Zijne handen opheffend tot een laatste bede, namelijk om zijn lot

toch te doen keeren, zag hij een plotselinge verandering in den

kap en het gewaad van den Geest. Deze slonk in, viel in elkaar,

en werd... een beddepost.

VIJFDE ZANG.

HET EINDE.

Ja, en deze beddepost was zijn eigene. Zijn eigen bed en eigen

kamer. En wat het beste en gelukkigste voor hem was, was dat de tijd

die voor hem lag zijn eigene nog was, om te vergoeden wat hij al dien

tijd tekort geschoten was!

"Ik zal leven in het Verleden, het Heden en de Toekomst!" herhaalde

Scrooge, terwijl hij uit bed krabbelde. "En de Geesten, al deze drie,

zullen in mij werken. Oh, Jacob Marley! De hemel en Kersttijd zijn

geprezen! Ik zeg het op mijne knieën, oude Jacob, op mijne knieën!" Hij

was zoo opgewonden, en zóó vol vuur voor zijne goede voornemens,

dat zijn gebroken stem hem bijna haar dienst weigerde. Hij had hevig

gesnikt in zijn strijd met den Geest en zijn gelaat was nat van tranen.

"Zij zijn dus toch nog niet neergehaald!" riep Scrooge uit, een zijner

bedgordijnen in zijn arm nemend, "ze zijn dus toch nog niet neergehaald

met ringen en al. Zij zijn er nog en ik ben er nog en de schimmen

der dingen die hadden kunnen worden, mag ik verjagen. En dat zal ik!"

Onderwijl had hij met zijne handen aldoor aan zijne kleederen

gefrommeld, ze binnenste buiten keerend, ze verkeerd aantrekkend,

ze scheurend en zoek makend, en er de zotste dingen mede uithalend.

"Ik weet niet wat ik beginnen moet!" zei Scrooge tegelijkertijd lachend

en huilend: zich zóó wringend om in zijne kousen te komen dat hij

volkomen op Laokoön geleek. "Ik voel me zoo licht als een veêr en ben

zoo gelukkig als een engel en zoo vroolijk als een schooljongen. Ik

ben duizelig als een dronken man. Iedereen wensch ik een gelukkige

Kerstmis, en de geheele wereld een goed Nieuwjaar. Hallo, hier! whoep,

hallo!"

Hij was naar zijn zitkamer gehuppeld, en stond daar nu geheel buiten

adem.

"Daar staat de sauskom, waar de pap in was!" riep Scrooge, opnieuw

beginnend en om den haard dansend. "Daar is de deur waardoor de

Geest van Jacob Marley binnenkwam! Daar is de hoek waar de Geest

van het Tegenwoordig Kerstfeest zat! Daar is het raam waar ik de

dolende Geesten door zag! Het was alles waar, en 't is allemaal zoo

gebeurd. Ha, ha, ha!"

Voor een man die zooveel jaren lang geen oefening erin gehad had,

was het werkelijk een kostelijke lach. Een doorluchtige lach, als de

vader van een lange, lange reeks van kostelijke lachen!

"Ik heb geen vaag begrip welke dag van de maand het is!" zeide

Scrooge. "Ik weet niet hoe lang ik onder geesten verkeerd heb. Ik

voel me net als een klein kind. Maar dat kan me niets schelen. Ik

wou dat ik nog een klein kind wàs. Hallo, hoep, hallo!"

Hij werd gestuit in zijne uitbundige vreugde door de kerkklokken die

er lustiger op los luidden dan hij ooit gehoord had. Bim, bam, bim,

bam, hamer, kling, klang! O, heerlijk, heerlijk.

Naar het raam hollend, schoof hij het op en stak zijn hoofd naar

buiten. Geen mist of nevel, doch zuivere, heldere, prettig-aandoende

koude; 'n koude om het bloed naar zijn pijpen te laten dansen; gouden

zonnelicht; een heerlijke lucht; goede, frissche lucht; en vroolijke

klokken. O, heerlijk, heerlijk!

"Wat voor 'n dag is 't vandaag?" riep Scrooge een jongen, die op zijn

Zondags gekleed was, toe.

"Hè?" antwoordde de jongen, "wel Kerstdag natuurlijk!"

"Kerstdag zegt ie!" zeide Scrooge bij zichzelven. "Dan heb ik 't tòch

niet gemist. De Geesten hebben 't alles in één nacht gedaan. Zij kunnen

alles doen zooals zij willen. Natuurlijk. Natuurlijk. Heidaar, jongen."

"Hallo!" antwoordde de jongen.

"Weet je de poelier te wonen, in de straat hiernaast, op den

hoek?" vroeg Scrooge.

"Dat zou 'k gelooven," antwoordde de jongen.

"Knappe jongen!" zei Scrooge. "'n Merkwaardig gladde jongen! Weet

je ook of ze de kalkoen die daar hing al kwijt zijn? Niet de kleine,

maar de groote die bekroond is?"

"Wat, bedoel je die, die zoo dik is als ik wel?" antwoordde de jongen.

"Wat een engel van een jongen!" zei Scrooge. "'t Is een genot op

zichzelf met dièn jongen te praten.--Jawel, kerel, die bedoel ik."

"Nee, die hangt d'r nog," antwoordde de jongen.

"Is 't waar?" zei Scrooge. "Ga hem dan dadelijk halen."

"Mot je mèìn hebbe?" antwoordde de jongen, die dacht dat Scrooge hem

voor den gek hield.

"Nee, nee," zei Scrooge. "Ik meen 't. Ga 'em dadelijk voor me koopen,

en zeg dat ze hem hier brengen, opdat ik ze kan zeggen waar ze hem

moeten bezorgen. Kom met den man terug, dan krijg je twee kwartjes

van me. Als je zorgt dat je binnen vijf minuten met hem terug bent,

krijg je een daalder."

De jongen vloog weg als een pijl uit den boog. 't Moest al een flinke

schutter geweest zijn, die een schot zoo snel uit zijn geweer had

kunnen krijgen.

"Ik zal hem naar Bob Cratchit sturen!" fluisterde Scrooge, zich in

de handen wrijvend en innerlijk lachend. "Hij zal niet weten wie hem

stuurt. Hij is net tweemaal zoo dik als kleine Tim!"

De hand, waarmede hij het adres schreef, was niet heel vast, doch hij

kreeg het toch op het papier en ging naar beneden om de straatdeur open

te doen en klaar te zijn als de knecht van den poelier kwam. Terwijl

hij daar op diens komst stond te wachten viel zijn oog op den klopper.

"Van dien klopper zal ik houden zoolang ik leef!" riep Scrooge uit,

den klopper met zijn hand aaiend. "Vóór vandaag keek ik er nauwelijks

naar. Wat een eerlijke uitdrukking heeft ie in zijn gezicht. Een

wonderbare klopper!--Ha, hier hebben we den kalkoen. Hallo, hoep! Hoe

gaat het? 'n Goeie Kerstmis, hoor!"

Wat een kalkoen was dat! 't Was niet mogelijk dat die vogel ooit

fatsoenlijk op zijn pooten kon gestaan hebben. Ze zouden afgeknapt

zijn in minder dan geen tijd, als pijpjes lak.

"Maar die kun je niet heelemaal naar Camden Town dragen," zeide

Scrooge. "Daarvoor moet je een bakje hebben."

De inwendige lach waarmede hij dit zeide, en de inwendige lach waarmede

hij voor den kalkoen betaalde, en de inwendige lach waarmede hij

den jongen zijn belooning gaf, werden slechts overtroffen door den

inwendigen lach waarmede hij buiten adem in zijn stoel nederviel en

lachte tot hij begon te huilen.

Scheren was geen gemakkelijke taak, want zijn hand beefde maar aldoor

en scheren vereischt aandacht, zelfs al danst ge niet bepaald als ge

er mede bezig zijt. Doch al had hij de punt van zijn neus afgesneden,

dan zou hij er eenvoudig een stuk hechtpleister op gelegd hebben en

volkomen voldaan geweest zijn. Hij kleedde zich op z'n Zondagsch en

eindelijk ging hij de straat op. De menschen stroomden nu de straten

door, juist zooals hij met den Geest van het huidige Kerstfeest gezien

had, en met de handen op den rug voortwandelend, keek Scrooge iedereen

aan met een opgeruimden glimlach. Hij zag er zoo onwederstaanbaar

opgeruimd uit, dat drie of vier goedhartige lieden "Goeie morgen,

meneer, een prettige Kerstmis!" tegen hem zeiden. En Scrooge placht

nog dikwijls daarna te zeggen dat van al de aangenaam-aandoende

klanken, die hij ooit gehoord had, deze wel het aangenaamst in zijn

ooren klonken.

Hij was nog niet ver gegaan of hij zag in zijne richting loopen de

heer die gisteren zijn kantoor was binnengetreden en gezegd had: "Het

kantoor van Scrooge en Marley, geloof ik?" Het gaf hem een steek in

't hart toen hij er aan dacht hoe deze heer op hem zou neerzien als

zij elkaar ontmoetten, doch hij wist nu welken weg voor hem lag en

dien volgde hij.

"M'n waarde heer," zeide Scrooge, zijne schreden versnellend, en den

ouden heer bij beide handen vattend. "Hoe gaat het? Ik hoop dat u

gisteren goed geslaagd is. Het was bijzonder vriendelijk van u. Een

blijde Kerstmis, mijnheer!"

"Meneer Scrooge?"

"Juist," zeide Scrooge. "Zoo heet ik en ik vrees dat mijn naam geen

aangename herinneringen bij u zal wekken. Sta mij toe dat ik u excuus

vraag. En als u zoo goed wilt zijn"--hier fluisterde Scrooge iets

aan zijn oor.

"God beware me!" riep de heer uit, alsof het hem den adem benam. "M'n

waarde heer Scrooge, meent u dat?"

"Zeker," zeide Scrooge. "Geen cent minder. Hierin zijn begrepen een

groot aantal achterstallige betalingen, dat verzeker ik u. Wilt u

mij het genoegen doen?"

"M'n waarde heer," zeide de ander, hem de hand schuddend, "ik kan u

niet genoeg danken voor zulk een vorstelijke bijdr......"

"Kom, het is de moeite niet waard," hernam Scrooge. "Kom mij eens

opzoeken. Wilt u?"

"Zeker, dat zal ik beslist doen," riep de oude heer uit. En het was

duidelijk dat hij dit meende te doen ook.

"Heel graag," zei Scrooge. "Zeer verplicht. Duizendmaal dank."

Hij ging naar de kerk en liep wat straten om, en keek naar de

menschen die zich voorthaastten, streek kinderen over het hoofd en

ondervroeg bedelaars, en keek neer in de keukens der huizen en op

naar de vensters, en bevond dat alles hem genoegen verschafte. Nooit

had hij gedacht, dat een wandeling--of iets anders,--hem zoo gelukkig

kon maken.

Des middags richtte hij zijn schreden naar het huis van zijn' neef.

Hij liep de deur wel tienmaal voorbij, vóór hij de stoep op durfde

gaan en aankloppen. Doch eindelijk schoot hij er op toe en klopte aan.

"Is meneer thuis, kind?" zeide Scrooge tot het dienstmeisje, 'n

knap meisje.

"Jawel meneer."

"Waar is hij, kind?" zeide Scrooge.

"Hij is in de eetkamer meneer, met mevrouw. Ik zal u even voorgaan

naar boven."

"Goed hoor, hij kent me wel," zei Scrooge, met zijn hand reeds op

het slot der eetkamer. "Ik zal hier maar binnengaan, meisje."

Hij draaide den knop voorzichtig om en stak zijn hoofd zijdelings door

de deur. Zij keken naar de tafel (die in vollen feestdos prijkte) want

jonge huishoudsters zijn altijd een weinig zenuwachtig op dergelijke

punten, en zien graag dat alles in orde is.

"Fred!" zeide Scrooge.

Goeie hemel, wat schrok zijne aangetrouwde nicht. Scrooge had

een oogenblik vergeten dat hij haar met het voetebankje in den

gemakkelijken stoel had zien zitten, of hij zou haar niet zoo hebben

doen ontstellen.

"Wel, heere m'n tijd!" riep Fred. "Wie hebben we hier?"

"Ik ben het. Je oom Scrooge. Ik kom eten. Is 't goed, Fred?"

Of 't goed was! Scrooge mocht van geluk spreken dat zijn neef zijn

arm niet afschudde. Hij voelde zich binnen vijf minuten thuis. Niets

kon hartelijker zijn.

Zijn nicht was eveneens zeer vriendelijk voor hem. En dit was

óók Topper, toen die kwam. En de mollige zuster toen zij kwam. En

iedereen toen zij allen kwamen. Een wonder gezelschap en een wondere

eenstemmigheid, en won-de-re gezelligheid.

Doch den volgenden morgen was hij vroeg weder op het kantoor. O, hij

was er zoo vroeg. Als hìj er maar eerst kon zijn en Bob Cratchit erop

kon betrappen, dat die te laat kwam! Daar had hij zijn zinnen op gezet.

En hij deed het, waarachtig hij deed het. De klok sloeg negen. Geen

Bob. Kwart over negen. Nog geen Bob. Hij was volle achttien en een

halve minuut over zijn tijd. Scrooge zat met zijn deur wijd open,

om hem het kantoortje te kunnen zien binnenkomen.

Vóór hij de deur opende, had hij zijn hoed al in de hand, en zijn

bouffante eveneens. Hij zat in een wip op zijn kruk, en pende er op

los, alsof hij probeerde 9 uur op de klok in te halen:

"Hallo!" gromde Scrooge, zijn gewone stem aannemend zoo goed hij

kon. "Wat heeft dat te beteekenen, dat je hier op dezen tijd durft

aankomen?"

"'t Spijt me erg, mijnheer," zei Bob. "Ik bèn werkelijk over mijn

tijd."

"Zoo?" herhaalde Scrooge. "Ja, dat zou 'k ook gelooven. Kom es even

hierheen, alsjeblieft."

"Het is maar eens in 't jaar, meneer," pleitte Bob, uit het hokje

komend. "Het zal niet meer gebeuren. Ik heb gisteren een beetje te

veel pret gemaakt, meneer."

"Nou zal ik je es wat vertellen, vriendje," zei Scrooge. "Ik wil

iets dergelijks niet langer dulden. En daarom," ging hij voort, van

zijn kruk springend en Bob zulk een duw in zijn vest gevend dat hij

in het hokje terugwankelde, "en daarom ben ik van plan je salaris

te verhoogen."

Bob beefde en ging een beetje dichter bij de liniaal staan. Het

schoot hem een oogenblik door het hoofd of het niet goed zou zijn

Scrooge daarmede neer te vellen, hem vast te houden en om hulp en

een dwangbuis te roepen.

"Vroolijke Kerstmis, Bob!" zeide Scrooge, zóó ernstig dat men hem

niet verkeerd kòn begrijpen, en klopte zijnen klerk op den rug. "Een

vroolijker Kerstmis Bob, kerel, dan ik je al zooveel jaren toegewenscht

heb. Ik zal je salaris opslaan en probeeren je gezin bij te staan en

nog dezen middag zullen we je zaken eens bepraten bij een Kerstbowl

dampende bisschop. Maak de kachels aan en koop nog een kolenschop

vóór je nog één puntje op een i zet, Bob Cratchit."

Scrooge deed zijn woord gestand. Hij deed alles wat hij beloofd had en

nog veel meer; en voor kleine Tim, die nìet stierf, was hij een tweede

vader; hij werd een vriend, een meester, en een mensch, zoo goed als

de oude stad slechts kon aanwijzen. Sommigen lachten toen zij hem zoo

veranderd zagen, doch hij liet hen lachen en stoorde er zich niet aan;

want hij was verstandig genoeg te weten dat er op deze aardbol nooit

iets ten goede gebeurt of er zijn menschen die er in het begin om

lachen; en beseffend dat dergelijke lieden voor alles, waarvoor dan

ook, blind zijn, vond hij het beter dat zij hunne oogen in rimpels

trokken van het lachen dan dat zij de ziekte in minder aantrekkelijke

vormen hadden. Zijn eigen hart lachte en dat was hem volkomen genoeg.

Hij werd niet verder lastig gevallen door geesten, en men zei altijd

van hem dat hij Kerstfeest kon vieren als de beste, zoo iemand

tenminste wéét hoe het te vieren. Moge dit van ieder van ons gezegd

worden! En wat kleine Tim zeide wensch ik u allen toe: "God zegene

ons allen!"

EINDE

AANTEEKENINGEN

[1] De deurpen is de pen, waarop de klopper, in oude huizen nog te

vinden, neerkomt.

[2] Bedlam = ons krankzinnigengesticht Meerenberg.

[3] Kleinburgerlijke voorstad van Londen.

[4] Een oude danswijs. Over "Sir Roger de Coverley" vindt men een en

ander in Prof. Knappert's aanteekeningen bij Sara Burgerhart--1e deel,

pag. 287.--

[5] Meerstemmig koraal.

[6] Bij dit spel moet ieder der medespelers twee eigenschappen (een

goede en een kwade) bedenken, die met die letter beginnen. B.v.:

Ik min mijnen minnaar met een A omdat hij aardig is en ik haat hem

(haar) omdat hij àkelig is. Wie een moeilijke letter treft, is er het

ergst aan toe, want ieder, die zich niet vlug genoeg weet te redden,

geeft een pand.

[7] Aan hen, die eene begrafenis volgen, worden o. a. zwarte

handschoenen uitgereikt. In ons land is dit bij eene begrafenis aan

het hof nog het geval.

End of Project Gutenberg's Een Kerstlied in Proza, by Charles Dickens

Een Kerstlied in Proza · 第 7 / 7 段