1. De aanleg voor wiskunde.

Als wij aannemen, dat de voorhistorische en wilde mensch volstrekt geen

aanleg voor wiskunde bezat, zou het hoogst moeilijk zijn te verklaren,

hoe die aanleg ontstond. Nemen wij echter aan, dat hij de rudimenten

van dien aanleg bezat, zooals het vermogen om tot tien te tellen, maar

zonder het eenvoudigste rekenkunstige of wiskunstige vraagstuk te

kunnen oplossen, hoe werd dan dit rudimentaire vermogen bij de moderne

volken, die voor betrekkelijk korte eeuwen nog barbaren en wilden

waren, zoo snel ontwikkeld tot een aanleg voor wiskunde als die van een

Newton, Gauss of La Place? De strijd om het leven van den wilde met de

elementen, met de dierenwereld of met zijns gelijken kan daarop geen

invloed hebben gehad, evenmin als de oorlogen der latere volken met

elkander. De Grieken overwonnen de Perzen niet door hun meerdere kennis

van wiskunde, maar door hun betere militaire geoefendheid,

vaderlandsliefde en zelfopoffering. Tamerlan en Gengis-Khan veroverden

Azië, maar geenszins omdat zij zelven of hun volgelingen meer kennis

van wiskunde hadden dan de volken die zij overwonnen. De

ingenieurskunst der Romeinen vereischte zeker eenige wiskundige kennis,

maar deze verhinderde niet, dat zij den inval der barbaren, welke die

wiskundige kennis niet bezaten, niet konden weêrstaan. Die barbaren, de

Kelten, Germanen en Slaven, zijn, reeds vóór zij vorderingen in de

wiskunde hadden gemaakt, gebleken in den grooten strijd tusschen de

rassen, de geschiktsten te zijn om te overwinnen, en in dit opzicht de

beschaafdste en wiskundig het meest ontwikkelde volken der oude

wereld,—de Hindoes, Arabieren, Grieken en Romeinen te overtreffen. Wel

hebben in de laatste eeuwen de afstammelingen dier barbaren, de

Franschen, Duitschers, Engelschen, Nederlanders enz. zich in de

wiskunde tot een vroeger ongekende hoogte ontwikkeld, maar hun

voorspoed in en buiten Europa, als kolonisten en veroveraars, als

individu’s of als natiën, kan volgens Wallace in geenen deele aan die

ontwikkeling der wiskunde worden toegeschreven. Derhalve is de oorzaak

dier ontwikkeling niet natuurlijke teeltkeus, maar een andere geheel

verschillende.

Wij kunnen geenszins toegeven, dat de ontwikkeling der wiskunde geen

aandeel zou hebben in den voorspoed der moderne volken als veroveraars

en kolonisten, als individu’s en als natiën. Die voorspoed toch is

grootendeels het gevolg van hun betere krijgskunde en bewapening. En

ieder weet, dat voor vestingbouwkunde en artilleriewetenschap, voor het

uitvinden van nieuwe vuurwapenen en ontplofbare stoffen, wiskunde,

werktuigkunde (die zich zonder wiskunde niet kan ontwikkelen) en

scheikunde (die de beoefening van andere natuurwetenschappen

onderstelt, voor welke wiskunde eveneens onmisbaar is) noodig zijn.

Zonder vuurwapens geen succes tegenover de wilden, zelfs als individu,

zonder werktuigkunde en natuurwetenschap geen vuurwapens, zonder

wiskunde geen werktuigkunde en natuurwetenschap! De wiskunde, die de

uitstekendste oefening voor het denkvermogen vormt, ontwikkelt

daarenboven de hersenen, die het voornaamste werktuig zijn, waarmede de

mensch den strijd om het leven strijdt, en helpt hem daardoor krachtig

bij het voeren van dien strijd, al moet de intellectueel meer

ontwikkelde soms terugwijken voor meerdere physieke kracht en numerieke

overmacht, gelijk in het geval der Romeinen en barbaren, waarbij

daarenboven nog andere geheel verschillende oorzaken, zooals het

innerlijke verval, ook in zedelijk opzicht, van het Romeinsche rijk

bijdroegen om aan de barbaren de zege te verschaffen.

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2) · 第 61 / 111 题