Zij verlieten dit drukke tafereel en gingen naar een onbekend,

onaanzienlijk gedeelte der stad, waarin Scrooge nooit te voren was

doorgedrongen, hoewel hij de ligging en den slechten naam er van

herkende. De straatjes waren smerig en nauw; de winkels en huizen

bouwvallig; de menschen half-gekleed, dronken, met afgetrapte hakken

en leelijk.

Stegen en portalen, als even zoovele zinkputten, braakten hun vuilen

stank en modder en leven op de onregelmatige straten uit, en het

geheele kwartier stonk naar vuil en ellende.

Ver in dit hol, waar de misdaad huisde, stond een laag-gevelig

winkeltje met een luifel, waar ijzer, oude lompen, flesschen,

beenderen en vettig afval opgekocht werden. Binnen, op den vloer, waren

hoopen roestige sleutels, spijkers, kettingen, scharnieren, vijlen,

weegschalen en gewichten opgestapeld, en allerlei afval. Geheimen,

waarin slechts weinigen den moed zouden hebben door te dringen,

werden hier opgekweekt en verborgen in bergen van walgelijke lompen,

hoopen bedorven vet en graftomben van beenderen. Tusschen de waren

waarin hij handelde, bij een houtskoolkacheltje, gemaakt van oude

baksteenen, zat een grijsharige schurk van bijna zeventig jaar, die

zich tegen de koude buiten beschut had door een vuil voorhangsel van

allerlei lompen, die over een touw hingen; en die zijn pijp rookte

met al de weelde van een rustig rentenierschap.

Scrooge en het Spook stonden voor dezen man, juist toen een vrouw

met een zwaar pak den winkel binnensloop. Doch nauwelijks was zij

binnen, toen een tweede vrouw met een dergelijken last eveneens

binnentrad, en zij werd op de hielen gevolgd door een man, gekleed

in een vaal lakensch pak, die niet minder schrok toen hij hen zag,

dan zij ontsteld waren toen zij elkander herkenden. Na een oogenblik

van pure verbazing, waarin de oude man met de pijp deelde, barstten

zij alle drie in lachen uit.

"Laat de schoonmaakster maar loopen, die zorgt wel dat zij nummer

één is!" riep de vrouw die het eerst was binnengetreden. "Laat de

waschvrouw maar loopen, die zorgt wel dat zij nommer twee is en de

doodbidder dat hij nommer drie is. Dat is nou toch een buitenkansje,

ouwe Jan! We zijn alle drie hier bij mekaar gekomme zonder 't te

wille!"

"Dat hadt je nooit op een betere plaats kunne doen," zeide Oude Jan,

zijn pijp uit den mond nemend. "Kom maar in de voorkamer. 't Is al

'n heele tijd geleje dat je daar voor 't éérst binnenkwam, en de twee

andere zijn ook geen vreemden. Wacht even, dan zal ik de deur van

de winkel dicht doen. He, wat piept ie! D'r is geen roestiger stuk

ijzer in de heele zaak dan de hengsels van die deur, geloof ik; en ik

weet zeker dat d'r geen ouwer botten hier zijn dan die van mijn. Ha,

ha, ha! We zijn allemaal geschikt voor ons vak, we passen goed bij

mekaar. Kom in de voorkamer, kom binnen, kom binnen."

De voorkamer was de ruimte achter het voorhangsel van lompen. De oude

man pookte de sintels van het vuurtje wat bijeen met een oude trap-roe,

en nadat hij zijn smokerige lamp wat afgedaan had met de steel zijner

pijp, stak hij deze laatste weder in den mond. Terwijl hij dit deed,

wierp de vrouw die reeds gesproken had den bundel op den vloer en

ging met een brutaal gezicht op een kruk zitten, sloeg de armen over

elkaar op haar knieën en keek uitdagend naar de beide anderen. "Wat

zou 't! Wat zou 't, juffrouw Dilber?" zei het mensch. "Iedereen heeft

het recht voor z'n eige te zorge... Dat dee hìj ook!"

"Dat zeg uwes wel!" zei de waschvrouw. "Geen loer draaie, zou

'k denke?"

"Nou, blijf daar dan niet staan alsof je bang ben, mensch! wie weet

er wat van? wìj zulle mekaar toch geen loer draaie, zou 'k denken?"

"Nee, dat geloof 'k ook niet!" zei juffrouw Dilber en de man

tegelijk. "Dat denke we ook niet!"

"Nou, goed dan!" riep de vrouw. "Wie mist een paar dinge als die wij

hier brenge? Zoo'n dooje man zéker niet."

"Nee, daar kun je van op an!" lachte juffrouw Dilber.

"Als ie ze nog na zijn dood had willen houwe, die ouwe vrek, waarom

was ie dan geen gewoon mensch met een beetje hart in z'n lijf? Als

ie dat gehad had, dan zou d'r wel iemand geweest zijn om voor 'em te

zorge, toen de dood em te pakken kreeg, inplaats van zoo als nou te

ligge sterve heelemaal alleen."

"Dat is 't waarste woord dat je ooit gesproke hebt," zeide juffrouw

Dilber. "Nou heeft ie net wat ie verdiend heit."

"Ik wou dat 't wat zwaarder was," antwoordde de vrouw, "en dat zou

't, daar kun je van op an, als ik nòg meer te pakken had kunnen

krijgen. Maak dat pakkie maar es los, Jan, en zeg me hoeveel je d'r

voor geeft. Zeg 't maar ronduit. Ik ben niet bang om de eerste te

zijn, en ook niet dat zij 't zien. Voor we mekaar hier ontmoetten,

wisten we ieder voor zich ook wel dat we voor ons zelf zorgden. En

dat is geen zonde. Maak open, ouwe Jan!"

Doch de galanterie harer vrienden liet dit niet toe en de man in het

kale lakensche pak, het eerst den bres beklimmend, opende het eerst

zijn pak. Het was niet groot. Een paar zegels, een potlood-houder,

een paar manchetknoopen en een broche van geringe waarde, dat was

alles. Deze artikelen werden één voor een onderzocht en getaxeerd door

den ouden Jan, die de sommen die hij bereid was te geven voor elk met

krijt op den muur schreef en ze samen optelde toen er niets meer kwam.

"Dat is jouw rekening," zei Jan, "en al werd ik levend gekookt,

geen schelling doe 'k er bovenop. Wie volgt?"

Juffrouw Dilber kwam nu aan de beurt. Lakens en handdoeken, een

beetje lijfdracht, twee ouderwetsche zilveren theelepeltjes, een

paar suikerscheppers en wat laarzen. Haar bedrag werd eveneens op

den muur geschreven.

"Aan dames geef ik altijd te veel. Dat is 'n zwak van me en ik weet dat

'k me zelf d'r mee ruweneer," zei ouwe Jan. "Dat is jouw bedrag. Als

je me d'r een stuiver meer voor vroeg, zou 't me spijte zoo vrijgevig

geweest te zijn en zou 'k er een daalder afdoen."

"En maak nou mijn pakkie maar es los, Jan," zei de eerste vrouw.

Jan ging voor het gemak op zijn knieën liggen en nadat hij een massa

knoopen losgemaakt had, haalde hij er een zware oude rol donkere

stof uit.

"Hoe noem je dit?" zei Jan. "Bed-gordijnen!"

"Ha, ha!" antwoordde de vrouw lachend en zich op hare gekruiste armen

vooroverbuigend, "bed-gordijnen!"

"Je wilt toch niet zeggen dat je ze met ringe en al van zijn bed heb

genome, terwijl hij d'r nog leit?" zei Jan.

"Jawel zeker," antwoordde de vrouw. "Waarom zou 'k niet?"

"Je bent ervoor geboren om je fortuin te maken," zeide Jan, "en dat

zul je zonder mankeere."

"Ik zal vást m'n hande niet voor me houwe as ik er iets mee kan

winne met ze uit te steke, naar 't goed van 'n man als hij, dat kan

'k je wel vertelle, ouwe Jan," antwoordde de vrouw bedaard. "Toe nou,

laat die olie niet op de dekens valle."

"Zijn dekens?" vroeg Jan.

"Van wie anders, denk je?" vroeg het wijf. "Hìj zal geen kou vatten,

al heeft ie ze nou niet meer."

"Hij is toch niet kapot gegaan aan de een of andere besmettelijke

ziekte, he?" zeide de oude Jan, even opkijkend.

"Daar hoef je niet bang voor te zijn," antwoordde het wijf. "Ik

ben niet zoo verlekkerd op zijn gezelschap, dat ik in zijn buurt

zou gebleve zijn, als ik dat gedacht had. Ja, en ik zeg je dat je

probeere mag om door dat hemd heen te zien tot je oogen d'r pijn

van doen, maar je zult er geen gaatje in vinde, evenmin als een kale

steê. 't Is het beste hemd dat ie had en 't is fijn, hoor. Ze zouen

't eenvoudig weggegooid hebbe als ik d'r niet tussche gekomme was."

"Wat bedoel je met "weggooien?"" vroeg de oude Jan.

"Nou, dat ze 't hem aangetrokken zoue hebbe om in begrave te worde,

natuurlijk," antwoordde de vrouw lachend. "D'r was 't er een gek genoeg

om 't te doen, maar ik heb 't hem weer uitgetrokke. Als katoen niet

goed genoeg is voor zoo iets, dan is 't nergens goed genoeg voor. 't

Staat em net zoo goed. Hij kan er moeilijk leelijker in uitzien dan

ie toch al deed."

Scrooge luisterde met afgrijzen naar dit gesprek. Terwijl zij daar

zoo zaten rondom hun buit, in het schaarsche licht dat de lamp van den

ouden man gaf, zag hij op hen allen neer met een verachting en weerzin,

die moeilijk grooter had kunnen zijn zoo zij in het duister-werkende

demonen geweest waren die bezig waren het lichaam zelf te verkwanselen.

"Ha, ha!" lachte hetzelfde wijf, toen de oude Jan een flanellen zakje

met geld voor den dag haalde en hun hunne respectievelijke bedragen

op den grond aftelde. "Zie je, zoo loopt 't nou met hem af. Bij z'n

leven schrikte hij iedereen af, om ons d'r van te late profiteeren

nou dat ie dood is! ha ha!"

"Geest!" zeide Scrooge, over het geheele lichaam huiverend. "Ik

begrijp het, ik begrijp het. Het lot van dezen ongelukkigen man zou

het mijne kunnen worden. Zooals het nu is, gaat mijn leven dien kant

uit. Genadige Hemel, wat is dit!"

Hij deinsde met afgrijzen terug, want het tafereel was veranderd,

en nu raakte hij bijna een bed aan: een kaal bed, zonder gordijnen,

waarop, onder een vodderig laken iets lag, dat hoewel het stom was,

zich toch aankondigde in ontzagwekkende taal.

Het vertrek was zeer duister, te duister om ook slechts eenigermate

nauwkeurig te worden opgenomen, hoewel Scrooge, gehoorzamend aan een

geheimen drang er in rond staarde, nieuwsgierig te weten wat voor een

kamer dit was. Een mat licht, dat buiten scheen, viel recht op het

bed; en op dit bed, beroofd en geplunderd, onbewaakt en onbeweend,

lag het lichaam van een man.

Scrooge keek naar het Spook. De vaste hand van den Geest wees naar het

hoofd. Het laken was zoo achteloos er over geworpen dat zoo Scrooge

het ook maar even opgebeurd had, hij het gezicht zou bloot gelegd

hebben. Hij bedacht dit, en voelde hoe gemakkelijk hij dit kon doen,

en voelde een aandrang hiertoe; doch hij miste evenzeer de kracht

het te doen als om den Geest aan zijne zijde weg te zenden.

"O, koude, koude, vreeselijke dood, zet uw altaar hier en omkleed

het met al de verschrikkingen waarover gij gebiedt, want dit is uw

rijk! Doch van een geliefd, geëerbiedigd hoofd kunt gij niet één

haar krenken om uw verschrikkelijk doel te dienen of kunt gij één

trek weerzinwekkend maken. Het is niet dat de hand nu zwaar is, en

slap neervalt als zij losgelaten wordt, en niet dat het hart of de

polsslag stilstaan; doch dat de hand mild, en vrijgevig en eerlijk

was, het hart moedig en warm en liefderijk, en de polsslag die van

een man. Ha, schim, sla toe, en zie hoe de goede daden uit de wonde

ontspringen om het zaad van het eeuwige leven op aarde te zaaien."

Geen stem zei deze woorden aan Scrooge's oor, en toch hoorde hij ze

toen hij naar het bed keek.

Hij dacht, wat, zoo deze man nu opgewekt kon worden, zijne

eerste gedachten zouden zijn. Gierigheid, meêdoogenloosheid,

geldschraperszorgen? Deze alle hadden hem wèl tot een schoon uiteinde

gebracht!

Hij lag daar in het donkere ledige huis, zonder een man, vrouw of kind

bij zich, om van hem te getuigen: "hij was vriendelijk en goed jegens

mij in dit of dat en om de nagedachtenis aan één vriendelijk woord zal

ìk nù goed voor hem zijn." Er krabde een kat aan de deur en Scrooge

hoorde het geluid van knagende ratten onder den haardsteen. Scrooge

durfde er niet aan denken, wat diè wilden in het doodsvertrek en

waarom zij zoo rusteloos waren.

"Geest!" zeide hij, "dit is een vreeselijke plaats. Geloof mij dat

zoo ik haar verlaat, ik de les die zij mij geleerd heeft niet zal

achterlaten."

Nog steeds wees de Geest met den vinger naar het hoofd.

"Ik begrijp u," antwoordde Scrooge, "en zoo ik kon, zou ik het

doen. Maar ik kàn niet, Geest. Ik kàn niet."

Wederom scheen de Geest hem aan te kijken.

"Zoo er in de stad iemand is, die ontroering voelt over den dood van

dezen man, smeek ik u mij hem te toonen," zeide Scrooge zeer ontroerd.

Het Spook spreidde zijn donker kleed een oogenblik voor hem, als een

vleugel, en het weder wegtrekkend, liet hij hem een kamer bij daglicht

zien, waarin een moeder en hare spelende kinderen zaten.

Eindelijk deed zich de langverwachte klop hooren. Zij haastte zich naar

de deur en ging haren echtgenoot tegemoet; een man wiens gelaat, hoewel

nog jong, door zorgen vermagerd was. Nu droeg het een eigenaardige

uitdrukking, een soort somber genoegen, waarover hij zich schaamde,

en dat hij trachtte te onderdrukken. Hij ging aan tafel zitten om

zijn middagmaal te gebruiken dat zij voor hem warm gehouden had bij

het vuur; en toen zij hem zwakjes vraagde wat nieuws hij medebracht

(wat zij niet deed dan na een lange stilte) scheen hij niet goed te

weten hoe hij haar antwoorden zou.

"Is het goed of slecht nieuws?" vroeg zij, om hem op gang te helpen.

"Slecht!" antwoordde hij.

"Zijn we dan heelemaal geruïneerd?"

"Neen, er is nog hoop, Caroline."

"Als hij medelijden toont, dan is er nog hoop. Als dàt wonder gebeurt,

dan is er nièts hopeloos."

"Hij kàn niet meer vermurwd worden," zeide haar echtgenoot. "Hij

is dood."

Als haar gelaat de waarheid sprak, was zij van nature een zacht,

geduldig schepseltje; doch in haar hart was zij dankbaar dit te hooren

en dit zeide zij ook met gevouwen handen. Het volgende oogenblik had

zij er berouw van en bad om vergeving; doch het eerste gevoel was

dat wat haar hart haar ingaf.

"Wat de half-dronken vrouw waar ik je gisterenavond van vertelde, mij

zeide, toen ik hem trachtte te spreken en een week uitstel te krijgen

en wat ik hield voor een uitvlucht om mij te vermijden, blijkt maar

al te waar te zijn. Toen zij het mij zeide, was hij niet alleen heel

ziek, maar al stervende."

"Aan wien zal je schuld overgaan?"

"Dat weet ik niet. Maar vóór 't zoover is, zullen we 't geld al hebben;

en zelfs al hadden we 't niet, dan zou 't toch al heel erg zijn als

wij in zijn opvolger een even genadeloos schuldeischer terugkregen

als hij was. Vannacht tenminste kunnen wij met een licht hart gaan

slapen, Caroline."

Ja, al trachtten zij het zich nog zoozeer te verbloemen, hunne harten

waren toch lichter. Ook de gezichtjes der kinderen die stil zich om

hen heen drongen, om te verstaan wat zij zoo weinig begrepen, waren

opgeruimder; en door den dood van dezen man was het een gelukkiger

tehuis! De eenige aandoening die de Geest hem naar aanleiding dezer

gebeurtenis kon laten zien, was een van vreugde.

"Toon mij eenig medegevoel in verband met een sterfgeval," zeide

Scrooge; "of dat donkere vertrek, Geest, dat wij zoo juist verlaten

hebben, zal mij voor de rest van mijne dagen vervolgen."

De Geest leidde hem door verscheidene straten die Scrooge kende; en

onder het voortgaan, keek Scrooge overal rond of hij zichzelven niet

zag, doch nergens was hij te vinden. Zij gingen het huis van den armen

Bob Cratchit binnen, het verblijf dat hij reeds eerder bezocht had,

en vond de moeder en de kinderen om het vuur zitten.

Het was er stil. Heel stil. De luidruchtige kleine Cratchits zaten

stil als muizen in een hoek, en keken op naar Pieter die met een boek

voor zich zat. Moeder en dochters waren bezig met naaien. Doch ook

zij hielden zich wel heel stil!

"En hij nam een kind, en plaatste het te midden van hen."

Waar kon Scrooge deze woorden gehoord hebben? Hij had ze toch niet

gedroomd. De jongen moest ze hardop uit het boek voorgelezen hebben,

toen hij den drempel overschreed. Waarom ging hij nu niet door?

De moeder legde haar werk op tafel en bracht de hand aan het gezicht.

"Die kleur doet mijn oogen pijn," zei zij.

De kleur? Och, arme kleine Tim!

"Nu is 't al weer over," zei Cratchits vrouw. "Bij kaarslicht zijn ze

een beetje zwak, en ik zou je vader als hij thuis komt voor geen geld

zwakke oogen willen laten zien. 't Zal zoowat tijd zijn dat hij komt."

"'t Is er al over," antwoordde Pieter, zijn boek sluitend. "Maar

ik zou denken dat hij wat langzamer dan anders geloopen heeft, de

laatste paar avonden, moeder!"

Toen werd alles weer stil. Eindelijk zei zij, met een vaste vroolijke

stem, die slechts éénmaal haperde:

"Ik herinner me anders nog heel goed hoe hij,... ik herinner mij nog

goed hoe hij met kleine Tim op zijn schouder naar huis liep en nog

wel hard ook."

"Ik ook," riep Peter. "Zoo vaak!"

"En ik," riep een tweede. En ze herinnerden het zich allemaal.

"Maar hij was ook erg licht om te dragen," ging zij voort, ijverig

doorwerkend, "en zijn vader hield zóóveel van hem, dat hij de zwaarte

heelemaal niet voelde--heelemaal niet. En daar is je vader net aan

de deur!"

Zij haastte zich hem open te doen, en kleine Bob met zijn bouffante

om--en hij had hem wèl noodig, arme drommel--kwam binnen. Zijn thee

stond klaar voor hem op de plaat en allen vochten om 't hardst wie

hem 't eerst zou inschenken. Toen klommen de beide jonge Cratchits

op zijne knieën en legden ieder een kleine wang tegen de zijnen alsof

zij zeggen wilden: "Trek het je maar niet al te erg aan, vader. Wees

maar niet bedroefd."

Bob was erg vroolijk en praatte opgeruimd met de geheele familie. Hij

bekeek het werk op tafel en prees den ijver en 't vlugge werken van

juffrouw Cratchit en de meisjes.

"De rouwkleeren zullen lang voor Zondag klaar zijn," meende hij.

"Zondag! Ben je er vandaag dan heen geweest, Robert?" vroeg zijne

vrouw.

"Ja, beste," antwoordde Bob. "Ik wou dat je mee had kunnen gaan. Het

zou je goed gedaan hebben te zien hoe groen dat plekje is. Maar

je zult het dikwijls zien. Ik beloofde hem dat ik er Zondags zou

heenwandelen. Mijn kleine, kleine man!" zeide Bob. "Mijn kleine

jongen!"

Opeens kon hij zich niet meer inhouden. Hij kon het niet helpen. Als

hij het wel had kunnen helpen zouden hij en zijn kind misschien verder

van elkaar geweest zijn dan zij nu waren.

Hij ging de kamer uit, naar zijn kamertje boven, dat vroolijk verlicht

was en met hulst behangen.

Er stond een stoel dicht bij het kind en er waren teekenen dat er nog

kort geleden iemand geweest was. De arme Bob ging op den stoel zitten,

en toen hij een weinig nagedacht had en wat bedaard was, kuste hij

het kleine gezichtje. Hij had nu vrede met wat gebeurd was en ging

weder gelukkig naar beneden.

Zij kropen allen dicht bij het vuur en praatten, terwijl de meisjes

en de moeder stil doorwerkten. Bob vertelde hen van de buitengewone

vriendelijkheid van meneer Scrooge's neef, dien hij slechts eenmaal

gezien had en dat nog maar even, en die hem dien dag op straat

tegenkomend en ziend dat hij er een beetje--"een heel klein beetje

neerslachtig uitzag," zei Bob,--hem gevraagd had wat er gebeurd was

dat hem zoo hinderde. "Waarop," zei Bob, "want hij is de minzaamste

meneer die je ooit gezien hebt,--ik 't hem vertelde. "Dat spijt me

van ganscher harte voor u, mijnheer Cratchit," zeide hij, "en ook

voor uw goede vrouw." Hoè hij dàt wist, voor den drommel, dat weet

ik nog niet."

"Wàt wist, lieve?"

"Wel, dat jij een goede vrouw was," antwoordde Bob.

"Maar dat weet iedereen!" zeide Pieter.

"Heel goed gezegd, m'n jongen!" riep Bob. "Ik hoop dat ze 't allemaal

weten. "'t Spijt me van ganscher harte voor uw goede vrouw," zeide

hij. "Als ik u met iets van dienst kan zijn," zeide hij, mij zijn

kaartje overhandigend, "dan weet u waar ik woon. Dan hebt u maar even

aan te komen." Het was niet om wat hij voor ons zou kunnen doen,

dat ik zoo prettig vond wat hij zei. Het was of hij onzen kleinen

Tim gekend had en hij met ons meevoelde."

"Ja, hij schijnt een goed hart te hebben!" zei juffrouw Cratchit.

"Dat zou je nog zekerder gelooven als je hem zag en met hem sprak. 't

Zou me niks verwonderen, en onthou es wat ik je zeg, als hij Pieter

een betere betrekking bezorgde."

"Hoor nu eens aan, Pieter," zei juffrouw Cratchit.

"En dan," riep een van de meisjes, "gaat Pieter verkeering houden

met een zeker meisje en een eigen huishoudentje beginnen."

"Och loop heen!" antwoordde Pieter grijnzend.

"O, dat zie je dezer dagen nog es gebeuren," zei Bob, "hoewel dáár nog

tijd genoeg voor is, jongen. Maar hoe en wanneer we ook van elkaar

mochten raken, geloof ik toch niet dat we ooit een van allen kleine

Tim zullen vergeten--wel?--of deze eerste scheiding die er onder ons

plaats vond?"

"Nooit, vader," riepen allen.

"En ik weet ook zeker," zei Bob, "ik weet ook zeker, dat als we er

aan denken hoe geduldig en zacht hij was, al was hij nog maar een

heel klein kind, dat wij niet licht met elkaar zullen kibbelen en

terwijl we het doen kleine Tim vergeten."

"Nee, nooit, vader!" riepen allen weder uit.

"Nu ik dat weet, ben ik heel gelukkig," zei kleine Bob.

Juffrouw Cratchit kuste hem en zijne dochters kusten hem, de twee

jonge Cratchits kusten hem, en Pieter en hij schudden elkaar de hand.

Geest van kleine Tim, uw kinderlijke Geest was uit God!

"Spook!" zei Scrooge, "iets zegt mij dat het oogenblik van scheiden

voor ons nadert. Ik weet het, doch ik weet niet hoe. Zeg mij wie de

man was, dien ik dood zag liggen?"

De Geest van het toekomstige Kerstfeest leidde hem, evenals te

voren--hoewel op een anderen tijd, scheen het hem: ja, het kwam hem

voor dat er geen geregelde orde was in de visioenen die deze Geest

hem liet zien, behalve dat zij allen in de toekomst lagen--naar

plaatsen die bezocht werden door mannen van zaken, doch toonde hem

niet zijn eigen-ik. Ja zelfs bleef de Geest nergens voor stilstaan,

doch ging voort alsof hij recht af ging op de plaats waar Scrooge

zooeven op gedoeld had, en deze hem verzoeken moest een oogenblik te

blijven staan.

"Deze plaats," zeide Scrooge, "waarover wij nu zoo snel loopen, is

mijn kantoor en is dit al heel lang geweest. Ik zie het huis al. Laat

mij zien wat ik in komende dagen zijn zal."

De Geest stond stil; de hand wees ergens anders heen.

"Het huis is ginds," riep Scrooge uit. "Waarom wijst gij een anderen

kant uit?"

De onverbiddelijke vinger verwrikte niet.

Scrooge haastte zich naar het venster van zijn kantoor en keek

naar binnen. Het was nòg een kantoor, doch niet meer het zijne. Het

meubilair was niet meer hetzelfde en de gestalte in den stoel was

hij ook niet.

Het Spook bleef dezelfde richting uitwijzen als te voren.

Hij voegde zich weder bij den Geest en zich verwonderend waarom

hij hem hier mede heen genomen had, vergezelde hij hem tot zij een

ijzeren hek bereikten. Hij bleef stil staan om eens rond te kijken

vóór hij binnentrad.

Een kerkhof. Hier dus lag de ellendige man, wiens naam hij nu zou

te weten komen, begraven. Het was een waardige plaats. Omringd door

muren van huizen, begroeid met gras en onkruid, de groei van den dood

van het plantenleven, en niet het leven zelf; een plaats waar veel

te veel dooden begraven waren; vet van verzadigden eetlust. Wèl een

waardige plaats.

De Geest stond tusschen de graven en wees op één hiervan.

Scrooge ging er bevend naar toe. Het Spook was nog juist zooals het

geweest was, doch hij vreesde een nieuwe beteekenis in zijne plechtige

gestalte te zullen zien.

"Vóór ik den steen waarop gij wijst, nader," zeide Scrooge, "verzoek

ik u mij een vraag te beantwoorden. Zijn deze slechts de schimmen

van dingen die kùnnen worden?"

Nog steeds wees de Geest naar het graf waarnaast hij stond.

"De loopbaan der menschen voorspelt gewis soms het een of ander einde

waartoe zij, zoo er in volhard wordt, onherroepelijk leiden moet,"

zei Scrooge. "Doch zoo er van dezen baan wordt afgeweken, zal het

einde ook anders zijn. Zeg dat dit ook is met wat gij mij toont!"

De Geest bleef als altijd onbewegelijk staan.

Scrooge naderde aarzelend en bevend, en de richting van den vinger

volgend, las hij op den steen van het verwaarloosde graf zijn eigen

naam, "Ebenezer Scrooge."

"Ben ik dan die man, die op dat bed lag?" riep hij op de knieën

vallend uit.

De vinger wees van het graf op hemzelven, en weder terug.

"Neen, Geest, o, neen, dàt niet!"

Doch de vinger bleef wijzen.

"Geest," riep hij uit, zich vastklemmend aan het kleed van zijnen

geleider, "hoor mij aan! Ik ben niet meer de man die ik eens was. Ik

wil niet meer zijn de man die ik had moeten blijven zoo dit alles

mij niet getoond ware. Waarom zoudt ge mij dit laten zien, als mijn

geval hopeloos was?"

Voor de eerste maal leek het of de hand beefde.

"Goede Geest," vervolgde hij, terwijl hij zich voor de gedaante op den

grond wierp. "Uwe goedhartigheid komt voor mij tusschenbeiden, en heeft

medelijden met mij. Geef me de verzekering dat ik nog verandering kan

brengen in de schimmen die gij mij getoond hebt door een ander leven."

De vriendelijke hand beefde.

"Ik zal Kerstmis in mijn hart eeren, en het 't geheele jaar door

trachten te vieren. Ik zal leven in het Verleden, het Heden en

de Toekomst. De Geesten van deze drie zullen hunnen invloed in mij

oefenen. En ik zal de lessen die zij mij leeren niet buitensluiten. O,

zeg mij toch dat ik, wat op dezen steen geschreven staat, kan

uitwisschen."

In zijn angst vatte hij de hand van den Geest. Deze zocht zich los te

maken, doch hij was sterk in zijne smeeking en hield haar vast. Doch

de sterkere Geest stiet hem eindelijk van zich af.

Een Kerstlied in Proza · 第 6 / 7 段