Bij de wilden bestaat nauwelijks muziek in onzen zin, al scheppen zij
ook behagen in den klank van trommen, bekkens, fluitjes enz. en al
zingen zij ook eentonige liedjes. [296] De Egyptenaars worden voor de
oudste beoefenaars der eigenlijke muziek gehouden; op hen volgden de
Joden en Grieken, maar evenmin als de Romeinen hadden deze volken
(volgens Wallace) eenig begrip van harmonie of van de wezenlijke
gronden der moderne muziek. Sedert de vijftiende eeuw is de muziek zich
eerst snel beginnen te ontwikkelen, maar voor den strijd om het leven
is noch bij de oude volken, noch sedert de vijftiende eeuw de
vooruitgang der muziek van eenige beteekenis geweest, en natuurlijke
teeltkeus kan dus niet de oorzaak van dien vooruitgang zijn geweest.
Darwin toont in het XIXde hoofdstuk van dit werk aan, dat de eerste
ontwikkeling der muzikale vermogens waarschijnlijk met de seksueele
teeltkeus in verband staat, zoodat het door Wallace bestreden gevoelen
eigenlijk door niemand wordt verdedigd. Bij de latere ontwikkeling der
muziek heeft ongetwijfeld de godsdienst een groote rol gespeeld. De
krijgsmuziek eindelijk kan door den moed der krijgslieden aan te
wakkeren wel degelijk hebben bijgedragen tot de overwinning, en dus tot
het overleven der muzikaal het best begaafden. In allen gevalle vinden
wij reeds in het dierenrijk de muzikale vermogens zeer ongelijk
verdeeld, en is het de vraag of b.v. de zang van den nachtegaal niet
even hoog staat boven het gekras van de (in het systeem eveneens onder
de zangvogels gerangschikte) raaf als de beste moderne muziek boven het
getrommel en de eentonige liederen der wilden, welke laatste zeker in
welluidendheid voor het gezang van den nachtegaal onderdoen.
Wat de beeldende kunsten aangaat, de door de vóórhistorische menschen
uit het Zuiden van Frankrijk vervaardigde teekeningen van dieren
(mammouth, rendier enz.) worden ongetwijfeld in natuurlijkheid niet
slechts, gelijk Wallace zegt, nauwelijks geëvenaard door die der
hedendaagsche wilden, maar overtreffen zelfs menig kunstwerk uit den
Oud Egyptischen tijd. De beeldhouwkunst bereikte haar toppunt in het
Oude Griekenland, de schilderkunst in de dertiende tot de vijftiende
eeuw in Italië. De bouwkunde, waarvan de eerste rudimenten, tot vroegen
vóórhistorischen tijd opklimmen, daar de eenvoudigste hut immers reeds
een gebouw is, schiep in Egypte en Assyro-Babylonië kolossale
gedenkteekenen, maar bereikte in de oudheid, als schoone kunst
beschouwd, haar toppunt eveneens in Griekenland, en in de Middeleeuwen
in de gothische kerkgebouwen.
Met den strijd om het leven en het overleven der geschiktsten staat die
ontwikkeling der schoone kunsten echter in geen onmiddellijk verband.
Griekenland’s ontwikkeling in de kunst belette niet, dat het door de in
dat opzicht minder ontwikkelde Romeinen werd onderworpen, en de
Engelschen, die stellig in begaafdheid voor de beeldhouwkunst voor de
Italianen en Denen, voor de schilderkunst voor de Italianen,
Spanjaarden, Franschen en Nederlanders, in de muziek voor de Duitschers
en Italianen onderdoen, zijn toch de eerste koloniseerende natie der
wereld geworden, en geen ras neemt tegenwoordig zoo sterk in aantal toe
als juist het, wat de kunst aangaat, zoo middelmatig begaafde
Angel-Saksische.
De hooge ontwikkeling van den aanleg tot wiskunde als die voor de
schoone kunsten schijnen het resultaat en geenszins een oorzaak van den
socialen en intellectueelen vooruitgang te zijn. Dit willen wij Wallace
toestemmen, ofschoon wij geenszins met hem medegaan in de nadere
oorzaak welke hij voor die hooge ontwikkeling aanneemt, op welk punt
wij straks terugkomen. Evenals een werktuig, met een bepaald doel
gemaakt en verbeterd, daardoor dikwijls tevens voor andere, geheel
verschillende doeleinden geschikter kan worden, een mes, gemaakt en
geslepen om b.v. te snoeien, wordt door den vorm welken men aan het
metaal heeft gegeven, en het slijpen tevens geschikter om andere
voorwerpen dan takken te snijden, heeft de menschelijke geest, door den
strijd om het bestaan voortdurend ontwikkeld, daarmede tegelijkertijd
geschiktheid gekregen voor andere zaken, zooals kunst, die veel
bijdragen om het menschelijk leven te veraangenamen, maar in geen
rechtstreeksche betrekking staan tot dien strijd om het bestaan, en
waarvan men de eerste rudimenten reeds bij wilden, en wat de muziek en
bouwkunst aangaat, ook in de dierenwereld aantreft.
Wallace’s tweede bewijs, dat de aanleg voor de wiskunde en de schoone
kunsten niet door natuurlijke teeltkeus zijn ontstaan.
Daar de natuurlijke teeltkeus de individu’s die een nuttig kenmerk
bezitten, bewaart ten koste van het leven van die welke het niet of in
geringe mate bezitten, is elk kenmerk, dat onder haar werking tot
ontwikkeling is gekomen, vrij gelijkmatig over al de individu’s eener
soort verdeeld. Als men de gemiddelde ontwikkeling van zulk een kenmerk
op 100 stelt, zullen de variaties, gelijk Wallace in het derde
hoofdstuk van zijn „Darwinism” heeft aangetoond, van 80 tot 120 (of
iets meer als een zeer groot aantal individu’s wordt vergeleken)
loopen, zoodat het bedrag der variatie omstreeks ⅕ tot ⅙ van de
gemiddelde waarde is. Daarom bestaan ook alle vermogens, welke voor den
mensch in zijn vroege ontwikkelingstrappen van hooge waarde zijn
geweest,—zooals snel loopen, lichaamskracht, behendigheid in den
wapenhandel, scherpte van zintuigen, vermogen om een spoor te volgen
enz.,—bij alle wilden in eenigszins gelijkmatigen graad. Eveneens is
het met de instinkten en verstandelijke eigenschappen van de dieren
eener zelfde soort gesteld; elk winterkoninkje bouwt ongeveer een even
goed nest, elke vos is nagenoeg even slim enz.
Als vermogens die zijn verkregen door natuurlijke teeltkeus, uit den
aard der zaak vrij gelijkmatig over alle individu’s eener soort moeten
zijn verdeeld, kunnen wij omgekeerd besluiten, dat vermogens die zeer
ongelijkmatig over de individu’s eener soort zijn verdeeld, niet kunnen
zijn verkregen door natuurlijke teeltkeus.
De aanleg voor wiskunde en voor de schoone kunsten zijn zeer ongelijk
verdeeld. Derhalve kan die aanleg niet zijn verkregen door natuurlijke
teeltkeus.
Ten bewijze dat de aanleg voor wiskunde zelfs onder de beschaafde
volken zeer ongelijkmatig is verdeeld, haalt Wallace de getuigenis van
twee onderwijzers in de wiskunde aan Engelsche scholen aan, volgens
welke slechts één op de honderd jongens een bijzonderen aanleg voor de
wiskunde heeft en het er ver in kan brengen, terwijl de groote
meerderheid der bevolking er weinig of geen aanleg voor heeft en er
niet het geringste belang in stelt. En als wij de grootte der variatie
en aanleg voor wiskunde tusschen een wiskunstenaar van de eerste klasse
en de meeste andere menschen wilden schatten, zou die aanleg volgens
Wallace bij den eerste minstens honderd- en wellicht duizendmaal
grooter zijn dan bij de laatsten.
Wat den aanleg tot beeldende kunst betreft, is het resultaat het
zelfde. Uit onderzoekingen, door Wallace op Engelsche scholen
ingesteld, zou het aantal kinderen dat werkelijk aanleg heeft tot
teekenen—dat afbeeldt wat het ziet, niet wat het weet dat de vorm der
dingen is, dat van zelf in perspectief teekent, omdat het aldus is, dat
het de voorwerpen ziet, dat in zijn teekeningen van zelf licht en
schaduw aanbrengt en zich niet bepaalt tot omtrekken, dat herkenbare
schetsen kan maken van al zijn bekenden—hoogstens een percent van het
geheele aantal kinderen bedragen, en zou de aanleg tot teekenen bij een
middelmatig artist minstens vijftig- of zelfs honderdmaal grooter zijn
dan die van een gewone man of vrouw „die niet teekent en wiens pogingen
om een of ander voorwerp af te beelden, eenvoudig belachelijk zijn.”
Wat den aanleg voor muziek aangaat, deze is, in zijn lagere vormen,
meer algemeen verspreid dan de beide vorige, en tegen één persoon die
uit zich zelven, als het ware instinktmatig teekent, zijn er stellig
vijf of tien die wat zingen of spelen zonder het te hebben geleerd. Een
muziekmeester op een groote school verzekerde echter aan Wallace, dat
slechts ongeveer één percent der menschen stellig muzikaal talent
bezaten, en de muzikale aanleg van een groot componist zal die van een
gewoon mensch stellig vele honderden en wellicht duizenden malen
overtreffen.
Derhalve moeten volgens Wallace de aanleg voor wiskunde, beeldende
kunsten en muziek zijn verkregen door deze of gene oorzaak welke geheel
van de natuurlijke teeltkeus verschilt.
Het zelfde is volgens hem het geval met den aanleg voor metaphysica,
welke ons in staat stelt afgetrokken begrippen te vormen, welke zoo
verwijderd mogelijk van alle practische toepassing zijn, en de laatste
oorzaken der dingen, den aard en de eigenschappen van stof, beweging en
kracht, van ruimte en tijd, van oorzaak en gevolg, van wil en
bewustzijn te bespreken. Wilden houden volgens Wallace geen
bespiegelingen over dergelijke afgetrokken en moeilijke vraagstukken,
maar zoodra een volk beschaafd wordt en er een klasse van menschen
ontstaat, die, hetzij als priesters of als wijsgeeren, niet in de
noodzakelijkheid verkeeren te werken of een werkzaam aandeel aan den
oorlog of het bestuur te nemen, vertoont zich plotseling die aanleg tot
metaphysica, schoon zij, evenals de overige boven besproken vermogens,
altijd tot een zeer klein gedeelte der bevolking beperkt blijft.
Tot de zelfde klasse van vermogens behoort eindelijk ook de aanleg tot
boert en scherts, het humoristische vermogen. Dit is het laatste dat
Wallace in het bijzonder noemt, ofschoon hij blijkbaar schijnt te
bedoelen, dat daarmede de opsomming dier vermogens nog niet volledig
is.
Ook Weismann bespreekt in zijn verhandeling over „Erfelijkheid” den
oorsprong der „talenten” en komt, evenals Wallace, tot het besluit, dat
zij niet door de natuurlijke teeltkeus kunnen zijn verkregen. „Die
prae-disposities”, zegt hij, „welke wij talenten noemen, kunnen niet
zijn ontstaan door natuurlijke teeltkeus, omdat het leven in geenen
deele van het bezit daarvan afhankelijk is en er schijnt geen andere
weg te bestaan om haar oorsprong te verklaren, dan door aan te nemen,
dat de bekwaamheid in den loop van elk individueel leven verkregen,
zich” (in den loop der generaties) „ophoopt. In dit geval schijnen wij
dus op het eerste gezicht genoodzaakt te zijn de overerving van
verworven kenmerken aan te nemen.” Weismann is echter van oordeel, dat
de feiten deze meening niet steunen, en wijst er op, dat de aanleg voor
wiskunde, beeldende kunst en muziek dikwijls plotseling verschijnt in
een familie, waarvan de andere leden en voorouders zich in dit opzicht
volstrekt niet onderscheidden, en dat zelfs, waar zulk een aanleg
erfelijk is, hij dikwijls het sterkst optreedt in het begin of in het
midden der reeks, en naar het einde daarvan niet toeneemt, gelijk men
zou hebben mogen verwachten als hij met de overerving van verkregen
bekwaamheid in verband stond. Na te hebben aangetoond, dat wiskundigen
en kunstenaars van den eersten rang alleen optreden op een bijzonderen
trap van menschelijke ontwikkeling, besluit hij als volgt:
„Omtrent dit onderwerp wensch ik hier alleen bij te voegen, dat volgens
mijn meening talenten niet het gevolg zijn van de ontwikkeling van deze
of gene eigenschap van het verstand door voortdurende oefening, maar
dat zij de uitdrukking en tot zekere hoogte het bijproduct zijn van den
menschelijken geest, die in alle richtingen zoo hoog ontwikkeld is.”
Wallace, welke deze plaats van Weismann aanhaalt, is met diens
verklaring van het vraagstuk in geenen deele tevreden. Hij meent, dat
de bedoelde vermogens duidelijk wijzen op de aanwezigheid in den mensch
van iets, dat hij niet aan zijn dierlijke voorouders heeft ontleend, en
dat men het best zou kunnen aanduiden als een wezen van geestelijken
aard of natuur, vatbaar om zich onder gunstige omstandigheden
progressief te ontwikkelen,—dat zij verder duidelijk wijzen op een
onzichtbaar heelal, een geestelijke wereld, waaraan deze stoffelijke
wereld geheel ondergeschikt is.
Zeker zullen velen onzer lezers hierin met voldoening de oude
dualistische leer dat de mensch uit ziel en lichaam bestaat,
terugvinden, en in Wallace’s verklaring een zinspeling meenen te zien
op de dogma’s van den Christelijke godsdienst. Ten onrechte echter,
want de juiste verklaring is dat de heer Wallace spiritist is. Als hij
van de onzichtbare wereld der geesten (spirits) spreekt, bedoelt hij
daarmede de klopgeesten die zich in dansende tafels enz. onder den
invloed der mediums openbaren. Of het vermogen van boert of scherts
onder den invloed der zoogenaamde „spotgeesten” is ontstaan, die,
gelijk bekend is, bij de spiritistische openbaringen zulk een groote
rol spelen, zegt hij echter niet! Gelijk men weet, zijn volgens
spiritisten de klopgeesten zielen van afgestorvenen. Om na den dood als
klopgeest te kunnen optreden, moet de ziel natuurlijk als zelfstandig
geestelijk wezen reeds tijdens het leven van den mensch bestaan. Van
waar nu de eerste geesten kwamen, die tijdens de mensch zich uit zijn
dierlijke voorouders ontwikkelde, hem daarbij behulpzaam waren, blijft
in ’t duister. Zielen van menschen kunnen die eerste geesten niet zijn
geweest, want vóór de mensch zich had gevormd, bestonden er natuurlijk
geen zielen van afgestorven menschen. Waren het dan de zielen van
redelijke wezens die op andere wereldbollen hadden geleefd? Ook dit
vraagpunt blijft in ’t duister!
Dat Wallace, de zelfstandige mede-opsteller van Darwin’s theorie en een
der scherpzinnigste natuuronderzoekers die ooit hebben geleefd,
spiritist is, en wel spiritist met hart en ziel in de meest
uitgestrekte beteekenis van dat woord, is boven elken twijfel verheven.
Dat hij aan spookhuizen en de verschijning van spoken daarin, aan het
verschijnen van geesten van afgestorvenen om hun bloedverwanten hun
dood aan te kondigen, aan het dierlijk magnetisme met inbegrip van
helderzienheid (clairvoyance), aan odkracht enz. enz. gelooft, niet
minder. Daarentegen is hij geen aanhanger der zoogenaamde
reïncarnatieleer, (d.i. de leer der zielsverhuizing, der wedergeboorte
in een nieuw menschelijk lichaam op aarde), maar neemt aan dat de
menschelijke ziel zich na den dood in de geestenwereld tot het
oneindige kan ontwikkelen, en er dus een zeer groot aantal geesten van
verschillenden ontwikkelingsgraad bestaan, die de gaping tusschen
mensch en God aanvullen. „De groote wet der continuïteit of van den
samenhang van alles (als de laatste uitspraak der moderne wetenschap,
welke in alle sferen der stof, der kracht en des geestes, zoover wij ze
kunnen doorvorschen, absoluut schijnt te zijn) kan”, zegt Wallace aan
het slot van het voorwoord van zijn werk „The Scientific Aspect of the
Supernatural”, „onmogelijk ophouden te gelden, zoodra wij ons boven de
enge sfeer van onzen gezichtseinder verheffen. Er kan geen oneindige
afgrond bestaan tusschen den mensch en den grooten Geest van het
Heelal; een dergelijke hypothese komt mij in de hoogste mate
onwaarschijnlijk voor.” [297]
Hoe geheel anders Darwin over het spiritisme dacht, blijkt uit het
volgende uittreksel uit een brief, geschreven 18 Januari 1874, en
betrekking hebbende op een spiritistische séance ten huize van zijn
broeder Erasmus, 6 Queen Anne straat Londen, gehouden, met medewerking
van een zeer bekend medium.
„.....Laatst hadden wij op een achtermiddag veel pret; want George had
een medium gehuurd, dat de stoelen, een fluit, een schel, een kandelaar
en vuurvonken in mijn broeders eetvertrek rond liet springen op een
wijze die iedereen in verbazing bracht en ademloos stil maakte. Het was
in het duister, maar George en Hensleigh Wedgwood hielden voortdurend
de handen en voeten van het medium aan weêrszijden vast. Ik vond het er
zoo drukkend warm en vervelend, dat ik wegging, vóór al deze verbazende
wonderen of goochelkunsten plaats hadden. Hoe de man bij mogelijkheid
kon doen wat werd gedaan, gaat mijn begrip te boven. Ik kwam naar
beneden en zag al de stoelen enz. op de tafel staan, die over de
hoofden van hen die er om heên zaten, opgelicht was geworden.
„De hemel zij ons genadig als wij aan zulken onzin [298] moeten
gelooven. F. Galton was er bij en zegt dat het een goede séance
was.....”
Bedoelde séance gaf aanleiding, dat er een kleinere en met meer zorg
ingerichte op touw werd gezet, waarbij Professor Huxley tegenwoordig
was, die er aan Darwin rapport over uitbracht. Deze schreef daarop aan
Huxley den volgenden brief:
Down, 20 Januari 1874.
„Waarde Huxley!
„Het was zeer goed van U zulk een lang verslag voor mij te schrijven.
Hoewel de séance U zoozeer verveelde, was zij, dunkt mij, de inspanning
wel waard, daar de zelfde soort van zaken op alle séances worden
gedaan, zelfs op die bij....., en nu zouden voor mijn geest verbazend
sterke bewijsgronden noodig zijn om iemand te doen gelooven dat het
iets meer was dan bloote fopperij ... Het doet mij genoegen als ik mij
herinner, dat ik eergisteren aan mijn geheele huisgezin heb verklaard,
dat hoe langer ik nadacht over hetgeen ik hoorde dat in Queen Anne
straat was geschied, hoe meer ik overtuigd werd, dat het alles bedrog
was .... mijn theorie was, dat [het medium] het zoo wist in te richten,
dat de beide personen aan weêrszijden van hem elkanders handen
vasthielden, in plaats van de zijne en hij daardoor vrij was om zijn
kluchten uit te voeren. Ik ben zeer blijde, dat ik U mijn ukase
uitvaardigde om er bij tegenwoordig te zijn.
Uw toegenegen
Charles Darwin.”