TABEL VAN DEN GEMIDDELDEN SCHEDELINHOUD VAN EENIGE RASSEN.

VOLKSSTAM. Volume in Waarnemers.

kub.cent.

Australiërs (Nieuw-Hollanders). 1228,27 Aitken Meigs.

Polynesiërs. 1230 Morton.

Hottentotten. 1233,78 Aitken Meigs.

Papoea’s. 1253,45 Aitken Meigs.

Amerikanen in ’t algemeen. 1315,71 Aitken Meigs.

In Amerika geboren Negers. 1323,90 Aitken Meigs.

Maleiers. 1328 Morton.

Mexicanen. 1338,65 Aitken Meigs.

Groenlanders. 1340 Welcker.

Chineezen. 1345 Morton.

Oude Peruanen. 1361 Morton.

In Afrika geboren Negers. 1371,42 Aitken Meigs,

Wilde Indianen. 1376,71 Aitken Meigs.

Parijzenaars uit armengraven (van

de 12de tot de 18de eeuw). 1403,14 Broca.

Parijzenaars uit de 12de eeuw. 1425,98 Broca.

Duitschers. 1448 Welcker.

Parijzenaars uit de 19de eeuw. 1461,53 Broca.

Anglo-Amerikanen. 1474,65 Aitken Meigs.

Parijzenaars uit eigen graven

(19de eeuw). 1484,23 Broca.

Germanen in het algemeen. 1534,27 Aitken Meigs.

Engelschen. 1572,95 Aitken Meigs.

Zooals men ziet, zijn de door deze waarnemers verkregen getallen, die

grootendeels berusten op metingen van een aanzienlijk aantal schedels

van elk ras, voor het meerendeel aanmerkelijk lager dan de door Darwin

opgegeven gemiddelde getallen, en komt de Neanderdalmensch volgens deze

tabel in schedelinhoud met de Nieuw-Hollanders overeen, die ook in

andere opzichten van alle thans levende menschenrassen het naast met

hem verwant zijn. Men ziet ook uit deze tabel, dat de wilde Indianen

(Roodhuiden) en de in Afrika geboren negers grooter hersenen bezitten

dan de Mexicanen, de oude Peruanen en de Chineezen, waaruit blijkt, dat

men uit de capaciteit van den schedel nog niet onmiddellijk tot de

verstandelijke ontwikkeling kan besluiten. Merkwaardig is het ook, dat

in Amerika geboren negers geringer gemiddelden schedelinhoud bezitten

dan die, welke in Afrika zijn geboren. Wel een bewijs van de

degradeerende werking der slavernij. Owen (aangehaald in Vogt,

„Vorlesungen über den Menschen”, Bd. I, blz. 181) geeft voor den

gemiddelden schedelinhoud van eenige hoofdrassen en der anthropomorphen

de volgende getallen (in kub. Engelsche duimen, door ons, evenals de

opgaven van Darwin en Huxley, herleid tot kub. centimeters):

Engelschman. Maleier. Neger. Nieuw-Holl.

1572,67 1409,21 1343,66 1228,96

Gorilla. Orang. Chimpanzee.

491,58 458,82 458,81.

Men vergelijke over de verschillen in den omvang van den schedel ook de

belangrijke opmerkingen van den heer Le Bon te Parijs, medegedeeld door

Dr. D. Lubach in het „Album der Natuur”, 1878, blz. 377.

Een goede gelegenheid tot het onderzoeken van vroegere menschelijke

schedelvormen en van de verandering, die de schedelvorm in den loop van

vele eeuwen heeft ondergaan, bieden de graftomben van Egypte en van het

oude Etrurië aan. In deze beide landen heeft Dr. Schmidt rijke

verzamelingen van schedels verkregen, die hem in staat stelden daarvan

een grondige studie te maken. De uitkomsten van deze studie, voor

zoover die de Egyptische schedels betreft, heeft hij in een vakblad

medegedeeld. Bij eene vergelijking van 294 oude schedels, van mummies

afkomstig en van 86 nieuwe, verzameld in verschillende streken, bleek,

dat de ruimte voor de hersenen van de tegenwoordige bevolking gedurende

de beide laatste duizend jaren gemiddeld 44 kubieke centimeter kleiner

is geworden, en wel de mannelijke schedels 31, die van vrouwen 54

kubieke centimeter, een verschijnsel, dat de schrijver verklaart uit

den achteruitgang in ontwikkeling en beschaving, die er in den loop der

eeuwen bij het Egyptische volk heeft plaats gehad, en dat hij stelt

tegenover de waarneming, dat de grootte der schedels van de Parijsche

kerkhoven in de laatste eeuwen, overeenkomstig de toenemende beschaving

der bevolking, gemiddeld met 35 kub. centimeter is toegenomen. In vorm

komen de oude en nieuwe schedels, zoowel wat den geheelen bouw als wat

kleinere bijzonderheden betreft, in ’t algemeen met elkaâr overeen, er

zijn thans evenals vroeger drie hoofdtypen: een zuiver Egyptische, een

zuiver Nubische en een brachycephale vorm en overgangsvormen

daartusschen. Tegenwoordig treedt het Nubische type sterker op den

voorgrond dan vroeger.

Naar aanleiding van den algemeen aangenomen regel, dat men bij menschen

die veel ingespannen arbeid verrichten, meestal grootere hoofden

aantreft dan bij hen, die bezigheden hebben welke minder inspanning van

den geest vereischen, heeft een Parijzer geneesheer, Dr. Delaunay, de

volgende statistische beschouwingen gemaakt, die uit een physiologisch

oogpunt niet van belang zijn ontbloot. De hoofddeksels als maat

nemende, heeft Dr. Delaunay bewezen, dat de bezoekers der

polytechnische school en der hoogescholen te Parijs grootere hoofden

hebben dan de kadetten van de militaire academie en de leerlingen van

het seminarie van St. Sulpice. Deze laatsten hebben over ’t algemeen

kleinere hoofden dan de overige bevolking van Parijs. De

cilinderhoeden, die voornamelijk door de meest gegoede en beschaafde

klasse worden gedragen, hebben steeds hoogere nummers dan de mutsen en

petten, die voor den kleinen koopman en ambtenaar worden gemaakt. Bij

de goedkoopste mutsen voor werklieden, bedienden enz. is de wijdte nog

minder. In die wijken van Parijs waar veel handel wordt gedreven,

zooals in den faubourg Montmartre, hebben de hoeden die in de

magazijnen gereed liggen, meestal een wijdte (in omtrek) van 56 tot 58

centimeter. In de wijk Mouffetard, een der minste achterbuurten van

Parijs, bedraagt de wijdte over het algemeen slechts 52 à 53

centimeter. In de wijk St. Sulpice, waar voor het meerendeel

geestelijken, seminaristen, enz. wonen, en in den faubourg St. Germain

treft men de kleinste hoeden; daarentegen gebruikt men de grootste

hoeden (58 tot 60 centimeter) in die wijken waar zich de inrichtingen

voor hooger en middelbaar onderwijs bevinden. Ook zijn, volgens de

waarnemingen der doctoren Broca en Laccossagne, de hoofden der

officieren grooter dan die van de minderen, hebben de geneesheeren

grootere hoofden dan de ziekenoppassers enz. Geconstateerd wordt mede,

dat bij boeren die zich in de stad komen vestigen, waar zij meer hun

geest moeten inspannen, de omvang van het hoofd toeneemt.

In Revue Scientifique, 21 Juillet 1889, wordt medegedeeld (naar

waarnemingen op studenten te Cambridge), dat, hoewel over het algemeen

de schedel na het 19de jaar niet grooter wordt, hij bij studeerenden

nog op 25 jarigen leeftijd in afmetingen toeneemt. Ik kan uit eigen

ervaring hierbij voegen, dat op 25-jarigen leeftijd een hoed, dien ik

op 23-jarigen leeftijd had gedragen, mij veel te klein was geworden, en

ik die twee jaren juist veel meer gestudeerd had dan vroeger.

Wat de verschillen in de tanden bij onderscheidene menschenrassen

aangaat, waarvan Darwin (blz. 69) gewag maakt, wenschen wij nog de

aandacht te vestigen op de opmerkingen van E. Lambert („Bulletin de

l’Acad. royale de Belgique”, 1877, T. XLIII, „Journ. de Zool.”, 1867,

T. VI, blz. 252). Hij toonde aan, dat bij de zwarte rassen, vooral bij

Nieuw-Hollanders, Tasmaniërs en Nieuw-Caledoniërs, de hoektanden

merkelijk grooter zijn dan bij de blanke en gele rassen, dat er een

kleine tusschenruimte (diastema) om de spits daarvan op te nemen, is

waar te nemen, dat de groote kiezen niet, als bij het blanke ras, vier,

maar meestal vijf knobbels hebben enz., en dat over het algemeen bij

hen ten opzichte van het tandstelsel een toenadering tot dat der

anthropomorphe apen onmiskenbaar is.

Het metopisme (het gescheiden blijven van het voorhoofdsbeen in twee

helften door een naad, de sutura frontalis), dat door Darwin blz. 68

wordt vermeld, wordt o.a. bij Papoeas veelvuldig waargenomen („The

Academy”, 2 Juni 1878, blz. 560).

(11) Ook Prof. Marsh heeft aangetoond („American Journal of Science and

Arts”, 1874, vol. VIII, blz. 66, en „Revue Scientifique”, 6 Mars 1886),

dat de zoogdieren der eocene periode over het algemeen bijzonder kleine

hersenen hebben, de verwante soorten uit de miocene merkelijk grootere,

die der pliocene periode nog grootere, de thans levende eindelijk

wederom grootere. Naarmate men meer nadert tot den jongeren tijd, neemt

de gemiddelde grootte der hersenen, vooral van de halfronden der groote

hersenen, toe, de windingen worden ingewikkelder, en de kleine hersenen

en lobi optici naar evenredigheid kleiner. De soorten met groote

hersenafmetingen schijnen bovendien langer in stand te zijn gebleven

dan die met kleine, en de eerst uitstervende in dit opzicht minder

begunstigd dan de langer overblijvende, zoodat in den loop der

palaeontologische ontwikkeling de nakomelingen steeds in verstandelijke

ontwikkeling en grootte der hersenen het voorgeslacht overtroffen.

(12) De hier bedoelde soorten zijn de mammouth (Elephas primigenius) en

de neushoorn met beenig neusschot (Rhinoceros tichorhinus); van beide

zijn verscheidene malen lijken die nog huid, haar en vleesch behouden

hadden, in het poolijs van Siberië vastgevroren gevonden (het eerste

mammouths-lijk in 1799 aan den mond der Lena). Uit die lijken bleek,

dat de mammouth, evenals Darwin zegt, een wolpels bezat; de neushoorn

bezat eenigszins stijve, doch niet borstelachtige haren (van 30–37

millimeter lengte), maar volstrekt geen lange wolharen, zooals de

mammouth („Mélanges biologiques tirés du Bullet. de l’Acad. de St.

Pétersbourg”, t. VII, blz. 195).

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2) · 第 51 / 111 题