VIERDE HOOFDSTUK.

VERGELIJKING TUSSCHEN DE GEESTVERMOGENS VAN DEN MENSCH EN DIE DER

LAGERE DIEREN.—VERVOLG.

Zedelijk gevoel.—Fundamenteele stelling.—De eigenschappen van

gezellig levende of sociale dieren.—Oorsprong van het gezellige

leven.—Strijd tusschen tegenovergestelde instinkten.—De mensch is

een sociaal dier.—De meer duurzame sociale instinkten overwinnen

andere minder duurzame instinkten.—De sociale instinkten alleen

worden door wilden gewaardeerd.—De deugden jegens zich zelven

worden op een hooger trap van ontwikkeling verkregen.—De

belangrijkheid van het oordeel van de leden van ééne en de zelfde

maatschappij over het gedrag.—Erfelijkheid van zedelijke

neigingen.—Besluit, waartoe de in de beide laatste hoofdstukken

vermelde feiten leiden.

Ik beaam ten volle het gevoelen van die schrijvers [248], welke

beweren, dat van alle verschillen tusschen den mensch en de lagere

dieren het zedelijk gevoel of geweten verreweg het belangrijkste is.

Aan dit gevoel komt, zooals Mackintosh [249] opmerkt, van rechtswege de

heerschappij toe over alle drijfveêren van de handelingen der menschen;

het ligt opgesloten in dat korte, maar gebiedende woord plicht, een

woord zoo vol van hooge beteekenis. Het is het edelste van alle

kenmerken van den mensch; het brengt hem er toe om zonder een oogenblik

te aarzelen zijn leven voor een medemensch te wagen, of om het na rijp

beraad, alleen door zijn diep gevoel van recht gedreven, voor het eene

of andere groote beginsel op te offeren. Immanuel Kant roept uit:

„Plicht! wondervolle gedachte, die noch door vleierij, noch door eenige

bedreiging, noch ook door u dwaselijk op te dringen, maar alleen door

uw naakte wet aan de ziel te doen hooren, op den mensch inwerkt en zoo

voor u zelve altijd eerbied, hoewel niet altijd gehoorzaamheid

afdwingt; gij, voor wien alle zinnelijke lusten verstommen, hoe sterk

zij zich ook in het geheim mogen verzetten, wat is uw oorsprong?” [250]

Dit groote vraagstuk is door vele schrijvers [251] van erkende

bekwaamheid besproken en mijn eenige verontschuldiging, dat ook ik het

waag het te bespreken, is, dat ik het hier onmogelijk onvermeld kan

laten, en dat niemand, voor zoover ik weet, het nog uit een

natuurhistorisch oogpunt heeft beschouwd. Daarom is die

beschouwingswijze op zich zelve van eenig belang, als een proef om te

zien, in hoeverre de studie der lagere diersoorten licht kan werpen op

een der hoogste zielsvermogens van den mensch.

De stelling komt mij in hooge mate waarschijnlijk voor, dat elk dier

dat goed ontwikkelde sociale instinkten bezit [252], ongetwijfeld

zedelijk gevoel of een geweten zou verkrijgen, zoodra zijn

verstandelijke vermogens even goed ontwikkeld of bijna even goed

ontwikkeld waren geworden als die van den mensch. Want eerstens leiden

de sociale instinkten een dier er toe om behagen te scheppen in het

gezelschap zijner mededieren, om tot op zekere hoogte medegevoel met

hen te hebben en hun verschillende diensten te bewijzen. Deze diensten

kunnen van een beperkten en duidelijk instinktmatigen aard zijn, of er

kan, zooals bij de meeste hoogere sociale dieren het geval is, slechts

de wensch en de bereidvaardigheid bestaan om andere dieren op zekere

algemeene wijzen te helpen. Deze gevoelens en diensten worden echter

geenszins uitgestrekt tot alle dieren van de zelfde soort, maar alleen

tot die welke tot de zelfde vereeniging behooren. In de tweede plaats

zullen, zoodra de geestvermogens hoog ontwikkeld zijn, beelden van alle

vroegere handelingen en beweegredenen onophoudelijk het brein van elk

individu doorkruisen, en dat gevoel van onvoldaanheid, dat, zooals wij

later zullen zien, het gevolg is van elk onbevredigd instinkt, zal even

dikwijls ontstaan als men bemerkt dat het duurzame en steeds

tegenwoordige instinkt heeft moeten onderdoen voor een ander instinkt,

op dat oogenblik krachtiger, maar geen zeer levendigen indruk

achterlatende. Het is duidelijk dat vele instinktmatige begeerten, b.v.

van honger, uit haar aard slechts kort van duur zijn en na haar

bevrediging niet gemakkelijk of levendig in het geheugen worden

teruggeroepen. In de derde plaats zal, nadat het vermogen om te spreken

is verkregen en de meeningen van de leden van een zelfde vereeniging

duidelijk en juist kunnen worden uitgedrukt, het algemeene gevoelen

over de wijze waarop elk lid moet handelen om het algemeen welzijn te

bevorderen, natuurlijk voor een groot deel het richtsnoer der

handelingen worden. De sociale instinkten zullen echter nog steeds den

eersten stoot geven aan het handelen voor het algemeen welzijn, maar

die stoot zal versterkt, bestuurd, ja soms van richting veranderd

worden door de publieke opinie, waarvan de macht, zooals wij zullen

zien, op instinktmatig medegevoel berust. Eindelijk zal niet alleen

gehoorzaamheid aan de wenschen en het oordeel van het publiek, maar ook

de individueele gewoonte ten laatste een zeer belangrijk aandeel

verkrijgen in het besturen van het gedrag van elk lid; want de sociale

instinkten of aandriften zullen evenals alle andere instinkten zeer

versterkt worden door gewoonte. Deze verschillende ondergeschikte

stellingen moeten nu besproken worden en sommigen er van zeer

uitvoerig.

Het zal goed zijn eerst de verklaring af te leggen, dat ik niet wil

beweren, dat eenige strikt sociale diersoort, als haar verstandelijke

vermogens even werkzaam en even hoog ontwikkeld waren als die van den

mensch, ook juist het zelfde zedelijk gevoel zou verkrijgen als wij. Op

de zelfde wijze als verscheidene dieren eenig schoonheidsgevoel

bezitten, hoewel zij uiterst verschillende zaken bewonderen, zouden zij

ook een gevoel van goed of kwaad kunnen bezitten, hoewel dat hen

aandreef om uiterst verschillende gedragslijnen te volgen. Indien,

b.v., om een uiterste te noemen, de mensch onder volkomen de zelfde

voorwaarden was opgevoed als de honigbijen, kan men nauwelijks

betwijfelen, of onze ongehuwde vrouwen zouden het, evenals de

werkbijen, voor een heiligen plicht houden, haar broeders te dooden, en

moeders zouden haar vruchtbare dochters trachten te vermoorden, zonder

dat iemand er over dacht om tusschenbeide te komen. (1) Toch zou de

bij, of eenig ander sociaal dier, in het door ons onderstelde geval

eenig gevoel van goed of kwaad of een geweten verkrijgen. Elk individu

toch zou zich bewust worden, dat het sommige sterkere en meer duurzame

instinkten bezat, en andere, die minder sterk of duurzaam waren; zoodat

er dikwijls een strijd zou ontstaan over de vraag, welke aandrift moest

worden gevolgd; en als vroegere indrukken, gedurende hun onophoudelijk

voor den geest kruisen, met elkander werden vergeleken, zou het zich

voldaan of onvoldaan gevoelen. In dit geval zou een inwendige stem het

dier zeggen, dat het beter zou zijn geweest de eene aandrift te volgen

dan de andere. Die eerste aandrift te volgen zou plicht zijn geweest:

die eerste aandrift zou goed en de andere slecht zijn geweest; maar op

deze woorden zal ik moeten terugkomen.

Het gezellige leven. Verscheidene diersoorten leven gezellig; soms

leeft zelfs meer dan ééne soort gezellig te zamen, zooals met sommige

Amerikaansche apen en met de vereenigde vluchten van roeken, kauwen en

spreeuwen het geval is. De mensch toonde het zelfde gevoelen in zijn

sterke liefde voor den hond, die de hond met belangstelling

beantwoordt. Iedereen moet hebben opgemerkt, hoe ongelukkig paarden,

honden, schapen enz. zijn, als zij van hun makkers worden gescheiden,

en hoeveel genegenheid ten minste de beide eerste diersoorten voor

elkander toonen als zij vereenigd zijn. Men kan merkwaardige

bespiegelingen maken over de gevoelens van een hond, die met zijn

meester of iemand van diens gezin uren lang rustig in de kamer blijft

liggen, hoewel men zich volstrekt niet met hem bemoeit, doch droevig

blaft en huilt, als men hem een oogenblik alleen laat. Wij zullen onze

aandacht bepalen tot de hoogere sociale dieren, met uitsluiting van de

insekten, hoewel deze elkander op vele belangrijke wijzen helpen. De

meest algemeene dienst dien de hoogere dieren elkander bewijzen, is het

waarschuwen voor gevaar door middel van de zintuigen van allen. Ieder

jager weet, zooals Dr. Jaeger opmerkt [253], hoe moeilijk het is

dieren, die in een troep of kudde bijeen zijn, te naderen. Wilde

paarden en rundvee geven, geloof ik, volstrekt geen bijzonder teeken om

voor gevaar te waarschuwen, maar de houding van den eersten die een

vijand ontdekt, waarschuwt de anderen. Konijnen waarschuwen voor gevaar

door met hun achterpooten luid op den grond te stampen; schapen en

gemzen doen het zelfde met de voorpooten en uiten daarbij tevens een

fluitend geluid. Vele vogels en sommige zoogdieren zetten schildwachten

uit, waarvoor, naar men zegt, bij de zeehonden gewoonlijk de wijfjes

worden gebruikt. [254] De aanvoerder van een troep apen handelt als een

schildwacht, maakt geluiden, zoowel om gevaar als om veiligheid uit te

drukken. [255] Sociale dieren bewijzen elkander vele kleine diensten;

paarden beknabbelen en koeien likken elkander op plaatsen die hen

jeuken; apen luizen elkander, en Brehm getuigt, dat, wanneer een troep

apen van een zekere soort (Cercopithecus griseoviridis) een dicht

doornachtig kreupelbosch zijn doorgetrokken, elke aap op een tak gaat

liggen, waarop een andere aap bij hem komt zitten, zijn haar zeer

„conscientieus” doorzoekt, en elken doorn of stekel er uithaalt.

Dieren bewijzen elkander ook belangrijke diensten; zoo jagen wolven en

sommige andere roofdieren in troepen, en helpen elkander om hun

slachtoffers aan te vallen. Pelikanen visschen gezamenlijk. De

Hamadryas-bavianen keeren steenen om, om insekten te vinden, en als zij

aan een bijzonder grooten steen komen, gaan er zoovelen van hen

daaromheên staan, als de plaats toelaat, en daarna deelen zij den buit.

Sociale dieren verdedigen elkander wederkeerig. De mannetjes van

sommige herkauwende dieren begeven zich, als er gevaar is, in de

voorhoede en verdedigen de kudde met hun horens. In een volgend

hoofdstuk zal ik gevallen mededeelen van twee jonge stieren die

gezamenlijk een ouden stier aanvielen, en van twee hengsten die te

zamen beproefden een derden hengst van een troep merries weg te

drijven. Brehm ontmoette in Abessinië een grooten troep bavianen die

een vallei doortrokken; sommige hadden den berg aan de andere zijde

reeds beklommen en andere waren nog in de vallei; deze laatste werden

door honden aangevallen, maar de oude mannetjes klommen dadelijk in

allerijl de rotsen weder af en brulden zoo vreeselijk met open muil,

dat de honden overhaast de vlucht namen. Zij werden aangehitst om den

aanval te hervatten; maar in dien tusschentijd waren al de bavianen

weder op de hoogte geklommen, uitgenomen één jong van omtrent zes

maanden oud, dat, luid om hulp schreeuwende, op een rotsblok klom en

werd omsingeld. Daarop klom één van de grootste mannetjes, een waar

held, weder van den berg af, liep langzaam naar het jong toe,

liefkoosde het, en nam het zegepralend mede, terwijl de honden te

overbluft waren om aan te vallen. Ik kan geen weêrstand bieden aan den

lust om nog een ander tooneel mede te deelen, dat door den zelfden

natuuronderzoeker werd waargenomen; een arend greep een jongen

Cercopithecus, die, omdat hij zich aan een tak vastklemde, niet opeens

werd medegevoerd; hij schreeuwde luid om hulp, waarop de overige leden

van den troep met groot misbaar tot ontzet aanrukten, den arend

omringden en hem zooveel vederen uitrukten, dat hij niet langer dacht

om zijn prooi, maar alleen hoe hij zou ontsnappen. Deze arend zal,

zooals Brehm opmerkt, wel nooit meer een aap uit een troep hebben

aangevallen.

Het is zeker, dat sociale dieren die tot ééne vereeniging behooren,

voor elkander een gevoel van liefde hebben, dat volwassen niet-sociale

dieren niet bezitten. In hoever zij in de meeste gevallen medegevoel

hebben voor elkanders verdrietelijkheden en genoegens, is

twijfelachtiger, vooral ten opzichte van de laatste. De heer Buxton

echter, die uitnemende gelegenheid tot waarneming bezat [256], getuigt,

dat zijn papegaaien, die te Norfolk in vrijen staat leefden, „een

buitensporig belang” stelden in een paar met een nest, en dat, wanneer

ook het wijfje het verliet, zij werd omringd door een troep, die

afgrijselijke toejuichingen te harer eere uitgilden. Het is dikwijls

moeilijk om te beoordeelen in hoeverre dieren eenig gevoel voor

elkanders lijden hebben. Wie kan zeggen, wat koeien gevoelen, als zij

een stervenden of dooden makker omringen en stijf aanstaren? Dat dieren

soms volstrekt geen medelijden met elkander hebben, is maar al te

zeker; want zij zullen een gewond dier uit hun kudde verdrijven, of

doodsteken of plagen. Dit is bijna het zwartste feit in de natuurlijke

geschiedenis, tenzij de verklaring, die men er van heeft gegeven,

inderdaad de ware is, dat namelijk hun instinkt of verstand hen

aandrijft om een gekwetsten makker te verdrijven, uit vreeze dat

roofdieren, de mensch niet uitgezonderd, zouden worden verlokt om de

kudde te volgen. In dit geval is hun gedrag niet veel erger dan dat van

de Noord-Amerikaansche Indianen, die hun zwakke stamgenooten in de

prairiën achterlaten om daar te sterven, of dat van de

Fidsji-eilanders, die hun ouders, als zij oud of ziek zijn geworden,

levend begraven. [257]

Vele dieren hebben echter ongetwijfeld medegevoel voor elkanders

ongeluk of gevaar. Dit is zelfs bij vogels het geval; kapitein

Stansbury [258] vond in een zoutmeer in Utah een ouden en geheel

blinden pelikaan, die zeer vet was, en gedurende langen tijd door zijn

metgezellen goed moest zijn gevoerd. De heer Blyth deelt mij mede, dat

hij heeft gezien, dat Indische kraaien twee of drie hunner makkers, die

blind waren, voedden; en ik heb een dergelijk geval gehoord van het

gewone hoen. Wij kunnen deze handelingen, als wij willen, instinktmatig

noemen, maar zulke gevallen zijn veel te zeldzaam voor de ontwikkeling

van eenig bijzonder instinkt. [259] Ik heb zelf een hond gezien, die

een vriendin van hem, een kat, die ziek in een mand lag, nooit

voorbijging zonder haar eens of meermalen met zijn tong te likken, het

zekerste bewijs van vriendschap bij een hond.

Het gevoel, dat een moedigen hond er toe brengt om iedereen die zijn

meester slaat, aan te vliegen, zooals hij ongetwijfeld zal doen,

verdient den naam van medegevoel (sympathie). Ik zag iemand, die zich

hield, alsof hij een dame wilde slaan, die een zeer vreesachtig hondje

op haar schoot had, en deze proef was nog nooit genomen. Het kleine

schepsel sprong dadelijk weg, maar, nadat de voorgewende slag was

gegeven, was het wezenlijk aandoenlijk te zien, hoe lang het het

gezicht van zijn meesteres likte, en haar trachtte te troosten. Brehm

[260] zegt, dat, als hij een van de bavianen die hij in gevangen staat

bezat, vervolgde om hem te straffen, de anderen dezen trachtten te

beschermen. Het moet in de bovenvermelde gevallen medegevoel zijn

geweest, dat de bavianen en Cercopitheci er toe bracht om hun jonge

kameraden tegen de honden en den arend te verdedigen. Ik wil nog

slechts één enkel ander voorbeeld aanhalen, namelijk het medelijdend en

heldhaftig gedrag van een kleinen Amerikaanschen aap. Verscheidene

jaren geleden vertoonde een oppasser in den Londenschen dierentuin mij

eenige diepe en nauwelijks genezen wonden in den nek, die hem door een

kwaadaardigen baviaan waren toegebracht, terwijl hij op den grond

knielde. Het Amerikaansche aapje, dat een warm vriend van zijn oppasser

was, bevond zich in de zelfde kooi, en was verbazend verschrikt van den

grooten baviaan. Zoodra het echter zag, dat zijn vriend, de oppasser,

in gevaar verkeerde, snelde het te hulp, en door zijn gegil en zijn

beten bracht het den baviaan zoo in de war, dat de man in staat was te

ontsnappen, na, volgens de meening van den heelmeester die hem

verzorgde, groot levensgevaar te hebben geloopen.

Behalve liefde en medegevoel vertoonen dieren nog andere hoedanigheden

die bij ons zedelijk zouden worden genoemd, en ik ben met Agassiz [261]

eens, dat honden iets bezitten, dat zeer sterk op een geweten gelijkt.

(2) Zij bezitten ongetwijfeld eenig vermogen van zelfbeheersching, en

dit schijnt niet geheel en al een gevolg van vrees te zijn. Zooals

Braubach [262] opmerkt, zal een hond zich weêrhouden voedsel te stelen

bij afwezigheid van zijn meester. Honden zijn lang beschouwd als het

eigenlijke type van getrouwheid en gehoorzaamheid. Doch de olifant is

eveneens zeer getrouw aan zijn kornak of oppasser, en beschouwt hem

waarschijnlijk als den aanvoerder van de kudde. Dr. Hooker meldt mij,

dat een olifant waarop hij in Indië reed, zoo diep in het slijk zonk,

dat hij bleef vastzitten tot den volgenden dag, toen hij er door

menschen met touwen werd uitgehaald. In dergelijke gevallen grijpen

olifanten met hun snuit alle voorwerpen, dood of levend, om ze onder

hun knieën te plaatsen om daardoor te voorkomen, dat zij dieper in het

slijk zinken; en de kornak was vreeselijk bang, dat het dier Dr. Hooker

zou grijpen en dooddrukken. Maar de kornak zelf liep, naar men Dr.

Hooker verzekerde, volstrekt geen gevaar. Dit gedrag bij een voor een

zwaar dier zoo vreeselijk ongeval, is een verwonderlijk bewijs van

edele trouw. [263]

Alle dieren die in troepen leven, elkander verdedigen en hun vijanden

gezamenlijk aanvallen, moeten tot op zekere hoogte elkander getrouw

zijn, en die welke een aanvoerder volgen, moeten tot op zekere hoogte

gehoorzaam zijn. Als de bavianen in Abessinië [264] een tuin plunderen,

volgen zij zoo stil mogelijk hun aanvoerder, en als een onvoorzichtig

jong dier gedruisch maakt, krijgt het van de anderen een oorveeg om het

stilte en gehoorzaamheid te leeren; maar zoodra zij zeker zijn dat er

geen gevaar is, toonen allen hun vreugde door een luid geschreeuw.

De heer Galton, die uitstekend in de gelegenheid is geweest om de

halfwilde runderen in Zuid-Afrika waar te nemen, zegt [265], dat zij

zelfs een zeer korte scheiding van de kudde niet kunnen verdragen. Zij

zijn zeer slaafsch, volgen na wat de anderen doen en zoeken geen beter

lot dan om te worden geleid door den eersten den besten stier die

zelfvertrouwen genoeg heeft om de positie aan te nemen. De mannen die

deze dieren vangen om er trekossen van te maken, geven vlijtig acht op

die, welke door afzonderlijk te grazen bewijzen dat zij zelfvertrouwen

bezitten, en deze dresseeren zij om deel uit te maken van het voorste

span ossen. De heer Galton voegt er bij, dat dergelijke dieren zeldzaam

en kostbaar zijn, en, als er vele werden geboren, zouden zij spoedig

worden opgeruimd, daar de leeuwen altijd loeren op de individu’s, die

zich van de kudde verwijderen.

Wat de oorzaak aangaat, die sommige dieren aandrijft om gezellig te

leven en elkander op vele wijzen te helpen, mogen wij aannemen, dat zij

in de meeste gevallen worden aangedreven door het zelfde gevoel van

voldoening of genoegen, dat zij ondervinden bij het volbrengen van

andere instinktmatige handelingen; of door het zelfde gevoel van

onvoldaanheid, als in andere gevallen, waarin instinktmatige

handelingen worden verhinderd. Wij zien zulks in tallooze voorbeelden,

en het wordt op treffende wijze aangetoond door de instinkten die onze

huisdieren na hun temming hebben verkregen; zoo schept een jonge

schaapherdershond er behagen in om een kudde schapen te drijven en om

dezelve heên te loopen, maar niet om hen te plagen; een jonge voshond

houdt veel van de vossenjacht, terwijl ik heb opgemerkt, dat sommige

andere hondenrassen volstrekt geen acht op vossen slaan. Wat moet het

gevoel van inwendige voldoening sterk zijn bij een vogel, een wezen zoo

vol bewegelijkheid, als hij den eenen dag voor en den anderen na zijn

eieren zit uit te broeden. Trekvogels gevoelen zich ongelukkig, als men

hun belet weg te trekken, en wellicht hebben zij veel genoegen als zij

hun langen tocht aanvangen. Het is echter moeilijk te gelooven, dat de

arme gekortwiekte gans welke Audubon heeft beschreven, die, toen de

tijd van trekken daar was, te voet vertrok voor haar reis van

waarschijnlijk meer dan duizend mijlen, eenig genoegen in haar

handeling zal hebben gehad.

Eenige weinige instinkten zijn het gevolg van uitsluitend onaangename

gewaarwordingen, zooals van vrees, die tot zelfbehoud leidt of meer in

’t bijzonder tegen bepaalde vijanden is gericht. Niemand kan, geloof

ik, het gevoel van genoegen of van smart ontleden. In vele gevallen is

het echter waarschijnlijk, dat instinkten voortdurend worden gevolgd

alleen krachtens de overerving, zonder den prikkel van genoegen of

smart. Als een jonge staande hond, voor de eerste maal wild ruikende,

staan blijft, is het duidelijk, dat hij zulks onbewust doet. Als een

eekhoorn in een kooi op de noten klopt, die hij niet kan eten, even

alsof hij ze in den grond wilde begraven, kan men moeilijk aannemen,

dat hij daartoe door genoegen of smart wordt aangedreven. De gewone

meening, dat de mensch tot iedere handeling moet worden aangedreven

door het ondervinden van eenig genoegen of eenige smart, zou daarom wel

een dwaling kunnen zijn. Hoewel een gewoonte soms blindelings en

onvoorwaardelijk moge worden gevolgd, onafhankelijk van eenig dadelijk

gevoel van genoegen of smart, ondervindt men toch, als die gewoonte

plotseling met geweld wordt tegengegaan, over het algemeen een

onbestemd gevoel van onvoldaanheid; en dit is vooral het geval bij

verstandelijk weinig ontwikkelde personen.

Men heeft dikwijls beweerd, dat dieren eerst een gezellige levenswijze

aannamen, en dat zij het, als een gevolg daarvan, onaangenaam vonden

van elkander te scheiden en er behagen in schepten om bij elkander te

zijn; het is echter waarschijnlijker, dat deze laatste gevoelens het

eerst werden ontwikkeld, en dat, als een gevolg daarvan, de dieren voor

welke het gezellige leven voordeelig was, er toe kwamen in gezelschap

te leven. Op de zelfde wijze werden ongetwijfeld het gevoel van honger

en de aangename gewaarwordingen bij het eten eerst verkregen om

daardoor de dieren aan te drijven om te eten. Het gevoel van behagen in

gezelschap is waarschijnlijk een uitbreiding van de ouderlijke of

kinderlijke liefde, en deze uitbreiding moet voornamelijk worden

toegeschreven aan natuurlijke teeltkeus, maar waarschijnlijk

gedeeltelijk alleen aan gewoonte. Want bij die dieren voor welke het

voordeelig was gezellig te leven, ontsnapten de individu’s die het

meest behagen schepten in gezelschap, ook het best aan allerlei

gevaren; terwijl zij die het minst omzagen naar metgezellen en eenzaam

leefden, in grooter getal omkwamen. Bespiegelingen te maken over den

oorsprong van de ouderlijke en kinderlijke liefde, die de grondslag der

sociale genegenheid schijnen te zijn, is een hopelooze zaak; maar wij

mogen aannemen, dat zij voor een groot deel door natuurlijke teeltkeus

zijn verkregen. (3) Het is bijna zeker, dat ook het ongewone en

tegenovergestelde gevoel van haat tusschen de naaste betrekkingen,

zooals bij de werkbijen, die hun broeders de darren (4), en bij de

bijenkoninginnen, die haar vruchtbare dochters ombrengen, op de zelfde

wijze is verkregen; want in dit geval strekte de aandrift om haar

naaste betrekkingen te dooden, in plaats van ze lief te hebben, aan het

gemeenebest tot voordeel. Ouderliefde of een of ander gevoel dat de

plaats daarvan inneemt, heeft zich ontwikkeld bij sommige dieren die

uiterst laag in de reeks staan, bij voorbeeld bij zeesterren en

spinnen. Zij bestaat somtijds ook alleen bij eenige weinige leden van

een geheele groep van dieren, zooals in het geslacht (genus) Forficula

of der Oorwormen.

De hoogst belangrijke aandoening van medegevoel (sympathie) is zeer

onderscheiden van die der liefde. Een moeder moge haar slapend en

lijdelijk kind hartstochtelijk liefhebben, men kan moeielijk zeggen,

dat zij er sympathie voor gevoelt. De liefde van een man voor zijn hond

is onderscheiden van medegevoel, en evenzoo die van den hond voor zijn

meester. Adam Smith beweerde indertijd, evenals de heer Bain onlangs,

dat de grondslag van het medegevoel daarin is gelegen, dat wij ons

vroegere aangename of onaangename toestanden levendig herinneren. Van

daar „roept het gezicht van een ander persoon, die honger of koude

lijdt of vermoeid is, die toestanden, waarvan zelfs de gedachte ons

onaangenaam aandoet, in ons geheugen terug.” Wij worden daardoor

aangedreven om het lijden van anderen te verzachten, opdat ook onze

eigen onaangename aandoeningen zouden worden verzacht. Op de zelfde

wijze komen wij er toe om in het genoegen dat anderen smaken, te

deelen. [266] Ik kan echter niet inzien, hoe deze beschouwingswijze het

feit verklaart, dat ons medegevoel in oneindig hoogere mate wordt

opgewekt door een bemind, dan door een onverschillig persoon. Het

gezicht alleen van het lijden zou, onafhankelijk van liefde, voldoende

zijn om levendige herinneringen en gedachtenverbindingen in ons op te

wekken. De verklaring ligt wellicht daarin, dat bij alle dieren het

medegevoel alleen wordt gevoeld voor alle leden der zelfde vereeniging,

en dus voor bekende en meer of min beminde individu’s, maar niet voor

alle individu’s van de zelfde soort. Dit feit is niet verwondelijker

dan dat vele dieren slechts vrees gevoelen voor bijzondere vijanden.

Soorten die niet gezellig (sociaal) zijn, zooals leeuwen en tijgers,

voelen ongetwijfeld medegevoel voor het lijden van hun eigen jongen,

maar niet voor dat van eenig ander dier. Bij den mensch bevorderen

eigenbelang, ondervinding en zucht tot nabootsing, zooals de heer Bain

heeft aangetoond, ongetwijfeld het medegevoel; want de hoop om op onze

beurt goed te worden behandeld, drijft ons aan om anderen op

sympathieke en vriendschappelijke wijze te behandelen; en het kan niet

worden betwijfeld, dat het medegevoel door de gewoonte zeer wordt

versterkt. Op hoe samengestelde wijze een gevoel ook moge zijn

ontstaan, zal het toch, wanneer het van hoog belang is voor al die

dieren welke elkander helpen en beschermen, door natuurlijke teeltkeus

zijn vermeerderd; want die vereenigingen die het grootste aantal

medegevoel bezittende leden bevatten, zullen het meest bloeien en de

grootste nakomelingschap achterlaten.

In vele gevallen is het volkomen onmogelijk om te beslissen, of sommige

sociale instinkten zijn verkregen door natuurlijke teeltkeus, dan wel,

of zij het indirecte gevolg zijn van andere instinkten en vermogens,

zooals van medegevoel, rede en neiging tot nabootsing; of dat zij

eindelijk eenvoudig het gevolg zijn van lang voortgezette gewoonten.

Zulk een merkwaardig instinkt als dat om schildwachten uit te zetten om

de vereeniging voor gevaar te waarschuwen, kan moeilijk het indirecte

gevolg zijn geweest van eenig ander vermogen; het moet daarom

rechtstreeks zijn verkregen. Van den anderen kant is wellicht de

gewoonte van de mannetjes van sommige sociale dieren om de vereeniging

te verdedigen of gemeenschappelijk hun vijand of hun prooi aan te

vallen, oorspronkelijk uit wederkeerig medegevoel ontstaan; maar eerst

moeten moed en in de meeste gevallen ook kracht zijn verkregen,

waarschijnlijk door natuurlijke teeltkeus.

Van de verschillende instinkten en gewoonten zijn sommige veel sterker

dan andere, dat wil zeggen, sommige geven òf meer genoegen wanneer men

er gehoor aan geeft, en meer smart, wanneer men wordt verhinderd ze te

volgen, òf, hetgeen waarschijnlijk even belangrijk is, zij worden door

overerving standvastiger gevolgd zonder eenig bijzonder gevoel van

genoegen of smart te veroorzaken. Wij zijn ons zelven bewust, dat

sommige gewoonten moeilijker na te laten of te veranderen zijn dan

andere. Van daar kan men bij dieren dikwijls een strijd tusschen

verschillende instinkten of tusschen instinkt en eenige door gewoonte

verkregen neiging waarnemen; b.v. als een hond op een haas toesnelt, of

beschaamd tot zijn meester terugkeert; of tusschen de liefde van een

teef voor haar jongen en die voor haar meester; want men kan soms

opmerken, hoe zij ter sluiks naar hen toesluipt, alsof zij half

beschaamd was dat zij niet met haar meester meêging. Het merkwaardigste

voorbeeld echter, dat mij bekend is van de overwinning van het eene

instinkt op het andere, is die van het trekinstinkt op het moederlijk

instinkt. Het eerste is wonderlijk sterk; een opgesloten vogel zal, als

de tijd van het trekken daar is, zijn borst tegen de traliën van zijn

kooi slaan, totdat die naakt en bebloed is. Het drijft jonge zalmen aan

om het zoete water te verlaten, waarin zij nog konden blijven leven, en

zoo onwillekeurig een zelfmoord te begaan. Iedereen weet hoe sterk het

moederlijk instinkt is, dat zelfs aan vreesachtige vogels den moed

geeft om aan groote gevaren het hoofd te bieden, hoewel met aarzeling

en in weêrwil van het instinkt van zelfbehoud. Het trekinstinkt is

echter zoo machtig, dat zwaluwen en gierzwaluwen dikwijls laat in den

herfst hun teedere jongen verlaten, en hen zoo in hun nesten aan een

ellendigen dood prijs geven. [267]

Wij kunnen begrijpen, hoe een instinktmatige aandrift, indien zij op de

eene of andere wijze voordeeliger voor een soort was dan eenig ander

tegenovergesteld instinkt, de machtigste van de twee gemaakt zou worden

door natuurlijke teeltkeus; want van de individu’s bij welke het

instinkt het sterkst was ontwikkeld, zouden meer blijven leven, dan van

de andere. Of dit echter het geval is met het trekinstinkt in

tegenoverstelling met het moederlijk instinkt, is hoogst twijfelachtig.

De groote standvastigheid en voortdurende werking van het eerste op

sommige tijden van het jaar gedurende den geheelen dag, geeft het

wellicht voor een tijd een onbeperkte macht.

De mensch is een sociaal dier.—Bijna iedereen geeft toe, dat de mensch

een sociaal wezen is. Wij zien dit uit zijn afkeer van de eenzaamheid

en zijn verlangen naar gezelschap behalve dat van zijn eigen huisgezin.

Sommige schrijvers onderstellen, dat de mensch oorspronkelijk in

afzonderlijke huisgezinnen leefde; maar hoewel tegenwoordig

afzonderlijke huisgezinnen, of slecht twee of drie te zamen, de

eenzaamheden van sommige woeste landen doorkruisen, zijn zij, zoover ik

kan nagaan, altijd bevriend met andere huisgezinnen die de zelfde

streek bewonen. Dergelijke huisgezinnen houden somtijds vergaderingen

en vereenigen zich tot hun gemeenschappelijke verdediging. Het is geen

bewijs tegen de stelling dat de wilde mensch een sociaal dier is, dat

de stammen die aangrenzende streken bewonen, bijna altijd in oorlog met

elkander zijn; want de sociale instinkten strekken zich nooit uit tot

al de individu’s van de zelfde soort. Te oordeelen naar de analogie van

de meeste vierhandige zoogdieren, is het waarschijnlijk, dat de

voormalige stamouders van den mensch eveneens sociale dieren waren;

maar dit is voor ons niet van veel belang. Hoewel de mensch, zooals hij

tegenwoordig is, slechts weinige bijzondere instinkten bezit, wellicht

omdat hij er eenige heeft verloren, die zijn voormalige stamhouders

bezaten, is dat nog geen reden, waarom hij niet een zekere mate van

instinktmatige liefde en medegevoel voor zijn medemenschen behouden zou

hebben. Wij zijn inderdaad ons zelven bewust, dat wij dergelijke

sympathetische gevoelens bezitten [268], maar dit bewustzijn leert ons

nog niet, of die gevoelens instinktmatig zijn en in lang vervlogen

tijden op de zelfde wijze zijn ontstaan als bij de lagere dieren, dan

of zij door ieder onzer gedurende zijn prille jeugd zijn verkregen.

Daar de mensch een sociaal dier is, is het ook waarschijnlijk, dat hij

de neiging om aan zijn makkers getrouw te zijn overerfde, want deze

hoedanigheid bezitten de meeste sociale dieren. Hij moest op de zelfde

wijze eenig vermogen om zich zelf te beheerschen en wellicht om

gehoorzaam te zijn aan den aanvoerder der vereeniging bezitten. Hij

moest door een overgeërfde neiging steeds bereid zijn om gezamenlijk

met anderen zijn medemenschen te verdedigen en om hen te helpen op elke

wijze die niet al te sterk inbreuk maakte op zijn eigen welvaart of

zijn eigen sterke begeerten.

De sociale dieren die geheel beneden op de ladder staan, worden bijna

uitsluitend, en die welke hooger op de ladder staan, voor een groot

deel door bijzondere instinkten geleid tot de hulp die zij aan leden

der zelfde vereeniging geven; maar zij worden gedeeltelijk ook gedreven

door wederkeerige liefde en medegevoel, waarschijnlijk door een zekere

hoeveelheid rede geholpen. Hoewel de mensch, zooals zooeven is

opgemerkt, geen bijzondere instinkten bezit om hem te leeren, hoe hij

zijn medemenschen moet helpen, heeft hij toch de aandrift daartoe, en

wordt met zijn verbeterde verstandelijke vermogens in dit opzicht voor

een groot deel door rede en ondervinding geleid. Het instinktmatige

medegevoel moet ook veroorzaken, dat hij hooge waarde toekent aan de

goedkeuring zijner medemenschen; want, zooals de heer Bain duidelijk

heeft aangetoond [269], het haken naar lof en de sterke zucht naar

roem, en de nog sterker afkeer van minachting en schande, „hebben hun

grond in de werking van het medegevoel.” Bijgevolg moeten de wenschen,

de goed- of afkeuring zijner medemenschen, uitgedrukt door gebaren en

taal, grooten invloed op den mensch uitoefenen. Aldus drijven de

sociale instinkten, die door den mensch zijn verkregen toen hij nog

zeer onbeschaafd was, en waarschijnlijk zelfs reeds door zijn

voormalige op apen gelijkende voorouders, hem nog heden aan tot velen

zijner beste handelingen; maar deze handelingen worden bepaald door de

uitgedrukte wenschen en het oordeel zijner medemenschen, en ongelukkig

nog meer door zijn eigen sterke zelfzuchtige begeerten. Maar zoodra de

gevoelens van liefde en medegevoel en het vermogen van zelfbeheersching

door de gewoonte worden versterkt, en zoodra het vermogen om te

redeneeren zich meer ontwikkelt, zoodat de mensch de rechtvaardigheid

van het oordeel zijner medemenschen kan beoordeelen, zal hij zich,

onafhankelijk van elke vreugde of smart, tot een bepaalde gedragslijn

aangedreven gevoelen. Dan kan hij zeggen: ik ben de opperste rechter

van mijn eigen gedrag, en met de woorden van Kant: ik zal niet in mijn

eigen persoon de waardigheid der menschheid schenden.

De meer voortdurend werkende sociale instinkten overwinnen die welke

minder voortdurend werken.—Wij hebben echter tot dusverre het hoofdpunt

nog niet beschouwd, waarvan het geheele vraagstuk van het zedelijk

gevoel afhankelijk is. Waarom gevoelt iemand, dat het zijn plicht is

liever aan de eene instinktmatige begeerte te gehoorzamen, dan aan de

andere? Waarom heeft hij bitter berouw, als hij heeft toegegeven aan

het sterke instinkt van zelfbehoud, en zijn leven niet heeft gewaagd om

dat van een medemensch te redden; of waarom betreurt hij het, voedsel

te hebben gestolen toen hij hevigen honger had?

Het is in de eerste plaats duidelijk, dat bij den mensch de

instinktmatige aandriften verschillende graden van kracht bezitten; een

jonge en vreesachtige moeder zal, aangedreven door het moederlijk

instinkt, zonder een oogenblik te aarzelen, het grootste gevaar loopen

voor haar kind, maar niet voor iemand, die niets meer dan een

medemensch is. Menig man of zelfs menige jongen, die nooit te voren

zijn leven voor een ander waagde, maar wiens moed en medegevoel goed

ontwikkeld waren, is zonder acht te slaan op het instinkt van

zelfbehoud, oogenblikkelijk in het water gesprongen om een verdrinkend

medemensch te redden. In dit geval werd hij door de zelfde

instinktmatige oorzaak aangedreven, die het bovenvermelde (blz. 187)

Amerikaansche aapje aanzette, om den grooten en gevreesden baviaan aan

te vallen en daardoor zijn oppasser te redden. Dergelijke handelingen

als de bovenvermelde schijnen eenvoudig daarvan het gevolg te zijn, dat

de sociale en moederlijke instinkten krachtiger zijn dan elk ander

instinkt of elke andere drijfveer; want zij worden te oogenblikkelijk

volbracht, dan dat men ze zou kunnen toeschrijven aan nadenken of aan

het gevoel van vreugde of smart, hoewel men zich onvoldaan zou gevoelen

als men ze had nagelaten.

Ik weet, dat sommige personen volhouden, dat handelingen die, evenals

de bovenvermelde, zonder nadenken worden volbracht, niet onder de

heerschappij van het zedelijk gevoel staan en niet zedelijk kunnen

worden genoemd. Zij beperken deze benaming tot handelingen die met

overleg geschieden, nadat men tegenovergestelde begeerten heeft

overwonnen, of tot handelingen die uit deze of gene prijzenswaardige

beweegredenen worden volbracht. Het schijnt echter nauwelijks mogelijk

een dergelijke scherpe afscheidingslijn te trekken, hoe wezenlijk het

onderscheid ook moge zijn. Zoover het verheven beweegredenen betreft,

vindt men vele voorbeelden opgeteekend van barbaren, ontbloot van elk

gevoel van algemeene welwillendheid jegens het menschdom en volstrekt

niet door godsdienstige drijfveêren geleid, die, gevangen genomen

zijnde, na rijp overleg liever hun leven opofferden [270] dan hun

makkers te verraden; en hun gedrag moet ongetwijfeld als zedelijk

worden beschouwd. Zoover het overleg en de overwinning over

tegenovergestelde drijfveêren betreft, kan men soms opmerken, hoe

dieren aarzelen tusschen twee tegenovergestelde instinkten, b.v. of zij

hun jongen, dan wel hun makkers in het gevaar zullen bijstaan; echter

noemt men hun daden, hoewel ten bestwil van anderen gedaan, niet

zedelijk. Daarenboven zal een handeling die herhaaldelijk door ons is

volbracht, ten laatste zonder overleg of aarzeling worden gedaan, en

kan dan moeilijk van een instinkt worden onderscheiden; voorzeker zal

niemand desniettegenstaande beweren, dat een aldus verrichte handeling

ophoudt zedelijk te zijn. Van den anderen kant gevoelen wij allen, dat

een handeling niet als volmaakt kan worden beschouwd, of niet als op de

meest edele wijze volbracht wordende, behalve wanneer zij uit inwendige

aandrift wordt volvoerd, zonder overleg of moeite, op de zelfde wijze

als door iemand wien de vereischte hoedanigheden aangeboren zijn. Hij

die genoodzaakt is zijn vrees of gebrek aan medegevoel te overwinnen,

vóór hij handelt, verdient echter in één opzicht meer achting dan de

man wiens aangeboren neiging hem aandrijft tot een goede handeling,

zonder dat het hem eenige moeite kost. Daar wij de drijfveêren niet

kunnen onderscheiden, noemen wij alle handelingen van een bepaalde

soort zedelijk, wanneer zij door een zedelijk wezen worden volbracht.

Zedelijk noemen wij een wezen, dat het vermogen bezit zijn vroegere

handelingen of beweegredenen met zijn toekomstige te vergelijken en ze

goed- of af te keuren. Wij hebben geen reden om te onderstellen, dat

eenig lager dier dit vermogen bezit; wanneer dus een aap zich aan

gevaar blootstelt om zijn makker te helpen, noemen wij zijn gedrag

daarom nog niet zedelijk. In het geval van den mensch echter, die

alleen met zekerheid onder de zedelijke wezens kan worden gerangschikt,

noemt men handelingen van een bepaalde soort zedelijk, hetzij zij met

overleg na een strijd met tegenovergestelde drijfveêren, of door de

uitwerkselen van langzamerhand verkregen gewoonte of instinktmatig

werden volbracht.

Maar om weêr tot ons eigenlijke onderwerp terug te keeren, hoewel

sommige instinkten machtiger dan andere zijn en dus tot overeenkomstige

handelingen leiden, kan men echter niet volhouden, dat bij den mensch

de sociale instinkten oorspronkelijk sterker zijn of door lang

voortgezette gewoonte sterker zijn geworden dan b.v. de instinkten van

zelfbehoud, honger, wellust, wraak, enz. Waarom heeft de mensch dan

berouw, dat hij aan de eene natuurlijke aandrift gehoor heeft gegeven

in plaats van aan de andere, zelfs al doet hij moeite om elk gevoel van

berouw uit zijn binnenste te bannen, en waarom gevoelt hij ook, dat het

zijn plicht is over zijn gedrag berouw te hebben? In dit opzicht

verschilt de mensch zeer van de lagere dieren. Wij kunnen, echter,

dunkt mij, met zekere mate van duidelijkheid de oorzaak van dit

verschil inzien.

De mensch kan wegens de groote werkzaamheid zijner geestvermogens zich

niet aan het nadenken onttrekken; vroegere indrukken en beelden

doorkruisen onophoudelijk met duidelijkheid zijn geest. Bij die dieren

nu die voortdurend gezellig leven, zijn de sociale instinkten altijd

tegenwoordig en onophoudelijk werkzaam. Dergelijke dieren zijn altijd

bereid den kreet van gevaar te slaken om de vereeniging te verdedigen

en om hun makkers volgens hun gewoonte te verdedigen; zij gevoelen ten

allen tijde, zonder den prikkel van eenigen bijzonderen hartstocht of

begeerlijkheid, een zekere mate van liefde en medegevoel voor hen; zij

gevoelen zich ongelukkig als zij gedurende langen tijd van hen worden

gescheiden, en altijd gelukkig om in hun gezelschap te zijn. Evenzoo

gaat het met ons zelven. Een mensch die geen spoor van dergelijke

gevoelens bezat, zou een onnatuurlijk monster zijn. Van den anderen

kant zijn de begeerte om zijn honger te stillen, of sommige

hartstochten b.v. wraak, van nature tijdelijk, en kunnen voor een tijd

volkomen worden bevredigd. Het is ook niet gemakkelijk, ja wellicht

nauwlijks mogelijk, om met volkomen levendigheid het gevoel b.v. van

honger voor den geest terug te roepen; en evenmin, zooals dikwijls is

opgemerkt, dat van eenig lijden. Het instinkt van zelfbehoud wordt

slechts gevoeld in tegenwoordigheid van het gevaar, en menig lafaard

heeft zich voor dapper gehouden totdat hij zijn vijand van aangezicht

tot aangezicht ontmoette. Het verlangen naar de eigendommen van anderen

is wellicht een even aanhoudend werkende begeerte, als eenige die men

kan noemen; maar zelfs in dit geval is de voldoening over het

werkelijke bezit gewoonlijk een zwakker gevoel dan de begeerte er naar;

menig dief die niet aan het stelen gewoon was, verwonderde zich er

over, na te zijn geslaagd, dat hij de eene of andere zaak had gestolen.

[271]

Daar de mensch derhalve niet kan beletten dat oude indrukken

voortdurend opnieuw zijn geest doorkruisen, zal hij zich aangedreven

gevoelen om de zwakkere indrukken, b.v. vroegeren honger of botgevierde

wraakzucht of ten koste van anderen vermeden gevaar te vergelijken met

het instinkt van medegevoel en welwillendheid jegens zijn medemenschen,

dat in zijn geest nog bestaat en voortdurend eenigermate werkzaam is.

Hij zal dan in zijn verbeelding voelen dat een sterker instinkt heeft

ondergedaan voor een dat nu vergelijkenderwijze zwak schijnt en dan zal

onvermijdelijk dat gevoel van onvoldaanheid hem bekruipen, waarmede de

mensch evenals elk ander dier is begaafd, opdat zijn instinkten zouden

worden gehoorzaamd. Het boven medegedeelde geval van de zwaluw geeft

een voorbeeld, hoewel van omgekeerden aard, van de overwinning van een

tijdelijk maar aanhoudend werkzaam instinkt over een ander instinkt,

dat gewoonlijk alle andere beheerscht. In het daartoe dienende

jaargetijde schijnen deze vogels den geheelen dag onophoudelijk te zijn

vervuld met de begeerte om weg te trekken; hun gewoonten veranderen;

zij worden rusteloos, zijn luidruchtig, en komen in zwermen bij

elkander. Zoolang de moeder-vogel bezig is met het voeden of uitbroeden

harer jongen, is het moederlijk instinkt waarschijnlijk sterker dan het

trekinstinkt; het instinkt dat meer voortdurend werkzaam is, behaalt

echter de overwinning, en ten laatste, op een oogenblik dat haar jongen

niet in het gezicht zijn, vliegt zij weg en laat hen aan hun lot over.

Welk een folterende wroeging zou zulk een vogel niet gevoelen, wanneer

hij aan het einde zijner lange reis was gekomen en het trekinstinkt

ophield te werken, als hij begaafd was met groote geesteswerkzaamheid,

en niet kon beletten, dat onophoudelijk het beeld van zijn jongen, in

het kille noorden van koude en honger omkomende, hem voor den geest

kwam.

Op het oogenblik der handeling zal de mensch zonder twijfel geneigd

zijn om de sterkste aandrift te volgen; en hoewel deze hem nu en dan

tot de edelste daden kan aansporen, zal zij hem gewoonlijk er toe

leiden om zijn eigen begeerten bot te vieren ten koste van anderen. Als

hij ze echter heeft botgevierd en de voorbijgegane en daardoor zwakkere

indrukken tegenover de voortdurende werkzame sociale instinkten worden

gesteld, zal de vergelding ongetwijfeld komen.

Hij zal dan wroeging, berouw, spijt en schaamte gevoelen, welke laatste

aandoening echter bijna uitsluitend betrekking heeft op het oordeel van

anderen. Hij zal bijgevolg meer of min vast besluiten om in de toekomst

anders te handelen; en dit is geweten; want het geweten ziet in het

verleden, en dient als een gids voor de toekomst.

De aard en kracht van de gevoelens die wij spijt, schaamte, berouw of

wroeging noemen, schijnt niet slechts af te hangen van de kracht van

het geschonden instinkt, maar gedeeltelijk van de kracht der

verzoeking, en dikwijls nog meer van het oordeel onzer medemenschen. In

hoever ieder mensch waarde hecht aan de waardeering van anderen hangt

af van de kracht van zijn aangeboren of verkregen medegevoel, en van

zijn eigen bekwaamheid om de verwijderde gevolgen van zijn handeling te

beredeneeren. Er is nog een hoogst belangrijke, hoewel niet

noodzakelijke factor: de eerbied of vrees voor de goden of geesten

waarin iemand gelooft: en dit is vooral van toepassing in gevallen van

wroeging. Verscheidene critici hebben de tegenwerping gemaakt, dat,

hoewel eenige geringe spijt of berouw kon worden verklaard door de in

dit hoofdstuk verdedigde meening, het onmogelijk is op die wijze een

verklaring te geven van het gevoel van wroeging, dat de ziel doet

sidderen. Maar ik kan aan deze tegenwerping slechts weinig gewicht

hechten. Mijn critici geven geen bepaling van wat zij onder wroeging

verstaan, en ik kan geen bepaling vinden, die meer insluit dan een

overstelpend gevoel van berouw. Wroeging schijnt in de zelfde

betrekking te staan tot berouw, als woede tot toorn, of foltering tot

pijn. Het is ver van vreemd, dat een instinkt, zoo sterk en zoo

algemeen bewonderd als moederliefde, als men er niet aan gehoorzaamt,

tot de diepste ellende leidt, zoodra de indruk van de voormalige

oorzaak der ongehoorzaamheid is verzwakt. Zelfs als een handeling met

geen enkel bijzonder instinkt in strijd is, is het genoeg eenvoudig te

weten, dat onze vrienden en gelijken ons er om verachten, om ons er ons

diep ongelukkig over te doen gevoelen. Wie kan betwijfelen, dat de

weigering om te duelleeren heeft veroorzaakt, dat vele mannen door de

grootste schaamte werden gefolterd? Menig Hindoe, zegt men, is tot het

diepst zijner ziel ontroerd geworden, omdat hij onrein voedsel had

gegeten. Ziehier nog een geval van iets dat dunkt mij wroeging moet

worden genoemd. Dr. Landor, een voormalig overheidspersoon in

West-Australië, verhaalt [272], dat een inboorling op zijn hoeve, die

een zijner vrouwen had verloren, tot hem kwam en zeide, „dat hij naar

een veraf wonenden stam wilde gaan om een vrouw met zijn speer te

doorsteken, om te voldoen aan zijn gevoel van plicht jegens zijn

overleden vrouw.” Ik zeide hem, dat, als hij dat deed, ik hem

levenslang gevangen zou zetten. Hij bleef gedurende eenige maanden in

de nabijheid der hoeve, maar werd uiterst mager en beklaagde zich dat

hij kon slapen noch eten, dat de geest van zijn vrouw hem kwelde, omdat

hij geen leven voor het hare had genomen. Ik was onverbiddelijk en

zeide, „dat niets hem zou redden als hij zulks deed.” Toch verdween de

man, bleef meer dan een jaar weg en keerde toen in zeer opgeruimde

stemming terug, en zijn andere vrouw vertelde aan Dr. Landor dat haar

man het leven had genomen van een vrouw die tot een veraf wonenden stam

behoorde; maar het bleek onmogelijk te zijn het wettig bewijs van de

daad te verkrijgen. Het niet opvolgen van een gewoonte die door den

stam voor heilig wordt gehouden, zal dus, naar het schijnt, de diepste

gemoedsaandoeningen doen ontstaan—en dit geheel afgescheiden van de

sociale instinkten, behalve in zoover als de gewoonte is gegrond op de

publieke opinie in den stam. Hoe zoovele vreemde bijgeloovigheden door

de geheele wereld heên zijn ontstaan, weten wij niet, en wij kunnen ook

niet zeggen, hoe het komt, dat de laagste wilden van sommige wezenlijke

en groote misdaden, zooals bloedschande, een afschuw hebben (hoewel die

afschuw niet volkomen algemeen is). Het is zelfs twijfelachtig, of men

in sommige stammen met grooter afschuw zou nederzien op bloedschande,

dan op het huwelijk van een man met een vrouw die den zelfden naam

droeg, hoewel zij geen bloedverwant van hem was. „Deze wet te schenden

is een misdaad, waarvan de Nieuw-Hollanders den grootsten afschuw

hebben, en zij komen daarin geheel en al overeen met sommige stammen

van Noord-Amerika. Als in een van beide streken de vraag werd gesteld,

wat slechter is, een meisje van een vreemden stam te dooden, of een

meisje van zijn eigen stam te huwen, zou zonder aarzeling juist het

omgekeerde antwoord worden gegeven, als wij zouden geven.” [273] Wij

moeten daarom het geloof verwerpen, dat voor korten tijd door sommige

schrijvers met aandrang is verdedigd, dat de afschuw van bloedschande

wordt veroorzaakt, doordat wij een bijzonder door God in ons gelegd

geweten bezitten. (4) Over het geheel is het begrijpelijk, dat iemand

die wordt gekweld door zulk een krachtige gemoedsaandoening als

wroeging, al is die ontstaan gelijk boven is uiteengezet, er toe komt

te handelen op een wijze die men hem heeft geleerd te gelooven dat als

boetedoening kan dienen, zooals door zich zelf aan de justitie over te

leveren.

De door zijn geweten aangespoorde mensch zal door lange gewoonte een

zoo volkomen zelfbeheersching verkrijgen, dat zijn begeerten en

hartstochten ten laatste oogenblikkelijk onderdoen voor zijn sociale

sympathieën, en dat er niet langer strijd tusschen hen zal zijn. De

niet hongerige, of de niet wraakzuchtige mensch zal er niet aan denken

voedsel te stelen of zijn wraak te volvoeren. Het is mogelijk, of,

zooals wij later zullen zien, zelfs waarschijnlijk, dat de gewoonte van

zelfbeheersching, evenals andere gewoonten, kan worden overgeërfd. Zoo

komt de mensch er ten laatste toe om uit verkregen of wellicht

overgeërfde gewoonte te gevoelen, dat het het beste voor hem is om zijn

meer voortdurend werkzame instinkten te volgen. Het gebiedende woord

plicht schijnt alleen het bewustzijn te omvatten van het bestaan van

een voortdurend werkzaam instinkt, hetzij aangeboren, hetzij

gedeeltelijk verkregen, dat hem tot gids dient, hoewel het mogelijk is

daaraan niet te gehoorzamen. Wij gebruiken het woord plicht nauwelijks

in een overdrachtelijken zin, als wij zeggen, dat het de plicht is van

jachthonden om te jagen, van staande honden om voor het wild te staan,

van speurhonden om het op te sporen. Indien zij dit niet doen, verzaken

zij hun plicht en handelen slecht.

Indien eenige begeerte of instinkt, die tot een handeling leidt in

strijd met het welzijn van anderen, iemand, als hij zich haar opnieuw

voor den geest brengt, nog even sterk als of sterker dan zijn sociaal

instinkt toeschijnt, zal hij geen snijdend berouw gevoelen, dat hij

haar heeft gevolgd, maar hij zal zich bewust zijn, dat, als zijn gedrag

aan zijn medemenschen bekend was, zij het zouden afkeuren; en weinigen

zijn zoo ontbloot van medegevoel, om geen verdriet te gevoelen, wanneer

dit het geval is. Indien hij zulk een medegevoel niet bezit, en als

zijn begeerten die hem tot slechte daden aandrijven, tegelijkertijd

sterk zijn, en als zij bij de herinnering er aan niet door de

voortdurend werkende sociale instinkten worden overwonnen, dan is hij

werkelijk een slecht mensch [274]; en de eenige beweegreden die hem nog

bedwingt, is de vrees voor straf en de overtuiging, dat het op den

langen duur het beste is voor zijn eigen zelfzuchtige belangen, als hij

meer let op het welzijn van anderen dan op dat van zich zelf.

Het is duidelijk, dat iedereen met een goed geweten zijn eigen

begeerten bot kan vieren, als zij niet in strijd zijn met zijn sociale

instinkten, dat is met het welzijn van anderen; maar om geheel vrij te

zijn van zelfverwijt of ten minste van angst, is het bijna noodzakelijk

voor hem om de afkeuring van zijn medemenschen, hetzij die rechtmatig

is of niet, te vermijden. Ook moet hij geen inbreuk maken op zijn vaste

levensgewoonten, vooral indien deze door de rede worden gesteund; want

indien hij dit doet, zal hij zich zeker onvoldaan gevoelen. Hij moet

eveneens de afkeuring vermijden van de één of meer goden, in welke hij

krachtens zijn kennis of uit bijgeloof gelooft; maar in dit geval komt

er dikwijls daarenboven nog de vrees voor goddelijke straf bij.

De meer uitsluitend sociale deugden eerst afzonderlijk beschouwd.—De

hierboven uiteengezette beschouwingswijze omtrent den eersten oorsprong

en aard van het zedelijk gevoel, dat ons zegt hoe het onze plicht is te

handelen, en van het geweten, dat ons berispt als wij daaraan niet

gehoorzamen, komt zeer goed overeen met hetgeen wij weten omtrent den

vroegeren en onontwikkelden toestand van dit vermogen bij het

menschelijk geslacht. De deugden die ten minste in het algemeen door

onbeschaafde menschen moeten worden beoefend, willen zij zich tot een

maatschappij kunnen vereenigen, zijn die, welke nog tegenwoordig voor

de meest belangrijke worden gehouden. Zij worden echter uitsluitend

beoefend ten opzichte van menschen van den zelfden stam, en de

tegenover haar staande ondeugden worden niet als misdrijven beschouwd

ten opzichte van menschen van andere stammen. Geen stam zou bijeen

kunnen blijven, wanneer moord, diefstal en verraad algemeen waren;

bijgevolg worden dergelijke misdrijven „gebrandmerkt met altoosdurende

schande” [275]; maar wekken geenszins gelijke gevoelens op buiten deze

grenzen. Een Noord-Amerikaansch Indiaan smaakt groote zelfvoldoening en

wordt door anderen geëerd, als hij iemand van een anderen stam

scalpeert; en een Dajak houwt het hoofd af van een persoon van een

anderen stam, die hem volstrekt geen leed heeft gedaan, droogt het en

bewaart het als een zegeteeken. Kindermoord is op de ruimste schaal

over de wereld verspreid geweest [276] zonder te worden afgekeurd; want

men meende, dat het dooden van kinderen, vooral van dochters, goed of

ten minste niet slecht voor den stam was. Zelfmoord werd in vroegere

tijden niet algemeen voor een misdaad gehouden [277], maar wegens den

daarbij betoonden moed eerder voor een eervolle handeling; en hij wordt

nog op groote schaal uitgeoefend bij sommige halfbeschaafde volken;

want het verlies van een enkel individu wordt door het volk niet

gevoeld; hoe het echter ook te verklaren zij, is zelfmoord, naar Sir J.

Lubbock mij mededeelt, bij de laagst ontwikkelde wilden zeldzaam. Men

heeft opgeteekend, dat een Indische Thug er gemoedelijk zijn leedwezen

over betuigde, dat hij niet zooveel vreemdelingen geworgd en bestolen

had, als wijlen zijn vader. Op een laag standpunt van beschaving wordt

het bestelen van vreemdelingen werkelijk algemeen voor eervol gehouden.

De groote zonde der slavernij heeft bijna overal bestaan, en slaven

zijn dikwijls op schandelijke wijze behandeld. Daar barbaren niets

geven om de meening hunner vrouwen, behandelen zij deze gewoonlijk ook

als vreemden. De meeste wilden zijn volkomen ongevoelig voor het lijden

van vreemdelingen, ja, scheppen er zelfs behagen in om het te

aanschouwen. Het is algemeen bekend, dat de vrouwen en kinderen der

Noord-Amerikaansche Indianen hun behulpzaam zijn bij het martelen

hunner vijanden. Sommige wilden scheppen een afgrijselijk behagen in

wreedheid jegens dieren [278], en menschelijkheid is een hun onbekende

deugd. Desniettemin zijn gevoelens van medegevoel en welwillendheid,

vooral gedurende ziekten, tusschen leden van den zelfden stam algemeen,

en worden somtijds tot buiten de grenzen van den stam uitgestrekt.

Mungo Park’s treffend verhaal van de welwillendheid die een negerin uit

het binnenland hem betoonde, is algemeen bekend. Het zou mij

gemakkelijk vallen vele voorbeelden te geven van de edele trouw van

wilden jegens elkander, maar niet jegens vreemden; de algemeene

ondervinding bevestigt het Spaansche spreekwoord: „Vertrouw nooit of

nimmer een Indiaan.” Trouw is onbestaanbaar zonder oprechtheid; en deze

fundamenteele deugd is niet zeldzaam tusschen de leden van den zelfden

stam; zoo hoorde Mungo Park, hoe de negerin haar jonge kinderen leerde

de waarheid te beminnen. Dit is wederom een van die deugden die zich

zoo diep in den geest wortelen, dat zij soms zelfs door wilden,

ofschoon het hun veel moeite kost, jegens vreemden worden uitgeoefend;

om onzen vijand voor te liegen is maar zelden voor zondig gehouden,

zooals de geschiedenis der moderne diplomatie duidelijk bewijst. Zoodra

een stam een erkend opperhoofd heeft, wordt ongehoorzaamheid een

misdaad, en beschouwt men zelfs slaafsche onderwerping als een heilige

deugd.

Daar in onbeschaafde tijden niemand nuttig of getrouw voor zijn stam

kan zijn zonder moed, wordt deze hoedanigheid algemeen het meest

geacht; en hoewel in beschaafde landen een goed doch vreesachtig man

soms veel nuttiger voor de maatschappij is dan een bijzonder dapper,

eeren wij onwillekeurig dezen laatsten instinktmatig meer dan een

lafaard, hoe welwillend deze ook zij. Van den anderen kant is

voorzichtigheid, die geene betrekking heeft op de welvaart van anderen,

hoewel een zeer nuttige deugd, nooit op hoogen prijs gesteld. Daar

niemand de deugden die voor het welzijn van den stam noodig zijn, kan

beoefenen zonder zelfopoffering, zelfbeheersching en geduld, heeft men

aan deze hoedanigheden ten allen tijde een hooge en rechtmatige waarde

gehecht. De Amerikaansche wilde onderwerpt zich zonder een zucht te

slaken aan de afgrijselijkste martelingen om daardoor zijn kracht en

moed te bewijzen en te versterken; en onwillekeurig bewonderen wij hem,

of zelfs een Indischen Fakir die uit dwaze godsdienstige drijfveeren

zich aan een wipgalg laat ophangen door middel van een in zijn vleesch

gestoken haak.

De andere deugden die op het individu betrekking hebben, en waarvan het

niet zoo duidelijk is, dat zij invloed uitoefenen op het welzijn van

den stam, al doen zij zulks in wezenlijkheid toch, zijn door de wilden

nooit hooggeschat, hoewel beschaafde natiën ze thans op hoogen prijs

stellen. De grootste onmatigheid is bij wilden geen ondeugd. Hun groote

losbandigheid, om onnatuurlijke zonden niet te vermelden, is iets

verbazends. [279] Zoodra echter het huwelijk, hetzij met meer dan ééne,

hetzij slechts met ééne vrouw, in gebruik is, zal de ijverzucht leiden

tot het inprenten van vrouwelijke deugd; en zoodra deze geëerd is, zal

zij zich ook meer en meer over de ongehuwde vrouwen beginnen te

verbreiden. Hoe langzaam zij zich onder de mannelijke sekse verbreidt,

zien wij nog tegenwoordig. Kuischheid eischt bijzonder veel

zelfbeheersching, vandaar is zij geëerd geworden sedert een zeer lang

geleden tijdperk van de zedelijke geschiedenis van den beschaafden

mensch. Als een gevolg hiervan is de zinnelooze onthouding van het

huwelijk sedert een ver verwijderd tijdperk als een deugd beschouwd.

[280] De afkeer van onwelvoegelijkheid, die ons zoo natuurlijk schijnt,

dat men hem voor aangeboren houdt, en die een zoo krachtige hulp aan de

kuischheid verstrekt, is een moderne deugd, zooals Sir G. Staunton

opmerkt [281], uitsluitend aan het beschaafde leven eigen. Dit wordt

bewezen door de oude godsdienstige plechtigheden van vele volken, door

de teekeningen op de muren van Pompeji en door de gewoonten van vele

wilden.

Wij hebben nu gezien, dat handelingen door wilden als goed of kwaad

worden beschouwd, en waarschijnlijk door den oorspronkelijken mensch

evenzoo werden beschouwd, alleen naar de wijze waarop zij een

duidelijken invloed uitoefenen op de welvaart van den stam,—niet op die

van de soort, noch op die van den mensch als individueel lid van den

stam. Dit besluit komt goed overeen met het geloof, dat het zoogenaamde

zedelijke gevoel oorspronkelijk uit de sociale instinkten is ontstaan;

want beide hebben eerst uitsluitend op de geheele vereeniging

betrekking. De voornaamste oorzaak van het, naar onze begrippen lage,

zedelijke standpunt der wilden, is eerstens, de beperking van het

medegevoel tot de leden van een zelfden stam. Ten tweede, onvoldoend

vermogen van redeneering, zoodat de invloed van vele deugden, vooral

van die welke op het individu betrekking hebben, op de welvaart van den

stam niet wordt ingezien. Wilden bemerken de vele nadeelen niet, die

voor den stam voortvloeien uit onmatigheid, zedeloosheid enz. In de

derde plaats eindelijk, een zwak vermogen van zelfbeheersching; want

dit vermogen is niet versterkt door lang voortgezette, wellicht

overgeërfde gewoonte, onderwijs en godsdienst.

Ik ben in bovenvermelde bijzonderheden omtrent de zedeloosheid der

wilden [282] getreden, omdat sommige schrijvers in den laatsten tijd

een hoog denkbeeld hebben gegeven van hun zedelijken aard of de meeste

hunner misdrijven aan verkeerd opgevatte welwillendheid hebben

toegeschreven. [283] Deze schrijvers schijnen dit besluit daaruit te

trekken, dat wilden, soms zelfs in hooge mate, die deugden bezitten,

die dienstig of zelfs noodig zijn voor het bestaan van die vereeniging,

welke men stam noemt, en dat zij die deugden bezitten, is aan geen

twijfel onderhevig.

Slotopmerkingen.—Wijsgeeren van de derivatieve [284] zedekundige school

beweerden vroeger, dat de grond der zedelijkheid in een vorm van het

eigenbelang, maar later, dat zij in het „beginsel van het grootste

geluk” was gelegen. Het is echter juister om dit laatste beginsel den

maatstaf, dan om het de beweegreden van het gedrag te noemen. Toch

schrijven alle schrijvers wier werken ik heb geraadpleegd, met weinige

uitzonderingen [285], alsof er voor elke handeling een afzonderlijke

beweegreden moest zijn en of deze gepaard moest gaan met eenig genoegen

of ongenoegen. Maar de mensch schijnt dikwijls van zelf, dat is uit

instinkt of lange gewoonte, zonder eenige bewustheid van genoegen te

handelen, op de zelfde wijze als waarschijnlijk een mier of bij

handelt, als zij blind haar instinkten volgt. Als onder uiterst

gevaarlijke omstandigheden, zooals bij een brand, iemand zonder een

oogenblik te aarzelen een zijner medemenschen tracht te redden, kan hij

moeilijk genoegen gevoelen; en nog minder heeft hij tijd om na te

denken over de onvoldaanheid die hij, indien hij de poging niet deed,

later wellicht zou gevoelen. Als hij naderhand over zijn gedrag

nadacht, zou hij gevoelen, dat er een instinktmatige aandrift in hem

lag, zeer verschillend van het zoeken naar genoegen of geluk; en dit

schijnt het diep ingeplante sociale instinkt te zijn.

In het geval der lagere dieren schijnt het veel eigenaardiger om te

zeggen dat hun sociale instinkten zijn ontwikkeld voor het algemeen

welzijn, dan dat zij zulks zijn voor het algemeen geluk van de soort.

De uitdrukking „algemeen welzijn” beteekent hier de middelen waardoor

het grootst mogelijke aantal individu’s tot volle kracht en gezondheid

en tot groote volmaking hunner vermogens kunnen worden gebracht, onder

de omstandigheden waaraan zij zijn blootgesteld. Daar de sociale

instinkten van den mensch en die van de lagere dieren zich ongetwijfeld

langs den zelfden weg hebben ontwikkeld, zou het raadzaam wezen, als

het werd bevonden mogelijk te zijn, om in beide gevallen de zelfde

uitdrukking te gebruiken en als criterium van zedelijkheid liever het

algemeen welzijn van de vereeniging dan het algemeen geluk te nemen;

maar deze uitdrukking zou wellicht eenige beperking ten opzichte van

politieke zedelijkheid vereischen.

Als iemand zijn leven waagt om dat van een medemensch te redden,

schijnt het juister om te zeggen, dat hij handelt voor het algemeen

welzijn, dan dat hij handelt voor het algemeen geluk van de menschheid.

Ongetwijfeld beteekenen welzijn en geluk voor het individu gewoonlijk

het zelfde, en een tevredene en gelukkige stam zal meer bloeien dan een

ontevredene en ongelukkige. Wij hebben gezien, dat zelfs in een vroeg

tijdperk van de geschiedenis van den mensch, de uitdrukkelijke wenschen

van de vereeniging van zelf een grooten invloed moeten hebben gehad op

het geluk van elk lid; en daar allen wenschen naar geluk, zal het

„beginsel van het grootste geluk” een zeer belangrijke bijkomende

leiddraad en doelwit zijn geworden; terwijl echter de sociale

instinkten met inbegrip van het medegevoel altijd de voornaamste

aandrift en leiddraad gaven. Op deze wijze vervalt het verwijt van den

grond van het edelste gedeelte onzer natuur in het lage beginsel van

eigenbelang te zoeken; tenzij men de voldoening die elk dier gevoelt

wanneer het de aan het zelve eigen instinkten volgt, en de

onvoldaanheid die het gevoelt wanneer het die niet bevredigt,

zelfzuchtig wil noemen.

De uitdrukking van de wenschen en het oordeel van de leden der zelfde

vereeniging, eerst door woorden en daarna door geschreven taal, is,

zooals hierboven is opgemerkt, een hoogst belangrijke bijkomende

leiddraad van ons gedrag en helpt de sociale instinkten: soms is zij

echter met deze in strijd. Van dit laatste is de Wet van Eer een goed

voorbeeld, d.w.z. de wet van de meening onzer gelijken en niet van die

van al onze landslieden. Het overtreden van deze wet, zelfs wanneer het

bekend is dat de overtreding volkomen overeenstemt met ware

zedelijkheid, heeft menigeen meer zieleangst gekost, dan een wezenlijke

misdaad. Wij herkennen den zelfden invloed in het brandend

schaamtegevoel dat de meesten onzer zelfs na verloop van jaren hebben

gevoeld als hun de eene of andere toevallige overtreding van een

nietigen maar vasten regel van etiquette opnieuw voor den geest kwam.

Het oordeel der vereeniging zal gewoonlijk worden geleid door eenige

ruwe ondervinding van hetgeen op den langen duur voor alle leden het

beste is; maar dit oordeel zal niet zelden onjuist zijn wegens

onwetendheid of wegens zwak vermogen van redeneeren. Vandaar zijn de

vreemdste gewoonten en bijgeloovigheden, strijdig met het ware welzijn

en het ware geluk van het menschdom, overal in de wereld almachtig

geworden. Wij zien dit in het afgrijzen dat een Hindoe gevoelt als hij

zijn kaste breekt, in de schaamte van een Mohammedaansche vrouw die

haar gelaat ontbloot, en in tallooze voorbeelden. Het zou moeilijk

zijn, de wroeging welke een Hindoe gevoelt als hij onrein voedsel heeft

gegeten, te onderscheiden van die welke hij gevoelt als hij een

diefstal heeft begaan, maar waarschijnlijk zou de eerste de sterkste

zijn.

Hoe zoovele ongerijmde regelen van gedrag en zoovele ongerijmde

godsdienstige dogma’s zijn ontstaan, weten wij evenmin als waarom zij

in alle deelen van de wereld zulk een diepen indruk op den

menschelijken geest hebben gemaakt; maar het is merkwaardig, dat een

geloof dat gedurende de prille jeugd, wanneer de hersenen gemakkelijk

indrukken opnemen, onophoudelijk is ingeprent, bijna de natuur van een

instinkt schijnt te verkrijgen, en het is het eigenlijke wezen van een

instinkt, dat het onafhankelijk van de rede wordt gevolgd. Evenmin

kunnen wij zeggen waarom zekere bewonderenswaardige deugden, zooals de

waarheidsliefde, door sommige wilde stammen hooger worden geschat dan

door andere [286], noch ook waarom dergelijke verschillen zelfs

tusschen beschaafde volken bestaan. Wetende hoe vast vele vreemde

gewoonten en bijgeloovigheden zijn ingeworteld, behoeven wij ons niet

te verwonderen, dat de op het individu betrekking hebbende deugden ons

nu zoo natuurlijk schijnen dat wij ze voor aangeboren houden, hoewel

zij oudtijds door den mensch niet werden gewaardeerd.

Niettegenstaande vele bronnen van twijfel kan de mensch over het

algemeen zonder moeite de hoogere zedelijke regels van de lagere

onderscheiden. De hoogere berusten op de sociale instinkten en hebben

betrekking op de welvaart van anderen. Zij worden gesteund door de

goedkeuring onzer medemenschen en door de rede. De lagere regels,

hoewel sommige er van, die zelfopoffering vereischen, nauwelijks

verdienen lagere te worden genaamd, hebben vooral betrekking op het

individu en zijn hun oorsprong verschuldigd aan de publieke opinie,

hoewel zij door ondervinding en beschaving zijn gerijpt; want zij

worden door onbeschaafde stammen niet in acht genomen.

Naarmate de mensch in beschaving vooruitgaat en kleine stammen zich tot

grooter maatschappijen vereenigen, zal de meest eenvoudige rede elk

individu doen gevoelen, dat hij zijn sociale instinkten en medegevoel

behoort uit te breiden tot al de leden van de zelfde natie, al zijn zij

hem ook persoonlijk onbekend. Dit punt eens bereikt zijnde, bestaat er

nog slechts een kunstmatige slagboom tegen het uitbreiden van zijn

medegevoel tot alle menschen, van welke natie of ras zij ook zijn.

Indien echter dergelijke menschen door groote verschillen in uiterlijk

of gewoonten van ons zijn gescheiden, bewijst de ondervinding ons

ongelukkig, hoe lang het duurt voor wij hen als onze medemenschen

beschouwen. Medegevoel tot voorbij de grenzen van den mensch, dat wil

zeggen menschelijkheid jegens de lagere dieren, schijnt een der laatst

verkregen zedelijke hoedanigheden te zijn. Zij schijnt door wilden

alleen ten opzichte hunner geliefkoosde huisdieren te worden gevoeld.

Hoe weinig de oude Romeinen haar kenden, blijkt uit hun afgrijselijke

vertooningen van zwaardvechters en gevechten van wilde dieren in het

amphitheater. Het denkbeeld van menschelijkheid zelf is, zoover ik kon

waarnemen, nieuw voor de meeste Gaucho’s van de Pampa’s. Deze deugd,

een der edelste waarmede de mensch is begaafd, schijnt als een

bijkomende zaak te ontstaan, doordat ons medegevoel teederder en verder

verspreid wordt, totdat het zich eindelijk over alle gevoel bezittende

wezens uitbreidt. Zoodra deze deugd door eenige weinige menschen wordt

geëerd en uitgeoefend, verspreidt zij zich door leering en voorbeeld en

soms ook door de publieke opinie onder het jongere geslacht.

De hoogste trap van zedelijke ontwikkeling dien wij kunnen bereiken, is

wanneer wij bemerken dat wij zelfs op onze gedachten toezicht moeten

houden, en „dat de zonden, die het verleden zoo aangenaam voor ons

maakten [287], het voorwerp niet mogen zijn zelfs van onze meest

verborgen gedachten.” Al wat den geest met de eene of andere slechte

handeling gemeenzaam maakt, maakt het verrichten daarvan zooveel te

gemakkelijker. Gelijk Marcus Aurelius reeds lang geleden zeide: „Zooals

uwe gedachten gewoonlijk zijn, zoo zal ook het karakter van uw geest

zijn; want de ziel wordt door de gedachten gekleurd.” [288]

Onze groote wijsgeer Herbert Spencer heeft voor eenige jaren zijn

zienswijze over het zedelijk gevoel bekend gemaakt. Hij zegt [289]: „Ik

geloof, dat de ondervinding van hetgeen nuttig is, gedurende alle

vervlogen menschengeslachten georganiseerd en bevestigd,

overeenkomstige wijzigingen heeft voortgebracht, die door voortgaande

overerving en opeenhooping in ons zekere vermogens van zedelijke

intuïtie zijn geworden—zekere gemoedsaandoeningen, die aan goed en

slecht gedrag beantwoorden en geen grondslag schijnen te hebben in de

individueele opvatting van hetgeen nuttig is.” Het is, dunkt mij, op

zich zelf in het minst niet onwaarschijnlijk, dat deugdzame neigingen

in meerdere of mindere mate worden overgeërfd; want ik heb, om de

verschillende neigingen of gewoonten, door velen onzer huisdieren

overgeërfd, niet te vermelden (5), van gevallen gehoord, waarin een

aandrift tot stelen en een neiging om te liegen zich over families van

den hoogsten stand bleek uit te breiden; en daar stelen bij de

vermogende klassen zulk een zeldzame misdaad is, kunnen wij moeielijk

door een toevalligen samenloop verklaren, dat de aandrift daartoe zich

bij twee of drie leden der zelfde familie voordeed. Indien slechte

neigingen worden overgeërfd, is het waarschijnlijk, dat zulks ook met

goede het geval is. De verschillen die men gelooft dat in dit opzicht

tusschen de onderscheidene menschenrassen bestaan, kunnen niet worden

verklaard, tenzij wij het beginsel van de erfelijkheid der zedelijke

neigingen aannemen. Wij hebben echter tot dusver daaromtrent nog geen

genoegzame zekerheid.

Zelfs de gedeeltelijke erfelijkheid van deugdzame neigingen zou ons van

ontzaglijk veel dienst zijn om de eerste aandrift daartoe direct van de

sociale instinkten en indirect van de goedkeuring onzer medemenschen af

te leiden. Wanneer wij voor het oogenblik aannemen dat deugdzame

neigingen erfelijk zijn, is het waarschijnlijk, ten minste in zulke

gevallen als kuischheid, matigheid, menschelijkheid jegens dieren enz.,

dat zij vooral in de organisatie van den geest worden geprent door

gedurende verscheidene generaties in de zelfde familie voortgezette

gewoonte, leering en voorbeeld, en slechts in zeer ondergeschikte mate

of in het geheel niet, doordat de individu’s welke die deugden

bezitten, het best zijn geslaagd in den strijd om het leven. Mijn

voornaamste reden om elke dergelijke erfelijkheid te betwijfelen is,

dat zinnelooze gewoonten, bijgeloovigheden en smaken, zooals de afschuw

van een Hindoe voor onrein voedsel, volgens het zelfde beginsel ook

erfelijk behoorden te zijn. Hoewel dit op zich zelf wellicht niet

onwaarschijnlijker is dan dat dieren door overerving smaak krijgen in

sommige soorten van voedsel of vrees voor zekere vijanden, heb ik

volstrekt geen bewijzen gevonden voor de erfelijkheid van bijgeloovige

of zinnelooze gewoonten.

De sociale instinkten eindelijk, die zonder twijfel door den mensch,

evenals door de lagere dieren, voor het welzijn der vereeniging werden

verkregen, zullen hem van den beginne af eenige begeerte om zijn

makkers te helpen en eenig medegevoel voor hen hebben ingeboezemd.

Dergelijke aandrijvingen zullen hem in een zeer lang geleden tijd tot

een ruwen regel ter onderscheiding van goed en kwaad hebben gediend.

Maar naarmate de mensch trapsgewijze vooruitging in verstandelijke

vermogens en daardoor in staat werd gesteld om de meer verwijderde

gevolgen zijner daden te overzien; naarmate hij kennis genoeg verkreeg

om verderfelijke gewoonten en bijgeloovigheden te verwerpen; naarmate

hij meer en meer niet alleen op het welzijn, maar ook op het geluk

zijner medemenschen lette; naarmate uit gewoonte, ten gevolge van een

weldadige ondervinding, van leering en voorbeeld, zijn medegevoel

teederder en in ruimer kring werd verspreid, zoodat het zich uitbreidde

over menschen van alle rassen, over onnoozelen, verminkten en andere

nuttelooze leden der maatschappij en eindelijk tot de lagere

dieren—steeg ook het peil zijner zedelijkheid hoe langer hoe meer. Door

zedekundigen van de derivatieve school en door sommige intuïtionisten

nu wordt aangenomen, dat het peil der zedelijkheid werkelijk sedert een

lang verleden tijdvak van ’s menschen geschiedenis [290] is gerezen.

Daar men soms een strijd kan opmerken tusschen de verschillende

instinkten van de lagere dieren, is het niet te verwonderen dat ook bij

den mensch soms strijd ontstaat tusschen zijn sociale instinkten en de

daarvan afgeleide deugden en zijn lagere, hoewel op dat oogenblik

sterkere driften en begeerten. Dit is, zooals de heer Galton heeft

opgemerkt, des te minder te verwonderen, daar de mensch zich in een

vergelijkenderwijs kort geleden tijdvak uit den staat van

barbaarschheid heeft verheven. [291] Wanneer wij voor de eene of andere

verzoeking zijn bezweken, gevoelen wij een soort van onvoldaanheid,

overeenkomende met die, welke wij gevoelen als wij andere instinkten

onbevredigd hebben gelaten, die in dit geval geweten wordt genoemd;

want wij kunnen niet verhinderen, dat beelden en indrukken van vroegere

gebeurtenissen onophoudelijk onzen geest doorkruisen, en deze

vergelijken wij in hun verzwakten toestand met de altijd tegenwoordige

sociale instinkten of met gewoonten in onze prille jeugd verkregen en

gedurende ons geheele leven versterkt, ja wellicht overgeërfd, zoodat

zij ten laatste bijna even sterk als instinkten zijn geworden. Met het

oog op volgende generaties is het niet te vreezen, dat de sociale

instinkten zwakker zullen worden, en mogen wij verwachten, dat de

deugdzame gewoonten sterker zullen worden, omdat zij wellicht door

erfelijkheid worden bevestigd. In dit geval zal de strijd tusschen onze

hoogere en lagere aandriften minder streng zijn en zal de deugd

overwinnen.

Besluit waartoe de in de beide laatste hoofdstukken vermelde feiten

leiden.—Het kan niet worden betwijfeld, dat het verschil tusschen den

geest van den laagsten mensch en het hoogste dier verbazend groot is.

Een anthropomorphe aap zou, als hij een onpartijdig oordeel kon vellen

over zijn eigen toestand, erkennen, dat, hoewel hij een behendig plan

kon vormen om een tuin te plunderen, hoewel hij steenen gebruikte om

mede te vechten of noten open te breken, de gedachte om uit een steen

een werktuig te vervaardigen, zijn bevatting verre te boven ging. Hij

zou erkennen, dat hij nog minder een redeneering over bovennatuurkunde

kon volgen of een meetkundig vraagstuk oplossen of over het bestaan van

God nadenken, of een grootsch natuurtafereel bewonderen. Sommige apen

zouden echter waarschijnlijk verklaren, dat zij de schoonheid van het

gekleurde vel en den pels hunner echtgenooten bewonderden. Zij zouden

erkennen, dat, hoewel zij door geluiden aan andere apen sommige hunner

gewaarwordingen en hun meer eenvoudige behoeften kenbaar konden maken,

het denkbeeld om bepaalde denkbeelden door bepaalde klanken uit te

drukken nooit in hun geest was opgekomen. Zij zouden er wellicht op

wijzen, dat zij bereid waren hun medeapen van de zelfde bende op vele

wijzen te helpen, hun leven voor hen te wagen en voor hun weezen te

zorgen, maar zij zouden genoodzaakt zijn te erkennen, dat belangelooze

liefde voor alle levende schepselen, de edelste eigenschap van den

mensch, hun bevatting ver te boven ging.

Toch is het geestelijk verschil tusschen den mensch en de hoogere

dieren, hoe groot het ook zij, zeker slechts een verschil in

hoeveelheid en niet in hoedanigheid. (6) Wij hebben gezien, dat de

verschillende gemoedsaandoeningen en vermogens, zooals liefde,

geheugen, oplettendheid, nieuwsgierigheid, nabootsing, rede enz.,

waarop de mensch trotsch is, ook in wordenden of zelfs somtijds in goed

ontwikkelden toestand bij de lagere dieren kunnen worden gevonden. Zij

zijn ook vatbaar voor een zekere erfelijke verbetering, zooals wij zien

in den huishond bij vergelijking met den wolf of jakhals. Indien wordt

volgehouden, dat sommige vermogens, zooals zelfbewustzijn, het vermogen

om afgetrokken denkbeelden te vormen enz., uitsluitend aan den mensch

eigen zijn, kan het wel zijn, dat deze toevallige uitvloeisels zijn van

andere hoog ontwikkelde verstandelijke vermogens; en deze zijn op hun

beurt voornamelijk het gevolg van het voortdurend gebruik van een hoog

ontwikkelde taal. Op welken leeftijd komt het pasgeboren kind in het

bezit van het vermogen om afgetrokken denkbeelden te vormen, of op

welken leeftijd wordt het zelfbewust en begint het na te denken over

zijn eigen bestaan? Wij kunnen die vraag niet beantwoorden en evenmin

kunnen wij haar beantwoorden met betrekking tot de opklimmende reeks

der organische wezens. Het half kunstmatige en half instinktmatige van

de taal draagt nog den stempel van haar trapsgewijze ontwikkeling. Het

veredelende geloof aan God is niet aan alle menschen eigen, en het

geloof aan de werking van geestelijke invloeden volgt op natuurlijke

wijze uit zijn andere geestvermogens. Het zedelijk gevoel is wellicht

het beste en hoogste kenmerk waardoor de mensch zich van de lagere

dieren onderscheidt; maar ik behoef daarover niets meer te zeggen, daar

ik zoo even nog heb trachten aan te toonen dat de sociale

instinkten—het grondbeginsel van ’s menschen zedelijken aanleg

[292]—met behulp van de werkzaamheid zijner verstandelijke vermogens en

de uitwerkselen der gewoonte op natuurlijke wijze leiden tot den gulden

regel: „Alle dingen dan, die gij wilt dat de menschen u souden doen,

doet gij hun oock alsoo”; en dit is de hoeksteen der zedelijkheid.

In een volgend hoofdstuk zal ik eenige weinige opmerkingen maken over

de stappen en middelen waardoor de verschillende verstandelijke en

zedelijke vermogens van den mensch zich waarschijnlijk trapsgewijze

hebben ontwikkeld. Dat dit ten minste mogelijk is, kan niet wel worden

ontkend, daar wij hun ontwikkeling dagelijks in elk kind aanschouwen en

daar wij door onmerkbare overgangen van den geest van een volkomen

idioot, lager staande dan het laagste dier, kunnen opklimmen tot dien

van een Newton.

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2) · 第 57 / 111 题