(1) Zeer belangwekkend is in het veel besproken, voor een drietal jaren
in het Fransch vertaalde werk van Caesar Lombroso „Homo Delinquante”
(de misdadige mensch) de min of meer nieuwe theorie van den
atavistischen oorsprong van de misdaad. Volgens deze theorie zou de
aanleg om misdadiger te worden een erfenis uit ouden tijd zijn, een
verschijnsel dat vroeger deel uitmaakte van de organisatie en het
karakter onzer voorouders en dat zich op noodlottige wijze bij sommigen
hunner nakomelingen opnieuw vertoont door een soort van gril in de
slecht verzekerde ontwikkeling van den mensch. Het atavisme is de bron
van de misdaad, omdat alle levende wezens een neiging hebben om tot het
oorspronkelijk type terug te keeren, en zoo plotseling zekere lang
verloren kenmerken hunner voorouders te herkrijgen. Het atavisme staat
in nauw verband met de erfelijkheid, maar onderscheidt er zich toch
van. „Het is een erfelijkheid na zeer lange tusschenpoozen, waarvan de
invloed, door nieuwere kenmerken lang verborgen, zich na eeuwen weder
doet gevoelen.”
Lombroso meent dus, dat handelingen die wij misdadig noemen, weleer
gewone en normale handelingen zijn geweest, die van zelf uit het gestel
van het menschelijk wezen voortvloeiden. De misdaad is volgens hem bij
wilden de algemeene regel.
Paintel voegt er in zijn „Théorie de la tutelle pénale” bij: „Er is bij
de wilden stammen niets dat op een voortdurend werkzaam geweten
gelijkt.” De „verharde misdadiger” en onverbeterlijke recidivist is dus
een vroeger type, door de wet van het atavisme opnieuw in het leven
geroepen of gevormd, en dat men, om het te genezen, aan een speciale
behandeling moet onderwerpen. Men versta wel, dat deze theorie niet van
toepassing is op individu’s, wier wil onvoorziens door een samenloop
van toevallige omstandigheden bezwijkt.
(2) Het Engelsche woord „score” beteekent een twintigtal op de zelfde
wijze als ons woord „dozijn” een twaalftal beteekent. Evenzoo beteekent
in Friesland „snees” en in Drenthe „stieg” een twintigtal. In het
Fransch vindt men vele sporen van het twintigtallig stelsel, b.v.
soixante-dix, quatre-vingt, quatre-vingt-dix, six-vingts (120, vroeger
in gebruik) enz.
(3) „De Australische boemerang”. Sir J. Lubbock, („l’Homme avant
l’Histoire”, Fransche Vert. van Barbier, blz. 353) deelt omtrent dit
merkwaardig wapen, dat uitsluitend aan Nieuw-Holland eigen is, o.a. het
volgende mede: „Men noemt zoo een stok van gekromden vorm, gewoonlijk
aan den eenen kant afgerond, aan den anderen plat, ongeveer 9 decimeter
lang, 5 centimeter breed en 1,8 centimeter dik. Op het eerste gezicht
gelijkt hij op een zeer grof gemaakten houten sabel. Hij wordt zoowel
voor de jacht als voor den oorlog gebruikt. Men neemt hem aan het eene
uiteinde in de rechterhand en werpt hem als een sikkel, hetzij in de
lucht, van beneden naar boven, hetzij van boven naar beneden, zoodat
hij den grond raakt op eenigen afstand van dengene, welke hem werpt. In
het eerste geval vliegt hij voort met een draaiende beweging die een
gevolg van zijn vorm is; na zich tot een groote hoogte in de lucht te
hebben opgeheven, beschrijft hij plotseling een elliptische kromme lijn
die hem terugbrengt tot het punt, van waar hij werd geworpen. Als men
hem naar beneden op den grond werpt, springt hij in rechte lijn al
ricochetteerende vooruit, totdat hij het voorwerp bereikt dat men wil
treffen. De vreemdste kromme lijn wordt door dit wapen doorloopen, als
men het onder een hoek, grooter dan 45°, in de lucht werpt; het komt
dan zonder uitzondering aan de achterzijde terug, en de inboorling die
het werpt, keert dan den rug, in plaats van het gelaat, naar den kant
van het voorwerp dat hij wil treffen. [332] De heer Merry, die eenigen
tijd in Nieuw-Holland doorbracht, verhaalt mij, dat hij eens, zich
willende overtuigen van de behendigheid, waarmede men den boemerang kon
gebruiken, een belooning van 8 pence uitloofde voor elke maal, dat de
boemerang terug zou komen naar de plaats, van waar men hem zou hebben
geworpen. Hij teekende in het zand een cirkel van 5 à 6 voet middellijn
en, hoewel het wapen met veel kracht werd geworpen, gelukte het den
inboorling om het vijf keeren van de twaalf in den cirkel te doen
terugkomen.”
(4) Het is een tamelijk algemeene dwaling, dat de inboorlingen van
Amerika, tijdens de ontdekking, geen landbouw beoefenden en geen dieren
hadden getemd. De landbouw bloeide echter in hooge mate bij de
Peruanen, gelijk door mij in het aanhangsel op het „Varieeren der
Huisdieren en Cultuurplanten”, II 509, uitvoerig is aangetoond, terwijl
zij ook vee (de lama’s en alpaca’s) en pluimgedierte (de muskuseend)
bezaten. Omtrent de cultuurplanten der Azteken zie men ib. I, 392. De
Azteken bezaten ook „tamme kalkoenen en groote honden, in staat om met
een stier te strijden, en die een lading van twee arroba’s (25 kilo) op
een pakzadel droegen als zij op de jacht gingen.” Gomara, die kapelaan
van Cortez was, spreekt op verschillende plaatsen van zijn werk [333]
er van, dat de ten noorden van Mexico wonende volksstammen groote
kudden tamme bisons bezaten, die hun kleeding, spijs en drank
opleverden. Men kweekte in hun land den wijnstok, moerbeziënboom en
rozenboom aan.(?) Andere Indianen in het noorden der tegenwoordige
Vereenigde Staten en in Canada bedienden zich van tamme herten om hun
sleden voort te trekken. (Brasseur de Bourbourg, „Recherches sur les
Ruines de Palenqué”, blz. XVIII, noot 8, 10). Omtrent den landbouw der
Indianen van Noord-Amerika, zie men „Var. Huisd. en Cultuurpl.”, I,
363, 387. De Nonville schat de hoeveelheid maïs, door hem in vier
dorpen der Seneca’s (in het zuiden der tegenwoordige Ver. Staten)
vernield, op 2,400,000 hectoliters (Lubbock, „l’Homme avant
l’Histoire”, Fransche vert. van Barbier, blz. 231). In Wisconsin vindt
men te midden der dichtste schijnbaar oorspronkelijke wouden overal de
sporen eener overoude maïscultuur (ibid. blz. 232). [334]
Wanneer echter de Mexicaansche beschaving werkelijk uit geen vreemde
bron kan worden afgeleid, hoe zijn dan de afbeeldingen van
olifantachtige dieren te verklaren die men op de ruïnen van de overoude
Mexicaansche stad Palinqué aantreft (vergelijk mijn stuk: „De
Voorhistorische Mensch in Amerika”, Album der Natuur, 1870)? Stellen
zij wellicht uitgestorven soorten voor?
(5) In Griekenland heeft men in 1870 een menschelijke woning uit den
steentijd onder een 20 meters dikke vulkanische tuflaag gevonden.
(„Ergänzungsblätter zur Kenntnisz der Gegenwart”, Hildburghausen,
Verlag des Bibliographischen Instituts; erstes Februarheft, 1870) In
Indië zijn voor eenige jaren nabij Madras door de heeren King en Foote
op een diepte van vijf meters een aantal zeer ruw bewerkte werktuigen
gevonden, vervaardigd van een dichte half glasachtige kwartsiet, en
zeer veel gelijkende op dergelijke werktuigen van vuursteen die men in
Europa op zoovele plaatsen heeft gevonden („Ann. and Mag. of Nat.
Hist.”, XIV, blz. 155). Op ’t Prov. Drenthsch Museum van Oudheden te
Assen zijn drie steenen beitels, op Java gevonden.
In Egypte zijn tijdens de opening van het Suez-kanaal door de invités
van den Khedive een overvloed van vuursteenen werktuigen op den
Ghebel-el-Assassif, nabij de ruïnen van het oude Thebe, gevonden.
Ook in China heeft volgens een mededeeling van den heer Chevreuil in de
vergadering van de Académie des Sciences van 13 Aug. 1866, vroeger een
steenperiode bestaan. Hij bewijst uit een plaats uit het leven van
Confucius door Amyot (Parijs, 1866), dat men aldaar ongeveer 1122 jaren
voor Christus reeds ijzeren pijlpunten bezat, doch dat een overlevering
van het voormalig gebruik van steenen pijlpunten gewaagde. De heer
Stanislas Julien gaf hem (Chevreuil) een menigte plaatsen uit
Chineesche werken op die onwederlegbaar bewijzen, dat ook in China in
overoude tijden wapenen en werktuigen van steen werden gebruikt. Ook in
Japan vond men voorhistorische steenen werktuigen.
Omtrent een voormalige steenperiode in Amerika die in sommige afgelegen
streken zelfs nog heden voortduurt, verwijs ik naar mijn stuk „de
Voorhistorische Mensch in Amerika”, in het „Album der Natuur”, 1870.
Op ’t Prov. Drenthsch Museum van Oudheden te Assen vindt men een
steenen beitel uit Suriname en verschillende steenen wapens
(pijlspitsen enz.) uit N-Amerika.
In Nieuw-Zeeland vond de heer Th. Tate in een hol op den Waiwo een
ouden schedel-typus, ouder dan die der Maori’s, in gezelschap van
beenderen van den uitgestorven Moa (Dinornis giganteus) en van steenen
werktuigen („Anthrop. Review”, April 1867, blz. 244). Wij moeten
hierbij echter opmerken, dat ook de Maori’s zelven, tijdens de
ontdekking van Nieuw-Zeeland, steenen werktuigen gebruikten, evenals
ook op Nieuw-Holland en elders in Australië het geval was. Een
zeeofficier liet mij een zeer fraaien steenen beitel zien, door hem uit
Nieuw-Guinea medegebracht, en voegde er bij, dat daar verhaald werd,
dat zulke steenen ontstonden als de bliksem in den grond sloeg, wat aan
Europeesche folk-lore omtrent dergelijke beitels (donderbeitels)
herinnert.
De beitel gelijkt volkomen op de Europeesche uit de neolithische
periode.
Men vergelijke ook omtrent de voorhistorische bewoners van Europa enz.
mijn werkje „De voorhistorische mensch in Europa”, ’s Gravenhage, Gebr.
Belinfante, 1890; H. le Hon, „De mensch in de voorwereld”, bewerkt door
H. M. C. van Oosterzee, Amsterdam, 1869, Gebr. Koster; Sir John
Lubbock, „De oorsprong der beschaving”, voor ons volk uit het Engelsch
vertaald. Met eene aanbeveling van Jhr. B. H. C. K. van der Wijck,
Hoogleeraar te Groningen, ’s Hertogenbosch, van Heusden, 1876, en „De
mensch voor de geschiedenis”, door Dr. T. C. Winkler, Leiden, P. van
Santen, 1877 (thans Gebr. Cohen).