DOOR

Dr. H. HARTOGH HEYS VAN ZOUTEVEEN.

In zijn werk „Darwinism”, Londen 1889, wijdt A. R. Wallace een

hoofdstuk aan de „Afstamming van den Mensch.” Hij zegt daarin volkomen

in te stemmen met Darwin’s besluit (in hoofdstuk VI van dit werk), dat

de mensch in zijn lichamelijk maaksel wezenlijk met de hoogere

zoogdieren overeenstemt, en dat de menschen en de anthropomorphe apen

van dezen of genen gemeenschappelijken stamvader afstammen. De bewijzen

daarvoor schijnen hem overstelpend en afdoende. Verder mag men volgens

Wallace, ten minste voorloopig, aannemen, dat de wetten der variatie en

natuurlijke teeltkeus, werkende door den strijd om het bestaan en de

voortdurende behoefte om hoe langer hoe meer geschikt te worden voor

zijn physische en biologische omgeving, de oorzaken zijn geweest,

waardoor hij zijn eigenaardig lichamelijk maaksel en die groote,

hoog-ontwikkelde hersenen verkreeg, die hem in staat hebben gesteld het

geheele dieren- en plantenrijk aan zich te onderwerpen.

Daarentegen schijnt het Wallace toe, dat, hoewel de rudimenten van de

meeste, zoo niet van alle, verstandelijke en zedelijke vermogens van

den mensch bij sommige dieren mogen worden aangetroffen, toch de

ontwikkeling van sommige zijner hoogste geestvermogens niet door

variatie, natuurlijke teeltkeus en den strijd om het leven kan worden

verklaard, maar het gevolg moet zijn geweest van de inwerking eener

geheel verschillende oorzaak. Als zoodanige geestvermogens noemt hij

meer in het bijzonder:

1. De aanleg voor wiskunde.

2. De aanleg voor muziek en andere schoone kunsten.

3. De aanleg voor metaphysica.

4. De aanleg voor boert en scherts.

Al deze vermogens zijn bij wilden weinig of niet ontwikkeld. Boerten en

schertsen doen zij bijna niet. Met metaphysische bespiegelingen houden

zij zich niet veel op. Hun kunsten staan op zeer lagen trap, hun

wiskunde beperkt zich tot tellen, dat soms niet verder dan drie schijnt

te gaan. Er schijnt dus weinig tegen te zeggen te zijn, dat deze

vermogens, in zoo ver zij zich bij de wilden openbaren door de

beginselen van Darwin zijn te verklaren. Wallace zegt wel, dat

inlandsche muziekkorpsen van wilde rassen onder Europeesche leiding

onze beste moderne muziek op dragelijke wijze leeren spelen, en dus de

hoogere muzikale vermogens bij die rassen in latenten toestand aanwezig

schijnen te zijn, maar men zou o.i. evengoed kunnen beweren, dat die

bij de zangvogels aanwezig zijn, omdat men sommigen daarvan aria’s uit

opera’s kan leeren fluiten, of dat de papegaaien aanleg hebben voor de

studie der doode talen, omdat Humboldt in Zuid Amerika een papegaai

aantrof, die de taal van een uitgestorven Indianenstam sprak.

Het bezwaar van Wallace betreft dus niet zoozeer de afstamming van den

wilden mensch van het dier als de afstamming van den beschaafden mensch

van den wilden. Zijn „hoogste vermogens”, waarvoor de inwerking eener

bijzondere oorzaak zou zijn noodig geweest, vormen geen scherp verschil

tusschen dier en mensch (de eenige quaestie, waarop het o.i. bij de

bespreking van de afstamming van den mensch aankomt), maar wel tusschen

den wilden mensch en den beschaafden mensch, die echter door tallooze

overgangen zijn verbonden, en wier afstamming van gemeenschappelijke

stamouders door niemand ooit is betwijfeld, of ten minste nooit op

grond van hun verschil in beschavingstoestand voor onmogelijk, of voor

slechts op bovennatuurlijke wijze verklaarbaar is gehouden.

Laten wij echter de bewijsvoering van Wallace eenigszins meer in

bijzonderheden nagaan.

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2) · 第 60 / 111 题