AANTEEKENINGEN.

(1) Harer Majesteits Stoomschip „Beagle.” Met dit schip maakte Darwin

een reis om de wereld, door hem beschreven in zijn werk: „A

Naturalist’s Voyage round the World; or, a Journal of Researches into

the Natural History and Geology of the Countries, visited during the

Voyage of H. M. S. „Beagle”, under the Command of Captain FitzRoy, R.

N.”, London, John Murray.

(2) „Een slakprik.” De slakprik (Amphioxus lanceolatus) is de

onvolkomenste soort van den typus der Gewervelde Dieren, binnen de

grenzen waarin die nog kort geleden door onze dierkundigen (v. d.

Hoeven, Harting, Lubach enz.) algemeen werd beperkt. In den

ontwikkelingsgraad zijner organen wordt hij niet slechts door de meeste

weekdieren, schaaldieren en insekten, maar zelfs door de meeste wormen

overtroffen. Hij bezit geen wervelkolom, doch slechts een door een

vezelige scheede omsloten ruggestreng (chorda dorsalis), evenals de

embryo’s der overige werveldieren op een zeker tijdstip hunner

ontwikkeling. Zijn bloed is niet rood, maar wit, en het hart wordt door

kloppende vaten vervangen. Zijn darmkanaal is niet gekronkeld. De

geslachtsdeelen zijn bij beide seksen van eenerlei maaksel. Nabij den

anus vindt men een opening, waar het water uitstroomt, en die men

derhalve als ademhalingsopening kan beschouwen; zij dient echter tevens

tot ontlasting van het sperma en de eieren. De oudere dierkundigen

brengen den slakprik tot de visschen, doch Haeckel en de meeste

nieuwere beweren terecht, dat hij onder de werveldieren een

afzonderlijke klasse vertegenwoordigt.

(3) Dit is onjuist; de beroemde Amerikaansche waarnemer Wilson

(aangehaald in Wallace’s „Contributions to the Theory of Natural

Selection”, 1870) heeft opgemerkt, dat er bij nesten van vogels van de

zelfde soort verschillen bestaan, en het eene veel beter gemaakt is dan

het andere, en schrijft dit daaraan toe, dat de minst volkomen nesten

door jonge, de meer volkomen door oude vogels zijn gemaakt. Evenzoo zal

een mensch, die voor het eerst beproeft een zeer eenvoudig werktuig of

een kano na te maken, hierin wel min of meer slagen, maar zijn werk zal

veel minder volkomen zijn dan dat van anderen die zulks meer hebben

gedaan. Vogels die uit in kooien gelegde eieren zijn opgevoed, en dus

nimmer den nestbouw hunner soort hebben gezien, bouwen, zelfs al geeft

men hun de daartoe benoodigde materialen, of in het geheel geen nest,

maar hoopen die materialen slechts ruwelijk op elkander, of zij bouwen

(en dit is het minst voorkomende geval) wel een soort van nest, doch

dit is veel onvolkomener dan het gewone nest hunner soort, en wijkt

daarvan geheel af. De vogel moet even goed zijn nest leeren bouwen, als

de mensch zijn huis (vergelijk aanteekening 6, hieronder). De

Europeesche bever, die vroeger even fraaie dijken (blz. 114, onderste

regel, staat: beek, lees: dijk) en hutten bouwde als de Amerikaansche,

heeft die kunst geheel vergeten en graaft zich slechts een ruw hol.

(4) Dril is de naam van Cynocephalus Leucophaeus, mandril die van

Cynocephalus Mormon.

(5) Van ’t geheugen bij dieren is het volgende voorbeeld merkwaardig:

Toen de bekende dierentemmer Martin zich reeds vóór jaren in het

privaat leven had teruggetrokken, bekroop hem eens de lust, nog eenmaal

zijn menagerie, die hij in geen vijf jaar had gezien, te bezoeken. Hij

reisde van Rotterdam naar Brussel en trad tegen vier uur, den tijd

waarop de dieren werden gevoederd, het gebouw binnen. Martin, in zijn

mantel gehuld, mengde zich tusschen de menigte en wachtte, tot men den

dieren hun voedsel zou geven. Op het oogenblik dat dit zou geschieden,

begon hij te hoesten. Plotseling richtten alle dieren hun koppen op,

luisterden, lieten een wild gehuil hooren en deden de ijzeren traliën

onder hun rukken trillen, zoodat vele toeschouwers ijlings het gebouw

verlieten. De papegaaien, kangoeroe’s, pelikanen en voornamelijk de

apen begonnen te schreeuwen en te krijschen, de hyena’s en de wolven

huilden—‘t was een helsch lawaai.

Nu trad Martin te voorschijn, gebood stilte en eensklaps zweeg alles.

Hij sprong over de barrière welke de toeschouwers van de dieren

scheidde, en stak de handen door de traliën, om de dieren te liefkozen.

Een groote tijgerin betuigde luidruchtig haar vreugde. Toen Martin met

zijn hand over de glanzige huid van het woeste dier streek, liep een

zenuwachtig schokken door haar lichaam, zij stiet een zwak, zacht

gebrul uit en lekte met haar ruwe tong het gezicht van haar vroegeren

gebieder. Toen Martin zich verwijderde, ging ze liggen en liet haar

voedsel onaangeroerd staan.

Na de tijgerin kreeg de leeuw Nero een bezoek. Nero was de zelfde ruwe

gast die den dierentemmer eenmaal een stuk uit de heup had gebeten,

waarvoor hij duchtig was gestraft. Sedert dien tijd had hij een

ongekenden haat tegen zijn meester opgevat. Geen enkel bewijs van

vreugde had hij tot nu toe gegeven—slechts had hij even den kop

opgericht, en zijn oogen, die fonkelden als twee smaragden, op den

binnentredende gericht. Rustig bleef hij achter in de kooi liggen, toen

Martin hem naderde. De dierentemmer riep hem, doch hij gaf geen

antwoord. Toen Martin zich echter verwijderde, richtte plotseling de

leeuw zich op, wierp zich met zijn krachtige klauwen tegen de traliën

en verscheurde nog een gedeelte van Martins mantel.

Wat het beoordeelen van tijdsruimten tusschen periodiek terugkeerende

gebeurtenissen aangaat, haalt Prof. Harting daarvan het volgende

merkwaardige voorbeeld aan in het „Album der Natuur”, 1852, blz. 214,

in het stuk „Merkwaardige trekken uit het leven van paarden”, dat zeer

gelezen verdient te worden door ieder, die nog niet overtuigd is, dat

bij vele diersoorten meer dan alleen instinkt werkzaam is. „Een paard,

gewoon met den bode van een provinciaal dagblad wekelijks de ronde te

doen bij de geabonneerden, hield altijd geregeld van zelf op aan de

deur van ieders woning, hoewel hun aantal tusschen zestig en zeventig

beliep. Maar twee dier geabonneerden namen te zamen één exemplaar van

het blad, in dier voege, dat zij het beurtelings het eerst ter lezing

ontvingen. Weldra werd het paard aan deze schikking gewoon, en hoewel

deze personen twee Engelsche mijlen van elkander verwijderd woonden,

hield het geregeld op, zonder zich ooit te bedriegen, de eene week voor

het huis des eenen, de andere voor dat des tweeden geabonneerden.”

Mij is nog een geval bekend van een oude juffrouw, die ’s morgens

geregeld een rijtoertje maakte, en haar hond in het rijtuig medenam,

uitgenomen Zondags, daar zij dan naar de kerk ging. De hond wist dit

zoo goed, dat hij door de week onrustig werd, als hij het rijtuig

hoorde aankomen, en dadelijk de voordeur uit en het portier insprong,

als deze werden geopend. Zondags echter bleef hij rustig in zijn mand

liggen als het rijtuig aankwam en de voordeur werd geopend. Hij wist,

dat hij dien dag niet mede ging.

Men vergelijke ook omtrent de geestvermogens der dieren: „Alb. d. Nat.”

1872. blz. 305, 1873, blz. 23, 58, 193.

(6) Een schoon bewijs, dat sommige dieren, even goed als de mensch,

vatbaar zijn voor trapsgewijze ontwikkeling hunner geestvermogens; dat

zij, om zoo te zeggen, in beschaving vooruit kunnen gaan, en b.v. hun

architectuur kunnen verbeteren en hun woningen geschikter maken voor

hun doel; dat het derhalve onwaar is, dat die woningen steeds in alle

tijden op de zelfde wijze waren ingericht en slechts uit instinktmatige

aandrift worden gebouwd, levert ons de gewone zwaluw (Hirundo urbica).

Ponchet heeft aangetoond („Comptes Rendus”, No. 10, 1870), dat deze

vogel in Frankrijk tegenwoordig een geheel ander nest bouwt, dan in het

begin dezer eeuw, en de verschillen tusschen deze twee soorten van

nesten en de voordeelen van het tegenwoordige boven het vroegere

nauwkeurig beschreven. In de zelfde verhandeling worden meer andere

voorbeelden aangehaald van vogels, die hun nestbouw wijzigden naar de

omstandigheden. Hierbij voegt zich in den laatsten tijd het volgende

nieuwe geval: De voortgang der beschaving in Zuid Afrika begint ook

invloed uit te oefenen op de gewoonten van de wevervogels (Ploceus).

Deze vogels zijn bijzonder gezellig van aard en bouwen hun merkwaardige

hangende nesten, vervaardigd van zeer net en dicht samengeweven

grashalmen, aan den oever eener rivier, waar zij dan hunne kunstig

gebouwde woningen aan de takken van wilgeboomen bevestigen. Dikwijls

ziet men wel twintig of dertig van die nesten aan een enkelen boom

hangen. In Natal echter, waar het aantal boomen afneemt en dat der

jongens die vogelnesten uithalen, toeneemt, hebben de wevervogels zich

naar de omstandigheden geschikt en hangen thans hun nesten aan de

telegraafdraden buiten bereik van den Natalschen kwajongen. Daarbij is

de volgende bijzonderheid opgemerkt. Toen de nesten nog aan

wilgentakken hingen, maakten de vogels de opening aan den bodem,

hetgeen eene betere bescherming tegen slangen opleverde. Doch daar geen

slangen langs de telegraafdraden bij de nesten kunnen komen, maken nu

de vogels een meer gemakkelijken ingang aan de zijde van het nest.

Op Nieuw-Zeeland hebben de daar ingevoerde musschen hun nestbouw in

dier voege gewijzigd, dat zij, waar puimsteenlagen zijn doorgehouwen,

in gaten daarvan broeden. Zelfs schijnen zij zelven dergelijke gaten te

boren, of ten minste dieper te maken. Door Grün werden dergelijke gaten

van twee meters diepte gevonden („Nature”, 1889).

Stelt men tegenover bovenstaande voorbeelden van gewijzigden nestbouw,

dat de Arabieren nog heden in tenten wonen, die geheel overeenkomen met

die, welke hun voorvaderen voor duizenden jaren gebruikten, dat de

palmhutten der Zuid-Amerikanen en der Maleiers en de slijkdorpen der

Egyptische Fellahs in oude tijden moeilijk onvolkomener kunnen zijn

geweest dan thans, dan zal men onwederstaanbaar er toe worden gebracht

om Wallace gelijk te geven, wanneer hij in zijn „Contributions to the

Theory of Natural Selection” zegt: „Kortom, ik geloof, dat vogels hunne

nesten niet uit instinkt bouwen, en dat de mensch zijn woningen niet

met verstand opricht; maar dat vogels veranderen en verbeteren, wanneer

zij door de zelfde oorzaken worden bewogen die de menschen er toe

brengen zulks te doen, en dat menschen noch veranderen, noch

verbeteren, als zij onder voorwaarden leven, welke overeenkomen met

diegene, welke bij de vogels bijna algemeen heerschen.”

(7) Hier wordt de bruine rat (Mus decumanus, Pall.) bedoeld. Deze soort

is eerst in het laatst der vorige eeuw uit het Oosten naar westelijk

Europa doorgedrongen, en heeft thans in vele streken de vroeger in ons

werelddeel algemeen voorkomende zwarte rat (Mus Rattus, L.) verdrongen

en bijna geheel uitgeroeid.

(8) Papegaaien schijnen van alle vogels de hoogst ontwikkelde

geestvermogens te bezitten, en deze schijnen bij de individu’s van de

zelfde soort van papegaai zeer veel te verschillen. Ook een zeer

vertrouwbaar en geloofwaardig schrijver, namelijk Brehm, verzekert, dat

er onder de papegaaien individu’s zijn, die zeer stellig de beteekenis

der door hen uitgesproken woorden verstaan. „Wellicht de uitstekendste

van alle papegaaien in het algemeen”, zegt Brehm („Thierleben”, Bd.

III, blz. 23), leefde jaren lang te Weenen en Salzburg en vond gelukkig

trouwe en vlijtige waarnemers. De mededeelingen van deze zijn reeds

herhaaldelijk gedrukt; desniettemin moeten zij hier haar plaats vinden.

Lenz heeft volkomen gelijk, als hij zegt, „dat wellicht nooit, zoolang

er vogels op aarde leven, een papegaai of eenige andere vogel in kunst

en wetenschap tot grootere hoogte is geklommen, dan deze papegaai, Jako

genaamd” .... „Een vriend van wijlen mijn vader, graaf Gourcy

Droitaumont, was de eerste, die in het jaar 1835 in Oken’s Isis een

bericht omtrent dezen vogel gaf, dat overal verbazing wekte. Dit

bericht heeft de laatste bezitter, president von Kleimayrn, op

verlangen van onzen Lenz, volkomener gemaakt, en zoo kon deze het hem

medegedeelde samenvatten, als volgt:

„Jako let op alles, wat om hem heên voorvalt, weet alles te

beoordeelen, heeft op vragen het juiste antwoord, doet op bevel wat hem

wordt gelast, begroet komenden, neemt afscheid van heengaanden, zegt

slechts in de vroegte „guten Morgen”, en slechts ’s avonds „Gute

Nacht”, vraagt om voeder, als hij honger heeft. Elk lid van het

huisgezin roept hij bij zijn naam, en het eene staat hooger in zijn

gunst dan het andere. Wil hij mij (Kleimayrn) bij zich hebben, dan

roept bij: „Papa komm her!” Wat hij spreekt, zingt en fluit, draagt hij

volkomen voor als een mensch. Soms toont hij zich in oogenblikken van

geestdrift een improvisator, en zijn taal klinkt dan juist als die van

een redenaar, dien men van verre hoort zonder hem te verstaan.”

Nu volgt bij Brehm een opgaaf van al wat Jako sprak. Wij ontleenen

hieraan slechts het volgende: „„Paperl, schiesz, schiesz, Paperl!”

[229] Daarop schiet hij door luid roepen „Puh””.... „Hij luidt aan een

klokje, dat aan zijn kooi is aangebracht, en roept luid: „Wer läut? Wer

läut? Der Paperl.””.... „’s Hunderl ist da, a schön’s Hunderl ist da,

gar a schön’s Hunderl!” Dan fluit hij den hond.—Hij vraagt: „Wie

spricht’s Hunderl?” Dan blaft hij. Daarop spreekt hij: „Pfeif’n

Hunderl!” Dan fluit hij den hond.—Als men hem beveelt: „Schiet!” dan

schreeuwt hij „Puh!” Dan kommandeert hij behoorlijk: „Halt! richt Euch!

Halt, richt! Macht euch fertig! Schlagt an; hoch! Feuer! Puh! Bravo,

Bravissimo!” Soms laat hij het „Feuer” weg en roept na het „Schlagt an;

hoch!” dadelijk „Puh!” Waarop hij dan echter niet „bravo, bravissimo”

laat volgen, alsof hij zich van zijn fout bewust was ....”

.... „Als zijn heer buiten koortijd uitgaat, roept de papegaai, al is

hij ook den geheelen tijd stil geweest, bij het openen van de deur

bijna altijd zoo recht goedhartig: „Bsiet Gott”; [230]—Waren er echter

vreemde personen bij, dan roept hij als zij weggaan: „Bsiet Ihnen Gott!

[231] ....””

.... „De eigenaar van Jako had een kwartel. Toen deze in het voorjaar

voor de eerste maal zijn pickerwick sloeg, draaide zich de papegaai

naar zijn kant en riep: „Bravo! Paperl! Bravo!....””

.... „Om te zien, of het mogelijk was hem een weinig zingen te leeren,

koos men eerst zulke woorden, die hij buitendien kon uitspreken, b.v.

als volgt: „Ist der schöne Paperl da? ist der brave Paperl da? ist der

liebe Paperl da? ist der Paperl da? Ja, ja!”—Later leerde hij het

liedje zingen: „O Pitzigi, o Pitzigi, blas anstatt meiner Fagot, blas

anstatt meiner Fagot, blas, blas, blas, blas anstatt meiner Fagot, blas

anstatt meiner Fagot!”—Hij heft ook accoorden aan en fluit een

toonladder zeer gemakkelijk en zuiver op en af, fluit ook andere

stukjes en trillers; hij fluit en zingt echter dit alles niet altijd in

den zelfden toon, maar soms een halven of geheelen toon lager of

hooger, zonder dat hij valsche tonen voortbrengt.—Te Weenen leerde hij

een aria uit de opera Martha fluiten, en dewijl hem daarbij zijn

leermeester ook naar de maat voordanste, bootste hij den dans ten

minste hierdoor na, dat hij de voeten beurtelings ophief en daarbij het

lichaam potsierlijk op en neêr bewoog....”

.... „Kleimayrn stierf in het jaar 1853. Jako begon, en naar het scheen

uit verlangen naar zijn geliefden meester, te sukkelen, werd in het

jaar 1854 zeer verzwakt in een bedje gelegd en zorgvuldig verpleegd,

snapte daar nog vlijtig, zeide dikwijls met een treurige stem: „Der

Paperl ist krank, armer Paperl ist krank”, en stierf.”

Van een anderen Jako vernam Brehm (ibid., blz. 24) van een jonge dame

het volgende:

„De papegaai waarvan ik iets wil mededeelen, werd ons door een man, die

lang in Oost-Indië had geleefd, ten geschenke gegeven. Hij sprak reeds

veel, doch alleen Hollandsch. Spoedig leerde hij echter Duitsch en

Fransch. In deze drie talen sprak hij zoo duidelijk als een mensch.

Daarbij was hij zoo oplettend, dat hij dikwijls spreekwijzen gebruikte,

die hem nooit waren voorgezegd; hij wendde ze dan, tot aller verbazing,

als de gelegenheid zich voordeed, hoogst gepast aan.

„Hij sprak afzonderlijke woorden en samenhangende volzinnen in de

Hollandsche taal, bracht echter ook Hollandsche woorden verstandig

tusschen Duitsche aan, als hij in deze laatste taal het passende woord

niet kende of het hem niet inviel. Hij vraagde en antwoordde, vorderde

iets en bedankte daarvoor; hij wendde de woorden met kennis van tijd,

plaats en personen aan.

„Papchen will „Klukkluk” machen” (drinken).

„Papchen will was zu fressen haben.” Kreeg hij het verlangde niet

dadelijk, dan riep hij: „Papchen will und musz aber was zu fressen

haben.” Gebeurde het nog niet, dan wierp hij alles door elkander, om

zijn toorn lucht te geven.

Hij groette ’s morgens met „bonjour”, en ’s avonds met „bonsoir”; hij

verlangde naar rust en nam afscheid. „Papchen will schlafen gehen.”

Werd hij weggedragen, dan riep hij herhaaldelijk „bonsoir, bonsoir.”

„Zijn meesteres, die hem gewoonlijk voeder gaf, was hij uiterst

genegen. Als hij voedsel van haar ontving, drukte hij haar kussend den

snavel op de hand en zeide: „Küss’ der Frau die Hand.” Hij nam in alles

deel wat zijn meesteres deed, en dikwijls riep hij, als hij haar ergens

mede bezig zag, met oneindig komischen ernst: „Ja, was macht denn da

die Frau?” En toen hij haar niet meer zag, omdat de dood haar had

weggevoerd, voelde ook hij het verlies en de smart. Men had moeite om

hem voedsel in te krijgen en in het leven te houden. Ja, dikwijls deed

hij opnieuw de felle smart der treurenden ontwaken, door te vragen: „Wo

ist denn die Frau?”....

.... „Papchen, wie sagt denn Lottchen?” vraagde hij soms zich zelf en

antwoordde daarop, even alsof die vraag door iemand anders was gedaan:

„O, mein schönes, schönes Papchen, komm, küss mich.” En dat zeide hij

met de juiste uitdrukking van teederheid zooals Lotje het maar kon

zeggen. Zijn tevredenheid met zich zelf drukte hij met de woorden uit:

„Ach, ach, wie ist doch das Papchen schön”, en daarbij streek hij zich

met zijn pooten over den snavel.

„Hij was echter in geenen deele schoon, want ook hij had de slechte

gewoonte, zich zijn vederen uit te trekken. Als tegenmiddel werden hem

nu wijnbaden voorgeschreven, die men hem door middel van een fijnen

gieter toediende. De baden waren hem hoogst onaangenaam: zoodra hij

bemerkte dat men daartoe toebereidselen maakte, begon hij dringend te

smeeken: „Papchen doch nicht nasz machen,—ach, das arme Papchen—nicht

nasz—machen.”....

.... „Een dikke majoor, dien hij goed kende, beproefde eens hem kunsten

te leeren. „Ga op den stok, papje, op den stok!” beval de krijgsman.

Papje was bepaald verdrietig. Doch plotseling lacht hij luid en zegt:

„Major auf den Stock, Major!”

„Een ander zijner vrienden had in langen tijd in het huis geen bezoek

gebracht. Er werd daarover gesproken en men verwachtte, dat Roth, zoo

heette degeen, naar wien men verlangde, heden wel zou komen. „Da kommt

Roth”, zei papje plotseling:—hij had uit het venster gezien en den

verwachte van verre herkend.

„Een zoon des huizes, George, werd na lange afwezigheid verwacht en

daarover natuurlijk in het huisgezin gesproken. George kwam eerst ’s

avonds laat aan, toen papje reeds in het donker zijner toegedekte kooi

sliep. Na de eerste begroeting wendde zich de teruggekeerde tot aller

lieveling en lichtte het overdek op: „Ah, George, bist du da? Das ist

schön, sehr schön”, zeide de vogel.

„Hij had bemerkt, dat zijn meester, als hij naar het venster ging,

dikwijls den rentmeester of Voigt uit den tuin naar boven riep. Zag hij

nu, dat zijn meester wederom snel naar het venster ging, dan riep hij

telkens de namen, maar van beiden, daar hij immers niet kon weten, wien

zijn meester wilde roepen.

„Wat de vogel daarenboven nog heeft gesproken en gedaan, kan ik

onmogelijk alles mededeelen; hij was een half mensch!....”

.... „Hij floot verwonderlijk, vooral de wijs: „Ich dank dir schon

durch deinen Sohn”; hij zong ook zeer prachtig: „Das Papchen musz ’mal

singen” vermaande hij zich zelf, en dan begon hij:

„Perroquet mignon,

Dis moi sans façon,

Qu’ a-t-on fait dans ma maison

Pendant mon absence?

of

„Ohne Lieb und ohne Wein

Können wir doch leben.”

Nu stelde hij somtijds ook samen:

„Ohne Lieb und ohne maison,

Können wir doch leben.”

of

„Ein Kusz—sans façon.”

wat hem dan zoo vroolijk maakte, dat hij in een luid gelach uitbrak.”

.... „Papje had een treurig einde. Hij werd aan een oude verwante van

het huis, die kinds was geworden en den vogel kinderlijk lief had

gekregen, ten geschenke gegeven. Allen weenden, toen het heerlijke dier

werd weggedragen; Papje weende wel is waar niet, maar kon toch de

scheiding van zijn geliefkoosden niet verdragen; weinige dagen later

was hij dood.”....

.... „Onnoodig zou het zijn”, besluit Brehm (ibid., blz. 26), „om over

de geestvermogens dezer vogels nog een woord te zeggen. Het

bovenstaande spreekt voor zich zelf, en zooveel zal wel zelfs den meest

bevooroordeelde duidelijk zijn, dat hier niet van zoogenaamd onbewust

instinkt, maar slechts van helder verstand sprake kan zijn!

„Doch niet alleen over het verstand, maar ook over het gemoed van den

grijzen papegaai [232] zijn aardige waarnemingen bekend geworden. „Een

vriend van mij”, verhaalt Wood, „bezat een vogel van deze soort, welke

de liefste en beminnenswaardige pleegmoeder van andere kleine

hulpbehoevende schepsels was. In den tuin van zijn eigenaar stonden een

aantal rozestruiken, die door een hek van metaaldraad waren omgeven en

met dichte slingerplanten dicht omsponnen. Hier nestelden een paar

vinken, die voortdurend door de inwoners van het huis werden gevoederd,

daar deze jegens alle dieren vriendelijk gezind waren. De vele bezoeken

aan het rozeboschje vielen Polly, den papegaai, spoedig in het oog; zij

zag, hoe daar voeder werd gestrooid en besloot een zoo goed voorbeeld

te volgen. Daar zij zich vrij kon bewegen, verliet zij spoedig haar

kooi, bootste den loktoon der oude vinken bedriegelijk na en sleepte

den jongen hierop den eenen snavel vol met zijn voeder voor, den

anderen na toe. Haar bewijzen van genegenheid jegens de pleegkinderen

waren echter den ouden een weinig te onstuimig; onbekend met den

grooten vogel, vlogen zij verschrikt heên, en Polly zag, dat thans de

jongen geheel weezen waren geworden en dat voor haar zorgen de wijdste

speelruimte open was. Van dat oogenblik af weigerde zij in haar kooi

terug te keeren, bleef veeleer dag en nacht bij haar pleegkinderen,

voederde ze zeer zorgvuldig en had het genoegen ze groot te brengen.

Toen de kleinen konden fladderen, gingen zij op den kop en den hals van

hun pleegmoeder zitten, en dan gebeurde het soms, dat Polly heel deftig

met haar last rondwandelde. Toch oogstte de papegaai weinig dank in;

nadat den jongen de slagpennen waren gegroeid, vlogen zij op en weg.”

„De arme Polly gaf eenigen tijd blijken van groot hartzeer, doch

troostte zich spoedig daarop, daar zij gelegenheid vond haar

moederlijke gevoelens door de verpleging van andere kleine wezens te

bevredigen. Zij had jonge grasmusschen opgediept, die door het eene of

andere ongeval weezen waren geworden. Deze bracht zij één voor één naar

haar kooi en wist zich werkelijk met hen te verstaan.”

(9) „Microcephale idioten.” Men moet deze wezens scherp van de andere

idioten onderscheiden. Terwijl het gewone idiotisme moet worden

verklaard door een ziekelijke misvorming, is het microcephalisme

waarschijnlijk een atavisme, een terugkeer tot een vroeger type van

organisatie (vergelijk aanteekening 9, blz. 38). Geboren uit normaal

gevormde ouders, komen de microcephalen ter wereld met een hoeveelheid

hersenen, te klein voor een mensch, maar voldoende voor een apenleven.

[233] Zij zijn menschen door de geboorte, apen door het verstand. De

kleinheid der hersenen gaat bij de microcephalen gepaard aan een zeer

groote ontwikkeling van de wenkbrauwbogen, en zij vertoonen op den

schedel sporen van de zelfde kammen en lijsten, die men op dien der

volwassen anthropomorphen opmerkt (zeer belangrijk is in dit opzicht de

vergelijking van de door Vogt in zijne „Vorlesungen über den Menschen”,

Bd. I, fig. 44 en 45 gegeven, afbeeldingen van den schedel van een

ouden chimpanzee en Tab. II, XI, XIV, XX van zijn verhandeling „Ueber

die Microcephalen oder Affen-Menschen”). Terwijl andere idioten voor

een zekere opvoeding vatbaar, doch dikwijls zeer dof en wezenloos zijn,

leeren de microcephalen nooit spreken, doch zijn zeer vlug en levendig,

en bezitten evenals de apen een merkwaardig vermogen van nabootsing.

(10) Deze oplossing van het raadsel door de theorie der

klanknabootsing, voorgestaan door Farrer en Prof. Moltzer (Taal- en

Letterbode II, blz. 173), wordt door Max Müller bestempeld met den

spotnaam bow-bow-theorie. Terecht zegt echter de Groningsche

Hoogleeraar (ibid., blz. 178): „de taal der kinderwereld is zeer rijk

aan klanknabootsingen”, en met hem houden wij het voor zeker, dat in

dit opzicht het kind overeenkomt met den natuurmensch. De oplossing

zelve is daarmeê echter nog niet gevonden; want een kind dat den hond

waf-waf noemt, articuleert reeds en het zwaartepunt ligt juist in de

vraag: „Hoe is de mensch tot het uiten van gearticuleerde geluiden

gekomen?” Daarop geeft ook de leer der gevoelsklanken of ontboezemingen

geen voldoend antwoord. De klanknabootsingen zijn als gearticuleerde

klanken, van te jongen, de ontboezemingen, voor zoover ze

oorspronkelijk zijn, van te ouden datum. De oorspronkelijke

ontboezemingen van pijn, toorn, angst, blijdschap enz moeten niet

anders dan onduidelijke, meest samengestelde vocalen zijn geweest.

Aau(w)! Ai! â(h)! zijn daarvan juister voorbeelden dan ach! helaas!

enz. Met de zoogenaamde klankgebaren (Lautgeberde) eindelijk komen we

tot de ontknooping, hoewel we aan het woord een ruimere beteekenis

moeten geven dan men tot nog toe heeft gedaan. De geluiden, hier

bedoeld, komen namelijk daarin overeen, dat zij een gebaar, een geste,

vergezellen of vervangen. Vooral dit soort van geluiden kan men in de

kinderkamer onophoudelijk waarnemen, vóórdat de kleinen nog van een

waf, een boe of een miauw weten. Minder gemakkelijk zijn ze intusschen

te beschrijven of door graphische teekens voor te stellen. Uw kleine

telg stoot b.v. zijn hoofd, en daar het genoegzaam zonder pijn afloopt,

gelukt het u een afleiding te geven aan de dreigende waterlandertjes,

door te vragen wat er aan scheelt, en ofschoon hij u daarvan geen

volledig relaas kan geven, deelt hij u mee, dat hij zich heeft

gestooten, en wel door het gebaar van zijn hoofdje en handje te

vergezellen met een half gearticuleerd geluid, dat men zou kunnen

noemen: de kiem van de K. Het min of meer vokaalachtig geluid, dat men

er bij waarneemt, geeft iets van een zeer korte è of à. De intensiteit

van die elementaire articulatie hangt af van de energie waarmee zij

wordt geuit, en bestaat in het meer of minder dichtknijpen van de keel.

Wanneer het kind, door de eene of andere behoefte of begeerte

gedrongen, ongeduldig om hulp schreeuwt, krijgt de klank iets meer van

de echte K. Is er echter meer verveling dan ongeduld in het spel, dan

wordt het consonantisch element een onvolkomen NG., die echter meer

neus- dan keelklank is en waarbij de geheele achterholte van den mond

meêtrilt. Een daarmede overeenkomstig dreunend geluid wordt in het

voorste gedeelte van den mond gevormd. Men zou het kunnen voorstellen

door MN, terwijl het door de trilling van den neus, de tanden en de

lippen wordt voortgebracht en den kleinen dient om bloot te roepen, te

groeten of de opmerkzaamheid te trekken. Als middel om hun blijdschap

of vroolijkheid te kennen te geven, gebruiken zij een geluid, dat een

weinig meer bepaald is en tusschen I en J zweeft, terwijl het een heel

enkele maal door een duidelijke â wordt gevolgd. Mengt zich nu de

verveling, die het kind eenige minuten heeft moeten uitstaan, met de

blijdschap over de eenigszins langzaam volbrachte vragende belofte:

„Moet-i (moet ze) bij ma-tje komen?” dan hoort men NJ(A) of ook soms

NGA of GA (fr. g).

Genoeg hierover. De spraakschat onzer zuigelingen is hiermede niet

uitgeput; maar dat is ook voor ons doel niet noodig. Er moest alleen

worden aangetoond, dat de consonanten oorspronkelijk inderdaad niet

anders zijn dan gebaren, wier intensiteit onmiddellijk afhangt van de

energie, waarmee ze worden voortgebracht. Daar nu deze weer in het

nauwste verband staat met de ontwikkeling der hersenen [234], zoo is de

quaestie van het ontstaan der gearticuleerde taal opgelost door aan te

nemen, dat de eerste onzer articuleerende stamvaders ten opzichte der

hersenontwikkeling gunstiger bedeeld was dan zijn voorgangers, en wat

er verder van te onderzoeken blijft, behoort om de zelfde reden tot de

bevoegdheid der natuuronderzoekers, en niet tot die der taalkundigen.

Wanneer we nu het een en ander aangaande den oorsprong van ons

spraakvermogen kort samenvatten, dan blijkt:

1o. Dat klanknabootsingen niet den overgang hebben gevormd tot de

gearticuleerde taal.

2o. Dat deze voorafgegaan moeten zijn door ongearticuleerde

gevoelsklanken, die de mensch ook op het dierlijkste standpunt moet

hebben bezeten.

3o. Dat de overgang tusschen die beide waarschijnlijk gevormd is door

zeer elementaire articuleeringen, die door ontwikkeling der hersenen

als werktuig der energie allengs volkomener zijn geworden.

Met dat volkomener worden—en vermeerderen—der articuleeringen

ontstonden de woorden, die door de taalkundigen met den naam wortels

worden bestempeld, d. z. woordvormen van één lettergreep, waaruit de

later gevormde woorden zich hebben ontwikkeld. Voorbeelden daarvan,

zijn i, gaan; ar, ploegen; ad eten; plu, vloeien enz.

Die wortels hadden geen bepaalde beteekenis: een en de zelfde wortel

diende zoowel om een voorwerp, als om een werking of hoedanigheid aan

te duiden, terwijl sommigen van hen uitsluitend dienden als

aanwijzingen. [235] Door allerlei wijziging en vooral door

samenstelling van die oudste woordelementen zijn van lieverlede de

echte woorden ontstaan [236], die, door middel van rijzende en dalende

klemtonen tot volzinnen vereenigd, de taal vormden, in die hoogere

beteekenis die we tegenwoordig daaraan hechten, terwijl het verschil in

bodem en klimaat, en vooral volksverhuizingen het onderscheid tusschen

verschillende talen in het leven heeft geroepen. (Naar Dr. T. M. ten

Bergen in zijn: „De begrafenis van den Duivel”, Rotterdam, J. H. Dunk,

1874.)

Sedert ik het bovenstaande schreef, is een geheel nieuw licht op den

oorsprong der taal geworpen door Dr. C. Abel, in zijn

„Sprachwissenschaftliche Abhandlungen”, Leipzig, 1885, Abh. VII, waarin

hij met behulp van zijn Egyptische studiën de grondfout van alle tot

dusver gedane onderzoekingen daaromtrent blootlegt, welke ligt in de

valsche onderstelling, dat de taal altijd verstaanbaar zou zijn

geweest. Aan de hiëroglyphische en koptische taal, die een

vijfduizendjarige ontwikkeling omvat, en, in den aanvang op het peil

der natuurvolken staande, aan het einde het standpunt der beschaafde

volken bereikte, toont hij nu op de meest gelukkige wijze door vele

voorbeelden van woorden aan, dat de ontwikkelingsgang dezer taal was

„ein allmähliches Auftauchen aus vagen Ton und Sinn in gesonderten Laut

und präzisierte Bedeutung.” Ook wat hij in Abh. VIII zegt omtrent den

„Gegensinn der Urwörter”, dat namelijk oorspronkelijk zeer dikwijls

twee volkomen tegenovergestelde begrippen (b.v. hooren en doof zijn,

sterk en zwak enz.) door het zelfde woord worden uitgedrukt, is in dit

verband hoogst merkwaardig. Evenzoo beteekent b.v. in het Latijn sacer

zoowel heilig en eerwaardig, als goddeloos en afschuwelijk, imprecari

zoowel bidden als verwenschen enz. Wij verwijzen verder naar het

oorspronkelijke.

De gearticuleerde spraak wordt aangeleerd doordat het kind het spreken

der menschen te midden waarvan het opgroeit, nabootst. Menschen, die

lang in volslagen eenzaamheid leven, verliezen het spraakvermogen.

Alexander Selkirk (het prototype van Robinson Crusoë) had na een

vijfjarig eenzaam verblijf op het eiland Juan Fernandez het

spraakvermogen bijna geheel verloren. De groote mogol Akbar deed, bij

wijze van proef dertig kinderen te zamen zoo opvoeden, dat zij niemand

konden hooren spreken. Geen gearticuleerde tonen, geen taal of spraak

ontwikkelde zich bij die kinderen.

Ook de verwilderde kinderen (zoogenaamde „wilde” menschen of

„woudmenschen”, die men herhaaldelijk in Europa en elders heeft

aangetroffen, en op welke wij in een latere aanteekening uitvoeriger

terugkomen), spraken niet, brachten geen gearticuleerde tonen voort.

Dat zij echter als kinderen in de wildernis of in afgelegen bosschen

zonder hulp van oudere menschen konden opgroeien en in hun voeding

voorzien, bewijst, dat ook bij de oudste menschengeslachten kinderen

vroegtijdig den stam hebben kunnen verlaten, en afgescheiden van dezen

kunnen zijn blijven voortleven en zich voortplanten. Wat in Europa in

later eeuwen bij hooge uitzondering is geschied (men kent in dat

werelddeel meer dan zestien gevallen van zulke „woudmenschen”) kan in

zeer oude tijden zeer veelvuldig zijn voorgekomen en in plaats van

enkele kinderen kunnen zoo geheele groepen van kinderen, die nog

slechts enkele woorden konden spreken, zich van hun stam hebben

afgescheiden en een nieuwe vereeniging hebben gegrond. Of zelfs als zij

niet spraken, kan zich bij hun afstammelingen zelfstandig een taal

hebben ontwikkeld. In beide gevallen zou die taal buitengewoon sterk

afwijken of zelfs volstrekt geen gelijkenis vertoond hebben met die van

den stam, waartoe zij oorspronkelijk behoorden. Op soortgelijke wijs

zoekt Horatio Hale (in een verhandeling in Augustus 1886 in de

anthropologische afdeeling van de „American Association for the

Advancement of Science” voorgedragen), het ontstaan der verschillende

groepen van talen, die in wortels en grammaticale structuur geheel van

elkander afwijken, te verklaren door aan te nemen, dat zij zich hebben

ontwikkeld uit verschillende onder kinderen ontstane dialecten, nadat

de nog sprakelooze mensch zich over de aarde had verspreid. Waarom

eerder onder de kinderen dan onder de volwassen sprakelooze menschen

het spreken zou zijn ontstaan, zegt hij niet. Wij zouden eer aannemen,

dat uit een afdeeling kinderen, die zich op zeer jeugdigen leeftijd,

toen zij nog zeer onvolkomen konden spreken, van een (reeds sprekenden)

stam afscheidden, een dialect kon ontstaan, dat zoowel in bijna alle

wortelwoorden als in grammaticale structuur van de taal van den

moederstam geheel afweek, en later ook de enkele wortels nog

grootendeels verloor, die het met deze gemeen had. Enkele wortels (b.v.

pa, ma,) komen zeer algemeen over de geheele wereld verspreid voor en

hebben juist betrekking op begrippen, die het kind zeer vroeg krijgt.

Wel is waar noemen enkele volken den vader ma en de moeder pa, maar het

blijven toch namen van een der ouders.

(11) De heer J. Bikkers, tijdens het verschijnen der eerste uitgaaf van

dit werk Adjunct-Hoofdonderwijzer aan de Inrichting voor

Doofstommen-Onderwijs te Rotterdam, heeft mij verzekerd meermalen te

hebben opgemerkt, dat doofstomme kinderen, wier ouders gebreken in de

spraak hadden, b.v. lispelden, nadat men ze op kunstmatige wijze

spreken had geleerd, die zelfde gebreken vertoonden. Deze kinderen

hadden ze niet kunnen verkrijgen door nabootsing van huns vaders

spraak, daar zij volkomen doof waren. De heer D. Hirsch,

Directeur-Hoofdonderwijzer van voornoemde inrichting, deelde mij mede,

dat J. G., een doofgeboren knaap, bij het spreekonderwijs een

kortademigheid, „een krampachtige uitademing” vertoonde, welke hij bij

zijn vader ook had waargenomen, welk gebrek, gedurende de acht jaren,

welke J. G. aan de inrichting bleef, niet merkbaar werd overwonnen, en

dat M. de G., een doofgeboren meisje, evenals haar moeder, een

vooruitstekende onderkaak met groote tanden had, ten gevolge waarvan

het gedurende de acht jaren, welke zij aan de inrichting vertoefde,

niet mogelijk was, haar tot die zuivere uitspraak te brengen, welke

gemiddeld bij doofstommen met normale spraakwerktuigen is te bereiken;

deze beide gevallen, welke volgens den heer Hirsch met zeer vele zouden

te vermeerderen zijn, bewijzen ongetwijfeld een erfelijkheid in de

conformatie der spraakwerktuigen, maar de bijzondere conformatie

daarvan bij de ouders kan moeielijk worden bewezen een gevolg van het

gebruik te zijn. Dr. Brester, leeraar aan de H. Burgerschool te Delft,

deelde mij mede, dat een doofstomme Engelsche knaap, die te Rotterdam

onderricht in het spreken had genoten, het Nederlandsch met een sterk

Engelsch accent uitsprak; dit zou ongetwijfeld een prachtig voorbeeld

zijn van de erfelijkheid van de gevolgen van het gebruik bij de

spraakorganen; de heer Hirsch schreef mij echter, „dat hij geenszins de

mogelijkheid wil betwisten, dat een opzettelijk kritisch onderzoek tot

deze gevolgtrekking zou kunnen leiden, maar wel, dat genoemde

waarneming wetenschappelijk vertrouwbaar is.” „Ik meen”, schrijft hij,

„dat men—wetende, dat de knaap van Engelsche afkomst is—het vreemde in

zijn spraak al te spoedig aan een volkseigenaardigheid heeft

toegeschreven.” Later is echter in Frankrijk, Engeland en Spanje

herhaaldelijk opgelet, dat doofstommen die spreken leerden, het accent

bezaten van de streek, van waar zij afkomstig waren (zie: „Kosmos”, V.

Jahrgang (1881), Heft II, blz. 387).

(12) In het „Album der Natuur”, 1857, blz. 380, vindt men aangetoond,

dat ook de bijen elkander verstaan en een taal bezitten.

(13) Zie ook daarover Ferrière, het Darwinisme, in ’t Ned. vertaald

door Dr. H. Hartogh Heys van Zouteveen, ’s Hertogenbosch, van Heusden,

1874, waarin dit onderwerp zeer uitvoerig wordt behandeld.

(14) De priëelvogels zijn Australische vogels. Men onderscheidt vier

soorten: den grooten priëelvogel, den gevlekten priëelvogel, den

regentvogel en den satijnvogel. De laatste (Ptilorhynchus holosericeus)

is de meest bekende. Hij heeft omtrent de grootte eener duif; het

mannetje is glinsterend blauwzwart, het wijfje olijfkleurig. Zij bouwen

een soort van kleine priëeltjes, samengesteld uit een vloer van

dooreengevlochten twijgjes en een zich daarover heên verheffend gewelf,

op de zelfde wijze gevormd. Zij versieren deze priëeltjes, die hun

gedurende den paartijd tot tijdelijk verblijf strekken, doch waarin men

nimmer eieren of jonge vogels aantreft, met allerlei bontgekleurde en

blinkende voorwerpen, b.v. vederen van papegaaien en andere vogels,

schelpjes, steentjes, en, als zij ze vinden kunnen, lapjes en snippers

van gekleurde kleedingstoffen, stukjes blik of glas, enz. Een andere

priëelvogel (Chlamydera maculata) bouwt met het zelfde doel dergelijke

lusthoven, die echter aan beide zijden open zijn, en dus meer op onze

ouderwetsche berceaux gelijken. Deze zijn soms een meter lang, van

buiten met gras bekleed en van binnen met steentjes bestrooid, en weder

met allerlei blinkende en bontgekleurde voorwerpen versierd. Wanneer de

inlanders eenig klein voorwerp, b.v. een pijlspits, missen, zoeken zij

het gewoonlijk in de nesten van deze beide soorten van vogels en vinden

het daar dikwijls terug. (Harting, „De Bouwkunst der Dieren”,

„Vlechters, Mandemakers, Wevers, Vilt- en Tapijtwerkers”, in het „Album

der Natuur”, 1861, blz. 215, 216.)

(15) Door zendelingen en andere reizigers zijn dikwijls de

bespottelijkste redeneeringen gehouden om te bewijzen, dat de eene of

andere wilde stam een denkbeeld van het bestaan van een of meer goden

had. Zoo zegt Kolben (aangehaald in Sir John Lubbock’s werk „l’Homme

avant l’histoire”, Fransche vertaling van Barbier, blz. 343), eerst dat

de Hottentotten „aucun culte constitué” hadden. De oudste schrijvers

beschouwden wel is waar sommigen hunner dansen als godsdienstige

plechtigheden, maar deze zienswijze werd formeel tegengesproken door de

inboorlingen zelven, hetgeen Kolben niet verhindert ons te verzekeren:

„que c’étaient des actes religieux”, en er naïef bij te voegen: „quoi

qu’en disent les Hottentots.”

(16) Bij sommige dieren bestaan ongetwijfeld de kiemen van het geloof

aan geheimzinnige wezens van hoogere natuur. Terecht merkt Carl Vogt

(„Vorlesungen über den Menschen”, 1863, Bd. I, blz. 294) op: „De hond

is klaarblijkelijk even bang voor spoken als de Bretagner of de Bask;

elk verschijnsel dat hem treft en waarover zijn neus hem geen goede

inlichtingen kan geven, brengt zelfs den moedigsten hond tot uitingen

van de meest onzinnige vrees. Ik ken een boschje waarin zich volgens de

overtuiging der boeren des nachts een vurige man ophield; als bewijs

van het bestaan van dit vuurspook voerden zij aan, dat de honden in dat

boschje ’s nachts bang waren en dat men honden die daarin ’s nachts

eenmaal waren geweest, zelfs door slagen er niet meer toe kon krijgen

om derwaarts terug te keeren. Het spook in welks nabijheid een

overigens moedige hond zich niet dorst wagen, zelfs al ging zijn

meester, mijn vader, met hem mede, was een witte, rottende boomstronk,

die ’s nachts een lichtschijn van zich gaf. De vrees voor het

bovennatuurlijke, voor het onbekende is de kiem der godsdienstige

voorstellingen, zij is bij onze intelligente huisdieren, den hond en

het paard, in hooge mate ontwikkeld. De kiem van deze voorstellingen

wordt, evenals die van zoovele andere, slechts bij den mensch verder

uitgewerkt tot een stelsel, tot een geloof. Met het zelfde recht,

waarmede men het geloof aan iets bovennatuurlijks als een eigenschap

beschouwt, die alleen aan den menschelijken geest eigen is, zou men

zulks ook van de wiskunde kunnen beweren. Geen dier kent de wiskunde,

de meetkunde—maar er zijn dieren, die ongetwijfeld kunnen tellen, al is

het ook slechts tot weinige cijfers, en dat is de kiem van geheel het

trotsche gebouw, dat de mensch heeft opgetrokken, en door middel

waarvan hij de ruimten des hemels en der aarde heeft gemeten. Evenzoo

bezit geen dier een geloof—maar het bezit de vrees voor het onbekende,

en is het niet de vrees voor het onbekende, de godvreezendheid, waaruit

de mensch de godsdiensten heeft ontwikkeld?” Men vergelijke ook het

door mij vertaalde stukje van Eugène N. S. Ringueberg, „Een

bijgeloovige hond” in „de Dageraad”, Juni 1883.

De talentvolle Fransche vertaalster van Darwin’s „Origin of Species”,

Mme Clémence Royer, merkt in haar werk „Origine de l’Homme et des

Sociétés”, Paris, 1870, blz. 86, zeer juist op: „Partout où nous

constatons un certain degré d’intelligence et d’activité et la tracé

d’une communicabilité quelconque entre deux êtres de même espèce, il

peut exister ce commencement de science spéculative qui s’appelle une

religion et qui par plusieurs côtés se reliant au sens social et moral,

l’entrave ou le fortifie selon les cas. Ainsi pour l’animal domestique,

pour le chien surtout, l’homme est peut-être un Dieu. On ne saurait

expliquer sans un certain sentiment de vénération, sans une espèce

d’instinct religieux, la passivité de son obéissance, sa fidélité, son

dévouement, en dépit même des mauvais traitements. La reine abeille

doit être un être divin pour sa ruche: lorsque deux reines combattent

pour l’empire, qui ne peut appartenir qu’à l’une d’elles, nul ne

trouble leur combat; le peuple attend la décision du sort et adorera la

divinité victorieuse, tout comme la Grèce antique passait du culte

d’Uranus au culte du fils qui l’avait mutilé, pour accepter plus tard

celui de Jupiter, également usurpateur des droits divins de son père.

Si les fourmis ont un langage descriptif et idéalogique, elles peuvent

avoir une mythologie où l’homme certainement ne joue pas le beau rôle.

Ce doit être leur Siwah destructeur, leur Ahriman, leur Moloch.

L’oiseau, dans son chant matinal, salue peut-être le soleil; Philomèle

a voué sans doute son culte à la lune et aux étoiles; le pigeon

voyageur doit être plus fort astronomie que les anciens pasteurs

chaldéens ou que les pilotes phéniciens s’orientant à travers les

déserts ou sur les flots de la mer Atlantique d’après l’étoile immobile

de l’Ourse ou le lever héliaque de Sirius. Si rien de tout cela n’est

prouvé, rien de tout cela n’est impossible, ni même improbable. Et de

quel droit vient-on donc affirmer avec beaucoup moins de preuves

encore, que chez l’homme seul existe l’instinct religieux?”

(17) Over het vraagstuk van den oorsprong van het godsdienstig gevoel

vergelijke men ons boekje: „Over den oorsprong der Godsdienstige

Denkbeelden”, Amsterdam, J. F. Sikken, 1883. Wij zoeken den eersten

oorsprong daarvan met Tito Vignoli („Mito e Science”, Milano, Fratelli

Dumolard, 1879) daarin, dat het dier, gelijk Vignoli onwederlegbaar

heeft bewezen (en derhalve moet zulks ook bij de dierlijke stamouders

van den mensch het geval zijn geweest) bij alle dingen die voor zijn

waarneming toegankelijk zijn, de onbestemde voorstelling heeft van een

levend, bewust handelend wezen, dat elk voorwerp, elk verschijnsel voor

het dier een virtueel willend ding, een levend wezen is, dat evenals

hij zelf kan gevoelen en begeeren, dat de wereld voor hem een machtig

samenwerken van levende en willende wezens is, zoodat de onophoudelijke

stroom der dingen, waarin alles plaats heeft volgens de wetten die hem

leven en bestaan verzekeren, voor hem slechts een groot drama is,

gespeeld door vorm bezittende of ook vormlooze, doch altijd werkzame

wezens, die nu eens tot zijn nut, dan weder tot zijn schade handelen,

hem wel of kwaad gezind zijn, zich aangenaam of lastig toonen. [237]

Deze wijze van voorstelling, van welke bij de ruwste natuurvolken van

den tegenwoordigen tijd nog onmiskenbare sporen in menigte voorhanden

zijn [238], was natuurlijk nog sterker aanwezig bij onze oudste

menschelijke voorouders, die nog nauwelijks boven het dier verheven,

ver beneden de wildste stammen van den tegenwoordigen tijd stonden.

Zoodra hij zich boven den ontwikkelingstrap der hoogere anthropomorphen

had verheven, vond dus de nauwelijks ontstane mensch in de

voorstellingswijze van de buitenwereld welke hij van zijn dierlijke

voorouders had geërfd, de kiem van een geheele mythologie, waarin de

voorwerpen zelven (b.v. hemel en aarde, wolken, zon, maan, vuur, donder

enz.) de goden waren en de ziel niet werd onderscheiden van het

lichaam.

Zoodra echter het denkbeeld dat er ook levenlooze voorwerpen waren,

zich bij den mensch had ontwikkeld, zocht hij naar een oorzaak waaraan

dit leven moest worden toegeschreven, en zoo kwam hij tot de hypothese

van zielen of geesten, welke het eigenlijk levende zouden zijn dat in

zijn verbinding met de doode stof aan deze laatste het leven geeft en

die dikwerf met den adem, den wind, de schaduw enz. werden

vereenzelvigd. Zoo komen wij tot den ontwikkelingstrap, welke Tylor het

animisme noemt en als den oudsten vorm van godsdienst beschouwt. Ook

droomen kunnen hierop grooten invloed hebben gehad, daar de menschen,

van afgestorvenen droomend, later geloofden dat hun ziel hun was

verschenen omdat zij wisten dat hun lijk was verrot en toch in geenen

deele de objectieve realiteit van het gedroomde betwijfelden. [239] Ook

hallucinaties, zelfs van krankzinnigen, zullen niet zonder invloed zijn

geweest.

Ware de evolutieleer er nog niet, dan zou men vele bezwaren tegen deze

verklaring kunnen opwerpen, die ons toeschijnt zeer geleidelijk aan te

geven op welke wijze de godsdienstige gevoelens zich bij den mensch

zijn begonnen te ontwikkelen, maar op grond van de evolutieleer kan men

met groote zekerheid zeggen: zij moeten op natuurlijke wijze allengs

zijn ontstaan uit psychologische verschijnselen waarvan de kiemen reeds

bij de dieren moeten zijn waar te nemen.

Angst, egoïsme, onkunde, van de dierlijke voorouders geërfde verkeerde

voorstelling der buitenwereld, het voor objectief reëel houden van

droomen en hallucinaties deden, naar het ons voorkomt, het eerste

geloof (en niet slechts ’t mythisch spraakgebruik) ontstaan aan

bovenmenschelijke wezens, van wie men afhankelijk was, het

afhankelijkheidsgevoel dus, de godvreezendheid.

Sluwheid, beter inzicht, macht, egoïsme hielden deze ideeën wakker

(geestelijken tegenover leeken).

Daarna treedt de symboliek op, waarmede onvermijdelijk het verval van

den ouden godsdienst (incluis godsbegrip) gepaard gaat—„aus den Ruïnen

blüht ein neues Leben empor”; rudimenten zijn in menigte aan te toonen;

evenwel denkt men nu de eenige ware leer te bezitten, „trapt de ladder

waar men langs is opgestegen, weg”, zoodra men weder vasten grond

voelt, en vervolgt en veracht de oude oercel (ontwikkeling der hoogere

godsdienstvormen uit de lagere).

Een schoone zedeleer wordt er in geweven, doch hoewel men zegt die als

zwaartepunt aan te nemen, als hoofdzaak waarmede het geloof staat of

valt, is daarvan in de handelingen, niet alleen van de leeken maar ook

van de geestelijken, slechts al te weinig waar te nemen.

Geloof is bijgeloof, zegt Multatuli.

Geloof is het wezen van allen godsdienst, Prof. Tiele, in de Gids van

Mei 1884.

Maar bij de dieren vindt men reeds duidelijke sporen van bijgeloof!

(Vergelijk aant. 16.)

De conclusie is gemakkelijk te trekken!

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2) · 第 53 / 111 题