VERGELIJKING TUSSCHEN DE GEESTVERMOGENS VAN DEN MENSCH EN DIE DER
LAGERE DIEREN.
Het verschil in geestvermogens tusschen den hoogsten aap en den
minst ontwikkelden wilde is verbazend groot—Sommige instinkten zijn
aan beiden gemeen.—Gemoedsaandoeningen.—Nieuwsgierigheid.—Zucht tot
navolging.—Oplettendheid.—Geheugen.—Verbeeldingskracht.—Rede.—
Trapsgewijze ontwikkeling.—Werktuigen en wapenen door dieren
gebruikt—Vermogen om afgetrokken denkbeelden te vormen,
zelfbewustzijn.—Spraak.—Schoonheidsgevoel.—Geloof in God, in de
werkzaamheid van geesten, bijgeloof.
Wij hebben in de beide vorige hoofdstukken gezien, dat de mensch in het
maaksel van zijn lichaam duidelijke bewijzen draagt van zijn afstamming
van dezen of genen lageren vorm; maar men zou kunnen aanvoeren, dat er
eenige dwaling in deze gevolgtrekking moet zijn, daar de mensch, wat
zijn geestvermogens aangaat, zoozeer van alle dieren verschilt.
Ongetwijfeld is in dit opzicht het verschil verbazend groot, zelfs als
wij de vermogens van een der minst ontwikkelde wilden, die geen woord
heeft om eenig getal, grooter dan vier uit te drukken, en geen
afgetrokken uitdrukkingen heeft voor de meest gewone voorwerpen of
aandoeningen [158], vergelijken met die van den hoogst georganiseerden
aap. Het verschil zou ongetwijfeld nog verbazend groot blijven, zelfs
wanneer een der hoogere apen evenzeer ontwikkeld of beschaafd was
geworden, als een hond dat is geworden in vergelijking van zijn
stamvorm, den wolf of den jakhals. De Vuurlanders behooren tot de
laagste stammen van wilden; maar ik stond er onophoudelijk over
verbaasd, hoezeer de drie tot dien stam behoorende menschen aan boord
van Harer Majesteits stoomschip „Beagle” (1), die eenige jaren in
Engeland hadden geleefd en een weinig Engelsch konden spreken, op ons
geleken in aanleg en in de meesten hunner geestvermogens. Indien geen
organisch wezen, behalve de mensch, eenige geestvermogens bezat, of als
zijn vermogens van een geheel anderen aard waren dan die der lagere
dieren, zouden wij nimmer in staat zijn geweest om ons te overtuigen,
dat onze groote vermogens zich trapsgewijze hadden ontwikkeld. Maar het
is duidelijk aan te toonen, dat dergelijk fundamenteel verschil niet
bestaat. Wij moeten derhalve aannemen, dat er een veel grooter
tusschenruimte in geestvermogens bestaat tusschen een der laagste
visschen, zooals een lamprei of een slakprik (2), en een der hoogere
aapsoorten, dan tusschen een aap en den mensch; deze verbazend groote
tusschenruimte wordt echter ingenomen door tallooze tusschentrappen.
Het verschil in zedelijken aanleg is ook ver van gering tusschen een
barbaar, zooals de man, door den ouden zeevaarder Byron beschreven, die
zijn kind tegen de rotsen verbrijzelde, omdat het een mand met zeeëgels
had laten vallen, en een Howard of Clarkson; en evenzoo is er een groot
verschil in verstandelijken aanleg tusschen een wilde die volstrekt
geen afgetrokken uitdrukkingen kent, en een Newton of Shakespeare.
Verschillen van deze soort tusschen de hoogst staande mannen van de
meest ontwikkelde rassen en de laagste wilden worden door de fijnste
overgangstrappen verbonden. Het is daarom mogelijk, dat zij in elkander
kunnen overgaan en zich uit elkander ontwikkelen.
In dit hoofdstuk is mijn doel alleen om aan te toonen, dat er ten
opzichte van de geestvermogens tusschen den mensch en de hoogere
zoogdieren geen fundamenteel verschil bestaat. Ik zou elke
onderafdeeling van dit hoofdstuk tot een afzonderlijke verhandeling
hebben kunnen uitbreiden, maar zij moeten hier kort worden behandeld.
Daar geen klassificatie der geestvermogens algemeen is aangenomen, zal
ik mijn opmerkingen rangschikken in de orde, welke het meest geschikt
is voor mijn doel; en zal die feiten uitzoeken, die mij het meest
hebben getroffen, in de hoop dat zij eenigen indruk op den lezer mogen
maken.
Wat die dieren aangaat, welke zeer laag op den ladder der wezens staan,
zal ik nog eenige feiten hieraan toevoegen in de afdeeling over de
seksueele teeltkeus, waaruit men zal zien dat hun geestvermogens hooger
ontwikkeld zijn, dan men wellicht zou hebben verwacht. De
verantwoordelijkheid van de vermogens bij de individu’s van eene en de
zelfde soort is voor ons een belangrijk punt en eenige weinige
voorbeelden daarvan zullen hier worden gegeven. Het zou echter
overbodig zijn hierover in vele bijzonderheden te treden; want ik heb
door veelvuldig onderzoek bevonden, dat het de eenparige meening is van
al degenen die lang dieren van verschillende soorten, vogels daaronder
begrepen, hebben verzorgd, dat de individu’s in elk verstandelijk
kenmerk onderling zeer verschillen. Het onderzoek naar de wijze waarop
de verstandelijke vermogens zich het eerst bij de laagste organismen
ontwikkelden, is even hopeloos, als dat naar den eersten oorsprong van
het leven. Dit zijn vraagstukken voor de verste toekomst, als zij zelfs
ooit door den mensch zullen kunnen worden opgelost.
Daar de mensch de zelfde zinnen bezit als de lagere dieren, moeten ook
de indrukken, die de buitenwereld op hem maakt, in den grond der zaak
de zelfden zijn. De mensch heeft dan ook sommige instinkten met hen
gemeen, zooals dat van het zelfbehoud, de geslachtsdrift, de liefde van
de moeder voor haar pasgeboren kroost, het vermogen van dit laatste om
te zuigen, enz. De mensch heeft echter wellicht nog wat minder
instinkten dan die, welke worden bezeten door de dieren die in de reeks
het naast bij hem staan. De orang-oetan in Insulinde en de chimpanzee
in Afrika bouwen platte nesten, waarop zij slapen; en, daar beide
soorten die zelfde gewoonte hebben, zou men kunnen aanvoeren, dat die
aan het instinkt was verschuldigd, maar wij kunnen er niet zeker van
zijn, dat zij niet een gevolg daarvan is, dat beide dieren
gelijksoortige behoeften en een gelijksoortig denkvermogen bezitten.
Wij mogen aannemen, dat deze apen de vele vergiftige vruchten van de
tropische gewesten vermijden, en de mensch bezit een dergelijke kennis
niet; maar daar onze huisdieren, als men ze naar vreemde landen
overbrengt en zij in het voorjaar voor het eerst worden losgelaten,
dikwijls vergiftige kruiden eten die zij naderhand vermijden, kunnen
wij er niet zeker van zijn, dat de apen niet door hun eigen
ondervinding of door die van hun verwanten leeren, welke vruchten zij
moeten uitzoeken. Het is echter zeker, zooals wij in dit hoofdstuk
zullen zien, dat apen een instinktmatige vrees voor slangen hebben, en
waarschijnlijk ook voor andere gevaarlijke dieren.
Wanneer men de hoogere dieren met de lagere vergelijkt, is het
opmerkelijk, hoeveel geringer in aantal en hoeveel eenvoudiger de
instinkten der eersten zijn. Cuvier beweerde [159], dat instinkt en
verstand tot elkander in omgekeerde verhouding stonden; en sommigen
hebben gedacht, dat de verstandelijke vermogens der hoogere dieren zich
langzamerhand uit hun instinkten hebben ontwikkeld. Pouchet heeft
echter in een belangwekkende verhandeling aangetoond, dat een
dergelijke omgekeerde verhouding in werkelijkheid niet bestaat. Die
insektensoorten welke de verwonderlijkste instinkten bezitten, zijn ook
ongetwijfeld de meest verstandige. In de reeks der gewervelde dieren
bezitten de minst verstandige leden, namelijk de visschen en
amphibieën, geen ingewikkelde instinkten; en onder de zoogdieren is dat
dier hetwelk het opmerkelijkst is wegens zijn instinkt, namelijk de
bever, ook zeer verstandig, zooals niemand zal ontkennen, die de
uitnemende verhandeling van den heer Morgan over dit dier heeft
gelezen. [160]
Hoewel de eerste schemeringen van het verstand, volgens den heer
Herbert Spencer [161], ontwikkeld zijn geworden door de
vermenigvuldiging en coördinatie van reflex-handelingen, en hoewel
velen der eenvoudige instinkten trapsgewijze in dergelijke handelingen
overgaan en nauwelijks van hen zijn te onderscheiden, zooals b.v. bij
het zuigen van jonge dieren, schijnen toch de meer samengestelde
instinkten oorspronkelijk onafhankelijk van het verstand te zijn
ontstaan. Ik ben echter verre verwijderd van te willen ontkennen, dat
instinktmatige handelingen hun vast en niet-aangeleerd karakter kunnen
verliezen, en door andere worden vervangen, die met behulp van den
vrijen wil worden volbracht. Van den anderen kant gaan sommige
verstandige handelingen—zooals wanneer vogels op oceanische eilanden
voor het eerst den mensch leeren vermijden—na gedurende vele generaties
te zijn volbracht, in instinkten over en worden erfelijk. Men kan dan
zeggen, dat zij in innerlijke waarde zijn achteruitgegaan; want zij
worden niet langer volbracht uit redeneering of uit ondervinding. Het
grootste aantal der meer samengestelde instinkten schijnt echter op
geheel verschillende wijze te zijn verkregen, namelijk doordat de
natuur verscheidenheden met eenvoudiger instinktmatige handelingen voor
de voortplanting uitkoos. Dergelijke verscheidenheden schijnen te zijn
ontstaan door inwerking op de organisatie der hersenen van de zelfde
onbekende oorzaken die geringe verscheidenheden of individueele
verschillen in andere deelen van het lichaam voortbrengen, en onze
onwetendheid geeft dikwijls aanleiding om te zeggen, dat deze
verscheidenheden van zelf zijn ontstaan. Wij kunnen, dunkt mij, tot
geen ander besluit komen ten opzichte van den oorsprong van de meer
samengestelde instinkten, als wij denken aan de verwonderlijke
instinkten van onvruchtbare werkmieren en werkbijen, die geen kroost
nalaten dat de uitwerkselen van ondervinding en gewijzigde gewoonten
van hen kan erven.
Hoewel voorzeker een hooge graad van verstand vereenigbaar is met het
bestaan van ingewikkelde instinkten, zooals wij zien bij de daareven
genoemde insekten en bij den bever, is het echter niet
onwaarschijnlijk, dat zij tot op zekere hoogte elkanders ontwikkeling
belemmeren. Er is nog weinig bekend van de functies der hersenen, maar
wij kunnen nagaan, dat, als de verstandelijke vermogens zeer worden
ontwikkeld, de verschillende deelen der hersenen ook door de meest
ingewikkelde gemeenschapswegen moeten zijn verbonden; en ten gevolge
daarvan zou elk afzonderlijk deel wellicht allengs minder goed geschikt
worden om op een bepaalde, steeds gelijke, dat wil zeggen
instinktmatige wijze te antwoorden op bijzondere gewaarwordingen en
vereenigingen van indrukken.
Ik heb gedacht, dat het de moeite waard was mij deze uitweiding te
veroorloven, omdat wij de geestvermogens van de hoogere dieren en
vooral van den mensch licht te gering zouden schatten, als wij hun
handelingen, gegrond op de herinnering aan vroegere gebeurtenissen, op
voorzorg, rede en verbeeldingskracht, vergelijken met volkomen
gelijksoortige handelingen, die door de lagere dieren instinktmatig
worden volbracht; in dit laatste geval is de geschiktheid om dergelijke
handelingen te volbrengen stap voor stap verkregen door de
variabiliteit der centrale deelen van het zenuwstelsel en door de
natuurlijke teeltkeus, zonder eenige zelfbewuste verstandsinspanning
van de zijde van het dier gedurende elke opeenvolgende generatie.
Ongetwijfeld is, zooals de heer Wallace heeft aangetoond [162], veel
van den door den mensch verrichten verstandelijken arbeid op nabootsing
en niet op rede gegrond; maar er bestaat dit groote verschil tusschen
zijn handelingen en velen van die, welke door de lagere dieren worden
volbracht, dat de mensch, als hij het voor het eerst beproeft,
bijvoorbeeld geen vuursteenwerktuig of kano kan vervaardigen door zijn
vermogen van nabootsing. Hij moet zijn werk door de praktijk leeren;
een bever daarentegen kan zijn beek of zijn vijver, en een vogel zijn
nest, als hij het voor het eerst beproeft, even goed of bijna even goed
maken, als wanneer hij oud is en ondervinding heeft opgedaan. (3)
Om tot ons eigenlijk onderwerp terug te komen: de lagere dieren
gevoelen ongetwijfeld, evenals de mensch, genoegen en verdriet, geluk
en ongeluk. Geluk wordt nooit beter getoond dan door jonge dieren,
zooals hondjes, katjes, lammeren enz, als zij met elkander spelen,
evenals onze eigen kinderen. Zelfs insekten spelen met elkander, zooals
is beschreven door P. Huber [163], dien uitnemenden waarnemer, die zag
hoe mieren elkander naliepen en zich hielden alsof zij elkander wilden
bijten, evenals of het jonge hondjes waren.
Het feit, dat de lagere dieren door de zelfde gemoedsaandoeningen
worden aangedaan als wij, is zoo goed bewezen, dat het onnoodig zal
zijn den lezer met vele bijzonderheden te vermoeien. Schrik werkt op
hen op de zelfde wijze als op ons, doet hun spieren beven, hun hart
kloppen, hun sluitspieren verslappen, hun haren te berge rijzen.
Achterdocht, die dochter der vrees, is bijzonder kenmerkend voor vele
wilde dieren. Het is, dunkt mij, onmogelijk om de mededeelingen van Sir
E. Tennent omtrent het gedrag van vrouwelijke tamme olifanten die
worden gebruikt om wilde mannelijke te lokken, te lezen, zonder te
worden overtuigd, dat zij met voordacht bedrog plegen en wel weten wat
zij doen. Moed en vreesachtigheid zijn hoedanigheden, die bij de
individu’s van eene en de zelfde soort zeer verschillen, zooals
duidelijk is te zien bij onze honden. Sommige honden en paarden hebben
een slechte inborst en worden gemakkelijk kwaadaardig; anderen hebben
een goede inborst; en deze hoedanigheden zijn ongetwijfeld erfelijk.
Iedereen weet, hoe vatbaar dieren zijn voor woedenden toorn en hoe
duidelijk zij dit toonen. Vele waarschijnlijk ware anekdoten zijn
bekend omtrent lang uitgestelde en slim overlegde wraak van
verschillende dieren. De nauwkeurige Rengger en Brehm [164] getuigen,
dat de tamme Amerikaansche en Afrikaansche apen die zij bezaten, zich
steeds poogden te wreken. Sir Andrew Smith, een dierkundige wiens
strenge nauwgezetheid aan vele personen bekend is, verhaalde mij de
volgende geschiedenis, waarvan hij zelf ooggetuige was. Aan de Kaap de
Goede Hoop had een officier dikwijls zekeren baviaan geplaagd. Toen op
zekeren Zondag het dier hem, voor de parade gekleed, zag aankomen,
wierp het water in een holte in den grond, maakte snel wat dikken
modder en wierp dien behendig over den officier, toen deze voorbijging,
tot groot vermaak van vele omstanders. Nog lang daarna verheugde zich
de baviaan en keek zegepralend als hij zijn slachtoffer zag.
De liefde van den hond voor zijn meester is bekend, gelijk een oud
schrijver aardig zegt [165]: „Een hond is het eenige ding op deze aarde
dat meer van u houdt dan van zich zelf.” Er bestaan voorbeelden, dat
een hond in zijn doodsstrijd nog zijn meester liefkoosde, en iedereen
heeft hooren spreken van dien hond, die, terwijl men een vivisectie op
hem deed, niettegenstaande zijn lijden, de hand van den operateur
likte; als deze man geen hart van steen heeft bezeten, moet hij tot aan
zijn dood berouw hebben gevoeld. „Wie kan”, zooals Whewell [166] heeft
opgemerkt, „als hij de treffende voorbeelden van moederlijke liefde
leest, zoo dikwijls van vrouwen van alle natiën en van de wijfjes van
alle dieren verhaald, betwijfelen dat het beginsel der handeling in
beide gevallen het zelfde is?”
Wij zien die moederlijke liefde tot in de nietigste kleinigheden
uitblinken; zoo nam Rengger een Amerikaanschen aap (een Cebus soort)
waar, die zorgvuldig de vliegen wegjoeg, die haar jong plaagden; en
Duvaucel zag een soort van het geslacht Hylobates de aangezichten van
haar jongen in een rivier wasschen. Zoo innig is de smart van
wijfjesapen over het verlies harer jongen, dat zij steeds den dood
veroorzaakte van sommige soorten die Brehm in N.-Afrika in gevangen
staat bezat. Jonge apen die hun ouders hebben verloren, worden altijd
geadopteerd en zorgvuldig beschermd door de andere apen, mannetjes zoo
goed als wijfjes. Zekere wijfjesbaviaan had zulk een ruim hart, dat zij
niet alleen jonge apen van andere soorten adopteerde, maar zelfs jonge
honden en katten stal, die zij voortdurend bij zich droeg. Haar
vriendelijkheid ging echter niet zoover, dat zij haar voedsel met haar
aangenomen kroost deelde, waarover Brehm verwonderd was, daar zijn apen
met hun eigen jongen alles altijd heel eerlijk deelden. Een der
geadopteerde katjes krabde eens den bovenvermelden liefderijken
baviaan, die zeker bijzonder verstandig was, want hij was zeer verbaasd
te worden gekrabd, onderzocht dadelijk de pooten van het katje, en beet
er zonder zich verder te beklagen de nagels af. In den Londenschen
dierentuin hoorde ik van een oppasser, dat een oude wijfjesbaviaan (C.
chacma) een Rhesus-aap had geadopteerd; maar toen men een jongen dril
en jongen mandril (4) in de zelfde kooi plaatste, scheen zij te
begrijpen, dat deze apen, hoewel van een andere soort als zij, haar
toch nader verwant waren; want opeens verstiet zij den jongen Rhesus en
adopteerde den dril en mandril. Ik zag, dat de jonge Rhesus over deze
verstooting zeer ontevreden was, en hij beproefde om, even als een
stout kind, den jongen dril en mandril te plagen en aan te vallen,
zoodra hij dit zonder gevaar doen kon, welk gedrag de verontwaardiging
van den ouden baviaan opwekte. Apen verdedigen volgens Brehm ook hun
meester, als deze door iemand wordt aangevallen, even goed als honden
waaraan zij gehecht zijn, tegen de aanvallen van andere honden. Maar
hier zouden wij vervallen tot het bespreken van het medegevoel, op welk
onderwerp ik zal terugkomen. Sommigen van Brehm’s apen hadden er veel
vermaak in om een ouden hond waarvan zij een afkeer hadden, en ook wel
andere dieren, op verschillende slim bedachte wijzen te plagen.
De meeste meer samengestelde gemoedsaandoeningen zijn aan de hoogere
dieren en aan ons zelven gemeen. Iedereen heeft wel eens gezien, hoe
naijverig een hond op de genegenheid van zijn meester is, als deze
eenig ander wezen liefkoost; en ik heb het zelfde feit bij apen
waargenomen. Dit toont, dat dieren niet slechts vatbaar zijn voor
liefde, maar ook voor de begeerte om te worden bemind. De dieren
gevoelen blijkbaar naijver. Zij worden gaarne geprezen, zijn gevoelig
voor goedkeuring; en een hond, die voor zijn meester een mandje draagt,
geeft blijken van in hooge mate met zich zelf tevreden en trotsch te
zijn op hetgeen hij doet. Het kan, dunkt mij, aan geen twijfel
onderhevig zijn, dat een hond schaamte gevoelt, afgescheiden van vrees,
en ook iets dat zeer op bedeesdheid gelijkt, als hij te dikwijls om
voedsel bedelt. Een groote hond veracht het brommen van een kleinen
hond, en dit kan grootmoedigheid worden genoemd. Verscheidene
waarnemers hebben getuigd, dat apen ongetwijfeld ongaarne worden
uitgelachen; en soms vinden zij denkbeeldige beleedigingen uit. In den
Londenschen dierentuin zag ik een baviaan, die altijd in woedenden
toorn geraakte, als zijn oppasser een brief of een boek opnam en hem
daaruit hardop voorlas; en die toorn was zoo hevig, dat hij, zooals ik
bij een enkele gelegenheid waarnam, in zijn eigen achterpoot beet,
totdat het bloed vloeide. Honden vertoonen iets, dat gerust gevoel voor
scherts mag worden genoemd en van eenvoudig spelen verschilt. Indien
men een stukje hout of ander dergelijk voorwerp aan een hond toewerpt,
zal hij het dikwijls een klein eindje wegdragen, het daarna op den
grond in zijn onmiddellijke nabijheid neerleggen, gaan zitten en
wachten tot zijn meester vlak bij hem is. Daarop zal de hond het weer
pakken, in triomf wegloopen en de zelfde handeling later herhalen, en
blijkbaar vermaak scheppen in zijn eigen schalkschheid.
Wij zullen nu overgaan tot de meer verstandelijke gemoedsaandoeningen
en vermogens, die zeer belangrijk zijn, daar zij den grondslag vormen
voor de ontwikkeling der hoogere geestvermogens. Dieren worden gaarne
aangespoord en lijden aan verveling, zooals men kan zien aan honden, en
volgens Rengger aan apen. Alle dieren gevoelen verwondering, en vele
toonen nieuwsgierigheid. Zij hebben soms nadeel van deze laatste
hoedanigheid, zooals wanneer de jager grappen maakt en ze zoo lokt; ik
heb dit gezien met hinden en het is ook het geval met de zoo
voorzichtige gems en met sommige soorten van wilde eenden. Brehm geeft
een merkwaardig verhaal van de instinktmatige vrees die zijn apen voor
slangen vertoonden; maar hun nieuwsgierigheid was zoo groot, dat zij
niet na konden laten tusschenbeide hun afschuw op zeer menschelijke
wijze te toonen, door het deksel van de kist op te lichten, waarin zich
de slangen bevonden. Ik was van dit verhaal zoo verbaasd, dat ik een
opgezette slang in het apenhuis in den Londenschen dierentuin liet
brengen, en de daardoor veroorzaakte opschudding was een van de
merkwaardigste tooneelen die ik ooit zag. Drie soorten van
Cercopithecus waren het meest verschrikt; zij sprongen in hun kooien
rond onder het slaken van doordringende kreten om voor het gevaar te
waarschuwen, en deze werden door de andere apen verstaan. Enkele jonge
apen en een oude Anubis baviaan waren de eenigen die geen acht sloegen
op de slang. Toen plaatste ik het opgezette voorwerp op den grond in
een der grootere hokken. Na korten tijd schaarden alle apen er zich
kringsgewijze om heên en staarden het ingespannen en uitvorschend aan,
hetgeen een allergrappigste vertooning vormde. Zij werden buitengewoon
zenuwachtig, zoodat zij, als een houten bal, waarmede zij gewoon waren
te spelen, toevallig werd bewogen in het stroo, waardoor hij
gedeeltelijk was bedekt, allen dadelijk wegsprongen. Deze apen
gedroegen zich geheel anders, als een doode visch, een muis en eenige
andere nieuwe voorwerpen in hun kooien werden geplaatst: want, hoewel
eerst ook verschrikt, kwamen zij er in dit laatste geval weldra dichter
bij, grepen ze met de handen aan en bekeken ze. Daarop plaatste ik een
levende slang in een papieren zak, die van boven losjes weg was
dichtgemaakt, in één der grootere hokken. Dadelijk naderde één der
apen, opende den zak zeer voorzichtig een weinig, gluurde er even in en
sprong dadelijk weg. Toen zag ik met eigen oogen hetgeen Brehm heeft
beschreven; want de eene aap voor en de andere na konden de begeerte
niet weêrstaan om, het hoofd omhoog houdende en naar den eenen kant
wendende, even in den rechtopstaanden zak te gluren naar het
vreeselijke voorwerp dat rustig op den bodem daarvan lag. Het heeft er
zelfs iets van, alsof apen eenig begrip hebben van zoölogische
verwantschap; want die welke Brehm bezat, vertoonden een vreemden,
ofschoon misplaatst en, instinktmatigen afkeer van onschuldige
hagedissen en kikvorschen. Er is ook een voorbeeld bekend van een
orang, die zeer verschrikt was toen hij voor het eerst een schildpad
zag. [167]
Het beginsel van nabootsing is bij den mensch en vooral, gelijk ik zelf
heb opgemerkt, bij den mensch in wilden staat, sterk ontwikkeld. Bij
zekere ziekelijke toestanden van de hersenen neemt deze neiging in
buitengewone mate toe; sommige lijders aan hemiplegie en anderen
bootsen bij het begin van de ontstekingachtige hersenverweeking
onbewust elk woord na, dat, hetzij in hun eigen, hetzij in een vreemde
taal wordt gesproken, en elk gebaar of elke handeling die in hun
nabijheid wordt gemaakt of gedaan. Desor [168] heeft opgemerkt, dat
geen dier willekeurig uit zich zelf een door den mensch volbrachte
handeling nabootst, totdat wij in de opklimmende reeks aan de apen
komen, die, zooals zeer bekend is, belachelijke nabootsers zijn.
Somtijds bootsen echter dieren elkanders handelingen na: zoo leerden
twee soorten van wolven, die door honden waren opgevoed, blaffen,
evenals ook de jakhals dit wel eens leert [169], maar of dit een
willekeurige nabootsing kan worden genoemd, is een andere vraag. Vogels
bootsen den zang van hun verwanten en somtijds die van andere vogels
na; en papegaaien bootsen, zooals bekend is, alle tonen na, die zij
dikwijls hooren. Dureau de la Malle verhaalt van een hond, die door een
kat was grootgebracht [170], die de welbekende kattengewoonte nabootste
om de pooten te likken en daarmede ooren en gelaat te wasschen; dit
werd ook waargenomen door den beroemden natuuronderzoeker Audouin. Ik
heb verschillende bevestigingen hiervan ontvangen; in een daarvan was
een hond niet door een kat gezoogd, maar was er door een grootgebracht,
gezamenlijk met haar eigen jongen, en had daardoor bovengenoemde
gewoonte aangenomen, die hij later gedurende de dertien jaar dat hij
leefde, voortdurend bleef in praktijk brengen. Dureau de la Malle’s
hond leerde ook van de katjes met een bal spelen, door dien met zijn
voorpooten voort te rollen en er op te springen. Een mijner
correspondenten verzekert mij, dat een kat te zijnen huize de gewoonte
had om haar pooten te steken in melkkannen, waarvan de opening te nauw
was om haar kop door te laten. Een jong van deze kat leerde spoedig het
zelfde kunstje en bracht het later altijd in praktijk, zoo dikwijls het
er gelegenheid toe vond.
Men kan zeggen, dat bij vele dieren de ouders, vertrouwende op het
beginsel van nabootsing, en meer bijzonder op instinktmatige en
overgeërfde eigenschappen hunner jongen, deze opvoeden. Wij zien dit
als een kat haar jongen een levende muis brengt; en Dureau de la Malle
deelt in de bovenaan gehaalde verhandeling zijn merkwaardige
waarnemingen mede omtrent valken, die hun jongen behendigheid en het
beoordeelen van afstanden leerden, door eerst doode muizen en musschen
door de lucht te laten vallen, in het vangen waarvan de jongen over het
algemeen niet slaagden, en hun daarna levende vogels te brengen en die
los te laten.
Nauwelijks eenig vermogen is belangrijker voor de verstandelijke
ontwikkeling van den mensch dan dat van de oplettendheid. Dieren toonen
blijkbaar dat vermogen te bezitten, een kat bijvoorbeeld als zij bij
een muizengat op de loer ligt, en zich gereed houdt om haar prooi te
bespringen. Wilde dieren zijn somtijds in dergelijke gevallen zoozeer
in hun gedachten verdiept, dat men ze dan gemakkelijk kan naderen. De
heer Bartlett gaf mij een merkwaardig bewijs hoe verschillend deze
eigenschap bij apen is. Een man, die apen opleidde voor een apenspel,
was gewoon de gewone soorten van de Zoölogische Vereeniging te koopen
voor den prijs van vijf pond sterling per stuk; maar hij bood aan den
dubbelen prijs te geven, als hij vier of vijf apen een dag of wat bij
zich mocht houden, en er daarna een uitkiezen. Toen men hem vraagde,
hoe het mogelijk was, dat hij zoo spoedig kon te weten komen, of de
eene of andere aap een goeden aanleg voor het tooneel had, antwoordde
hij, dat alles afhing van hun vermogen van oplettendheid. Indien,
wanneer hij een aap iets zeide en verklaarde, de oplettendheid van het
dier gemakkelijk werd afgetrokken, bijvoorbeeld door een vlieg op den
muur of eenige andere nietigheid, dan was het geval hopeloos. Indien
hij trachtte een onoplettenden aap door bestraffing voor het tooneel af
te richten, dan werd het dier kwaadaardig. Een aap daarentegen die
zorgvuldig oplette, als hij tegen hem sprak, kon altijd worden
afgericht.
Het is bijna overbodig om uiteen te zetten, dat dieren een uitnemend
geheugen voor personen en plaatsen hebben. Sir Andrew Smith heeft mij
medegedeeld, dat een baviaan hem aan de Kaap de Goede Hoop met vreugde
herkende na een afwezigheid van negen maanden. Ik had een hond, die
kwaadaardig was en een afkeer van alle vreemdelingen had, en beproefde
met voordacht zijn geheugen na een afwezigheid van vijf jaren en twee
dagen. Ik ging naar den stal, waarin hij zich bevond en riep hem op
mijn oude manier: hij vertoonde geen vreugde, maar volgde mij dadelijk
op mijn wandeling en gehoorzaamde mij, evenals of ik eerst een half uur
te voren van hem was weggegaan. Een aaneenschakeling van gedachten, die
vijf jaar lang had geslapen, was dus oogenblikkelijk weder in zijn
geest ontwaakt. P. Huber [171] heeft duidelijk aangetoond, dat zelfs
mieren andere mieren van het zelfde nest na een scheiding van vier
maanden herkennen. Dieren kunnen ongetwijfeld op de eene of andere
wijze de tijdsruimten beoordeelen, die tusschen periodiek terugkeerende
gebeurtenissen verloopen. (5)
De verbeeldingskracht is een der grootste voorrechten van den mensch.
Door dit vermogen verbindt hij, onafhankelijk van zijn wil, vroegere
beelden en ideeën en schept daardoor schitterende en nieuwe uitkomsten.
„Een dichter”, zooals Jean Paul Richter opmerkt [172], „die er over
moet nadenken, of hij een zijner personen ja of neen zal laten
zeggen—moet naar den duivel loopen, hij is slechts een dom lijk.” Het
droomen geeft ons het beste denkbeeld van dit vermogen; zooals Jean
Paul op een andere plaats zegt: „Droomen is een onwillekeurige
dichterlijke handeling.” De waarde van de voortbrengselen onzer
verbeeldingskracht hangt natuurlijk af van het aantal, de
nauwkeurigheid en de helderheid onzer indrukken, van ons oordeel en
onzen smaak in het uitkiezen en verwerpen van onwillekeurige
gedachtenverbindingen, en tot op zekere hoogte van ons vermogen om ze
willekeurig te verbinden. Daar honden, katten, paarden en
waarschijnlijk al de hoogere dieren, zelfs vogels, naar door bevoegde
autoriteiten wordt getuigd [173], levendige droomen hebben, en dit
blijkt uit hun bewegingen en de kreten die zij slaken, moeten wij
hieruit opmaken, dat zij eenige verbeeldingskracht bezitten. Er moet
een bijzondere oorzaak zijn, waarom honden ’s nachts huilen, en vooral
bij maneschijn op die bijzondere en zwaarmoedige manier, die men janken
noemt. Alle honden doen dit niet; en volgens Houzeau [174] kijken zij
dan niet naar de maan, maar naar een of ander vast punt nabij den
horizon. Houzeau denkt, dat hun verbeeldingskracht op een dwaalspoor
wordt gebracht door de onbestemde omtrekken der omringende voorwerpen,
en dat deze fantastische beelden voor hun geest doen verrijzen; indien
dit zoo is, kan men hun gevoelens bijna bijgeloof noemen.
Van alle vermogens van den menschelijken geest zal men, naar ik
onderstel, wel aannemen, dat de rede het hoogste staat. Bijna niemand
betwijfelt meer, dat de dieren eenigszins het vermogen bezitten om te
redeneeren. Men kan voortdurend dieren zien aarzelen, bij zich zelven
overleggen en een besluit nemen. Het is een veelbeteekenend feit, dat,
hoe meer de gewoonten van het eene of andere bijzondere dier door een
natuuronderzoeker worden bestudeerd, hoe meer hij toeschrijft aan
redeneering, en hoe minder aan aangeboren instinkten. [175] In volgende
hoofdstukken zullen wij zien, dat sommige dieren, die uiterst laag op
de ladder staan, een zekere hoeveelheid rede schijnen te vertoonen.
Ongetwijfeld is het dikwijls moeilijk om de uitwerkselen der rede en
die van het instinkt van elkander te onderscheiden. Zoo merkt Dr. Hayes
in zijn werk over „de open Poolzee” herhaaldelijk op, dat zijn honden,
als zij aan dun ijs kwamen, in plaats van voort te gaan met de sleden
in dichten drom voort te trekken, uiteengingen en zich van elkander
verwijderden, opdat hun gewicht meer gelijkelijk zou worden verdeeld.
Dit was dikwijls de eerste waarschuwing en het eerste teeken waaraan de
reizigers bemerkten, dat het ijs dun en gevaarlijk werd. Deden de
honden dit nu uithoofde van de ondervinding van elk individu of op het
voorbeeld van oudere en wijzere honden, of uit een overgeërfde
gewoonte, dat wil zeggen uit instinkt? Dit instinkt zou wellicht kunnen
zijn ontstaan sedert den reeds lang geleden tijd, dat de inboorlingen
voor het eerst honden gebruikten om hun sleden voort te trekken; of
wellicht hebben de poolwolven, de stamvorm van de honden der Eskimo’s,
dit instinkt gekregen, dat hen aandreef hun prooi op dun ijs niet in
een dichten drom aan te vallen.
Wij kunnen alleen uit de omstandigheden waaronder handelingen worden
volvoerd, besluiten of zij door instinkt, door rede of eenvoudig door
associatie van denkbeelden worden verricht; dit laatste beginsel staat
echter in innig verband met rede. Prof. Möbius [176] deelt een
merkwaardig geval mede van een snoek, die door een glasplaat was
gescheiden van een met visschen gevuld aquarium, en die, trachtende de
andere visschen te vangen, zich dikwerf met zooveel kracht tegen het
glas aanwierp, dat hij somtijds volkomen bedwelmd werd. De snoek ging
daarmede drie maanden lang voort, maar leerde ten laatste voorzichtig
te zijn en hield er mede op. De glasplaat werd daarop weggenomen, maar
de snoek viel deze bijzondere visschen niet aan, hoewel hij wel andere
verslond, die er later werden ingebracht; zoo sterk was het denkbeeld
van een hevigen schok in zijn zwakken geest geassocieerd met een aanval
op zijn vroegere buurlieden. Indien een wilde die nooit een groote
spiegelruit had gezien, er zich eens tegen stootte, zou hij langen tijd
daarna het denkbeeld van een schok associeeren met dat van een
spiegelruit; maar zeer verschillend van den snoek, zou hij
waarschijnlijk nadenken over den aard van het beletsel en onder
dergelijke omstandigheden voorzichtig zijn. Nu is bij apen, gelijk wij
thans zullen zien, een pijnlijke of ook eenvoudig onaangename indruk
van een eens volbrachte handeling dikwijls voldoende om te maken, dat
het dier die handeling niet andermaal volbrengt. Indien wij het
verschil tusschen den aap en den snoek alleen daaraan toeschrijven, dat
de associatie van denkbeelden bij den een zooveel sterker en blijvender
is dan bij den ander, hoewel de snoek dikwijls veel erger letsel
bekwam, kunnen wij dan in het geval van den mensch volhouden, dat een
dergelijk verschil het bezit van een fundamenteel verschillenden geest
bewijst?
Houzeau [177] verhaalt, dat, terwijl hij een uitgestrekte en dorre
vlakte in Texas overtrok, zijn beide honden erg aan dorst leden, en dat
zij tusschen de dertig en veertig malen naar lagere plekken renden om
water te zoeken. Deze lagere plekken waren geen valleien, en er stonden
geen boomen op, noch eenige andere verschillende plantengroei, en daar
zij volkomen droog waren, kan het er ook niet naar vochtige aarde
hebben geroken. De honden gedroegen zich, alsof zij wisten, dat een
laagte in den grond hun de beste kans aanbood, om water te vinden, en
Houzeau heeft dikwijls opgemerkt, dat ook andere dieren zich op de
zelfde wijze gedroegen.
Ik, en ik durf zeggen ook anderen, hebben gezien, dat als een klein
voorwerp op den grond wordt geworpen buiten het bereik van een der
olifanten in den Londenschen dierentuin, hij door zijn snuit blaast op
den grond voorbij dat voorwerp, zoodat de naar alle zijden
teruggekaatste luchtstroom het voorwerp binnen zijn bereikt drijft. Een
welbekend ethnoloog, de heer Westrop, meldt mij, dat hij te Weenen een
beer waarnam, die met voordacht met zijn klauw een stroom veroorzaakte
in eenig water, dat dicht bij de tralies van zijn hok was, om een stuk
brood, dat er in dreef, binnen zijn bereik te brengen. Deze handelingen
van den olifant en beer kunnen moeilijk aan instinkt of overgeërfde
gewoonte worden toegeschreven, daar zij een dier in den natuurstaat van
weinig nut zouden zijn. Wat is nu het verschil tusschen dergelijke
handelingen, als zij door een onbeschaafd mensch, en als zij door een
der hoogere dieren worden verricht?
De wilde en de hond hebben water gevonden op een laag peil, en deze
beide zaken zijn in hun geest geassocieerd geworden. Een beschaafd
mensch zou daaruit wellicht daarover de eene of andere algemeene
gevolgtrekking afleiden; maar al wat wij van wilden weten, maakt het
uiterst twijfelachtig of deze zulks zouden doen, en een hond zou het
stellig niet doen. Maar een wilde, zoowel als een hond, zoude op de
zelfde wijze water zoeken, al werden zij dikwijls teleurgesteld; en bij
beiden schijnt dit gelijkelijk een redelijke handeling te zijn, hetzij
eenige algemeene gevolgtrekking omtrent het verband tusschen beide
feiten al dan niet bewust in hun geest bestond. [178] Het zelfde zou
van toepassing zijn op den olifant en den beer, die stroomen
veroorzaken in de lucht of het water. De wilde zou zeker noch weten,
noch er belang in stellen te weten, door welke wet de gewenschte
bewegingen tot stand kwamen; toch zou deze handeling worden geleid door
een ruw proces van redeneeren, even zeker als een wijsgeer in zijn
langste keten van syllogismen. Er zou ongetwijfeld dit verschil zijn
tusschen hem en een van de hoogere dieren, dat hij op veel geringer
omstandigheden en voorwaarden zou letten, en elk verband tusschen deze
na veel minder ervaring zou opmerken, en dit zou van het grootste
belang zijn. Ik hield een dagboek van de handelingen van een mijner
kinderen, en toen het omstreeks elf maanden oud was, en vóór het een
enkel woord kon spreken, werd ik voortdurend getroffen door de grootere
snelheid, waarmede allerlei voorwerpen en geluiden in zijn geest met
elkander werden geassocieerd, in vergelijking van die van de
verstandigste honden die ik ooit heb gekend. Maar de hoogere dieren
verschillen op volkomen de zelfde wijze in dit vermogen van associatie,
zoowel als in dat van gevolgtrekkingen te maken en waarnemingen te
doen, van die welke laag op de ladder staan, gelijk de snoek.
De besluiten der rede, na zeer korte ervaring, worden goed aangetoond
door de volgende handelingen van Amerikaansche apen, die in hun orde
een lage plaats innemen. Rengger, een zeer zorgvuldig waarnemer,
verhaalt, dat zijn apen, toen hij hun voor de eerste maal eieren gaf,
die stuk wierpen en daardoor veel van den inhoud verloren; later
sloegen zij ze voorzichtig met het eene einde tegen het eene of andere
harde lichaam, en pelden de stukken van de schaal met hun vingers af.
Na zich slechts eens met een scherp werktuig te hebben gesneden,
raakten zij het nooit meer aan zonder het met de grootste
voorzichtigheid te behandelen. Dikwijls werden hun klontjes suiker, in
papier gewikkeld, gegeven; en soms deed Rengger een levende wesp in het
papier, zoodat zij, als zij het haastig openmaakten, werden gestoken;
nadat dit eens was gebeurd, hielden zij het papier altijd eerst aan het
oor, om te hooren, of er eenige beweging in was. Iemand die door feiten
als deze en door hetgeen hij bij zijn eigen honden kan waarnemen, niet
wordt overtuigd dat dieren kunnen redeneeren, zou door niets dat ik er
nog bij zou kunnen voegen, worden overtuigd.
De volgende gevallen hebben op honden betrekking. De heer Colquhoun
[179] kwetste twee wilde eenden aan den vleugel, en zij vielen aan de
overzijde van een beek; zijn jachthond beproefde ze beide tegelijk
daarover te brengen, maar kon dit niet gedaan krijgen; daarop doodde
hij de eene, hoewel hij vroeger nooit een veêrtje van het wild had
beschadigd, bracht de andere over en keerde terug om den dooden vogel
te halen. Kol. Hutchinson verhaalt, dat hij eens twee patrijzen
tegelijk schoot, de eene was gedood, de andere slechts gekwetst; deze
laatste liep weg en werd door den jachthond gepakt, die bij zijn
terugkeeren den dooden vogel vond liggen; „hij bleef klaarblijkelijk
zeer in verlegenheid staan, en toen hij, na het eens of tweemaal te
hebben beproefd, bemerkte, dat hij hem niet op kon nemen zonder den
gekwetsten vogel te laten ontsnappen, bedacht hij zich een oogenblik,
doodde toen dezen laatsten koelbloedig door een fikschen beet en
apporteerde daarna beide tegelijk. Dit was het eenige bekende
voorbeeld, dat hij willens eenig wild beschadigde.” Hier hebben wij
rede, schoon geen volmaakte, want de hond had eerst den gekwetsten
vogel kunnen apporteeren, en dan terugkeeren om den dooden te halen,
zooals in het geval van de twee wilde eenden. Ik deel de bovengenoemde
gevallen mede, omdat zij berusten op de getuigenis van twee van
elkander onafhankelijke waarnemers, en omdat in beide gevallen de
jachthonden, na er over te hebben nagedacht, braken met een gewoonte
die zij hadden overgeërfd (om namelijk het wild dat zij apporteerden,
niet te dooden) en omdat zij toonen, hoe sterk hun redeneerend vermogen
moet zijn geweest om een vaste gewoonte daardoor te laten varen.
Ik wil besluiten door een opmerking van den beroemden Humboldt [180]
aan te halen. De muilezeldrijvers in Zuid-Amerika zeggen: „Ik zal u
niet den muilezel geven, die den gemakkelijksten stap heeft, maar la
mas racional,—de redelijkste”, en, gelijk hij er bij voegt: „deze
populaire uitdrukking, ingegeven door lange ondervinding, bestrijdt het
stelsel der levende werktuigen (automaten) wellicht beter dan al de
bewijsgronden der bespiegelende wijsbegeerte.” Toch ontkennen sommige
schrijvers zelfs nu nog, dat de hoogere dieren een spoor van rede
bezitten, en zij trachten door iets dat op bloote breedsprakigheid
gelijkt, al zulke feiten als boven zijn gegeven, weg te redeneeren.
Het is, dunkt mij, nu bewezen, dat de mensch en de hoogere dieren,
vooral de Primaten, eenige weinige instinkten gemeen hebben. Allen
hebben zij de zelfde zinnen, wijzen van waarneming en
gewaarwordingen—gelijksoortige hartstochten, neigingen en
gemoedsaandoeningen, zelfs de meer samengestelde; zij gevoelen
verwondering en nieuwsgierigheid; zij bezitten de zelfde vermogens van
nabootsing, oplettendheid, geheugen, verbeeldingskracht en rede, hoewel
in zeer verschillende graden. Toch hebben vele schrijvers volgehouden,
dat de mensch door zijn geestelijke vermogens door een onoverkomelijken
slagboom van alle lagere dieren is gescheiden. Ik heb vroeger eens een
verzameling gemaakt van meer dan twintig dergelijke aphorismen, maar
zij zijn niet waard hier te worden medegedeeld, daar hun verbazend
verschil en hun aantal de moeilijkheid, zoo niet de onmogelijkheid der
poging bewijzen. Men heeft verzekerd, dat alleen de mensch vatbaar is
voor trapsgewijze ontwikkeling, dat hij alleen werktuigen en het vuur
gebruikt, andere dieren temt, eigendom bezit of een taal gebruikt; dat
geen ander dier zelfbewust is, zich zelf begrijpt, het vermogen heeft
afgetrokken denkbeelden te vormen, of algemeene begrippen bezit; dat de
mensch alleen schoonheidsgevoel heeft, onderhevig is aan luimen, het
gevoel van dankbaarheid, den trek naar het geheimzinnige bezit, enz.,
in God gelooft of met een geweten begaafd is. Ik zal mij eenige weinige
opmerkingen veroorloven over de voornaamsten en belangrijksten van deze
punten.
De aartsbisschop Summer [181] hield vroeger vol, dat alleen de mensch
vatbaar is voor trapsgewijze ontwikkeling. Als wij bij de dieren eerst
de individu’s beschouwen, dan weet ieder die eenige ondervinding heeft
in het zetten van vallen, dat jonge dieren zich veel gemakkelijker
laten vangen dan oude, en dat hun vijanden hen ook veel gemakkelijker
kunnen naderen. Zelfs bij oude dieren is het onmogelijk velen op de
zelfde plaats en in de zelfde soort van val te vangen, of hen met het
zelfde soort van vergif te vernielen; en toch is het onwaarschijnlijk,
dat allen het vergif zouden hebben geproefd, en onmogelijk, dat allen
in de val gevangen zouden zijn geweest. In Noord-Amerika, waar men
sinds lang op de pelsdragende dieren heeft gejaagd, vertoonen zij
volgens de eenparige getuigenis van alle waarnemers een bijna
ongelooflijken vooruitgang in scherpzinnigheid, voorzichtigheid en
geslepenheid, maar het zetten van vallen is daar zoo langen tijd in
gebruik, dat hier wel erfelijk geworden eigenschappen in het spel
kunnen zijn. (6) Ik heb verschillende mededeelingen ontvangen, dat,
wanneer in de eene of andere streek pas telegrafen zijn aangelegd, vele
vogels zich zelf dooden door tegen de draden te vliegen, maar dat zij
na verloop van zeer weinige jaren dit gevaar leeren vermijden, naar het
schijnt daar zij zien dat hun kameraden worden gedood. [182]
Als wij opeenvolgende generaties beschouwen, valt het niet te
betwijfelen, dat vogels en andere dieren omzichtigheid jegens den
mensch en andere vijanden [183] zoowel kunnen verkrijgen als verliezen;
en deze omzichtigheid is zeker voornamelijk een overgeërfde gewoonte of
instinkt, maar gedeeltelijk het resultaat van individueele
ondervinding. Een goed waarnemer, Leroy [184], getuigt, dat in streken,
waar veel vossenjachten worden gehouden, de jonge vossen, als zij voor
het eerst hun holen verlaten, ongetwijfeld veel voorzichtiger zijn dan
de oude in streken waar zij niet veel worden verontrust.
Onze huishonden stammen van wolven en jakhalzen af [185], en hoewel zij
wellicht geen vorderingen hebben gemaakt in geslepenheid en misschien
zijn achteruitgegaan in omzichtigheid en achterdochtigheid, zijn zij
vooruitgegaan in sommige zedelijke hoedanigheden, zooals in
aanhankelijkheid, trouw, karakter en waarschijnlijk in algemeene
verstandelijke ontwikkeling. De gewone rat (7) heeft door geheel
Europa, in gedeelten van Noord-Amerika, Nieuw-Zeeland, en onlangs in
Formosa, zoowel als op het vasteland van China verschillende andere
soorten overwonnen en uitgeroeid. De heer Swinhoe [186], die deze
laatste gevallen beschrijft, schrijft de overwinning van de gewone rat
over den grooten Mus coninga toe aan haar grootere omzichtigheid, en
deze laatste hoedanigheid kan worden toegeschreven aan de voortdurende
oefening van al haar vermogens om haar uitroeiing door den mensch tegen
te gaan, zoowel als aan het achtereenvolgens dooden door dezen van
bijna alle ratten die minder omzichtig of zwak van geestvermogens zijn.
Zonder eenig direct bewijs vol te houden, dat geen dier gedurende den
loop der eeuwen in verstand of andere zielsvermogens is vooruitgegaan,
staat gelijk met de verandering der soorten weg te cijferen. Wij zullen
hieronder zien, dat volgens Lartet de bestaande zoogdieren van
verschillende orden grooter hersenen bezitten dan hun oude tertiaire
stamvormen.
Men heeft dikwijls gezegd, dat geen enkel dier werktuigen gebruikt,
maar de chimpanzee kraakt in zijn natuurstaat een vrucht uit zijn eigen
vaderland, die wel wat op een walnoot gelijkt, door middel van een
steen. [187] Rengger [188] leerde een Amerikaanschen aap om op die
wijze harde palmnoten open te breken en daarna gebruikte deze uit eigen
beweging steenen om andere soorten van noten, en ook doozen te openen.
Hij verwijderde op die wijze ook de zachte schil van zekere vrucht, die
een onaangenamen smaak had. Een andere aap werd geleerd om het deksel
van een groote kist met een stok te openen, en daarna gebruikte hij den
stok als een hefboom om zware lichamen op te lichten; en ik heb zelf
gezien, hoe een jonge orang een stok in een spleet stak, zijn hand naar
het andere einde verschoof en hem daarna op de juiste wijze als een
hefboom gebruikte. Het is welbekend, dat in Indië de tamme olifanten
boomtakken afbreken en die gebruiken om de vliegen te verdrijven; en de
zelfde handeling is waargenomen bij een olifant in den natuurstaat.
[189] Ik heb een jong orangwijfje gezien, dat als het dacht dat het
slaag zou krijgen, zich met een laken of met stroo bedekte en
beschermde. In de bovengenoemde gevallen dienden de steenen en stokken
tot werktuigen; maar zij worden ook tot wapens gebruikt. Brehm [190]
deelt op gezag van den welbekenden reiziger Schimper mede, dat, als in
Abessinië een zekere soort van bavianen (C. Gelada) in troepen van de
bergen afdaalt om de velden te plunderen, zij somtijds troepen van een
andere soort (C. Hamadryas) ontmoeten, waarvan dan vechtpartijen het
gevolg zijn. De Gelada’s rollen groote steenen naar beneden, die de
Hamadryas trachten te vermijden, en daarna stuiven de beide soorten
onder een vervaarlijk rumoer woedend op elkander los. Toen Brehm den
Hertog van Coburg-Gotha vergezelde, nam hij deel aan een aanval met
vuurwapenen op een troep bavianen in den bergpas van Menda in
Abessinië. De bavianen verdedigden zich door zooveel steenen van den
berg af te rollen, waarvan sommigen zoo groot als een menschenhoofd
waren, dat de aanvallers haastig den terugtocht moesten aannemen en de
bergpas werkelijk een tijdlang voor het reisgezelschap was gesloten.
Het verdient opmerking, dat deze bavianen aldus gezamenlijk handelden.
De heer Wallace [191] zag bij drie gelegenheden vrouwelijke orangs,
door haar jongen vergezeld, „blijkbaar in woede ontstoken, takken en de
groote stekelige vrucht van den Doerianboom afbreken; en daarmede zulk
een hagelbui van werptuigen veroorzaken, dat zij ons wezenlijk beletten
den boom al te zeer te naderen.”
In den Londenschen dierentuin was een aap, die slechte tanden had,
gewoon noten met een steen stuk te slaan; en de oppassers verzekerden
mij, dat dit dier, als het een steen had gebruikt, hem in het stroo
verborg, en niet wilde toelaten, dat een andere aap hem aanraakte. Hier
hebben wij dus het denkbeeld van eigendom: maar dit denkbeeld vinden
wij terug bij elken hond ten opzichte van een been, en bij bijna alle
vogels ten opzichte van hun nesten.
De Hertog van Argyll [192] merkt op, dat het fatsoeneeren van een
voorwerp tot een bepaald doel uitsluitend aan den mensch eigen is; en
hij meent, dat dit een onmetelijken afgrond tusschen dezen en de dieren
vormt. Het is ongetwijfeld een zeer belangrijk verschil, maar het
schijnt mij toe, dat er veel waars gelegen is in het door John Lubbock
[193] geopperde denkbeeld, dat, toen de oorspronkelijke mensch voor de
eerste maal vuursteenen voor eenig doel gebruikte, hij ze wellicht
toevallig brak en daarna de scherpe splinters gebruikte. Nadat dit was
geschied, zou er slechts een kleine stap noodig zijn geweest om de
vuursteenen met voordacht te breken, en geen zeer groote om ze
grovelijk te fatsoeneeren. Voor dezen laatsten vooruitgang schijnen
echter vele eeuwen noodig te zijn geweest, als wij mogen oordeelen naar
den ontzaglijken tijd, die verliep, voordat de menschen van de
neolithische periode er toe kwamen om hun werktuigen te slijpen en te
polijsten. Bij het stukslaan der vuursteenen zouden er dan, zooals Sir
John Lubbock eveneens opmerkt, vonken zijn afgevlogen, en bij het
slijpen er van zou zich warmte hebben ontwikkeld; „aldus zijn wellicht
de twee gewone methoden om vuur te verkrijgen ontstaan.” De aard van
het vuur zou bekend zijn geweest in de vulkanische streken, waar nu en
dan lava door de bosschen stroomt. De anthropomorphe apen bouwen zich,
waarschijnlijk door hun instinkt geleid, tijdelijk platte nesten; maar,
daar vele instinkten in groote mate onder het toezicht van de rede
staan, zouden de meer eenvoudige, zooals dat om een plat nest te
bouwen, wel eens gemakkelijk in een willekeurige en zelfbewuste
handeling kunnen overgaan. Het is bekend, dat de orang zich des nachts
met de bladeren van den Pandanus bedekt, en Brehm deelt mede, dat een
zijner bavianen gewoon was zich tegen de hitte der zon te beschutten
door een stroomat over zijn hoofd te werpen. In deze laatste gewoonte
zien wij waarschijnlijk de eerste stappen tot sommigen van de meer
eenvoudige kunsten; namelijk ruwe bouwkunde en kleeding, zooals zij
ontstonden onder de vroege voorouders van den mensch.
Vermogen van de dieren om afgetrokken denkbeelden en algemeene
begrippen te vormen. Zelfbewustheid. Individualiteit van den geest. Het
zou zeer moeilijk zijn voor ieder, zelfs al bezat hij veel meer kennis
dan ik, om te bepalen in hoever dieren eenig spoor van deze hooge
verstandelijke vermogens vertoonen. Deze moeilijkheid is het gevolg van
de onmogelijkheid om te bepalen wat in den geest van een dier plaats
heeft, terwijl daarenboven het feit, dat de schrijvers in hooge mate
verschillen in de beteekenis die zij aan bovengenoemde termen hechten,
nog een tweede moeilijkheid veroorzaakt. Indien men mag oordeelen naar
verschillende artikelen die in den laatsten tijd het licht hebben
gezien, schijnt de grootste klem te worden gelegd op het onderstelde
volkomen ontbreken bij de dieren van het vermogen om afgetrokken
denkbeelden of algemeene begrippen te vormen. Maar als een hond een
anderen hond op een afstand ziet, is het dikwijls duidelijk, dat hij
waarneemt, dat het een hond in het algemeen (in abstracto) is; want,
als hij dichter bij komt, verandert zijn geheele gedrag plotseling, als
de andere hond een vriend van hem is. Een schrijver van den laatsten
tijd merkt op, dat het in alle dergelijke gevallen een bloote
onderstelling is, als men verzekert dat de verstandelijke werking bij
het dier niet wezenlijk van den zelfden aard is als bij den mensch.
Indien een van beiden hetgeen hij met zijn zintuigen waarneemt, in zijn
geest tot een algemeen begrip verwerkt, dan doen beiden het. [194] Als
ik tot mijn terrier met begeerige stem zeg: „Hei, hei, waar is het?”
vat hij dit dadelijk op als een teeken, dat er op iets moet worden
gejaagd, en kijkt over het algemeen eerst snel in de rondte, en rent
daarop in het naaste kreupelboschje om te ruiken of er ook eenig wild
in is, maar niets vindende, kijkt hij op naar den eenen of anderen
naburigen boom, of er ook een eekhoorn in zit. Toonen deze handelingen
nu niet duidelijk aan, dat hij in zijn geest een algemeen denkbeeld of
begrip had, dat een of ander dier moest worden opgespeurd en gejaagd?
Men mag gerust aannemen, dat geen dier zelfbewust is, als men onder dit
woord verstaat, dat het nadenkt over zulke punten als: van waar het
komt en waarheên het zal gaan, of wat dood of wat leven is, enz. Kunnen
wij er echter zeker van zijn, dat een oude hond met een uitnemend
geheugen en eenige verbeeldingskracht, zooals uit zijn droomen blijkt,
nooit nadenkt over het genoegen, dat hij op de jacht heeft gesmaakt? en
dit zou een vorm van zelfbewustheid zijn. Hoe weinig kan van de andere
zijde, zooals Büchner [195] heeft opgemerkt, de vrouw van een ruwen
wilden Nieuw-Hollander, die altijd hard moet werken, bijna geen woorden
kent om afgetrokken denkbeelden uit te drukken en niet verder kan
tellen dan vier, haar zelfbewustheid ontwikkelen of nadenken over de
natuur van haar eigen bestaan. Men neemt algemeen aan, dat de hoogere
dieren geheugen, oplettendheid, het vermogen van denkbeelden te
associeeren, en zelfs eenige verbeeldingskracht en rede bezitten.
Indien deze vermogens, die bij de verschillende diersoorten zeer
verschillen, voor ontwikkeling vatbaar zijn, komt het mij niet zeer
onwaarschijnlijk voor, dat meer ingewikkelde vermogens, zooals de
hoogere vormen van het vermogen om afgetrokken denkbeelden te vormen en
zelfbewustheid, enz. zijn ontstaan door de ontwikkeling en vereeniging
van meer eenvoudige. Tegen de hier verdedigde meeningen is dikwijls
ingebracht, dat het onmogelijk is te zeggen, op welk punt van de
opklimmende reeks dieren in staat worden afgetrokken denkbeelden te
vormen, enz.; maar wie kan zeggen op welken leeftijd dit bij jonge
kinderen gebeurt? Wij zien ten minste, dat dergelijke vermogens zich
bij kinderen bij onmerkbare trappen ontwikkelen.
Dat dieren hun geestelijke individualiteit behouden, is ontwijfelbaar.
Toen mijn stem een aaneenschakeling van denkbeelden uit vroeger tijd in
den geest van den bovenvermelden hond terugriep, moest hij zijn
geestelijke individualiteit hebben behouden, hoewel elk atoom van zijn
hersenen in den tijd van vijf jaren waarschijnlijk meer dan eens
verandering had ondergaan. Deze hond zou den bewijsgrond hebben kunnen
aanvoeren, die onlangs is aangevoerd om alle voorstanders der
ontwikkelingstheorie te verpletteren, en zou hebben kunnen zeggen: „Ik
blijf bestaan te midden van alle aandoeningen van mijn geest en alle
stoffelijke veranderingen..... De leer, dat atomen hun indrukken
legateeren aan andere atomen, die de plaatsen innemen, die ze hebben
verlaten, is in tegenspraak met de uiting van zelfbewustheid, en is
daarom valsch; maar het is de leer, die noodzakelijk uit de
ontwikkelingstheorie voortvloeit, derhalve is ook die theorie valsch.”
[196]
Spraak. Dit vermogen is terecht beschouwd als een der voornaamste
punten van verschil tusschen den mensch en de lagere dieren. Maar de
mensch is, zooals een zeer bevoegd rechter, de Aartsbisschop Whately
[197] opmerkt, „geenszins het eenige dier, dat van het geluid gebruik
kan maken om uit te drukken, wat in zijn geest plaats grijpt, en min of
meer kan begrijpen, wat op die wijze door anderen wordt uitgedrukt.” In
Paraguay uit de Cebus Azarae, als hij daartoe wordt opgewekt, minstens
zes verschillende klanken, die bij andere apen gelijksoortige
gemoedsaandoeningen teweeg brengen. [198] De aangezichtsbewegingen en
gebaren der apen worden door ons begrepen, en zij begrijpen ook
gedeeltelijk de onze, zooals Rengger en anderen verklaren. Het is een
opmerkenswaardig feit, dat de hond, sinds hij is getemd, heeft leeren
blaffen [199] en hierbij minstens vier of vijf verschillende geluiden
voortbrengt. Hoewel het blaffen een nieuwe kunst is, drukte
ongetwijfeld de wilde soort, waarvan de hond afstamt, haar
gewaarwordingen door kreten van verschillenden aard uit. Bij den
huishond hebben wij het opgewekte geblaf b.v. bij de jacht; het
toornige geblaf; het jankende of huilende geblaf der vertwijfeling,
wanneer men hem b.v. opsluit; dat der vreugde, als hij b.v. met zijn
meester uit wandelen gaat, en het zeer eigenaardige geblaf, waardoor
hij het een of ander vraagt, b.v. als hij wenscht, dat een deur of een
venster open zal worden gemaakt. Volgens Houzeau [200], die bijzondere
aandacht aan dit onderwerp heeft gewijd, maakt het huishoen minstens
een dozijn verschillende geluiden, die elk hun beteekenis hebben.
Het gewoonlijk gebruiken van gearticuleerde spraak is echter
uitsluitend eigen aan den mensch; maar deze gebruikt daarenboven
evenals de dieren ongearticuleerde kreten om zijn gevoelens uit te
drukken, en doet die vergezeld gaan van gebaren en van bewegingen van
de spieren van het aangezicht. [201] Dit is vooral het geval bij de
meer eenvoudige en levendige gevoelens, die slechts weinig hebben te
maken met ons meer ontwikkeld verstand. Onze kreten van smart, angst,
verwondering, toorn, vergezeld van de daaraan eigenaardige gebaren, en
het stamelen van een moeder tegen haar geliefd kind drukken meer uit
dan alle woorden. Niet het vermogen van articuleeren zelf onderscheidt
den mensch van andere dieren; want zooals iedereen weet, kunnen
papegaaien spreken. Evenmin is het eenvoudig het vermogen om bepaalde
klanken met bepaalde denkbeelden te verbinden; want het is zeker, dat
sommige papegaaien die hebben leeren spreken, zonder zich te vergissen
woorden met zaken en personen met gebeurtenissen verbinden. [202] De
lagere dieren verschillen van den mensch alleen door zijn bijna
oneindig grooter vermogen om de meest verschillende klanken en
denkbeelden te verbinden; en dit is blijkbaar het gevolg van de hooge
ontwikkeling zijner verstandelijke vermogens.
Zooals Horne Took, een der grondvesters van de edele wetenschap der
philologie, opmerkt, is het spreken een kunst, evengoed als koken en
bakken; schrijven zou echter een veel gepaster vergelijking zijn
geweest. Het is zeker geen waar instinkt, daar iedere taal moet worden
aangeleerd. Het verschilt echter zeer van alle gewone kunsten; want de
mensch bezit een instinktmatige aandrift om te spreken, zooals wij aan
het stamelen onzer jonge kinderen zien, terwijl geen kind een
instinktmatige aandrift heeft om te koken, te bakken of te schrijven.
Bovendien onderstelt geen enkel philoloog meer, dat eenige taal met
opzet is uitgevonden; alle talen hebben zich langzaam en onbewust
trapsgewijze ontwikkeld. [203] De klanken door vogels voortgebracht
hebben in vele opzichten de grootste overeenkomst met de spraak, want
alle leden van een zelfde soort drukken hun gewaarwordingen door de
zelfde instinktmatige geluiden uit; en al de soorten die het vermogen
bezitten om te zingen, oefenen dit vermogen instinktmatig uit; maar hun
tegenwoordige wijze van zingen en zelfs hun loktonen hebben zij van hun
ouders of pleegouders geleerd. Deze tonen zijn, zooals Daines
Barrington [204] heeft bewezen, „hun evenmin aangeboren als de spraak
den mensch. Hun eerste pogingen om te zingen kunnen worden vergeleken
bij de onvolmaakte pogingen van een kind om te stamelen.” De jonge
mannetjes gaan gedurende tien of elf maanden voort met zich te oefenen
of, zooals de vogelaars het noemen, te repeteeren. In hun eerste
pogingen is bijna geen spoor van hun lateren zang herkenbaar; maar als
zij ouder worden, kunnen wij nagaan wat zij bedoelen, en ten laatste
wordt hun zang zooals hij behoort te zijn. Jonge nestvogels die den
zang van een andere soort hebben geleerd, zooals de in Tyrol opgevoede
kanarievogels, leeren een nieuwen zang aan hun kroost en leveren hem
zoo aan hetzelve over. De kleine natuurlijke verschillen in den zang
bij individu’s van de zelfde soort die verschillende streken bewonen,
kunnen, zooals Barrington opmerkt, zeer gepast met „provinciale
dialecten” worden vergeleken; en de wijzen van zingen van verwante,
hoewel verschillende soorten, kunnen met de talen van verschillende
menschenrassen worden vergeleken. Ik heb bovenstaande bijzonderheden
medegedeeld om aan te toonen, dat een instinktmatige aandrift om een
kunst te leeren niet uitsluitend aan den mensch eigen is.
Wat den oorsprong van de gearticuleerde spraak aangaat, kan ik, na
zoowel de zeer belangrijke werken van den heer Hensleigh Wedgwood, den
weleerw. heer E. Farrer en Prof. Schleicher [205] als de beroemde
voordrachten van Prof. Max Müller te hebben gelezen, niet betwijfelen,
dat de spraak haar oorsprong is verschuldigd aan de nabootsing en
wijziging van verschillende natuurlijke klanken, van de geluiden van
andere dieren en van de instinktmatige kreten van den mensch zelf,
geholpen door teekens en gebaren. Wanneer wij de seksueele teeltkeus
gaan behandelen, zullen wij zien, dat de oorspronkelijke mensch, of
liever de eene of andere vroege voorvader van den mensch,
waarschijnlijk, evenals tegenwoordig een der gibbonsoorten doet,
ruimschoots zijn stem gebruikte om werkelijke muzikale tonen voort te
brengen, d.i. om te zingen; wij mogen besluiten uit een zeer algemeen
voorkomende analogie, dat dit vermogen vooral werd uitgeoefend
gedurende den paringstijd der seksen, en dat het diende om
verschillende gemoedsaandoeningen, zooals liefde, ijverzucht, zegepraal
uit te drukken, en ook om mededingers uit te dagen. Het door middel van
gearticuleerde klanken nabootsen van muzikale geluiden, kan aanleiding
hebben gegeven tot het ontstaan van woorden om verschillende
ingewikkelde gemoedsaandoeningen uit te drukken. Ten opzichte van het
punt van nabootsing verdient de sterke aandrift opmerking, die niet
alleen onze naaste bloedverwanten, de apen, maar ook microcephale
idioten [206] (9), en de wilde menschenrassen bezitten, om alles na te
bootsen wat zij hooren. Daar de apen zonder twijfel veel verstaan van
hetgeen door den mensch tegen hen wordt gezegd, en daar zij in den
natuurstaat signaalkreten gebruiken om hun makkers voor gevaar te
waarschuwen [207], schijnt het niet geheel en al ongeloofelijk, dat het
eene of andere bijzonder verstandige aapachtige dier op het denkbeeld
is gekomen om het gehuil van een roofdier na te bootsen (10), om zijn
medeapen den aard van het verwachte gevaar aan te toonen. En dit zou de
eerste stap tot de vorming van een spraak zijn geweest.
Daar de stem meer en meer werd gebruikt, zouden de stemorganen meer en
meer versterkt en volmaakt zijn geworden door het beginsel van de
overgeërfde gevolgen van het gebruik en dit zou hebben teruggewerkt op
het spraakvermogen. Maar de betrekking tusschen het voortgezet gebruik
van de spraak en de ontwikkeling der hersenen is ongetwijfeld veel
belangrijker geweest. De zielsvermogens van den eenen of anderen
vroegeren voorvader van den mensch moeten ontwikkelder zijn geweest dan
die van eenigen thans levenden aap, voor zelfs ook maar de minst
volmaakte vorm van spraak in gebruik kon komen; wij kunnen echter
gerust aannemen, dat het voortgezet gebruik en de vooruitgang van dit
vermogen op den geest terugwerkte en dezen in staat stelde en
aanmoedigde om lange ketens van denkbeelden aan elkander te schakelen.
Een lange en samengestelde keten van denkbeelden kan evenmin worden
aaneengeschakeld zonder behulp van woorden, hetzij uitgesproken of
niet, als een lange berekening kan worden uitgevoerd zonder behulp van
cijfers of algebraïsche teekens. Zelfs gewone aaneenschakelingen van
gedachten schijnen bijna nog een soort van taal noodig te hebben, want
men heeft opgemerkt, dat Laura Bridgman, een meisje dat tegelijkertijd
doofstom en blind was, als zij droomde haar vingers gebruikte. [208]
Desniettemin kan een lange opeenvolging van levendige en met elkander
verbonden denkbeelden den geest bezig houden zonder behulp van eenige
soort van taal, zooals wij uit de lange droomen van honden mogen
afleiden. Wij hebben gezien, dat jachthonden in zekere mate kunnen
redeneeren; en dit doen zij klaarblijkelijk zonder behulp van een taal.
De nauwe band tusschen de hersenen, zooals zij nu bij ons zijn
ontwikkeld, en het spraakvermogen wordt duidelijk aangetoond door die
zonderlinge gevallen van hersenziekten, waarbij het spraakvermogen
slechts gedeeltelijk is aangedaan, als b.v. het vermogen om zich
zelfstandige naamwoorden te herinneren is verloren gegaan, terwijl
andere woorden op juiste wijze kunnen worden gebruikt. [209] Of waar
zelfstandige naamwoorden van een zekere soort, of alle letters, behalve
de beginletters van zelfstandige naamwoorden en eigennamen zijn
vergeten. Het is niet onwaarschijnlijker, dat de gevolgen van het
voortgezet gebruik van de spraak- en denkorganen erfelijk zijn (11),
dan in het geval van het schrijven met de hand, dat gedeeltelijk van
het maaksel van de hand en gedeeltelijk van den geestelijken aanleg
afhangt; en de aanleg om goed te leeren schrijven is zonder twijfel
erfelijk. [210]
Verschillende schrijvers, meer in het bijzonder Prof. Max Müller [211],
hebben in den laatsten tijd met aandrang beweerd, dat het gebruik van
een taal het vermogen onderstelt om algemeene begrippen te vormen; en
dat, daar men onderstelt dat geen dier dit vermogen bezit, hierdoor een
onoverkomelijke slagboom tusschen dier en mensch wordt opgericht. [212]
Wat de dieren aangaat, heb ik reeds trachten aan te toonen, dat zij dit
vermogen, ten minste de grove beginselen er van, bezitten. Wat kinderen
van tien of elf maanden oud en doofstommen aangaat, schijnt het mij
ongeloofelijk, dat zij in staat zouden zijn om zekere klanken zoo snel
in verband te brengen met zekere algemeene denkbeelden, als zij het
doen, wanneer zulke denkbeelden niet reeds in hun geest waren gevormd.
De zelfde opmerking kan worden uitgebreid tot de meer verstandige
dieren; gelijk de heer Leslie Stephen opmerkt [213], „vormt zich een
hond een algemeen begrip van katten of schapen, en kent de
overeenkomstige woorden even goed als een wijsgeer. En het vermogen van
te verstaan is even goed een bewijs van begrip van spreken, hoewel in
mindere mate, als het vermogen van zelf te spreken.”
Waarom de organen, die nu voor de spraak worden gebruikt,
oorspronkelijk meer voor dit doel geschikt werden gemaakt, dan deze of
gene andere organen, is niet moeielijk te begrijpen. Huber, die een
geheel hoofdstuk aan de taal der mieren wijdt, heeft aangetoond, dat
deze dieren een uitgebreid vermogen bezitten om elkander hun gedachten
mede te deelen door middel van hun sprieten. (12) Ook wij zouden onze
vingers met vrucht als spraakorganen kunnen gebruiken, want een
persoon, welke met die kunst bekend is, kan een doof mensch ieder woord
van een op een publieke vergadering uitgesproken redevoering
overbrengen; maar het verlies van onze handen, als wij ze daarvoor
hadden gebruikt, zou een ernstig bezwaar daartegen zijn geweest. Daar
al de hoogere zoogdieren stemorganen bezitten, volgens het zelfde
algemeene model gebouwd als de onze, en die worden gebruikt als een
middel om elkander denkbeelden mede te deelen, was het natuurlijk
waarschijnlijk, dat, als het vermogen om van denkbeelden te wisselen
zich uitbreidde, het die zelfde organen zouden zijn, die verder werden
ontwikkeld; en dit is geschied met behulp van naburige en daartoe zeer
geschikte deelen, de tong en de lippen. [214] Het feit dat de hoogere
apen hun stemorganen niet gebruiken om te spreken, wordt ongetwijfeld
veroorzaakt doordat hun verstand daartoe niet genoeg is ontwikkeld. Dat
zij organen bezitten die na lang voortgezette oefening zouden kunnen
zijn gebruikt om te spreken, hoewel zij daarvoor nu niet dienen, komt
overeen met het feit, dat vele vogels organen bezitten die geschikt
zijn voor den zang, en toch nooit zingen. Zoo komen de stemorganen van
den nachtegaal in maaksel overeen met die van de kraai, hoewel de
eerste die gebruikt voor een afwisselend gezang en de laatste alleen om
te krassen. [215]
De vormingswijze van de verschillende talen en van de verschillende
soorten, en de bewijzen dat beide door een proces van trapsgewijze
ontwikkeling zijn ontstaan, zijn merkwaardigerwijze de zelfde. [216]
Wij kunnen echter bij het opsporen van den oorsprong van vele woorden
hooger opklimmen dan in het geval van de soorten; want wij kunnen
nagaan, dat zij zijn ontstaan uit de nabootsing van verschillende
klanken, evenals rijmende verzen. Wij vinden in onderscheidene talen
treffende homologieën, veroorzaakt door gemeenschappelijke afstamming,
en analogieën, veroorzaakt door een gelijksoortig vormingsproces. De
wijze, waarop sommige letters of klanken veranderen, wanneer andere
veranderen, gelijkt veel op correlatie van groei. In beide gevallen
hebben wij reduplicatie van deelen, de gevolgen van lang voortgezet
gebruik, enz. Het veelvuldig voorkomen van rudimenten, zoowel in talen,
als bij soorten, is nog merkwaardiger. De letter m in het Engelsche
woord am beteekent ik; zoodat in de uitdrukking: I am (ik ben) een
overtollig en nutteloos rudiment behouden is gebleven. Ook in de
spelling van woorden blijven dikwijls letters bestaan als rudimenten
van oude wijzen van uitspraak. Talen kunnen evenals organische wezens
worden geklassificeerd in groepen en ondergroepen; en zij kunnen worden
geklassificeerd, hetzij natuurlijk volgens hun afstamming, hetzij
kunstmatig volgens andere kenmerken. Heerschende talen en dialecten
breiden hun gebied ver uit en leiden tot het trapsgewijze uitsterven
van andere tongvallen. Een taal ontstaat evenals een soort, zooals Sir
Lyell opmerkt, als zij eens is uitgestorven, nimmer opnieuw. De zelfde
taal wordt nimmer op twee plaatsen tegelijk geboren. Twee verschillende
talen kunnen met elkander worden gekruist en vereenigd. [217] Wij zien
in elken tongval veranderlijkheid, en op den duur komen nieuwe woorden
in gebruik; maar, daar het geheugen zijn grenzen heeft, sterven ook
enkele woorden, zoowel als geheele talen langzamerhand uit. Zooals Max
Müller [218] juist heeft opgemerkt, „heeft in elke taal tusschen de
woorden en grammatikale vormen een onophoudelijke strijd plaats. De
beste, de kortste, de gemakkelijkste vormen, behouden voortdurend de
overhand en zijn hun overwinning aan hun eigen innerlijke
voortreffelijkheid verschuldigd.” Bij deze meer belangrijke oorzaken
van het overleven van sommige woorden mag dunkt mij eenvoudig hun
nieuwheid worden gevoegd; want er bestaat in ’s menschen geest een
sterke voorliefde voor kleine veranderingen in alle dingen. Het
overleven of behouden blijven van sommige begunstigde woorden in den
strijd voor het bestaan is natuurkeus.
De volkomen regelmatige en verwonderlijk ingewikkelde bouw van de talen
van vele wilde volken is dikwijls aangevoerd als een bewijs, hetzij van
den goddelijken oorsprong van deze talen, hetzij van de groote
kunstvaardigheid en voormalige hoogere beschaving van hen die ze
spreken. Zoo schrijft b.v. F. von Schlegel: „Bij die talen, welke op
den laagsten graad van verstandelijke ontwikkeling schijnen te staan,
merken wij dikwijls een zeer groote mate van kunstvaardigheid en van
zorgvuldige bewerking in haar grammatikale struktuur op. Dit is vooral
het geval met het Baskisch en het Laplandsch, en velen der
Amerikaansche talen.” [219] Het is echter ongetwijfeld een dwaling van
eenige taal te spreken, als van iets kunstmatigs, dat met voordacht
zorgvuldig bewerkt en naar een vaste methode zou zijn gevormd. De
taalkundigen nemen tegenwoordig aan, dat de uitgangen van vervoegingen,
verbuigingen enz. oorspronkelijk afzonderlijke woorden waren, doch
later met de hoofdwoorden werden verbonden, en daar zulke woorden de
duidelijkste betrekkingen tusschen zaken en personen uitdrukken, is het
niet te verwonderen, dat zij door de meeste menschenrassen wellicht
reeds in de vroegste eeuwen gebruikt zijn. Wat volmaaktheid aangaat,
zal het volgende voorbeeld het beste aantoonen, hoe gemakkelijk wij
kunnen dwalen: Een Crinoïde bestaat somtijds uit niet minder dan
150,000 schelpstukken [220], allen met volmaakte symmetrie volgens uit
een punt uitstralende lijnen gerangschikt; maar een natuuronderzoeker
beschouwt daarom een dergelijk dier niet als volmaakter dan een
bilateraal dier dat uit vergelijkenderwijze weinig deelen bestaat, maar
waarbij geen van deze aan een ander gelijk is behalve aan de
tegenovergestelde kanten van het lichaam. Hij beschouwt terecht de
differentiatie en specialisatie van de organen als het kenmerk van
volmaaktheid. Evenzoo met de talen; de meest symmetrische en
samengestelde behooren niet hooger geacht te worden dan die, welke vol
onregelmatige en verkorte uitdrukkingen en bastaardwoorden zijn, doch
aan verschillende overwinnende of overwonnene of geïmmigreerde volken
uitdrukkingsvolle woorden en nuttige vormen van constructie hebben
ontleend.
Uit deze weinige en onvolledige opmerkingen trek ik het besluit, dat de
uiterst ingewikkelde en regelmatige bouw van vele barbaarsche talen
geen bewijs is, dat zij hun oorsprong aan een bijzondere
scheppingshandeling zijn verschuldigd. [221] Evenmin vormt, zooals wij
hebben gezien, het bezit van een gearticuleerde spraak op zich zelf een
onoverkomelijke tegenwerping tegen het geloof, dat de mensch zich uit
den eenen of anderen lageren vorm heeft ontwikkeld.
Schoonheidsgevoel.—Men heeft verklaard, dat het schoonheidsgevoel
alleen aan den mensch eigen was. Ik zal hier alleen spreken van het
behagen dat men schept in zekere kleuren, vormen en geluiden, dat met
recht schoonheidsgevoel kan worden genoemd; bij beschaafde menschen
staan dergelijke gewaarwordingen in nauw verband met ingewikkelde
denkbeelden en aaneenschakelingen van gedachten. Wanneer wij echter
zien, hoeveel moeite mannelijke vogels zich geven om hun vederen en
prachtige kleuren aan de wijfjes te vertoonen, terwijl andere niet
aldus versierde vogels zich die moeite niet geven, valt het onmogelijk
te betwijfelen, dat de wijfjes de schoonheid van hun mannelijke makkers
bewonderen. Daar de vrouwen zich overal met deze vederen versieren, kan
de schoonheid daarvan niet worden betwist. Gelijk wij later zullen
zien, zijn de nesten der kolibries en de lustprieeltjes der
prieelvogels (14) smaakvol versierd met vroolijk gekleurde voorwerpen;
en dit bewijst, dat zij in het zien van dergelijke zaken een zekere
soort van behagen scheppen. Bij de groote meerderheid der dieren is
echter de smaak voor het schoone, voor zoover wij er over kunnen
oordeelen, beperkt tot de aantrekkelijkheid die de andere sekse voor
hen bezit. De zoete tonen, door vele mannelijke vogels gedurende het
jaargetijde der liefde voortgebracht, worden zeker door de wijfjes
bewonderd, van welk feit later bewijzen zullen worden medegedeeld. Zoo
de wijfjes niet in staat waren de schoone kleuren, de versierselen en
den zang van hun mannelijke makkers te bewonderen, zou al de moeite en
zorg die deze besteden om hun bekoorlijkheden aan de wijfjes te
vertoonen, nutteloos zijn, en dit is onmogelijk aan te nemen.
Waarom sommige schitterende kleuren en sommige tonen ons aangenaam
aandoen als zij in harmonie met elkander zijn, kan, geloof ik, evenmin
worden verklaard, als waarom sommige geuren en smaken ons behagen; maar
de gewoonte staat daarmede in eenig verband, want hetgeen eerst onze
zintuigen onaangenaam aandeed, wordt ten laatste aangenaam, en
gewoonten worden overgeërfd. Wat geluiden aangaat, heeft Helmholtz tot
op zekere hoogte volgens physiologische beginselen verklaard, waarom
harmonieën en sommige toonvallen aangenaam zijn. Maar behalve dit, zijn
geluiden die zich veelvuldig met onregelmatige tusschenruimten
herhalen, in hooge mate onaangenaam, gelijk iedereen zal toegeven, die
’s nachts aan boord van een schip naar het onregelmatige klapperen van
een touw heeft geluisterd. Het zelfde beginsel schijnt bij het gezicht
in het spel te komen, daar het oog de voorkeur geeft aan symmetrie of
figuren waarin sommige trekken regelmatig terugkomen. Dergelijke
patronen worden zelfs door de laagste wilden als versierselen gebruikt,
en zijn door seksueele teeltkeus tot opsiering van sommige mannelijke
dieren ontwikkeld geworden. Hetzij wij al dan niet eenige oorzaak
kunnen aangeven van het vermaak, aldus door het gezicht en het gehoor
gegeven, staat het in elk geval vast, dat zoowel de mensch als vele
lagere dieren gelijkelijk behagen scheppen in de zelfde kleuren,
bevallige schakeering en vormen, en de zelfde geluiden.
De smaak voor het schoone, ten minste voor zoover vrouwelijke
schoonheid er bij betrokken is, is zeker in den menschelijken geest
niet van een bijzondere natuur; want hij is zeer verschillend bij de
onderscheidene menschenrassen, gelijk later zal worden aangetoond, en
is zelfs bij de verschillende natiën van een en het zelfde ras niet
geheel en al de zelfde. Te oordeelen naar de afgrijselijke versierselen
en de even afgrijselijke muziek waarin de meeste wilden behagen
scheppen, zou men kunnen beweren, dat hun aesthetisch gevoel minder
hoog ontwikkeld is dan dat van vele dieren, bij voorbeeld van vogels.
Het spreekt van zelf, dat geen dier in staat is tooneelen als den
nachtelijken sterrenhemel, een schoon landschap of klassieke muziek te
bewonderen; maar barbaren en personen van weinig opvoeding scheppen
daarin ook geen behagen, daar het gevoel daarvoor afhankelijk is van
beschaving en ingewikkelde aaneenschakelingen van denkbeelden.
Het kon niet missen, of vele vermogens, die den mensch onschatbare
diensten hebben bewezen bij zijn trapsgewijze ontwikkeling, zooals
verbeeldingskracht, verwondering, nieuwsgierigheid, een onbestemd
schoonheidsgevoel, de aandrift tot nabootsing en de lust naar
prikkeling of naar het nieuwe, moesten hem leiden tot de grilligste
veranderingen van gewoonten en smaak. Ik zinspeel hierop, omdat onlangs
een schrijver [222] op den allerzonderlingsten inval is gekomen om
grilligheid te verklaren „voor een der merkwaardigste en meest typische
punten van verschil tusschen wilden en dieren.” Wij kunnen echter niet
alleen begrijpen, hoe het komt dat de mensch grillig is, maar ook de
lagere dieren zijn, zooals wij later zullen zien, grillig in hun afkeer
en in hun schoonheidsgevoel. Er bestaan derhalve goede gronden om te
onderstellen, dat zij het nieuwe beminnen, alleen omdat het nieuw is.
Geloof in God; Godsdienst.—Er zijn geen bewijzen, dat de mensch
oorspronkelijk was begaafd met het veredelend geloof in het bestaan van
een Almachtig God. Integendeel zijn er duidelijke bewijzen, niet
ontleend aan reizigers die haastig een land doortrokken, maar aan
menschen die lang onder wilde volken hebben gewoond, dat er talrijke
rassen hebben bestaan en nog bestaan, die geen denkbeeld hebben van één
of meer goden, en die in hun taal geen bewoordingen hebben om dat
denkbeeld uit te drukken. [223] (15) Dit vraagstuk is natuurlijk geheel
onderscheiden van het veel belangrijker, of er een Schepper en
Bestuurder van het heelal bestaat; en dit is door sommigen der grootste
vernuften die ooit hebben geleefd, bevestigend beantwoord.
Indien wij evenwel in het begrip „godsdienst” het geloof opnemen aan
onzichtbare of geestelijke krachten, krijgt de zaak een geheel ander
aanzien; want dit geloof schijnt bijna algemeen bij de minder
beschaafde rassen te worden gevonden; en het is niet moeielijk te
begrijpen hoe dit geloof ontstond. Zoodra de verbeeldingskracht,
verwondering en nieuwsgierigheid, die belangrijke geestvermogens,
gepaard aan een zekere mate van redeneerkracht, zich gedeeltelijk
hadden ontwikkeld, moest de mensch er natuurlijk naar streven om een
begrip te verkrijgen van hetgeen om hem voorviel; en onbestemd beginnen
na te denken over zijn eigen bestaan.
Zooals de heer M’Lennan [224] heeft opgemerkt, „moet de mensch voor
zich zelf de eene of andere verklaring uitdenken van de verschijnselen
des levens; en te oordeelen naar de algemeenheid daarvan, schijnt de
eenvoudigste hypothese, die het eerst bij den mensch opkwam, te zijn
geweest, dat de natuurverschijnselen moeten worden toegeschreven aan
het aanwezen in dieren, planten, zaken en natuurkrachten van
geestvermogens die tot handelen aanzetten, evenals de mensch zich
bewust is, zelf te bezitten.”
Het is ook waarschijnlijk, zooals de heer Tylor duidelijk heeft
aangetoond, dat droomen de eerste aanleiding hebben gegeven tot het
begrip van geesten; want de wilden onderscheiden subjectieve en
objectieve indrukken niet duidelijk van elkander. Wanneer een wilde
droomt, gelooft hij, dat de gedaanten die voor hem verschijnen, van een
afstand komen en zich dan aan hem vertoonen, of „de ziel van den
droomer gaat op reis en komt terug met een herinnering aan hetgeen zij
heeft gezien.” [225]
Maar zoo niet de bovengenoemde vermogens, verbeeldingskracht,
nieuwsgierigheid, rede enz. behoorlijk in ’s menschen ziel ontwikkeld
waren geweest, zouden de droomen hem geen aanleiding hebben gegeven om
in geesten te gelooven, evenmin als dit het geval is bij den hond.
De neiging der wilden, om zich te verbeelden, dat natuurlijke
voorwerpen en krachten onder den invloed staan van geestelijke of
levende wezens, wordt misschien opgehelderd door een kleine waarneming,
die ik zelf heb gedaan: mijn hond, een volwassen en zeer schrander
dier, lag op het grasperk gedurende een warmen en stillen dag, toen een
licht windje op een kleinen afstand toevallig een geopende parasol in
beweging bracht, iets waarop de hond in het geheel niet zou hebben
gelet, als er iemand had bijgestaan. In dit geval echter huilde en
blafte de hond hevig, zoo dikwijls de parasol zich maar even bewoog. Ik
houd het er voor, dat hij op snelle en onbewuste wijze bij zich zelf de
gevolgtrekking heeft gemaakt, dat een beweging zonder blijkbare oorzaak
het bestaan van een vreemden, levenden invloed aanduidde en dat geen
vreemdeling het recht had zich op zijn erf te begeven. (16)
Het geloof aan geestelijke krachten kon lichtelijk overgaan in het
geloof aan één of meer goden. De wilden toch moesten aan de geesten wel
de zelfde hartstochten, de zelfde wraakzucht of eenvoudigsten vorm van
rechtsgevoel en de zelfde gevoelens van genegenheid toeschrijven, die
zij zelven bezaten. De Vuurlanders schijnen in dit opzicht in een
overgangsperiode te zijn; want toen de scheepsdokter van de „Beagle”
eenige jonge eenden voor een verzameling van naturaliën schoot, zeide
York Minster op de plechtigste wijze: „O! mijnheer Bynoc, veel regen,
veel sneeuw, veel wind”; en dit was blijkbaar naar zijn meening een
straf voor het verkwisten van menschelijk voedsel. Zoo verhaalde hij
bij een andere gelegenheid, dat, toen zijn broeder een „wild man” had
gedood, het lang stormde, regende en sneeuwde. Het is ons evenwel niet
gelukt te ontdekken, of de Vuurlanders gelooven in wat wij een god
zouden noemen of eenige godsdienstige plechtigheden verrichten; en
Jemmy Button beweerde met verschoonbaren trots stoutweg, dat er in zijn
land geen duivel was. Deze laatste bewering is te meer
opmerkenswaardig, daar bij de wilden het geloof aan kwade geesten veel
algemeener is dan dat aan goede.
Het godsdienstig gevoel is iets samengestelds, daar het bestaat uit
liefde, geheele onderwerping aan een verheven en geheimzinnig hooger
wezen, een krachtig gevoel van afhankelijkheid [226], vrees, eerbied,
dankbaarheid, hoop op de toekomst en misschien nog andere
bestanddeelen. Geen wezen kon zulk een samengesteld gevoel bezitten,
voordat zijn verstandelijke en zedelijke vermogens een meer dan
middelmatigen graad van ontwikkeling hadden bereikt. Wij zien echter
een verwijderde toenadering tot deze geestesgesteldheid in de groote
liefde van den hond voor zijn meester, gepaard aan een volkomen
ondergeschiktheid, een weinig vrees en wellicht nog andere gevoelens.
Het gedrag van een hond, wanneer hij zijn meester, als deze eenigen
tijd afwezig is geweest, terugziet, en ik mag er bijvoegen dat van een
aap na zijn oppasser in lang niet te hebben gezien, is zeer
verschillend van dat tegenover hun makkers. In het laatste geval
bemerkt men minder vreugdebetoon, elke handeling toont meer het gevoel
van gelijkheid aan. Prof. Braubach [227] gaat zoo ver van te beweren,
dat een hond zijn baas als zijn God beschouwt. (17)
De zelfde zielsvermogens, die er den mensch eerst toe brachten aan
onzichtbare geestelijke machten, daarna aan het fetichisme, vervolgens
aan het polytheïsme en eindelijk aan het monotheïsme te gelooven,
moesten hem, zoolang zijn verstandelijke vermogens maar zwak waren
ontwikkeld, noodzakelijk tot velerlei bijgeloovigheden en vreemde
gewoonten leiden. Velen daarvan zijn afschuwelijk om aan te denken,
b.v. het offeren van menschelijke wezens aan een bloeddorstig god; het
onderzoek van onschuldige personen door ’t godsoordeel van vergif of
vuur, hekserij enz.—en toch is het niet ongepast over al die
bijgeloovigheden na te denken; want zij toonen ons, hoeveel wij zijn
verschuldigd aan de ontwikkeling van ons verstand en aan de meerdere
kennis [228], die wij hebben verkregen. Terecht heeft Sir John Lubbock
opgemerkt: „dat men niet te veel zegt, als men beweert, dat er een
verschrikkelijke vrees voor onbekend kwaad, gelijk een dikke wolk over
het leven der wilden heenzweeft, en elk hunner genoegens verbittert.”
Deze ellendige en middellijke gevolgen van onze hoogste vermogens
kunnen worden vergeleken bij de nu en dan opgemerkte toevallige
vergissingen van de instinkten der lagere dieren. (18)