Dr. H. HARTOGH HEYS VAN ZOUTEVEEN. [240]

Zoowel als de mensch, geven vele dieren door geluiden hun aanwezigheid,

gewaarwordingen en wenschen te kennen. Alleen de mensch brengt echter

[241] den vorm van het geluid in verband met een voorwerp buiten hem,

en gaat dan nog verder en brengt het geluid op dergelijke wijze in

verband met algemeene begrippen en gedachten.

Het is onmogelijk in elk geval uit te maken, waarom een vogel zeker

geluid maakt; evenmin waarom een mensch die alleen is, zingt (zingen

hier in de beteekenis genomen van b.v. een deuntje neuriën, zonder de

woorden uit te spreken, of ten minste op de beteekenis te letten).

[242] Oorspronkelijk kan beide niets anders zijn dan een levensuiting

die met geen bepaalde bedoeling wordt gedaan, evenals het rondspringen

van het kind of het jonge dier. De ervaring verbindt daarmede echter

feiten die men langzamerhand door het maken van het geluid

verwezenlijkt tracht te krijgen, hetzij zulks uit overleg of instinkt

geschiedt. Zulk een spreekuiting van de laagste soort is de loktoon der

vogels in den herfst. In den zomer verspreiden zich de vogels in

afzonderlijke families, maar in den herfst, als het voedsel slechts op

bepaalde plaatsen is te krijgen, of de tocht naar de landen waar zij

zich ’s winters ophouden, moet worden ondernomen, hebben zij er belang

bij met de ervaring van allen te rade te gaan, en in zoo groot

mogelijke scharen te reizen. Hiertoe dient de loktoon, dien de vogelaar

op verraderlijke wijze misbruikt. Als een sijsje omstreeks dezen tijd

de elzen afzoekt, verzuimt het niet, intusschen onvermoeibaar een en

den zelfden toon te laten hooren. Het heeft daarbij geen bepaald doel;

het maakt geluid omdat het er aandrang toe gevoelt, en de aard van dat

geluid wordt bepaald door den bouw zijner stemorganen. Dit geluid

voortbrengen heeft echter voor den vogel een zeer nuttig gevolg, het

roept als het ware aan de andere sijsjes toe: „Hier is een sijsje!”

Door den trek naar gezelligheid geleid, komen deze nu naar het eerste

sijsje toe, maken het zelfde geluid, dat nu echter door hun aantal

sterker klinkt, en roepen dus vereenigd weder als het ware aan wederom

andere sijsjes toe: „Hier zijn sijsjes!”

Al moge de vogel ook nooit meer dan dit, en zelfs eigenlijk nauwelijks

dit willen zeggen, kunnen de anderen door dat geluid nog veel andere

dingen hooren. Uit het hoe langer hoe meer uit de verte klinken van het

geluid, hoort de vogel het bericht: „Wij vliegen weg, kom met ons

mede!”—en als het geluid naderbij komt, zegt het hun: „Daar komen wij

aan!”

Een dergelijk nuttig gebruik heeft natuurlijk ook de oorspronkelijke

mensch van zijn stem gemaakt. Als menschen in een bosch elkander hebben

verloren, roepen zij thans nog dikwijls luid, zonder dat dat geluid op

zich zelf iets uitdrukt. Nu hebben echter de stemorganen van elk

individueel mensch een bijzonderen klank, waaraan degeen die hem hoort

roepen, ook zonder woorden den persoon die roept, kan herkennen. Dit

geroep in het bosch zegt dus niet alleen: „Hier is een mensch!” maar:

„Hier is A. of B.!” Tevens drukt ’s menschen stem in nog hoogere mate

dan die van het dier zijn gemoedstoestand uit. Hij gevoelt een

natuurlijken aandrang om bij smart te schreien, een klagend geluid te

maken, bij vreugde te juichen. Als dus twee oorspronkelijke menschen in

het bosch elkander (zonder nog woorden te bezigen) op bovenvermelde

wijs riepen, kon hun stem niet slechts uitdrukken: „Hier is A.” maar

daarenboven: „A. is ginds in het woud zeer blijde” of „A. is ginds in

het woud zeer treurig”. Daar de verwachtingen en zorgen van die

oorspronkelijke menschen veel eenvoudiger en minder verscheiden waren

dan de onze, en hen in het woud vooral het vinden van voedsel verheugd

en het ontmoeten van een gevaarlijk roofdier (of vijand) verschrikt zal

hebben, ligt het voor de hand, dat men dit zal hebben verstaan als: „A.

heeft ginds in het woud voedsel gevonden” en „A heeft ginds in het woud

een gevaarlijk roofdier (of vijand) aangetroffen”. Welk voedsel hij

aangetroffen of welk roofdier (of vijand) hij ontmoet had, kon men

echter niet verstaan, en moest naar hem toe gaan om het te zien als men

het wilde weten.

Als echter wellicht slechts een enkele eetbare vrucht of een enkel

schrikverwekkend roofdier in dat woud was voorgekomen, zouden de beide

kreten voor de familieleden van A. een enger beteekenis hebben gekregen

en zich zoodanig in hun gedachten hebben kunnen verbinden, dat zij voor

de familieleden de namen van die vrucht en dat roofdier waren geworden.

Die namen zouden echter onverstaanbaar zijn geweest voor menschen eener

andere streek, waar andere vruchten en roofdieren voorkwamen. (Een

hagedissenliefhebber van het zwarte ras zal op het zien van zulk een

diertje ook een ander geluid maken dan een blanke jonge dame, en op die

wijze kan dus al zeer vroeg de kiem zijn gelegd voor een babylonische

spraakverwarring.)

Ook de als tusschenwerpsels gebezigde uitroepen die de natuur zelve aan

de menschelijke borst ontlokt, zijn door de gewoonte in onze spraak

blijven leven en maken in het gewone leven een veel grooter deel

daarvan uit dan men uit de spraakleer zou meenen, die ze slechts als

een der tien soorten van rededeelen beschouwt. Deze wijze van

uitdrukken treedt meer op den voorgrond, naarmate een taal minder

volkomen is of er een onbeschaafder gebruik van wordt gemaakt, en men

hoort nu nog het volk dikwijls samenspraken houden, waarbij de eene

partij zich bijna alleen bedient van tusschenwerpsels, die afwisselend

bijval, schrik, ongeloof, medelijden, afschuw enz. te kennen geven.

Zelfs is er nog een overblijfsel van te vinden in de oude Duitsche

rechtspleging. De wanhoopkreet: „Jo, io” heeft op zich zelf geen

beteekenis, maar hij die hem hoorde, wist dat er een misdaad werd

gepleegd en hij verplicht was te helpen. Zoo ontstonden na bijvoeging

van een woord dat den aard der misdaad uitdrukte, de bekende kreten

„Dieb-io” en „Mord-io” waarvan de Duitschers nu nog de uitdrukking

„Mordio roepen” hebben overgehouden.

Dit alles kunnen wij echter nog niet gelijkstellen met een menschelijke

taal, waarvan men ten minste kan verlangen, dat elk geluid zoo nauw

verbonden is met het begrip van een handeling of voorwerp, dat elk met

die taal bekende zich met het geluid ook dadelijk van de beteekenis

bewust wordt. En zoo staan wij voor de veelbesproken vraag, of er ééne

oorspronkelijke taal heeft bestaan, met andere woorden, of ooit alle

menschen de hun bekende voorwerpen met den zelfden naam hebben genoemd

en de onderlinge betrekking der dingen op de zelfde wijze aangeduid.

Tegen de laatste bewering voert de vergelijkende taalwetenschap genoeg

bewijzen aan, daar de verschillende taalstammen der menschen juist

daarin van elkaar afwijken, dat zij de betrekking waarin de begrippen

onderling staan, op geheel verschillende wijze uitdrukken.

Er blijft dus slechts in zooverre de mogelijkheid over van een eerste

algemeene taal, als deze aan de zelfde begrippen de zelfde geluiden zou

hebben verbonden; maar daar zij elke uitdrukking voor de onderlinge

betrekking miste, zou zij dan veel armer moeten zijn geweest dan de

meeste tegenwoordige talen. Dat zulk een taal mogelijk is, bewijst

onder de oudere talen het Chineesch, dat geen bijzondere vormen voor

zulke betrekkingen kent, en onder de nieuwere het Engelsch, dat ze voor

een groot deel weder heeft afgeslepen en over boord geworpen. Dit

laatste geschiedt het gemakkelijkst bij overbrenging van een taal op

volken die een andere taal spreken. Het is dan veel gemakkelijker de

namen der begrippen en dingen te onthouden, dan de meestal verminkte en

daardoor onherkenbare betrekkingsvormen in zich op te nemen. Deze laten

wij onwillekeurig zelven weg, als we iemand die onze taal slechts

weinig kent, iets duidelijk willen maken. Wij noemen dan de

zelfstandige naamwoorden in den vorm die ons het duidelijkst de

beteekenis schijnt weêr te geven, en de werkwoorden in de onbepaalde

wijs, zoodat de onderlinge betrekking alleen aan de opvolging der

woorden is te herkennen. Zoo heeft het Latijn een overvloed van

betrekkingsvormen in zijn declinaties en conjugaties en daarbij een

groote vrijheid van woordvoeging; daarentegen hebben het Fransch en het

Engelsch slechts een overblijfsel van die vormen en een vaste

woordschikking.

Tylor geeft ons in een Chineeschen zin het volgende beeld van een oude

taal. Kou, chi, shi, jen, sse, beteekent woordelijk: „hond, zwijn,

eten, mensch, voedsel”; maar de Chinees ziet uit de woordschikking dat

de zin beteekent: honden en zwijnen eten het voedsel der menschen. Ook

voor de bij ons gebruikelijke vormen van zelfstandig naamwoord,

bijwoord en werkwoord heeft het klassieke Oud-Chineesch geen

onderscheidingsteekenen. Thwan beteekent in die taal kogel, rond,

rondmaken, in het rond zitten, enz., en uit het verband moet blijken

wat er mede bedoeld is.

Zooals gezegd is, blijft ons dus voor de onderstelde oorspronkelijke

taal niets over dan een hoeveelheid aan allen gemeenzame geluiden, die

voor allen met de zelfde begrippen zijn verbonden geweest. Wij moeten

dus nagaan of deze onderstelling werkelijk kan worden toegepast op alle

soorten van woorden die wij rededeelen noemen. Onder de woorden welke

met zelfstandige begrippen zijn verbonden, hebben wij sommigen, die

grammaticale rededeelen worden genoemd, en welke in geregelde zinnen

niet kunnen worden gemist, zooals de voorzetsels en de voornaamwoorden.

Nu zien wij bij vergelijking der talen spoedig, dat deze in nauwen

samenhang met de betrekkingsuitdrukkingen staan en dat de verschillende

taalfamiliën zich ook op dit gebied zelfstandig hebben bewogen. Zoo

heeft het Latijn voor ons woordje „met” een zesden uitgang of naamval,

vele Slavische talen een zevenden en de laatsten voor ons „in” een

zesden. [243] Het Chineesch echter heeft daarvoor in het geheel geen

woorden gehad, maar gebruik gemaakt van den voorhanden voorraad.

Zoo zegt de Chinees in plaats van „een mensch met den stok dooden” op

zijn wijze „dooden menschen gebruiken stok.” De Mandingo-neger denkt op

de zelfde manier bij het begrip „ingesloten zijn” aan zijn buik, en

zegt, in plaats van in huis „huis buik”, en bij het begrip „dragen” aan

zijn nek, en zegt in plaats van op de tafel „tafel nek”. Zoo zijn dan

langzamerhand de zelfstandige naamwoorden kous (buik) en kang (nek)

voorzetsels geworden.

Met de voornaamwoorden zijn de verschillende taalstammen even

zelfstandig te werk gegaan en de beschaving moet bij sommige volken

reeds op een vrij hoogen trap van ontwikkeling hebben gestaan, vóór zij

in de taal werden opgenomen. Zoo gebruikten de Groenlandsche Eskimo’s

eerst het woordje daar voor den aangesproken en hier voor den eersten

persoon, de Maleier maakte van het woordje „amba”, dienaar, zijn eerste

en van „toewan”, heer, zijn tweede persoon. Ook bij kinderen kan men

opmerken, hoe moeielijk het den ongeoefenden geest valt zich een

voorstelling te maken van de telkens wisselende betrekking tusschen de

verschillende personen. Op het schreeuwen, als eenvoudige levens- en

gevoelsuiting, volgt het verbinden van verschillende geluiden met

verschillende voorwerpen en personen, maar als een persoon eenmaal een

bepaalden naam heeft ontvangen, behoudt hij dien voor het kind,

onverschillig of hij in een gesprek als aangesproken of als sprekende

persoon voorkomt. Zoo zal het, van zich zelf sprekende, zeggen, „Karel

geeft dit aan Hans”, maar eerst na eenige jaren zal het in het zelfde

geval „ik geef het aan u” zeggen. Het kan er zich nog niet indenken,

dat een zelfde persoon nu eens ik, dan eens gij en dan weer hij kan

worden genoemd. Over deze moeielijkheid, welke het kind door onzen

invloed in een paar jaar leert overwinnen, hebben de vroegste menschen,

die geen opleiding genoten, niet zoo spoedig kunnen heênkomen, en dus

kunnen wij voor deze ontwikkeling der taal een zeer geruimen tijd

vaststellen, waarin de menschen echter ver verspreid kunnen zijn

geraakt en zeer verschillende wegen kunnen hebben ingeslagen om het

doel te bereiken.

Ook het bezit van grammatikale rededeelen moeten wij dus aan de

oorspronkelijke taal ontzeggen en zoo kunnen wij ons haar dan niet

anders meer denken dan als bestaande uit een reeks geluiden, behoorende

bij begrippen van voorwerpen, handelingen en eigenschappen, dus uit

zelfstandige naamwoorden, werkwoorden en bijvoegelijke naamwoorden.

Maar ook hiervan moeten wij weder iets loslaten. Het bijvoegelijk

naamwoord is namelijk òf één met het zelfstandig naamwoord, zooals in

het Chineesche woord voor kogel, òf ontstaan door verwijzing naar een

zichtbaar voorwerp ter vergelijking, zoodat eigenlijk alleen het

daarvoor gebruikte spraakbeeld een zelfstandig deel der taal uitmaakt.

Zoo vergeleek de Tasmaniër in zijn taal het harde met den steen en het

ronde met de maan. Uit het spraakgebruik der oude Hebreërs heeft men

willen afleiden, dat zij kleuren slechts onvolkomen konden waarnemen,

daar men de zelfde kleur vergelijkenderwijze aan het gras en aan den

hemel toegekend vond. Inderdaad ligt echter juist in de vergelijking de

onderscheiding opgesloten en berust ook op de vergelijking het

toekennen van eigenschappen. Men kan dit zelfs nog aan vele

Nederlandsche bijvoegelijke naamwoorden zien. De uitgang lijk, Duitsch

lich, vroeger lîck, steekt in ons woordje gelijk, Duitsch gleich,

middelhoogduitsch gelîch, maar ook hierin steekt weder het zelfstandig

naamwoord „lich” (lijk), dat oorspronkelijk lijf (lichaam) beteekent en

nog voor een dood lichaam wordt gebruikt. Wat wij dus nu kortweg

heerlijk noemen, moet in oude tijden zeer omslachtig worden uitgedrukt

door aan te duiden, dat iemand of iets naar het „lijf” of naar het

uiterlijk een heer, „een heer gelijk” scheen.

Er blijft ons dus niets over dan de mogelijkheid, dat de menschen eens

allen de voorwerpen en handelingen door de zelfde woorden aanduidden,

en het is nu de vraag, of er in het wezen der dingen zelf iets lag, dat

de menschen om zoo te zeggen dwong hen in de onderstelde

oorspronkelijke taal juist met een bepaalden klank uit te drukken. Bij

een groep van woorden, zooals „brommen” en „piepen” en de namen van de

vogels koekoek en kievit schijnt deze onderstelling waarheid te

bevatten, en men heeft wel eens geloofd, op die natuurtonen en de

daaruit voortkomende toonschildering de geschiedenis der talen te

kunnen gronden. Maar ofschoon het zeker is, dat vele woorden zoo zijn

ontstaan, kan dit toch alleen het geval zijn geweest, waar sprake was

van voorwerpen en handelingen die met een bepaald geluid in verband

staan, en daar bovendien door bijna ieder individu het zelfde geluid

verschillend wordt opgevat en weêrgegeven, kan ook de nabootsing er van

niet als algemeene regel voor het ontstaan der taal gelden.

Het is nu de vraag hoe de mensch er toe is gekomen om aan de overige

voorwerpen en handelingen een naam ter onderscheiding te geven.

Natuurlijk had hij op den laagsten trap zijner ontwikkeling, toen het

zoeken naar voedsel slechts werd afgewisseld door slapen en rusten, de

spraak alleen noodig, waar zij voor zijn levensbehoeften dienstig kon

zijn, b.v. om mede te deelen wat hij met behulp van anderen wilde doen

of laten, wat hem vreugde of wat hem angst veroorzaakte, en zoodra

anderen de hiervoor door hem gebruikte geluiden in den zelfden zin

opvatten en weder gebruikten, werden zij de namen der voorwerpen en

handelingen, doch deze konden alleen gelden voor degenen die in

onmiddellijke persoonlijke betrekking tot elkander stonden en leefden.

Daar deze geluiden allen slechts werden veroorzaakt door een zekeren

graad van opgewondenheid, is deze natuurlijk ook van invloed geweest op

de keuze er van, maar dit is geen bewijs voor een (natuurlijke)

oorspronkelijke eenheid van woorden, daar nauwelijks twee menschen op

de zelfde wijze uiting geven aan een gevoel van vreugde of angst. De

keuze van de zelfde geluiden voor de zelfde zaken is dus het gevolg

geweest van een overeenkomst tusschen de verschillende leden van eene

kleine groep menschen of familie, en de rang van den spreker was daarop

van veel invloed. Bevelen en zaken die de jacht betroffen, zullen door

allen op de zelfde wijze uitgedrukt zijn als de vader, het hoofd der

familie, dat gewend was te doen, daarentegen trad in den huiselijken

kring de individualiteit der moeder meer op den voorgrond, en daar het

kind in dien kring het eerst geluiden en begrippen met elkander leerde

verbinden, heeft men deze wijze van overleveren met recht de

„moedertaal” genoemd. Hierdoor wordt ook opgehelderd, dat de zelfde

naam voor vader en moeder over bijna den geheelen aardbodem verspreid

is. Deze naam wordt gevormd door de lettergrepen ma-ma, pa-pa, ba-ba,

ab-ba, ta-ta, at-ta, na-na en dergelijke en is op soortgelijke wijze

ontstaan, met dit verschil, dat hier het kind de naamgever was. De

eerste klanken welke het kind onopzettelijk uitbracht, werden op de

naaste omgeving toegepast, en dat deze over de geheele wereld de zelfde

zijn, vindt zijn oorzaak in de onontwikkelde stemorganen van het kind,

dat begint met opzet den adem door de even tevoren nog gesloten lippen

uit te stooten en daardoor juist die geluiden voortbrengt. Dat het de

zaak der omgeving was dezen kleinen woordenvoorraad over de naaste

personen te verdeelen, bewijst de omstandigheid, dat bij sommige volken

het woordje pa moeder en ma vader beteekent.

Het groote gewicht der keus voor de ontwikkeling eener taal heeft ons

C. Abel aangetoond bij het oud-Egyptisch, de oudste der ons bekende

talen. De eerste pogingen tot vorming eener taal kunnen alleen tot het

ontstaan eener familietaal hebben geleid. Zulke families breidden zich

echter, vooral als zij een nomadische levenswijze hadden, meer en meer

uit, en werden kleine volken en stammen. Splitste zulk een familie

zich, dan behielden de afzonderlijke vertakkingen niet lang meer de

zelfde taal, daar deze, hoewel in den beginne zeer arm, in den loop der

tijden hoe langer hoe rijker werd. Zij hielden dan nog slechts eenige

woorden uit de oorspronkelijke familietaal als gemeenschappelijk

eigendom over. Nu zijn er twee wijzen waarop zulke families volken en

staten vormden. In het eene geval sloten de naastbij wonenden den

vredebond, zooals in de kleine staten van Gothland en IJsland is

geschied; in het andere onderwierp de eene familie de andere aan het

vaderlijk gezag van haar hoofd, zooals geschiedde bij de Aziatische

volken in de oudheid en bij de Russen in de Middeleeuwen. In Egypte

vonden beide wellicht na elkander plaats. In de vroegste oudheid sloten

misschien de families welke in naburige gouwen leefden, verbonden,

terwijl zij bij den aanvang der geschiedenis onder het hoofd van ééne

gouw vereenigd waren. Het onvermijdelijk gevolg was een onderlinge ruil

van woorden en een nieuwe keuze uit den nu zoo oneindig veel grooter

geworden woordenschat.

Bezien wij nu de Egyptische taal in den oudsten ons bekenden vorm, d.i.

na de vereeniging der families, eenigszins nader, dan geeft zij ons een

schouwspel tegelijk van grooten rijkdom en diepe armoede te zien, wat

alleen kan worden verklaard door de boven besproken wijze van

taalvorming. Haar armoede bestaat hierin, dat haast elk woord een

groote verscheidenheid van begrippen moet uitdrukken, haar rijkdom

daarin, dat zij voor bijna iedere zaak een geheelen voorraad

verschillende namen heeft. Uit een door C. Abel aangevoerd voorbeeld

zien wij, dat het woord „áb” tegelijk beduidt: dansen, hart, kalk,

muur, weggaan, verlangen, linkerhand en figuur. Voor het woord „zalven”

daarentegen heeft het Egyptisch tien, voor andere voorwerpen en

handelingen nog veel méér verschillende woorden, en terwijl voor alle

genoemde Nederlandsche woorden nog verscheidene andere uitdrukkingen

bestaan dan áb, heeft elk der tien Egyptische voor zalven nog een

menigte andere beteekenissen daarbij. De verzekering dat het

Oud-Egyptisch overrijk was aan synonymen en homonymen, maakt ons de

zaak niet veel duidelijker. Maar wel wordt de zaak duidelijk, als wij

de stelling aannemen, dat niet alle woorden met verschillende

beteekenissen tegelijk in al die beteekenissen op de zelfde plaatsen

zijn gebruikt, alsook dat niet overal het zelfde ding gelijktijdig zulk

een groot aantal namen heeft gehad. Wij hebben hier dus een historisch

voorbeeld van de ontwikkeling eener volkstaal uit oude familietalen.

Bij de keuze van namen voor de begrippen heeft geen enkele familie zich

aan de andere gestoord en ging ieder zijn eigen weg. Later kwam de zoo

verkregen woordvoorraad in omloop bij het verkeer aan de gouwmaaltijden

en greep een onderlinge ruil plaats; nog later had het zelfde proces op

veel grooter schaal plaats, en zoo ontstond langzamerhand een taal,

waarbij men met elk woord veel kon uitdrukken en tevens het zelfde op

velerlei wijzen kon zeggen, ofschoon in de praktijk zeker niemand dezen

geheelen woordenschat in zijn macht had. Als wij nagaan, hoe moeielijk

het moet zijn geweest zich in zulk een taal uit te drukken, bemerken

wij tevens, hoe onvolkomen de menschelijke taal destijds nog moet zijn

geweest, ofschoon zij toen ter tijde zelfs reeds werd geschreven. Voor

den ingewijde laat het Egyptisch schrift geen twijfel over aan de

uitspraak der woorden, maar dit was bij het overgroot aantal

beteekenissen niet voldoende. Daarom voegde men achter elk woord nog

een beeld, dat aanduidde in welke groep van begrippen men het bedoelde

voorwerp moest zoeken. Teekende men b.v. achter het geschreven woordje

áb een dier, dan werd er zonder twijfel een kalf mede bedoeld. Waar men

nu zulke verklarende teekens (bij het schrift) gebruikte, moeten er ook

bij het spreken noodig en voorhanden zijn geweest.

Dikwijls brachten reeds de omstandigheden mede, dat geen nadere

verklaring noodig was. Als b.v. de herder zijn meester iets mededeelde,

wist deze in welken kring van denkbeelden hij de zaken moest zoeken,

waarover de man met hem wilde spreken. Bovendien speelden de

gebarentaal en de toon toen een groote rol bij het spreken, waarvan zij

zelfs nu nog niet geheel afstand hebben gedaan, getuige den maatstaf

welke het gebruik er van nog aangeeft voor de meerdere of mindere

beschaving van een spreker. Het gesproken woord was toen om zoo te

zeggen het signaal, dat aankondigde, dat er een mededeeling, in dit

geval door een gebaar uitgedrukt, plaats had; later bevatte door

toedoen van het telkens meer uitkiezen van woorden de uitroep zelf de

mededeeling en werd het gebaar het er aan toegevoegde, verklarende

teeken, totdat het eindelijk de taak der meest ontwikkelde talen werd,

zich alleen in woorden uit te drukken. Ook de toon van spreken moet

onder de verklarende teekens worden gerangschikt, welke rol hij nu nog

in de Chineesche en Siameesche talen vervult, waar een woord dikwijls

verschillende beteekenissen heeft, welke alleen van elkander worden

onderscheiden door den toon waarop men het uitspreekt. De oorzaak dezer

homonymie kan niet de eenlettergrepigheid der woorden zijn, daar de

Thibetaansche taal ontzettend lange woorden bezit, welke in de

schrijftaal op een dergelijke wijze worden behandeld, daar er namelijk

als verklaringen een menigte letters aan de woorden voorafgaan, welke

niet kunnen worden uitgesproken.

Intusschen bleef de Egyptische taal niet staan bij dezen onbegrensden

rijkdom van woorden. Het eerst begon men zich natuurlijk te beperken in

de keuze van uitdrukkingen voor zaken welke dikwijls in het openbaar

verkeer werden genoemd. Zoo zullen de onderworpen stammen b.v. den

koning niet den bij hen gebruikelijken naam hebben gegeven, maar dien,

welke bij de heerschende partij in zwang was. Op de zelfde wijze werden

ook onder de overige woorden meer en meer de meest geschikte en in

omloop zijnde gekozen en geraakten de andere in vergetelheid. Toen men

het Oud-Egyptisch begon te schrijven, was deze ontwikkeling der

volkstaal reeds zoover gevorderd, dat sommige woorden geen homonymen

meer waren en er nauwelijks meer synonymen voor bestonden. De

schrijftaal welke tot heilige doeleinden werd gebruikt (de hiëroglyphen

en het zoogenaamde hiëratische schrift), hield nog het meest aan het

oude vast, maar in de spreektaal (en naar wij onderstellen, ook in het

demotische schrift) werd zonder ophouden het zelfde proces voortgezet

en leidde langzamerhand tot het ontstaan van het Koptisch, dat in een

tijdsverloop van drie eeuwen zulke veranderingen heeft ondergaan, dat

de woorden bijna evenals bij ons over de begrippen zijn verdeeld, en

dat, waar een woord nog verschillende, ofschoon nu nog alleen verwante,

beteekenissen heeft, deze toch aan de eene of andere kleine

vormverandering gemakkelijk zijn te herkennen, ongeveer zooals bij ons

graf, groeve, gracht, het zelfde woord zijn, maar in begrip en vorm een

weinig verschillen.

De wijze waarop tegenwoordig de talen verspreid zijn, wijst ons op een

dergelijk ontwikkelingsproces als de Egyptische taal heeft doorloopen.

Men kan de talen naar de verspreiding in twee hoofdgroepen verdeelen.

Aan den eenen kant breidt zich een taal over een groote oppervlakte uit

over verschillende volken en stammen. Zoo kan men b.v. dwars door

Europa gaande, vijftig dagen lang zich alleen met Duitsch verstaanbaar

maken, aan den anderen kant wisselt bij sommige volken de taal met elke

dagreis, ofschoon zij tot een en het zelfde ras behooren.

Bij de laatstgenoemden is zij nog veranderlijk en in wording, terwijl

zij bij de eersten, vergelijkenderwijze gesproken, reeds voltooid is en

een vasten vorm heeft aangenomen.

Deze beide groepeeringen nu gaan hand aan hand met de verschillende

wijze van organisatie der Europeanen en Aziaten aan de eene en der

oorspronkelijke Amerikaansche stammen aan de andere zijde. Bij de

eersten heeft men geen ongeorganiseerde menschengroepen en bij gevolg

geen ontluikende en weder verdwijnende familietalen, in Amerika echter

„staat”, zooals Peschel zich uitdrukt, „de buitengewone verscheidenheid

van talen in nauwen samenhang met de ongeregelde levenswijze der

zwervende jagerstammen. Waar daarentegen ordelijke maatschappijen

bestonden, zooals in het oude Peru, kon de heerschende Quechua-taal

zich ook over meer dan 20 breedtegraden uitbreiden.” In Brazilië en

Guiana echter, in de onmiddellijke nabijheid van den ouden Peruaanschen

Staat, bestaat nu nog de grootst mogelijke spraakverwarring en wordt

elke taal slechts door een enkel stammetje begrepen, waarin eerst aan

de kusten door den invloed van zendelingen eenige verbetering is

gebracht, zoodat nu ééne taal door verscheidene stammen wordt begrepen.

Zulk een taal echter is nog altijd zeer bewegelijk en verandert

dikwijls. Peschel voert aan, dat bij kleine stammen dikwijls het zelfde

plaats grijpt als bij kinderen, die aan verschillende voorwerpen zelf

gemakkelijk uit te spreken namen geven, welke het huisgezin overneemt,

en zegt, dat (bij Braziliaansche jagers) dit kinderlijke aanwensel tot

een gewoonte der volwassenen is geworden, waardoor de afzonderlijke

stammen niet alleen door de spoedige ontwikkeling van dialecten

onverstaanbaar worden voor hun vroegere taalverwanten, maar bij hen ook

ieder uit eigenzinnigheid aan zijn eigen uitspraak vasthoudt. Een

omstandigheid die veel bijdraagt tot de groote veranderlijkheid der

taal, is het godsdienstige gebruik om den naam van een overledene niet

meer te noemen. Zelfs de woorden waarin de zelfde letters voorkomen als

in den naam van den overledene, mogen een tijdlang niet worden

gebruikt. Zoodra een taal over een groote uitgestrektheid wordt

gesproken, bepaalt zich dit tot een zeker tijdsverloop, gedurende ’t

welk die woorden in zwang blijven bij de families welke niet tot den

doode in betrekking stonden, om later weêr in het algemeen gebruik te

worden opgenomen; is er echter alleen van een familietaal sprake, dan

raken zij in vergetelheid en moeten er nieuwe voor in de plaats worden

genomen. [244] Dit gebruik heerscht nu nog onder de Papoea’s op

Nieuw-Guinea, de Nieuw-Hollanders, Tasmaniërs, de Masai’s en Zoeloe’s

in Oost-Afrika, de Vuurlanders, Abiponers enz. Bij het laatstgenoemde

volkje was het de taak der vrouwen nieuwe woorden uit te denken.

Na al het boven gezegde kunnen wij haast met zekerheid de slotsom

trekken, dat van een algemeene oorspronkelijke taal, waaruit al de

tegenwoordige talen zich zouden hebben ontwikkeld, geen sprake kan

zijn, en tevens, dat de taal vorming geheel onafhankelijk is van de

ontwikkeling en afbakening der rassen. Zoo bestaan b.v. de Grieken

volgens Lippert den Semieten nader dan den Germanen, maar naar de

indeeling in taalgroepen behooren zij tot de zelfde groep als de

laatsten (Indo-Germaansche talen), en niet tot die der eersten. Over de

taal beslist niet het verschil van ras, maar wel de meestal onbekende

voorgeschiedenis der volken. Als ten tijde der afscheiding der Ariërs,

Iraniërs, Kelten enz. het stamvolk der Indo-Germanen nog uit

jagerstammen had bestaan, zouden de talen der genoemde volken niet

kunnen wijzen op zulke aanzienlijke overblijfselen uit een

gemeenschappelijke oude taal als nu het geval is. Daarentegen moeten de

stamverwante Semieten zich van hen hebben afgescheiden op een tijdstip,

dat de blanke rassen verkeerden in den zelfden toestand van verdeeling

in verschillende kleine stammen als nu nog bij sommige Amerikaansche

volken bestaat.

Op den hoogsten trap harer ontwikkeling gelijkt de taal op een prachtig

woud van hooge boomen, waar alle takken aan elkander sluiten en op

uitstekende wijze overal schaduw en licht geregeld verdeeld zijn. Deze

voorbeeldige toestand is echter slechts het gevolg van een zonder

ophouden toegepaste uitdunning. In den beginne was hier de grond bedekt

met een weelderigen plantengroei van alle denkbare soorten van lage

gewassen. Iedere familie koos naar eigen goedvinden de vormen waardoor

zij zich verstaanbaar wilde maken. Toen kwam de houtvester, hier de

overeenkomst tusschen de verschillende groepen, die noodzakelijk was

geworden door het zich telkens uitbreidende onderlinge verkeer. De

houtvester koos in de chaotische verwarring de stammetjes uit, waarvan

het zich liet aanzien, dat zij zich het best staande zouden houden en

ontwikkelen, en hieuw de overige om. Hierdoor kregen de andere lucht en

ruimte om zich uit te breiden en verstikten het weder ontkiemende

onkruid in hun schaduw. Deze echter groeien ook niet allen gelijk op en

staan nog veel te dicht op elkander, telkens moet de houtvester weder

de zwaksten verwijderen. Zoo ontstond langzamerhand het bladerdak van

het volmaakt schoone bosch. Op die wijze heeft de houtvester „verkeer”

het kreupelbosch der vroegste wortelvorming der taal uitgedund en

geschift en hebben de overgeblevene krachtige stammen hun takken op

schijnbaar hoogst regelmatige wijze over het geheele taalgebied

uitgebreid. Zoo is de taal ontstaan.

Wij kunnen deze vergelijking nog verder uitstrekken. In de eerste jaren

eener boschontginning wordt het land meestal bedekt met een weelderige

flora van struiken en kruiden, die weder verdwijnt naarmate de boomen

die de ontginner er in heeft gezaaid of geplant, opgroeien, totdat

eindelijk onder het ondoordringbare bladerdak van het bosch geen

struiken of kruiden meer kunnen opkomen en de eenige aanwas in de

takvorming der uitverkoren stammen bestaat. Het zelfde heeft plaats met

de taal, die in den beginne voor elk nieuw begrip een nieuw

geluidsbeeld gebruikte, al bestond dit soms maar alleen in het gebruik

van een homonym met een ander accent en een ander gebaar. Dit

aanhoudende ontstaan van nieuwe wortelwoorden hield echter

langzamerhand bij onderlinge overeenkomst op, toen de taal vaster

vormen aannam en de noodzakelijkheid ontstond om bij het uitdenken van

een naam voor een nieuw voorwerp dezen te doen aansluiten aan een reeds

voorhanden woord en hem zoo voor het algemeen begrijpelijk te maken,

daar de taal op dezen trap harer ontwikkeling reeds niet meer

uitsluitend door een kleinen kring van menschen maar door een geheel

volk werd gebruikt. Zoo ontstond de woordafleiding, doordat men òf het

geraamte van het oude woord gebruikte met verandering van klinkers

[245], òf door de verbinding van woorden tot een samengesteld woord,

waarvan de bestanddeelen later samengroeiden, de betrekking tusschen

het oude en nieuwe begrip uitdrukte, zooals het geval was bij het

vroeger genoemde heer-lijk en dergelijke woorden. [246] Zelfs in ééne

en de zelfde taal volgde deze woordafleiding echter niet altijd de

zelfde wetten. Soms verdrong ook een nieuw voorwerp het oude en nam den

naam daarvan aan, evenals bij het ontstaan der nieuwe wapens en der

nieuwe versierselen gebeurde.

Tylor geeft ons eenige interessante voorbeelden van de veranderingen

die de kennismaking met nieuwe voorwerpen in een taal teweegbrengt. Zoo

noemden de Hidatso’s aan de Missouri, die oorspronkelijk alleen steen

als grondstof voor wapens kenden, later ijzer en koper, toen zij die

leerden kennen, ook steen, maar onderscheidden hen als zwartsteen en

roodsteen. Op Otaheite, waar weinig dieren zijn, was het zwijn het

voornaamste dier, en de Sioux kenden evenals sommige andere Indianen

alleen den hond als huisdier. Toen nu de Europeanen het paard

invoerden, noemden de bewoners van Otaheite het een mandragend zwijn en

de Sioux een hond, met bijvoeging van een dergelijk kenmerk.

Uit deze voorbeelden zien wij tevens hoe de taal begint namen voor

abstracte begrippen te vormen, o.a. voor het begrip der soort. Hiervoor

is reeds een zekere trap van ontwikkeling noodig, daar bij de vroegste

talen alle dergelijke benamingen ontbreken. De Nieuw-Hollanders hebben

voor alle boomen, vogels en visschen die zij kennen, een naam, maar zij

missen een woord voor boom, vogel en visch in het algemeen. Een

Roodhuidenstam kan zeer goed de verschillende soorten van Amerikaansche

eiken van elkander onderscheiden, maar een woord voor het begrip „eik”

in het algemeen kent hij niet.

Het zou niet te verwonderen zijn geweest als de Otaheitiër, toen hij

meer viervoetige dieren leerde kennen en zich zoodoende langzamerhand

een begrip vormde van een „viervoetig huisdier” in het algemeen,

daarvoor den naam „zwijn” gekozen en zoodoende de bestaande betrekking

tusschen het woord en het begrip verschoven had. [247]

Op de zelfde wijze gaat de taal te werk als zij op het gebied der

„handeling” onderscheid begint te maken tusschen het concrete en het

abstracte; de Huronen bijv. hadden geen woord voor „eten”, maar noemden

deze handeling telkens anders, naarmate van de spijs die zij

gebruikten. In de Bantoetalen in Afrika heeft het woord voor „weven” de

beteekenis gekregen van „maken”, en het woord „bârâ”, dat in den bijbel

wordt gebruikt voor het scheppen van hemel en aarde, beteekent

eigenlijk „snijden” of „houwen”. Zoo zal ook ons woord „maken” vroeger

wel een concrete beteekenis hebben gehad, die wij nu niet meer kennen.

Terwijl wij dus zien dat de oorspronkelijke taal een algemeen goed is,

waarop uit den aard der zaak niemand een bijzonder bezitsrecht kan doen

gelden, blijkt tevens, dat wij slechts tot op zekere hoogte kunnen

vertrouwen op de kunst der etymologische woordafleiding. Op een zeker

punt beginnen de algemeene stellingen waarop de etymologie berust, haar

grond te verliezen, en verder dan de eenvoudige taalwortels hebben zij

geen recht van bestaan meer. De Egyptische taal kan voor de keuze van

37 hiëroglyphisch vastgestelde woorden voor het begrip snijden, geen

andere reden aanvoeren, dan dat elk geluidsbeeld op zich zelf

beantwoordt aan ieder begrip waarmede deze of gene het wil verbinden;

bij de keuze van 10 woorden daaruit, die weder verschillende

begripsnuances uitdrukken, heeft het Koptisch zich laten leiden door

het reeds genoemde proces van uitkiezing; waarvan de bijzonderheden

niet verder kunnen worden nagegaan.

Het schijnt ons toe, dat de in dit opstel uiteengezette theorie

ongetwijfeld waarde bezit voor de verklaring van het ontstaan der

spraak en taal, zoo niet om geheel de plaats der andere theorieën in te

nemen, dan toch daarnevens. Die der klanknabootsing b.v. is volstrekt

niet met deze in strijd, maar kan er meê samengaan.

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2) · 第 56 / 111 题