AANTEEKENINGEN.

(1) Tegen het einde van den zomer, als de honigoogst begint op te

houden en de mannelijke bijen aan hun bestemming (de voortplanting der

soort) hebben voldaan, worden deze, die nu aan de bijenmaatschappij

geen nut meer toebrengen, doch integendeel schadelijk voor haar zouden

worden daar zij ten koste der overigen zouden moeten leven, door de

werkbijen meêdoogenloos verjaagd en komen van gebrek om. Dat de

werkbijen hen rechtstreeks zouden dooden, gelijk Darwin meent, schijnt

op onjuiste waarnemingen te berusten. Daar al de bijen van een korf

gewoonlijk kinderen zijn van ééne moeder, een koningin, zijn de

mannelijke bijen gewoonlijk de broeders der werkbijen. [293] Wanneer in

een korf een of meer jonge koninginnen worden geboren en er geen

overbevolking, dus geen behoefte aan zwermen bestaat, worden zij door

haar moeder, de koningin, gedood, zonder dat de werkbijen er zich tegen

verzetten; want het zou nadeelig zijn voor de belangen der

bijenmaatschappij, als zich in éénen korf twee of meer koninginnen

bevonden. Bestaat er overbevolking, dan tracht de oude koningin ook wel

de jonge te dooden, maar de werkbijen verzetten zich daartegen; de

jonge koningin blijft meesteres van den korf; de oude koningin verlaat

dien met een gedeelte der bijen om elders een volkplanting te stichten,

hetgeen men het zwermen der bijen noemt.

(2) De zedelijke verantwoordelijkheid van sommige dieren schijnt minder

twijfelachtig dan die van „intermittente krankzinnigen.” Indien het in

de toekomst de plicht werd van een procureur-generaal, om een aap te

vervolgen die zich aan den moord van een mensch had schuldig gemaakt,

zou het volgende geval, ontleend aan Brehm’s „Thierleben”, een slecht

precedent opleveren voor den advocaat die met zijn verdediging was

belast.

Eenige weinige jaren geleden kocht Dr. Schomburg, de directeur van den

botanischen tuin te Adelaïde, Australië, een uitgezocht partijtje apen

en kangoeroe’s die hij een „gelukkig huisgezin” had kunnen noemen, als

er niet een zeer boosaardige vrouwelijke Bhunder-baviaan bij was

geweest. Ware zij niet de eenige vertegenwoordigster van haar soort

geweest, dan zou hij haar hebben trachten kwijt te raken, want haar

eenig levensdoel scheen te wezen om zich zoo onaangenaam mogelijk te

maken. Eenzame opsluiting maakte haar wild en luidruchtig, maar in de

algemeene kooi maakte zij de buideldieren waanzinnig van schrik, en

scheen zich ’s avonds als haar jongere verwanten het waagden het

slaaphok te betreden, te beschouwen, als van hooger hand verordineerd

om hen met geweld daaruit te verjagen. Op zekeren dag viel zij haar

eigen oppasser aan en verwondde hem, zonder eenige aanleiding

zijnerzijds, op ergerlijke wijze aan zijn pols. Schomburg veroordeelde

haar onmiddellijk om te worden doodgeschoten. Den volgenden morgen

naderde de onder-oppasser haar kooi met een geweer, dat dikwijls was

gebruikt om de ratten dood te schieten die in het menageriegebouw zeer

veelvuldig waren. De andere apen schenen een nieuwe razzia onder de

ratten te verwachten, maar de Bhunder-baviaan wist wel beter. Zoodra

zij het geweer zag, sprong zij plotseling in het slaaphok en trok de

deur daarvan toe. Toen de oppasser die trachtte open te maken, gilde

zij, alsof zij hoopte vrij te komen door krankzinnigheid voor te

wenden. Om haar te beproeven, wachtte de oppasser tot den tijd van het

ontbijt, maar de baviaan vertoonde zich niet. Zij bleef een vol uur in

haar schuilhoek, totdat de baksjongen een extra tractatie bracht,

bestaande uit in schijfjes gesneden pompoenen. Zij deed toen een sprong

naar den emmer, waarin die zich bevonden. Op dat oogenblik deed de

oppasser de deur van haar slaaphok op slot en ging zijn geweer halen.

Zoodra de baviaan hem zag terugkomen, vlood zij naar haar schuilplaats,

en deed, toen zij die gesloten vond, een wanhopige poging om zich door

de tralies van de kooi heen te wringen en zoo te ontvluchten. De

tralies bleken echter onbuigbaar, en na nog een wanhopigen ruk aan de

deur van het slaaphok, wierp de baviaan zich in een hoek, sloot haar

oogen en scheen van vrees te zijn gestorven, nog voor het geweerschot

haar doodde.

(3) Het is duidelijk, dat die individu’s welke door hun ouders in hooge

mate worden bemind en beschermd, meer kans zullen hebben in den strijd

des levens te overwinnen, meer kans zullen hebben om te blijven leven,

dan de individu’s die door hun ouders slechts in geringe mate worden

bemind en beschermd, en dat eveneens de kansen dezer laatste grooter

zullen zijn, dan die der individu’s die door hun ouders volstrekt niet

worden bemind en beschermd. Die individu’s welke de grootste

kinderliefde bezitten, zullen dus hun soort het best kunnen

voortplanten. Krachtens het beginsel der erfelijkheid zullen ook hun

kinderen zich doorgaans weêr onderscheiden door gehechtheid aan hun

kroost, en ook van deze zullen ook weder zij de meeste kans hebben om

een groote nakomelingschap achter te laten, welke die hoedanigheid in

de hoogste mate bezitten. Verder is het waarschijnlijk, dat bij die

individu’s bij welke de ouderliefde het meest is ontwikkeld, ook de

kinderen de meeste gehechtheid aan hun ouders zullen verkrijgen. Op

deze wijze kan de ontwikkeling der ouderlijke en kinderlijke liefde

worden verklaard door de natuurlijke teeltkeus, daar die variëteiten,

bij welke deze gevoelens het minst zijn ontwikkeld, in den strijd des

levens zullen moeten onderdoen voor de andere.

(4) „De darren” (blz. 190). Velen noemen de mannelijke bijen hommels.

Dit is echter een geheel verkeerde uitdrukking; hommels is de naam van

een met de honigbijen (Apis en Melipona) nauw verwant geslacht van

sociale Vliesvleugelige Insekten, van het geslacht Bombus namelijk. De

ware Nederlandsche naam der honigbijen is darren of darries. Op blz.

201 is het teeken (4) bij vergissing blijven staan. Men zie over de

bloedschande: „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel

II, blz. 141.

(5) In het „Album der Natuur” 1876, blz. 22, deelt Prof. Harting een

opmerkelijk geval mede van erfelijke genegenheid van een kat voor een

hond, ontleend aan „Nature” 15 Juli 1875.

(6) „Het verschil in geestvermogens tusschen den mensch en de lagere

dieren, hoe groot het ook zij, is ongetwijfeld slechts een verschil in

hoeveelheid” (quantitatief), „en niet in hoedanigheid” (qualitatief).

Het komt ons voor, dat Darwin in dit en het vorige hoofdstuk de

waarheid dezer stelling op de meest overtuigende wijze heeft bewezen.

Reeds lang werd door de meeste mannen der wetenschap erkend, dat de

theorie van Cartesius, die van alle dieren levende werktuigen maakte

zonder denkvermogen en zonder bewustzijn, onjuist was, zoodat dan ook

Quatrefages („l’Unité de l’Espèce Humaine”), den mensch als

afzonderlijk „Menschenrijk” van het Dierenrijk scheidende, dit niet

doet op grond, dat slechts deze denkvermogen zou bezitten, maar op

grond van het godsdienstig en zedelijk gevoel (Religiositeit en

Moraliteit), dat de dieren volkomen zouden missen. Wij hebben in

Hoofdstuk III en IV van dit werk echter gezien, dat ook bij andere

dieren wel degelijk de kiemen dier beide vermogens bestaan. Al wilde

men dit echter niet erkennen, men zou toch moeten toegeven, dat het

onmogelijk kan worden bewezen, dat deze beide vermogens bij alle dieren

ontbreken, en evenmin, dat zij bij alle voormalige en tegenwoordige

menschenrassen aanwezig waren en zijn. Wij hebben in aanteekening 15,

blz. 160, gezien, hoeveel vergeefsche moeite men zich dikwijls gegeven,

welke belachelijke opmerkingen men dikwijls gemaakt heeft, om dit

laatste te bewijzen. Maar zelfs al stellen wij voor een oogenblik, dat

van het zedelijk en godsdienstig gevoel bij geen enkel dier zelfs de

geringste kiem bestond, zou dan nog het bezit dier vermogens een

genoegzamen grond opleveren om den mensch als afzonderlijk „Rijk” van

de Dieren, als afzonderlijke Klasse of Onder-klasse van de Zoogdieren,

of zelfs slechts als afzonderlijke Orde van de anatomisch en

physiologisch zoo nauw met hem verwante apen (Primaten) te scheiden?

Wij gelooven geenszins. Onder de hoogere planten zijn duidelijk

zichtbare gevoels- en bewegingsverschijnselen even zeldzaam, als

godsdienstig en zedelijk gevoel bij de hoogere dieren maar kunnen zijn;

Linnaeus gaf zelfs als onderscheid tusschen het dieren- en plantenrijk

op, „Vegetabilia crescunt et vivunt; animalia crescunt, vivunt et

sentiunt.” En toch is, voor zoover ik weet, nog nooit een plantkundige

op de zonderlinge gedachte gekomen om de Kruidjes roer mij niet (Mimosa

pudica, M. sensitiva en eenige aanverwante soorten), die zeer

duidelijke verschijnselen van gevoel en beweging vertoonen, daarom als

afzonderlijk „Kruidje roer mij niet’s Rijk” van het Plantenrijk, als

afzonderlijke Klasse van de Tweezaadlobbige Planten (Dicotyledones), of

zelfs als Onder-klasse van de Tweezaadlobbige Planten met een

Veelbladige Bloemkroon (Dialypetalae of Dicotyledones Polypetalae), als

Familie van de Peulvruchten (Leguminosae), of zelfs maar als geslacht

van het geslacht Mimosa, waartoe zij op morphologische gronden moeten

worden gebracht, af te scheiden. Even weinig of liever nog veel minder

grond is er, voor den mensch een afzonderlijk Rijk, een afzonderlijke

Klasse, Onder-klasse of zelfs Orde aan te nemen, zelfs al gaf men toe,

dat alleen hij godsdienstig en zedelijk gevoel bezit. Hoeveel te minder

dan, wanneer men bewezen ziet, dat het verschil in geestvermogens

tusschen den mensch en de lagere dieren slechts quantitatief en niet

qualitatief is!

Wij kunnen ons het genoegen niet ontzeggen, onze aanteekeningen op dit

Hoofdstuk met een aanhaling uit Carl Vogt’s „Vorlesungen über den

Menschen” (Bd. I, blz. 295) te besluiten, waar hij, na Quatrefages ten

opzichte van het godsdienstig gevoel te hebben weêrlegd (vergelijk

aanteekening 16, blz. 161), omtrent het zedelijk gevoel het volgende in

het midden brengt:

„Wat nu de moraliteit, of het begrip van goed en kwaad aangaat, zal men

niet willen beweren, dat dit bij den mensch iets absoluuts is. Het

richt zich altijd naar den toestand der maatschappij, het is in één

woord het resultaat van den socialen toestand. Terwijl het in de

beschaafde wereld een met den dood strafbare misdaad is zijn ouden,

verlamden vader om te brengen, zijn er Indiaansche stammen bij welke

dit als een hoogst prijzenswaardige handeling van den zoon wordt

beschouwd. Het begrip van goed en kwaad ontwikkelt zich dus uit de

behoeften der maatschappij, uit de onderlinge betrekkingen tusschen de

individu’s. Als dit echter waar is, is het ook even zeker, dat het

begrip van goed of kwaad bij de diermaatschappijen evenzoo is

ontwikkeld in verhouding tot de mate van sociale ontwikkeling, als bij

de menschelijke maatschappijen. De eerste trap der maatschappij is het

huisgezin; het begrip van goed en kwaad resumeert zich bij het kind in

de gehoorzaamheid aan de ouders, in de vervulling der aan hetzelve

opgelegde plichten, in de terechtwijzing, straf of liefkozing, welke

hetzelve ten deel valt. Nu zie men eens een katten- of berenfamilie en

lette op de gebaren der jongen, hun opvoeding door de ouden, en dan

vrage men zich af, of men hier niet het beeld van een menschelijk

huisgezin voor zich heeft, met al die uitingen van het begrip van goed

en kwaad, welke men maar zou kunnen verlangen. Ik geef toe, dat het een

kattenmoraal, dat het een berenmoraal is, die hier den kinderen wordt

ingeprent en geleerd, maar het is toch een moraal, en het jonge katje

dat niet luistert naar de roepstem zijner moeder, de tweejarige beer

die niet behoorlijk voor zijn broertjes en zusjes zorgt, krijgen even

goed knorren en oorvijgen, als de lieve menschenkinderen, als deze het

grondbegrip der menschelijke en christelijke moraal, de kinderlijke

gehoorzaamheid, niet betrachten.

„Ten opzichte der dierenmaatschappijen echter veroorloof ik mij hier

een plaats uit Dr. A. E. Brehm’s voortreffelijk werk, „Illustrirtes

Thierleben”, over de apenmaatschappijen aan te halen:

„„Dat lid eener troep dat de meeste ervaring bezit, wordt aanvoerder of

leidaap. Deze waardigheid wordt hem echter niet door het „algemeen

stemrecht” opgedragen, maar hem eerst na een zeer hardnekkigen kamp met

andere mededingers toegekend. De langste tanden en sterkste armen

beslissen. Wie er zich niet goedschiks aan wil onderwerpen, wordt door

beten en klappen geringeloord, totdat hij tot rede is gebracht. Den

sterke komt de kroon toe, in zijn tanden ligt zijn wijsheid. Dit is

echter ook zeer verklaarbaar: de oudste apen zijn steeds ook de

sterkste en aan hen moeten ook goedschiks of kwaadschiks de jongere

onervarene zich onderwerpen. De leidaap verlangt en geniet

onvoorwaardelijke gehoorzaamheid en wel in elk opzicht. Ridderlijke

galanterie is hem niet eigen; stormenderhand verovert hij het loon der

min. Het jus primae noctis geldt bij hem nog heden. Hij wordt stamvader

van een volk, en zijn geslacht vermeerdert zich, evenals dat van

Abraham, Izaäk en Jakob, „gelijk het zand der zee”. Geen vrouwelijk lid

der troep mag zich aan een onnoozele minnarij met den eenen of anderen

vlasbaard overgeven. Zijn oogen zijn scherp en zijn tucht is zeer

streng; hij verstaat in liefdezaken geen gekscheren. Ook de apinnen die

zich, of liever hem, vergeten, krijgen zooveel muilperen en worden zoo

geplukhaard, dat haar de lust tot verboden omgang met andere helden van

den troep zeker vergaat; nog erger gaat het met den apenjongeling die

de wetten des harems van den op zijn recht trotschen Sultan

overtreedt”....

....„„Voor het overige oefent de leidaap zijn ambt met groote

waardigheid uit. Reeds de achting die hij geniet, geeft hem een zekere

zekerheid en zelfstandigheid in zijn handelingen, die aan zijn

ondergeschikten ontbreekt; hij wordt ook door deze op allerlei wijzen

gevleid. Zoo ziet men, dat zelfs de apinnnen zich moeite geven om hem

de hoogste gunst welke een aap kan betoonen of ontvangen, ten deel te

doen worden. Zij beijveren zich namelijk om zijn haarkleed steeds

zooveel mogelijk van lastige parasieten te zuiveren, en hij laat zich

deze hulde welgevallen met de waardigheid van een Pacha wien zijn

geliefde slavin de voetzolen kittelt. Daarentegen zorgt hij nu ook

trouw voor de zekerheid zijner ondergeschikten en is daardoor in nog

grooter onrust dan zij. Naar alle zijden heên wendt hij zijn blikken,

geen wezen vertrouwt hij, en zoo ontdekt hij ook bijna altijd

terechtertijd elk dreigend gevaar.”

„Wij weten niet, of het verschil tusschen de moraliteit, die in deze

apenmaatschappij geheel van den wil des stamhouders afhangt en die van

een horde Nieuw-Hollanders, waar evenzeer de sterkste de wet maakt,

groot genoeg kan schijnen, om het geheele onderscheid van een Rijk

daarop te gronden. Het theoretische absolutisme kent immers volstrekt

geen andere moraal, dan die des heerschers. Hij maakt de wet, hij

schrijft het geloof voor, hij bepaalt de moraal,—wie anders handelt,

anders denkt, dien heeft hij het recht te dooden of te straffen,—is de

moraliteit van een absoluut despotisme theoretisch een andere dan die

eener apenfamilie?

„Ook deze onderscheidende categorie van Quatrefages is dus volkomen

onhoudbaar.

„De beide Fransche geleerden [294] hebben iets onmogelijks beproefd—om

namelijk eigenschappen te vinden, die niet op een materiëelen grondslag

rusten.

„Waar de organisatie naar het zelfde type is gevormd, daar moeten ook

de uit deze organisatie voortspruitende eigenschappen de zelfde

grondeenheid vertoonen.

„Eer ik echter van dit onderwerp afstap, wil ik hun die zich te

vergeefs aftobben om uit een of ander geestvermogen een bijzonderen

troon voor den mensch op te richten, de volgende woorden van Wundt

toeroepen: „De dieren zijn wezens, wier zelfbewustheid van die des

menschen en slechts door den bereikten trap van volkomenheid verschilt.

Tusschen mensch en dier bestaat geen wijdere kloof dan tusschen de

dieren onderling. Alle bezielde organismen vormen een keten van

gelijksoortige wezens, waarin nergens een gaping blijft. Een verouderde

zieleleer met haar menigvuldige geestelijke vermogens en krachten mocht

al grenslijnen trekken, hier dit, daar dat vermogen uitdeelen;—wij

echter moeten, nadat het ons gelukt is te bewijzen, dat het

gezamenlijke geestelijke leven slechts één groot geheel uitmaakt, ook

toegeven, dat al wat bezield is, ook deel heeft aan dit geheel.””

Men vergelijke overigens, zoo men nog niet overtuigd mocht zijn,

Houzeau, „Études sur les facultés mentales des animaux comparées à

celles de l’homme, Mons-Paris”, 1872; Haeckel, E., „Ziel-cellen en

cel-zielen”, uit „Deutsche Rundschau”, in „Wetensch. Bladen”, October

1878; Dr. L. Büchner, „Uit het Leven der Dieren, hun denken, willen,

werken en gevoelen”, en Dr. L. Büchner, „Het leven der liefde in de

dierenwereld.” De beide laatsten vertaald door R. E. de Haan, Directeur

der R. Hoogere Burgerschool te Winterswijk, Nijmegen, Blomhert &

Timmerman, 1877 en 1880, thans D. Bolle, Rotterdam. Carus Sterne (Dr.

E. Krause), „Dieren- en Menschenziel”, vertaald door P. F. Spaink, in

de Dageraad van Juli 1884, Tito Vignoli. „Das Fundamentalgesetz der

Intelligenz im Thierreiche”, Leipzig, Brockhaus, en „Mythus und

Wissenschaft”, Leipzig 1879 en 1882. Volgens dezen laatste verschilt

het geestelijk proces bij het hoogere dier alleen daarin van dat van

den mensch, dat het dier nog niet de innerlijke beschouwing zijner

beschouwingen heeft, d. w. z, dat hij niet wat wij zelfbewustzijn

noemen van het bewustzijn kan onderscheiden. Men zie ook: „De zedekunde

als wetenschap”, door H. A. F. de Vogel, Arnhem, H. W. v. Marle, 1880.

Dr. Büchner’s door mij bewerkt boekje „Feiten en Theorieën”, Amsterdam,

Warendorf, 1888 [295], en R. E. de Haan in „Isis”, 1879, blz. 50 en

153.

Evenals de sociaal levende dieren zich in geestvermogens ver boven de

eenzaam levende verheffen, zinkt omgekeerd de mensch die buiten de

menschelijke maatschappij opgroeit, verstandelijk tot het peil van het

dier terug, en kent noch godsdienst noch zedelijkheid.

In den loop der tijden zijn in Europa, Indië en Noord-Amerika

herhaaldelijk kinderen opgevangen, die ver van de maatschappij in

uitgestrekte wildernissen of afgelegen wouden waren opgegroeid. In al

die gevallen bleek het, dat die kinderen aan de dieren gelijk waren, en

zelfs gewoonlijk door latere opvoeding niet konden leeren spreken, noch

hun verstand verder ontwikkelden dan een getemd huisdier.

Professor Raube te Leipzig verzamelde de levensgeschiedenissen van

zestien dier „woudmenschen” in zijn boekske: Homo sapiens ferus

(Leipzig, Denicke), en Dr. E. Dorn bespreekt nog andere gevallen in

zijn artikel „Wolfskinder” in „Ueber Land und Meer”, 1890–1891, No. 5,

aan welke beide bronnen wij het volgende ontleenen:

In 1661 zagen jagers in Littauen te midden van een troep beren twee

kleine wezens die een menschelijke gedaante bezaten. Het gelukte hun

een daarvan te vangen niettegenstaande zijn tegenstand en geschreeuw.

Het verdedigde zich evenals een beer met zijn nagels en tanden. Het

bleek een kind te zijn van ongeveer negen jaar oud. Men bracht het naar

Warschau voor den koning en de koningin van Polen. De adel en de

geheele burgerij verdrong zich om het kind te zien. Het had een uiterst

blanke huid, witte haren, aangename gelaatstrekken, een goedgevormd en

krachtig lichaam en blauwe oogen. Het vertoonde echter geen spoor van

verstand, kon niet spreken, was zeer wild en bezat alle neigingen van

een dier. Men heeft het nooit kunnen leeren deze wildheid af te leggen,

te spreken, zich te kleeden, zijn hoofd te bedekken of schoenen aan te

doen. Het nam echter wèl de gewoonte aan om op twee beenen te loopen,

en werd zoover getemd, dat het, evenals een hond, kwam als men het

riep. Van tijd tot tijd vluchtte het naar het bosch, waar het

boomschors met de nagels losscheurde en uitzoog. Het at gaarne vleesch,

rauw zoowel als gekookt.

In 1672 werd een jongen van omstreeks 16 jaar naar Amsterdam gebracht,

die in Ierland als klein kind zijn ouders ontloopen en onder

verwilderde schapen opgegroeid was. Hij was gezond en vlug van lichaam,

had een laag, achteruitwijkend voorhoofd, blaatte als een schaap,

lustte geen menschelijke spijzen en dranken, maar at gras en hooi.

Alles wat men hem gaf, betastte, berook en besnuffelde hij, stak het in

den mond en at het of wierp het weg, al naar het hem smaakte. Hij was

wild en schuw en eerst na langen tijd gelukte het hem eenigermate te

temmen. Hij had lang alle pogingen der jagers om hem te krijgen

verijdeld, doch werd eindelijk in een net gevangen. Hij liep voorover,

zijn tong was weinig bewegelijk.

In 1725 werd in Hannover in een bosch een knaap van omstreeks vijftien

jaar gevangen. Hoewel hij uiterlijk op een menschelijk wezen geleek,

stond hij, wat den geest aangaat, volkomen op den trap van een wild

dier; hij liep of liever kroop op handen en voeten, at gras en mos en

sliep op boomen. Na zijn gevangenneming toonde hij een grooten afkeer

van kleederen en was niet te bewegen in een bed te gaan liggen. De

kleederen die men hem aan trok, scheurde hij zich spoedig onder

teekenen van de grootste verontwaardiging van het lijf en kroop, bij

gebrek aan zijn gewone legerstede in de takken van een boom, naar den

uitersten hoek der hem aangewezen verblijfplaats, om zich daar te

slapen te leggen. Zijn lievelingsvoedsel bleven rauwe kruiden, vooral

bladeren van kool en andere groenten, terwijl hij van al wat gekookt of

gestoofd was, voortdurend de grootste walging toonde. Hij had niet het

geringste spoor van eenige gearticuleerde spraak, maar drukte veeleer

zijn gedachten uit door geluiden die hij van de dieren had

afgeluisterd.

Ofschoon slechts 1,65 M. lang, was hij buitengewoon gespierd en sterk,

daarbij vertoonde hij tot aan zijn dood (die op vermoedelijk ongeveer

drie-en-twintigjarigen leeftijd plaats greep) niet de geringste

belangstelling in de vrouwelijke sekse. Zijn dierlijken aard legde hij

slechts in zijn laatste levensjaren in zijn uiterlijk aanzien af; hij

scheen zachter en goedaardiger; godsdienstige begrippen of het geloof

aan een hooger wezen bleek het onmogelijk hem in te prenten.

In 1731 kwam in het dorp Songi (bij Châlons) tegen schemeravond een

meisje van 9 à 10 jaar oud, door dorst geplaagd. Haar voeten waren

naakt, haar lichaam met lompen bedekt, een uitgeholde pompoen diende

haar tot muts. Zij droeg een houten knuppel in de hand. Iemand uit het

dorp liet een dog op haar los. Zij bleef onversaagd staan en sloeg het

dier met haar knuppel zoo heftig op den kop, dat het dood ter aarde

stortte. Vol vreugde over deze overwinning wierp zij zich herhaaldelijk

op het lichaam van den hond.

Daarna beproefde zij een deur te openen. Toen haar dit niet gelukte,

verliet zij het dorp, klom op het veld in een boom (waarin zij later

buitengewoon behendig bleek te zijn) en sliep daar rustig in. Een vrouw

lokte haar uit den boom en zij werd door de dorpelingen gevangen, die

haar naar de keuken van zeker kasteel brachten. De kok was daar bezig

een hoen klaar te maken. Zij ontrukte het hem en begon het dadelijk te

eten. Een haar gegeven konijn at zij met vel en al op.

Zij had een eigenaardigen glijdenden gang en was zoo vlug, dat zij

hazen kon inhalen en vangen. Zij dook ook voortreffelijk en at rauwe

visschen en kikkers.

Het gelukte dit meisje, dat echter reeds in den aanvang minder

verwilderd was dan de eerst besproken kinderen, daar het eenigszins

gekleed en gewapend was, eenigszins te ontwikkelen. Zij leerde Fransch

spreken en werd non. Het kostte haar groote moeite af te leeren het

vleesch rauw te eten en bladeren, twijgen en wortels te nuttigen. Twee

jaar na haar gevangenneming had zij nog groote neiging om, duikende,

visschen te vangen.

Een ander bij haar gevangenneming omstreeks twaalf- of dertienjarig

meisje toonde, hoewel niet zonder geslachtsdrift, tot haar dood den

grootsten afschuw voor alle mannen. Haar wilde temperament onttrok zich

aan alle contrôle, daarbij legde zij een grooten trek naar bloed aan

den dag en zoog dat aan levende dieren uit. Eens zag men haar als een

otter in een meer duiken, met groote handigheid eenige visschen vangen

en die dadelijk daarna aan den oever verslinden.

Later leerde dit meisje spreken en was daardoor in staat eenige

onbestemde mededeelingen omtrent haar leven in het bosch te doen. Aan

het einde van haar leven, nadat zij zwaar ziek had gelegen, traden de

sporen van haar vroegere dierlijke leven weder duidelijk te voorschijn.

Een in de bosschen bij Cannes in Frankrijk gevangen knaap van omstreeks

elf of twaalf jaar toonde bij zijn dierlijke natuur nog sporen van

krankzinnigheid, die soms tot razernij oversloegen. Het gelukte met

oneindige moeite, geduld en duizenden kunstgrepen hem twee of drie

woorden te leeren. Ongelukkig ontbreekt het slot van zijn door zijn

verpleger, een Fransch geneesheer, geschreven levensgeschiedenis.

In 1889 werd volgens de dagbladen in België zulk een wilde knaap

gevangen.

Nog belangwekkender dan bovenstaande gevallen, die allen op Europa

betrekking hebben, is het volgende uit Indië, dat door den Engelschen

resident aan het hof te Lucknow, kolonel Steeman, wordt medegedeeld.

Op zekeren dag merkte een cavalerist op een verkenningstocht aan de

oevers van de rivier de Goombee in de nabijheid van het dorpje

Chandour, niet ver van Sultanpour (koninkrijk Oude), hoe op geringen

afstand van hem een wolvin met haar jongen en—een knaap uit het bosch

kwam, en zich naar het water begaf om te drinken. De knaap liep op

handen en voeten. Nadat zij had gedronken, wilde de wolvenfamilie weder

in het bosch gaan. De cavalerist trachtte haar toen den weg te

versperren om den knaap te bemachtigen. Deze ging echter met de wolven

en zich nauw bij de wolvin aansluitend op de vlucht. De cavalerist

bleef echter de vluchtelingen zoo na op de hielen, dat hij hen in een

hol zag verdwijnen.

Met behulp van een aantal boeren uit het naburige dorp werd het hol in

korten tijd opengegraven. Volgens het bijgeloof der Hindoes van die

streek liet men de wolven ontvluchten, maar maakte zich meester van den

zich heftig verzettenden knaap.

Bij het transport naar het dorp beproefde de knaap, dien men had

vastgebonden, herhaaldelijk zich los te rukken en in daartoe geschikte

gaten, boschjes of holen te verdwijnen. De poging om hem tot spreken te

brengen, werden van zijn kant slechts met knorren en brommen

beantwoord.

Men hield hem gedurende verscheidene dagen in het dorp. Zoodra hem een

volwassen persoon naderde, zocht hij weg te sluipen, kwam echter een

kind te dicht bij hem, dan trok hij met wild geknor op hetzelve los en

trachtte het te bijten. Van gekookt voedsel toonde hij grooten afkeer;

wierp men hem daarentegen rauw vleesch toe, dan greep hij dat begeerig,

wierp het onder zijn handen op den grond en at het dan, evenals een

hond, met blijkbaar genot en genoegen. Zoolang hij at, duldde hij geen

menschelijk wezen in zijn nabijheid, doch aan honden veroorloofde hij

zijn maal te deelen.

Deze wilde knaap, die aan kapitein Nicholett werd overgegeven,

overleefde zijn gevangenneming slechts drie jaar en stierf in Augustus

1850 te Sultanpour.

Zijn groote vraatzucht was spreekwoordelijk geworden; men vertelde van

hem, dat hij een half schaap in één maal opat en daarbij een groote

schaal karnemelk in één teug opdronk. Hij was volkomen ongevoelig voor

beleedigingen en slechts door voortdurend plagen toornig te maken; hij

at alles wat hem werd toegeworpen, maar behield een bijzondere

voorliefde voor rauw vleesch. Ook at hij rauwe beenderen die hij met

evenveel gemak als het vleesch scheen te kauwen. Het zonderlingste was

zijn liefhebberij voor kleine steentjes en aarde, die hij in

betrekkelijk groote hoeveelheden verslond.

Kleeding wilde hij zelfs bij het koudste weder niet aandoen. Wollen en

met watten gevulde dekens, die men hem tot bescherming tegen de koude

gaf, verscheurde hij in kleine stukjes, die hij bij zijn brood at. Hij

was buitengewoon morsig en van terugstootend karakter; men heeft hem

nooit zien lachen. Den menschen vijandig, ging hij gaarne met honden en

jakhalzen om. Doch ook zijn genegenheid voor deze was van een

bijzonderen aard. Toen zijn eenige vriend, een groote hond, met welken

hij samen at, werd doodgeschoten wegens al te groote vraatzucht, toonde

hij niet de minste gemoedsbeweging.

Een andere knaap, die in zijn derde levensjaar bij het twintig mijlen

van Sultanpour gelegen dorp Chupra door een wolvin aan zijn moeder werd

ontroofd, werd zeven jaar later in volkomen verdierlijkten toestand

door twee soldaten weder aan een wolfsfamilie ontroofd. Alle pogingen

zijner moeder om den knaap weder uit zijn verdierlijkten toestand op te

heffen, mislukten geheel. De arme vrouw zag zich genoodzaakt het

menschdier aan de openbare liefdadigheid over te laten. De knaap hield

zich over dag in het dorp op, maar ging ’s nachts geregeld in het

naburige bosch slapen. Zijn voedsel bestond in rauw vleesch, hazen,

vogels en allerlei soort van afval. Zijn dorst stilde hij door zijn

gezicht vlak bij het water te brengen en dit dan op te zuigen. Zijn

knieën en ellebogen waren door zijn gewoonte om alle vier ledematen bij

het loopen te gebruiken, met een hoornachtige huid bedekt.

Zijn lichaam stonk evenals dat der wolven. Hij verdween in 1850 bij

zijn overbrenging van Sultanpour naar Lucknow en werd niet teruggezien.

Wij gaan de geschiedenis van nog drie in Indië gevangen „wolfskinderen”

voorbij, om nog even stil te staan bij het laatst bekend gewordene,

zeer opmerkelijke geval.

Een Hindoeknaap van omstreeks twaalf jaar, werd door twee soldaten

evenals de beide vorigen in gezelschap van wolven aangetroffen en

gevangen. Aan den zadelknop van zijn vanger vastgebonden, verscheurde

hij diens kleederen, en hoewel men zijn handen had gebonden, gelukte

het hem zijn overwinnaar gevaarlijk te bijten. Hij werd ter verpleging

toevertrouwd aan den Rajah te Bondee, van wien hem Janoo, de bediende

van een koopman uit Kasjmier, overnam. De knaap liep, hoewel hij, als

hij er toe gedwongen werd, rechtop kon gaan, op handen en voeten. Onder

de leiding van Janoo, die zijn beenen dagelijks met olie inwreef en

masseerde, leerde hij spoedig als een menschelijk wezen loopen, maar de

vosachtige stank die zijn lichaam eigen was, was niettegenstaande

maanden lang voortgezette inwrijvingen met in water geweekt mosterdzaad

niet te verwijderen; zelfs door onthouding van allen vleeschkost en

uitsluitende voeding met rijst, peulvruchten en brood was daarin geen

verbetering te brengen.

Hij sliep onder een mangoboom, vastgebonden aan het veldbed van Janoo,

die onder den zelfden boom zijn tent had opgeslagen. Op zekeren nacht

bemerkte Janoo tot zijn schrik, dat twee wolven den slapenden knaap

naderden en hem besnuffelden. Zij raakten hem aan, hij werd wakker, en

zich opheffend, legde hij zijn handen op de koppen zijner bezoekers,

die hem zijn aangezicht lekten. Zij sprongen om hem heên en hij wierp

met stroo en bladeren naar hen. Janoo waande eerst zijn beschermeling

verloren, maar overtuigde zich zeer spoedig, dat de wolven slechts met

hem speelden. Hij zag het een tijd lang rustig aan, maar jaagde

eindelijk de wolven weg. Deze kwamen echter reeds na korten tijd terug

om het spel te hervatten. Den volgenden nacht kwamen drie, eenige

nachten later zelfs vier van die ruwe speelkameraden. Zij kwamen in het

geheel vijfmaal, zoodat ook Janoo eindelijk alle vrees voor hen

verloor.

Na den terugkeer van zijn principaal van een vrij langdurige reis was

Janoo genoodzaakt drukke werkzaamheden te verrichten bij welke hij zijn

pleegkind, dat hij met een touw aan zijn arm had bevestigd, als

lastdrager zocht te gebruiken, door hem lasten op het hoofd te doen

dragen. Bij elk boschje dat zij voorbij kwamen, beproefde de knaap zich

van zijn last te bevrijden en in het boschje te ontvluchten. Door een

behoorlijk pak slaag na elke dier pogingen, leerde hij dit echter

langzamerhand af.

De grootste moeilijkheid bestond daarin, hem aan het dragen van

kleederen te gewennen daar hij die dikwijls verscheurde en geheel te

gronde richtte, daar hij er zich evenals een dier mede schobde tegen

muren, pilaren, boomen enz., zoodra zijn huid hem jeukte. Eenige

maanden na de aankomst in Lucknow werd Janoo door zijn heer voor eenige

dagen voor zaken weggezonden. Bij zijn terugkeer was de knaap verdwenen

en werd nimmer teruggezien.

In Amerika heeft men herhaaldelijk in verschillende streken, ook in de

laatste tientallen jaren, verwilderde kinderen gevangen, maar daaraan

na bevrediging der nieuwsgierigheid verder geen nadere aandacht

geschonken, zoodat zij spoedig weder vergeten waren en voor de

wetenschap verloren gingen.

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2) · 第 58 / 111 题