats en de vereeniging van vele huisgezinnen onder één
opperhoofd de onmisbare vereischten voor beschaving waren. Dergelijke
gewoonten maken de bebouwing van den grond bijna noodzakelijk; en de
eerste stappen tot den landbouw waren waarschijnlijk, zooals ik elders
[305] heb aangetoond, het gevolg van een of ander toeval, zooals van
het vallen van zaden van een vruchtboom op een hoop afval en het
daardoor voortgebracht worden van een buitengewoon schoone
verscheidenheid. Het vraagstuk, hoe de wilden er toe zijn gebracht om
hun eerste schreden op de baan der beschaving te zetten, is echter
tegenwoordig nog veel te moeielijk om te worden opgelost.
De natuurlijke teeltkeus heeft ook op beschaafde volken invloed.—Tot
dusver heb ik den vooruitgang van den mensch slechts beschouwd van een
half-menschelijken staat tot den toestand waarin zich de tegenwoordige
wilden bevinden. Het zal echter wellicht de moeite waard zijn om hier
eenige opmerkingen over de werking der natuurlijke teeltkeus op
beschaafde volken bij te voegen. Dit onderwerp is op uitnemende wijze
besproken door den heer W. R. Greg [306] en vroeger door de heeren
Wallace en Galton. [307] Mijn meeste opmerkingen zijn aan deze drie
schrijvers ontleend. Bij wilden worden zij die zwak van lichaam of
geest zijn, spoedig geëlimineerd; en de overlevenden bezitten
gewoonlijk een krachtige gezondheid. Wij beschaafden doen daarentegen
ons uiterste best om de eliminatie tegen te gaan; wij bouwen gestichten
voor krankzinnigen, idioten, verminkten en zieken; wij maken
armenwetten, en onze geneeskundigen doen hun uiterste best om ieders
leven zoo lang mogelijk te rekken. Er bestaat reden om te gelooven, dat
de koepokinenting duizenden in het leven heeft behouden, die vroeger
door hun zwak gestel aan de kinderpokken zouden zijn bezweken. Op die
wijze worden de zwakke leden der beschaafde maatschappijen in staat
gesteld hun soort voort te planten. Niemand die acht heeft geslagen op
de voortteling onzer huisdieren, zal betwijfelen, dat zulks hoogst
nadeelig op het menschenras moet inwerken. Het is verwonderlijk hoe
spoedig gemis aan zorg of verkeerd bestede zorg tot ontaarding van een
huisdierras leiden; maar, behalve in het geval van den mensch, is
niemand zoo onwetend, dat hij zijn slechtste dieren toelaat zich voort
te planten.
De hulp die wij ons gedrongen gevoelen aan de hulpeloozen te geven, is
voornamelijk een bijkomend gevolg van het instinkt van medegevoel, dat
oorspronkelijk werd verkregen als een deel der sociale instinkten, maar
later op de vroeger aangetoonde wijze teederder en over een ruimer
kring verspreid werd. Wij zouden dat medegevoel ook niet kunnen
beperken, wanneer wij daartoe door de hardvochtige rede werden
genoodzaakt, zonder dat het edelste gedeelte onzer natuur er schade
door leed. De heelmeester mag zich harden, terwijl hij een operatie
doet; want hij weet dat hij tot het bestwil van zijn patiënt handelt;
maar wanneer wij de zwakken en hulpeloozen opzettelijk
veronachtzaamden, zou het alleen kunnen zijn om een onzeker toekomstig
voordeel te verkrijgen door een zeker en groot tegenwoordig kwaad. Wij
moeten daarom zonder ons er over te beklagen dulden, dat de zwakken
blijven leven en hun soort voortplanten; maar er schijnt ten minste één
beletsel tegen de voortdurende werking daarvan te bestaan, namelijk dat
de zwakkere en mindere leden van de maatschappij niet zoo gemakkelijk
huwen als de gezonden; en dit beletsel zou onbepaald kunnen worden
vergroot, zoo de zwakken naar lichaam en geest zich van het huwelijk
onthielden, hoewel dit meer is te hopen dan te verwachten.
In ieder land waar men er een groot staand leger op nahoudt, vallen de
fraaiste jonge mannen in de loting of worden aangeworven. Zij zijn
daardoor blootgesteld aan een vroegen dood gedurende den oorlog, worden
dikwijls tot losbandigheid verleid en zijn verhinderd te trouwen
gedurende den bloeitijd van het leven. De kortere en zwakkere mannen
met slechte gestellen worden t’huis gelaten en hebben derhalve een veel
betere kans om te huwen en hun soort voort te planten. [308]
De mensch verzamelt eigendom en laat dien aan zijn kinderen na, zoodat
de kinderen van de rijken een voordeel boven die der armen hebben in
den wedstrijd van het leven, onafhankelijk van lichamelijke of
geestelijke meerderheid. Van den anderen kant komen kinderen van ouders
die kort leven en dus door elkander genomen slechter van gezondheid en
zwakker zijn, spoediger in het bezit van hun eigendom dan andere
kinderen, en zullen kans hebben vroeger te huwen en een grooter aantal
kinderen na te laten om hun slechtere gestellen te erven. Doch de
erfelijkheid van eigendom is op zich zelf ver van een nadeel, want
zonder de opeenstapeling van kapitaal zouden de kunsten niet kunnen
vooruitgaan; en het is voornamelijk door de macht van deze laatsten,
dat de beschaafde rassen zich hebben uitgebreid en zich tegenwoordig
nog overal uitbreiden ten koste der lagere rassen. De gematigde
opeenstapeling van het kapitaal heft ook de werking der natuurlijke
teeltkeus volstrekt niet geheel op. Als een arm man rijk wordt, komen
zijn kinderen in zaken en betrekkingen waarin strijd genoeg is; en
waarin zij die flink zijn ontwikkeld naar lichaam en geest, het beste
slagen. Het bestaan van een stand van menschen die goed onderwijs
hebben genoten en niet behoeven te werken voor hun dagelijksch brood,
is zoo belangrijk, dat het nimmer te hoog kan worden geschat, daar al
het hooge intellectueele werk door hen wordt volvoerd en daar van dat
werk de materiëele vooruitgang in alle zaken voornamelijk afhangt, om
andere en grootere voordeelen hier niet te vermelden. Ongetwijfeld
maakt zeer groote rijkdom de menschen dikwijls tot nuttelooze
leegloopers; maar het aantal daarvan is nooit groot en er heeft hierbij
een soort van eliminatie plaats, daar wij dagelijks rijke menschen
zien, die tevens dwazen of losbollen zijn en hun geheele vermogen
verkwisten.
Het recht van eerstgeboorte met de bepaling van onvervreemdbaarheid van
het erfgoed is een meer direct nadeel, hoewel het vroeger een groot
voordeel moge zijn geweest, daar het aanleiding gaf tot het ontstaan
van een heerschenden stand, en eenige vorm van staatsbestuur is beter
dan in ’t geheel geen. De oudste zonen huwen gewoonlijk, hoe zwak zij
naar lichaam en geest ook mogen zijn, terwijl de jongere zonen, al
munten zij ook te dien opzichte uit, niet zoo algemeen huwen. Ook
kunnen nietswaardige oudste zonen, waar de bepaling van
onvervreemdbaarheid van het erfgoed bestaat, hun vermogen niet
verkwisten. Maar hier zijn, evenals elders, de betrekkingen van het
beschaafde leven zoo ingewikkeld, dat er sommige verevenende
hinderpalen bestaan. De mannen, die door het recht van eerstgeboorte
rijk zijn, zijn in staat om van generatie op generatie de schoonste en
bekoorlijkste vrouwen uit te kiezen, en deze zullen gewoonlijk gezond
van lichaam en werkzaam van geest zijn. De slechte gevolgen, welke die
ook mogen zijn, van het voortdurend bewaard blijven van de zelfde lijn
van afstamming zonder eenige teeltkeus worden daardoor tegengegaan, dat
mannen van rang altijd hun rijkdom en macht wenschen te vermeerderen,
en dit brengen zij tot stand door met rijke erfdochters te huwen. Bij
de dochters van ouders die slechts één enkel kind hebben verwekt,
bestaat echter, zooals de heer Galton heeft aangetoond [309], een
aanleg tot onvruchtbaarheid; en zoo sterven de adellijke familiën
telkens in de rechte lijn uit en vloeit hun rijkdom in het eene of
andere zijkanaal; maar ongelukkig wordt dit zijkanaal niet bepaald door
bijzondere voortreffelijkheid in het eene of andere opzicht.
Hoewel dus de beschaving op verschillende wijzen de werking der
natuurlijke teeltkeus belemmert, begunstigt zij blijkbaar, door middel
van de verbeterde voeding en de vrijwaring voor sommige soorten van nu
en dan voorkomende ongevallen, de betere ontwikkeling van het lichaam.
Men mag dit daaruit besluiten, dat, waar men ook beschaafde menschen en
wilden in dit opzicht heeft vergeleken, men steeds heeft bevonden, dat
de eersten meer lichaamskracht bezaten dan de laatsten. Zij schijnen
ook even groote vermoeienissen en ontberingen te kunnen uitstaan,
zooals door vele stoutmoedige tochten is bewezen. Zelfs de groote
weelde der rijken kan niet zeer schadelijk zijn; want de vermoedelijke
levensduur van onze aristocratie is op alle leeftijden en bij beide
seksen slechts weinig korter dan bij gezonde Engelschen uit de lagere
standen. [310]
Wij zullen nu de verstandelijke vermogens alleen beschouwen. Indien in
elken stand der maatschappij de leden waren verdeeld in twee even
talrijke groepen, waarvan de eene de meest- en de andere de
minstverstandigen bevatte, kan er slechts weinig twijfel bestaan, dat
de eersten in alle beroepen het best zou slagen en een grooter aantal
nakomelingen nalaten. Zelfs in de laagste kringen der maatschappij
moeten kunde en bekwaamheid eenig voordeel opleveren, hoewel dat
voordeel bij vele bedrijven, ten gevolge der groote verdeeling van den
arbeid, zeer gering moge zijn. Daarom zal er bij beschaafde volken
eenige kans bestaan, dat de verstandelijk meer ontwikkelden zoowel in
aantal als in gehalte toenemen. Ik wil echter niet beweren, dat die
kans langs andere wegen niet meer dan opgewogen wordt, b.v. door de
vermeerdering van de zorgelooze en niet om de toekomst denkende
menschen; maar zelfs aan dezen moet bekwaamheid eenig voordeel
opleveren.
Men heeft dikwijls tegen beschouwingen als de voorgaande ingebracht,
dat de uitnemendste mannen die ooit hebben geleefd, geen kinderen
hebben nagelaten, die hun groot verstand konden erven. De heer Galton
zegt [311]: „Ik betreur het, niet in staat te zijn de eenvoudige vraag
op te lossen of, en in hoeverre, mannen en vrouwen die wonderen van
genialiteit zijn, onvruchtbaar zijn. Ik heb echter aangetoond, dat
uitstekende mannen zulks in geenen deele zijn.” Groote wetgevers, de
grondvesters van weldadige godsdiensten, groote wijsgeeren en
uitvinders hebben veel meer toegebracht tot den vooruitgang der
menschheid door hun werken, dan door het nalaten eener talrijke
nakomelingschap. In het geval van lichamelijke eigenschappen is het,
gelijk ik in mijn „Ontstaan der Soorten” heb aangetoond, het voor de
voortplanting uitgekozen worden van de een weinig beter begaafde, en de
eliminatie van de een weinig, minder goed begaafde individu’s, en niet
het bewaard blijven van sterksprekende en zeldzame afwijkingen die tot
den vooruitgang eener soort leidt. Evenzoo zal het zijn gelegen met de
verstandelijke vermogens; de iets meer ontwikkelde menschen zullen
gemiddeld in elken stand van de maatschappij wat beter slagen dan de
iets minder ontwikkelde, en de eersten zullen derhalve in aantal
toenemen, als daartegen geen andere hinderpalen bestaan. Als bij een of
ander volk het gehalte van de verstandelijke ontwikkeling en het aantal
verstandige menschen is toegenomen, mogen wij, zooals de heer Galton
heeft aangetoond, wegens de wet van afwijking van het gemiddelde
verwachten, dat groote genieën iets veelvuldiger zullen verschijnen dan
vroeger.
Ten opzichte der zedelijke hoedanigheden gaat de eliminatie van de
slechtst begaafden zelfs bij de meestbeschaafde volken steeds
eenigermate voort. Misdadigers worden ter dood gebracht of gedurende
langen tijd gevangen gezet, zoodat zij hun slechte eigenschappen niet
vrijelijk kunnen voortplanten. Zwartgallige en krankzinnige menschen
worden opgesloten of brengen zich zelven om het leven. Driftige en
twistzieke menschen sterven dikwijls een gewelddadigen dood.
Ongestadige menschen die volstrekt geen vast beroep willen
uitoefenen,—en dit overblijfsel van barbaarschheid is een groote
hinderpaal voor de beschaving [312],—verhuizen naar nieuw aangelegde
volkplantingen, en blijken daar nuttige pioniers te zijn. Onmatigheid
werkt zoo verwoestend, dat de vermoedelijke levensduur van een
dronkaard op den ouderdom b.v. van 30 jaren, slechts 138⁄10 jaar is;
terwijl die van Engelsche landbouwers op den zelfden leeftijd 4059⁄100
jaar is. [313] Losbandige vrouwen krijgen weinig kinderen, en
losbandige mannen huwen zelden; beiden lijden aan ziekten. Bij de teelt
van huisdieren is de eliminatie van die individu’s welke in een of
ander opzicht minder goed zijn, hoe gering hun getal ook moge zijn, in
geenen deele een onbelangrijk element voor het succes. Vooral is zulks
het geval met nadeelige kenmerken die neiging hebben om door atavisme
opnieuw te verschijnen, zooals de zwarte kleur bij schapen; en bij den
mensch zijn wellicht sommige zeer slechte neigingen die nu en dan,
zonder dat men de oorzaak er van kan aangeven, in familiën verschijnen,
niet anders dan atavismen, door terugkeer tot het type dier wilde
voorouders, van welke wij niet door zeer vele generaties zijn
gescheiden. (1) Deze beschouwingswijze schijnt inderdaad te worden
teruggevonden in de gewone uitdrukking, dat dergelijke menschen de
zwarte schapen van de familie zijn.
Wat de hooge zedelijke ontwikkeling van het algemeen en de
vermeerdering van het aantal zedelijk zeer hoog ontwikkelde menschen
aangaat, werkt de natuurlijke teeltkeus blijkbaar slechts in geringe
mate op beschaafde volken, ofschoon de oorspronkelijke zedelijke
instinkten in den beginne op die wijze werden verkregen. Ik heb echter,
toen ik over de lagere rassen handelde, reeds genoeg gezegd over de
oorzaken die tot den vooruitgang der zedelijkheid leiden, namelijk: de
goedkeuring onzer medemenschen,—de versterking van ons medegevoel door
de gewoonte,—voorbeeld en navolging,—rede,—ondervinding en zelfs
eigenbelang,—onderwijs gedurende de jeugd en godsdienstige gevoelens.
Op een hoogst belangrijken hinderpaal in beschaafde landen tegen een
vermeerdering van het aantal zedelijk zeer hoog ontwikkelde menschen is
door de heeren Greg en Galton [314] met nadruk gewezen, op het feit
namelijk, dat de zeer arme en zorgelooze lieden, die dikwijls door
ondeugd verlaagd zijn, bijna altijd vroeg huwen, terwijl de
voorzichtige en spaarzame lieden, die gewoonlijk ook andere deugden
bezitten, eerst op lateren leeftijd huwen, opdat zij in staat zouden
zijn op voldoende wijze in het onderhoud van zich zelven en hun
kinderen te voorzien. Zij die vroeg huwen, brengen niet slechts in een
gegeven tijd een grooter aantal generaties voort, maar Dr. Duncan [315]
heeft aangetoond, dat zij ook een grooter aantal kinderen voortbrengen.
Daarenboven zijn de kinderen die geboren worden uit moeders welke in
den bloeitijd van het leven zijn, zwaarder en grooter, en daarom
waarschijnlijk ook sterker, dan die welke in een ander tijdperk worden
geboren. Derhalve bestaat er bij de zorgelooze, verlaagde en dikwijls
slechte leden der maatschappij een streven naar sneller vermeerdering
dan bij de voorzichtige, spaarzame en over het algemeen deugdzame
leden. Of, zooals de heer Greg het geval stelt: „De zorgelooze,
smerige, onverschillige Ier vermenigvuldigt als de konijnen; de
spaarzame, om den dag van morgen denkende, zich zelf eerbiedigende,
eerzuchtige Schot, met zijn strenge zeden, zijn geestelijk geloof, zijn
scherpzinnig en ontwikkeld verstand, brengt zijn beste jaren in
inspanning en ongehuwd door, huwt laat en laat weinig nakomelingen
achter. Gegeven een land, oorspronkelijk bewoond door een duizendtal
Saksers en een duizendtal Kelten,—dan zullen in een dozijn generaties
vijf zesde gedeelten van de bevolking Kelten zijn, maar vijf zesde
gedeelten van den eigendom, de macht, het verstand zullen toebehooren
aan het overblijvend één zesde, uit Saksers bestaande gedeelte der
bevolking. In den eeuwigen „strijd om het bestaan”, zal het lagere en
minder begaafde ras de bovenhand behouden,—en dat, niet krachtens zijn
goede hoedanigheden, maar krachtens zijn gebreken.”
Er zijn echter eenige hinderpalen tegen dit streven naar achteruitgang.
Wij hebben gezien, dat onder dronkaards de gemiddelde sterfte zeer
groot is, en uiterst losbandige lieden laten weinig kroost na. De
armste klassen zijn in de steden opeengehoopt, en Dr. Stark [316] heeft
uit een in Schotland gedurende tien jaren gehouden statistiek bewezen,
dat op alle leeftijden de gemiddelde sterfte grooter is in de steden
dan op het land, ja, „gedurende de vijf eerste levensjaren is de
gemiddelde sterfte in de steden ongeveer dubbel zoo groot als op het
land.” Daar deze berekening zoowel de rijken als de armen omvat, zou
ongetwijfeld meer dan het dubbele van het aantal geboorten noodig zijn
om het aantal zeer arme bewoners in de steden in de zelfde verhouding
te doen toenemen als die op het land.
Voor vrouwen is het huwelijk op al te vroegen leeftijd hoogst
schadelijk; want in Frankrijk heeft men bevonden, dat „jaarlijks van de
gehuwde vrouwen onder de twintig jaar tweemaal meer sterven dan van het
zelfde aantal ongehuwde.” Ook de sterfte van gehuwde mannen onder de
twintig jaar is „uiterst groot” [317], wat echter de oorzaak hiervan
is, schijnt twijfelachtig. Als eindelijk de mannen die voorzichtig hun
huwelijk uitstellen tot zij hun huisgezin behoorlijk kunnen
onderhouden, vrouwen uitkiezen die in den bloeitijd des levens zijn, en
dit doen zij dikwijls, zal de gemiddelde hoegrootheid der vermeerdering
van de meer welvarende klasse slechts weinig afnemen.
Uit een ontzaglijk aantal statistische gegevens, in het jaar 1853
verzameld, bleek, dat in Frankrijk de ongehuwde mannen op den leeftijd
van 20 tot 30 jaren in veel sterker verhouding sterven dan de gehuwde:
van elke 1000 ongehuwde mannen op den leeftijd van 20 tot 30 jaren
stierven b.v. jaarlijks 11,3, terwijl van de gehuwde slechts 6,5
stierven. [318] Het is bewezen, dat een dergelijke wet gedurende de
jaren 1863 en 1864 steek hield bij de geheele bevolking van Schotland
die boven de 20 jaar oud was: van elke duizend ongehuwde mannen op den
leeftijd van 20–30 jaar stierven b.v. jaarlijks 14,97, en van de
gehuwde slechts 7,24, dat is minder dan de helft. [319] Dr. Stark
bemerkt naar aanleiding hiervan: „De ongehuwde staat werkt
verwoestender op het leven dan de ongezondste bedrijven, of dan het
verblijf in een ongezond huis of in een ongezonde streek waar men nooit
de geringste poging heeft gedaan om den gezondheidstoestand te
verbeteren. Hij meent dat de verminderde sterfte een rechtstreeksch
gevolg is „van het huwelijk en van de meer geregelde levenswijze welke
met dien staat gepaard gaat.” Hij geeft echter toe, dat de onmatige,
losbandige en misdadige klassen, wier gemiddelde levensduur kort is,
gewoonlijk niet huwen; en men moet eveneens aannemen, dat menschen met
een zwak gestel, slechte gezondheid, of eenig groot lichamelijk of
geestelijk gebrek, dikwijls niet zullen willen of kunnen huwen. Dr.
Stark schijnt tot het besluit te zijn gekomen, dat het huwelijk op zich
zelf een hoofdoorzaak van een lang leven is, omdat hij vindt, dat
hoogbejaarde gehuwde mannen in dit opzicht nog een aanmerkelijk
voordeel hebben boven ongehuwde van den zelfden hoogen leeftijd; maar
iedereen zal wel voorbeelden kennen van menschen, die wegens hun zwakke
gezondheid in hun jeugd niet huwden en toch hoogbejaard zijn geworden,
hoewel zij voortdurend zwak bleven en dus steeds slechts een kleinere
kans hadden om te blijven leven. Er is een andere merkwaardige
omstandigheid, die Dr. Stark’s besluit schijnt te bevestigen, namelijk,
dat weduwnaars en weduwen in Frankrijk in vergelijking van gehuwde
lieden aan een zeer groote sterfte onderhevig zijn; maar Dr. Farr
schrijft dit toe aan armoede en slechte gewoonten, die het gevolg zijn
van het vaneenscheuren van het huisgezin en van droefheid. Over het
geheel mogen wij met Dr. Farr besluiten, dat de mindere sterfte van
gehuwde dan van ongehuwde lieden, die een algemeene wet schijnt te
zijn, „hoofdzakelijk wordt veroorzaakt door de voortdurende eliminatie
van onvolmaakte typen, en door de met bekwaamheid geschiedende keuze
van de uitnemendste individu’s van elke opeenvolgende generatie”, welke
keuze alleen betrekking heeft op den gehuwden staat, en op alle
lichamelijke, verstandelijke en zedelijke hoedanigheden acht slaat. Wij
mogen daaruit afleiden, dat gezonde en deugdzame lieden die uit
voorzichtigheid een tijd lang ongehuwd blijven, aan geen bijzonder
hooge sterfte onderhevig zijn.
Indien de verschillende hinderpalen in de beide laatste alinea’s
opgenoemd, en wellicht andere die nog onbekend zijn, niet verhinderen,
dat de zorgelooze, slechte en op andere wijzen mindere leden van de
maatschappij zich sneller vermenigvuldigen dan de betere klasse van
menschen, zal het volk achteruitgaan, zooals maar al te dikwijls in de
wereldgeschiedenis is gebeurd. Wij moeten ons herinneren, dat de
vooruitgang niet onveranderlijk regel is. Het is hoogst moeilijk te
zeggen, waarom de eene beschaafde natie tot aanzien klimt, machtiger
wordt en zich verder uitbreidt dan de andere; of waarom een zelfde
natie op den eenen tijd sterker vooruitgaat dan op den anderen. Wij
kunnen alleen zeggen, dat dit afhangt van een vermeerdering van de
bevolking in het algemeen, van het aantal mannen, met groote
verstandelijke en zedelijke vermogens begaafd, zoowel als van de
hoegrootheid dier vermogens. De lichamelijke eigenschappen, behalve in
zoover een krachtig lichaam ook kracht aan den geest geeft, schijnen
slechts weinig invloed te hebben.
Verschillende schrijvers hebben beweerd, dat, daar groote
verstandelijke vermogens voor een volk voordeelig zijn, de oude
Grieken, die in verstand eenige graden hooger stonden dan eenig ras dat
ooit heeft bestaan [320], indien de natuurlijke teeltkeus wezenlijk
zulk eene groote macht bezat, nog meer in aanzien gestegen en in getal
toegenomen hadden moeten zijn en geheel Europa hebben bevolkt. Hier
hebben wij de stilzwijgende onderstelling, zoo dikwijls geschied ten
opzichte van lichamelijke eigenschappen, dat er eenige aangeboren
neiging bestaat tot voortdurende ontwikkeling van geest en lichaam.
Elke soort van ontwikkeling hangt echter van den samenloop van vele
gunstige omstandigheden af. De natuurlijke teeltkeus werkt slechts op
een beproevende wijze. Individu’s en rassen kunnen zekere onbetwistbare
voordeelen hebben verkregen, en toch zijn ondergegaan, omdat zij andere
kenmerken misten. De Grieken kunnen zijn achteruitgegaan door gebrek
aan samenhang tusschen de vele kleine staten, wegens de geringe grootte
van hun geheele land, wegens de gewoonte om slaven te houden, of wegens
zeer groote zinnelijkheid; want zij bezweken niet voor zij „tot in den
grond waren ontzenuwd en bedorven.” [321] De volken van West-Europa,
die nu hun vroegere wilde voorouders zoo verbazend overtreffen en aan
de spits der beschaving staan, zijn weinig of niets van hun
voortreffelijkheid verschuldigd aan rechtstreeksche overerving van de
oude Grieken, hoewel zij veel hebben te danken aan de geschrevene
werken van dit verwonderlijke volk.
Wie kan met zekerheid zeggen, waarom de Spaansche natie, in een zeker
tijdvak zoo machtig, door andere volken is voorbijgestreefd? De
ontwaking der volken van Europa uit den slaap der middeleeuwen is nog
moeielijker te verklaren. In dien vroegen tijd hadden, zooals de heer
Galton heeft opgemerkt [322], bijna alle mannen van edelen aard, zij
die zich toelegden op nadenken en geestbeschaving, geen ander
toevluchtsoord dan in den boezem der kerk, die den ongehuwden staat
eischte, en het kon moeielijk missen, of dit moest op elke
opeenvolgende generatie een verderfelijken invloed uitoefenen.
Gedurende het zelfde tijdvak koos de Heilige Inquisitie met de meeste
zorg de meest vrijheidlievende en moedige mannen uit om hen te
verbranden en gevangen te zetten. In Spanje alleen werden eenigen van
de beste mannen,—zij die twijfelden en onderzochten, en zonder den
twijfel kan geen vooruitgang bestaan,—gedurende drie eeuwen
geëlimineerd in de verhouding van een duizendtal per jaar. Het kwaad
dat de Katholieke kerk op die wijze heeft gesticht, hoewel ongetwijfeld
in zekere, ja wellicht in groote mate opgewogen op andere wijze, is
onberekenbaar; toch is Europa met ongeëvenaarde snelheid vooruitgegaan.
De merkwaardige voorspoed van de Engelschen als kolonisten boven andere
Europeesche natiën, waarvan een vergelijking tusschen de toeneming van
het aantal Canadeezen van Engelsche en van Fransche afkomst een goed
voorbeeld oplevert, is toegeschreven aan hun „koene en volhardende
energie”; maar wie kan zeggen, hoe de Engelschen die energie verkregen.
Er is blijkbaar veel waars in het geloof, dat de verwonderlijke
vooruitgang der Vereenigde Staten, zoowel als het karakter van hun
bewoners, het gevolg zijn van natuurlijke teeltkeus, daar de
energiekste, rustelooste en moedigste mannen van alle deelen van Europa
gedurende de tien of twaalf laatste generaties naar dat groote land
verhuisd en daar het best geslaagd zijn. [323] Met het oog op een verre
toekomst, geloof ik, dat de heer Zincke zich niet aan overdrijving
schuldig maakt, wanneer hij zegt [324]: „Alle andere reeksen van
gebeurtenissen,—zoowel die welke uitliepen op de geestbeschaving van
Griekenland, als die welke het aanzijn gaven aan het Romeinsche
Rijk,—schijnen alleen een doel en waarde te hebben als men ze beschouwt
in verband met, of liever als ondergeschikt aan .... den grooten stroom
der Anglo-Saksische emigratie naar het Westen.” Hoe duister ook het
vraagstuk van den vooruitgang der beschaving zij, wij kunnen toch ten
minste begrijpen, dat een volk hetwelk gedurende een langdurig tijdperk
het grootste aantal verstandelijk hoog ontwikkelde, energieke, dappere,
vaderlandslievende en welwillende menschen voortbracht, over het
algemeen de bovenhand moest behouden over minder begunstigde natiën.
De natuurlijke teeltkeus is het gevolg van den strijd om het bestaan,
en deze van een snelle vermeerdering. Het is onmogelijk de snelheid
niet te betreuren, met welke het menschelijk geslacht naar
vermeerdering streeft (of het verstandig is zulks te doen, is een
andere vraag); want deze leidt bij wilde stammen tot kindermoord en
vele andere misdaden, bij beschaafde natiën tot ellende, armoede, een
ongehuwd leven en tot late huwelijken van hen die om den dag van morgen
denken. Daar de mensch echter onderhevig is aan de zelfde physieke
kwalen als de lagere dieren, heeft hij geen recht om te verwachten, dat
hij vrij zal zijn van de kwalen die het gevolg zijn van den strijd om
het bestaan. Als men nagaat, dat in vele deelen der wereld verbazend
uitgestrekte en hoogst vruchtbare streken, die in staat zouden zijn
talrijke gelukkige huisgezinnen te voeden, slechts door eenige weinige
zwervende wilden worden bewoond, zou men kunnen beweren, dat de strijd
om het bestaan niet hevig genoeg is geweest om den mensch tot zijn
hoogste ontwikkeling te brengen. Te oordeelen naar al wat wij weten van
den mensch en van de lagere dieren, is er altijd genoeg verscheidenheid
geweest in de verstandelijke en zedelijke vermogens om ze voortdurend
door natuurlijke teeltkeus vooruit te doen gaan. Ongetwijfeld vereischt
een dergelijke vooruitgang een samenloop van vele gunstige
omstandigheden; maar het mag worden betwijfeld, of zelfs de gunstigste
wel voldoende zouden zijn geweest, zoo er geen neiging tot snelle
vermeerdering bestaan en derhalve geen uiterst hevige strijd om het
bestaan plaats gehad had. Naar hetgeen wij bijvoorbeeld in sommige
deelen van Zuid-Amerika zien, schijnt het zelfs, dat een volk dat
beschaafd mag worden genoemd, zooals de Spaansche kolonisten, kans
loopt om vadsig te worden en achteruit te gaan, als de
levensvoorwaarden zeer gemakkelijk zijn. Bij hoogst beschaafde natiën
hangt de voortdurende vooruitgang in ondergeschikte mate van
natuurlijke teeltkeus af; want dergelijke natiën verdringen elkander
niet en roeien elkander niet uit, gelijk wilde stammen. Toch zullen de
meer verstandige leden in de zelfde maatschappij op den langen duur
beter slagen en talrijker kroost nalaten dan de minder verstandige, en
dit is een vorm van natuurlijke teeltkeus. De meer werkdadige oorzaken
van vooruitgang schijnen te bestaan in een goede opvoeding gedurende de
jeugd, als de hersenen vatbaar voor indrukken zijn, en in een hoogen
trap van uitnemendheid, ingeprent door de bekwaamste en beste mannen,
verlichamelijkt in de wetten, zeden en overleveringen van de natie, en
versterkt door de publieke opinie. Men bedenke echter, dat deze
versterking door de openbare meening afhankelijk is van de waarde die
wij aan de goed- of afkeuring van anderen hechten, en die waardeering
is gegrond op ons medegevoel, hetwelk wij moeilijk kunnen betwijfelen,
dat oorspronkelijk is ontwikkeld door natuurlijke teeltkeus als een der
meest belangrijke bestanddeelen van de sociale instinkten. [325]
Bewijzen dat alle beschaafde natiën eens in wilden staat verkeerden.
Daar wij de trappen moeten beschouwen, door welke een of ander
half-menschelijk schepsel allengs is opgeklommen tot den rang van den
mensch in zijn meest volkomen staat, kan dit onderwerp niet geheel
onbemerkt worden voorbijgegaan.
Het is echter op zoo volledige en bewonderenswaardige wijze behandeld
door Sir J. Lubbock [326], de heeren Tylor, M’Lennan en anderen, dat ik
hier slechts een zeer kort overzicht behoef te geven van hun
resultaten. De onlangs door den Hertog van Argyll [327] en vroeger door
den Aartsbisschop Whately aangevoerde bewijsgronden ten gunste van het
geloof, dat de mensch als een beschaafd wezen in de wereld kwam, en dat
alle wilde stammen sinds dien tijd zijn achteruitgegaan, schijnen mij
zwak in vergelijking van die, welke van de andere zijde worden
aangevoerd. Vele natiën zijn ongetwijfeld in beschaving
achteruitgegaan, en sommige wellicht tot de uiterste barbaarschheid
vervallen, hoewel ik voor dit laatste geen enkel bewijs heb gevonden.
De Vuurlanders werden waarschijnlijk door andere veroverende horden
gedwongen om zich in hun ongastvrij land te vestigen, en kunnen ten
gevolge daarvan nog een weinig lager zijn gezonken; maar men zou
moeielijk kunnen bewijzen, dat zij tot grooter barbaarschheid zijn
vervallen dan de Botocudo’s, die de schoonste gedeelten van Brazilië
bewonen.
De bewijzen dat alle beschaafde volken de afstammelingen van wilden
zijn, berusten eerstens op duidelijke sporen van hun voormaligen
onbeschaafden toestand in nog bestaande gewoonten, meeningen,
spreekwijzen, enz.; en in de tweede plaats, op bewijzen dat wilden in
staat zijn door eigen ontwikkeling eenige weinige schreden voorwaarts
te doen op de baan der beschaving en zulks ook werkelijk hebben gedaan.
De gronden voor de eerste bewering zijn hoogst merkwaardig, maar kunnen
hier niet worden medegedeeld. Ik verwijs naar zulke gevallen als b.v.
dat van de telkunst die, zooals de heer Tylor duidelijk aantoont door
de woorden die op sommige plaatsen nog worden gebruikt, ontstond door
eerst de vingers van de eene hand, daarna die van de andere, en
eindelijk de teenen te tellen. Wij hebben daarvan nog sporen in ons
eigen tientallig stelsel en in de Romeinsche cijfers, die na het getal
V te hebben bereikt, wanneer ongetwijfeld de andere hand werd gebruikt,
in VI, enz. overgaan. Evenzoo „gebruiken wij, als wij spreken van
drie-score en tien, het twintigtallig stelsel, daar elk aldus in de
gedachten gemaakt score staat voor 20—of „één mensch”, zooals een
Mexicaan of Caraïbe het zou uitdrukken.” [328] (2) Volgens een groote
en toenemende school van taalkundigen draagt iedere taal de kenteekenen
van haar langzame en trapsgewijze ontwikkeling. Het zelfde is het geval
met de schrijfkunst, daar de letters rudimenten zijn van afbeeldingen
van voorwerpen. Het is bijna niet mogelijk het werk van den heer
M’Lennan te lezen [329], en niet toe te geven, dat bijna alle
beschaafde volken eenige sporen hebben behouden van zulk een ruwe
gewoonte als het met geweld rooven der vrouwen. De zelfde schrijver
vraagt, welke natie kan worden genoemd, die oorspronkelijk in monogamie
leefde? Het oorspronkelijke denkbeeld van recht was insgelijks hoogst
ruw, zooals blijkt uit de wet van den strijd en andere gewoonten,
waarvan nog sporen bewaard zijn gebleven. Vele bestaande
bijgeloovigheden zijn de overblijfselen van vroegere valsche
godsdienstige meeningen. De hoogste vorm van godsdienst,—het groote
denkbeeld van een God die de zonde haat en de rechtvaardigheid
bemint,—was gedurende de oorspronkelijke tijden onbekend.
Laten wij nu tot de tweede soort van bewijs overgaan: Sir John Lubbock
heeft aangetoond, dat sommige wilden in de laatste tijden een weinig
zijn vooruitgegaan in sommige van hun meer eenvoudige kunsten. Als men
de uiterst merkwaardige mededeelingen nagaat, die hij doet omtrent de
wapenen, werktuigen en kunsten, gebruikt of uitgeoefend door wilden in
verschillende deelen der wereld, kan men niet betwijfelen, dat dit
bijna allen zelfstandige ontdekkingen zijn geweest, behalve wellicht de
kunst om vuur te maken. [330] De Australische boemerang (3) is een goed
voorbeeld van een dergelijke onafhankelijke ontdekking. Toen Otaheite
pas was ontdekt, waren deszelfs bewoners in vele opzichten verder
gevorderd dan die van de meeste andere eilanden van Polynesië. Er
bestaan geen goede gronden om aan te nemen, dat de groote beschaving
van de inboorlingen van Peru en Mexico was voortgevloeid uit een
vreemde bron [331]; vele in die landen inheemsche planten werden daar
verbouwd en ook enkele inheemsche dieren waren er getemd (4).
Wij moeten bedenken, dat, als de bemanning van een uit een of ander
half beschaafd land komend schip naar de stranden van Amerika was
gedreven, zij op de inboorlingen zeer weinig invloed zou hebben
uitgeoefend, tenzij deze reeds eenigszins in beschaving waren
gevorderd, te oordeelen ten minste naar den geringen invloed der meeste
zendelingen. Wanneer wij een zeer oud tijdvak van de wereldgeschiedenis
beschouwen, vinden wij, om Sir J. Lubbock’s welbekende uitdrukkingen te
gebruiken, een palaeolithische en neolithische periode, en niemand zal
beweren, dat de kunst om ruwe vuursteenen werktuigen te slijpen, uit
vreemde landen was ingevoerd. In alle landen van Europa tot Griekenland
toe, in Palaestina, Indië, Japan, Nieuw-Zeeland en Afrika, met
insluiting van Egypte, zijn vuursteenen werktuigen in overvloed
gevonden; en van het gebruik daarvan bestaat bij de tegenwoordige
inwoners geen overlevering. Er bestaan ook indirecte bewijzen van het
voormalig gebruik van dergelijke werktuigen bij de Chineezen (5) en
oude Joden. Het kan daarom moeielijk worden betwijfeld, dat de inwoners
van deze vele landen die bijna de geheele beschaafde wereld omsluiten,
eens in wilden staat verkeerden. Om te gelooven, dat de mensch
oorspronkelijk beschaafd was en later in zoovele landen tot de uiterste
barbaarschheid verviel, moet men een beklagenswaardig laag denkbeeld
koesteren van de menschelijke natuur. Het is blijkbaar een meer met de
waarheid overeenkomstig en troostvoller denkbeeld, dat vooruitgang veel
algemeener is geweest dan achteruitgang, dat de mensch, hoewel langzaam
en met afgebroken schreden, is opgeklommen van een laag standpunt tot
de hoogste ontwikkeling die hij nog in kennis, zedelijkheid en
godsdienst heeft bereikt.