luisterde naar het huilen van den wind en er aan dacht wat een
ontzag-inboezemend iets het was zich voort te bewegen boven een afgrond
welks diepten ongekend waren als de geheimenissen van den Dood; het
was tot Scrooge's groote verbazing, zeg ik, in deze oogenblikken een
hartelijken lach te hooren. En nog meer verbaasd was hij in dezen lach
zijn neef te herkennen, en zichzelf te bevinden in een helder, droog,
prettig vertrek, terwijl de Geest naast hem stond en met goedkeurende
vriendelijkheid naar dezen zelfden neef keek.
"Ha, ha!" lachte Scrooge's neef. "Ha, ha, ha!"
Als ge, wat niet waarschijnlijk is, toevallig iemand kent met een
vroolijker lach dan Scrooge's neef, dan is het eenige wat ik zeggen
kan, dat ik dièn man ook wel zou willen kennen. Stel mij aan hem voor,
en ik zal trachten goede vrienden met hem te worden.
Het is een billijke, goede regeling der dingen dat, terwijl er
aanstekelijkheid in ziekte en smart zit, er niets ter wereld zoo
aanstekelijk is als lachen en goedgehumeurdheid. Als Scrooge's neef
aldus lachte: zijne zijden vasthoudend, met het hoofd schuddend en
zijn gezicht allerdwaast vertrekkend, lachte Scrooge's aangetrouwde
nicht even uitbundig als hij. En de aanwezige vrienden stonden niets
bij hen achter en brulden lustig mede.
"Ha, ha, ha! Ha, ha, ha!"
"Hij zei dat Kerstmis allemaal maar gekheid was, zoo waar ik leef,
dat zei hij!" riep Scrooge's neef. "En hij geloofde 't zelf!"
"Zooveel te meer moest hij zich schamen, Fred!" zeide Scrooge's nicht
verontwaardigd. Ja, die vrouwen toch, diè doen nooit iets half. Die
zijn altijd ernstig. Zij was heel knap, buitengewoon knap. Met een
gezicht met twee kuiltjes er in en dat altijd een beetje verwonderd
keek, een mooi gezicht; een rijp, klein mondje, dat er voor gemaakt
scheen gekust te worden--wat het zonder twijfel dan ook werd; en het
zonnigste paar oogen dat ge ooit zaagt in het hoofd van zoo'n klein
schepsel. Over het geheel genomen was zij wat men noemen zou uitdagend
door hare bevalligheid; maar toch ook kalmeerend, en vriendelijk,
en sympathiek!"
"Een grappige oude man," zeide Scrooge's neef, "dat is een feit;
en niet zoo prettig om mee om te gaan als wel mogelijk was. Maar
zijn zonden brengen hun eigen straf mee, en ik zal geen kwaad van
hem spreken, hoor!"
"Hij zit er erg warmpjes in, Fred," zeide Scrooge's nicht. "Tenminste
dat zeg jij altijd."
"Nu, en wat zou dat, lieve!" zeide Scrooge's neef. "Hij kan toch
geen gebruik maken van zijn rijkdom. Hij doet er absoluut geen goed
mede. En ook zichzelf maakt hij het er niet genoegelijk mee. Ha, ha,
ha, hij smaakt nooit de voldoening te denken dat hij er ons nog eens
goed mee zal doen."
"Ik kan hem niet uitstaan," merkte Scrooge's nicht op.
De zusters van Scrooge's nicht en al de andere dames waren van
dezelfde meening.
"Och, ik wel!" zeide Scrooge's neef. "Ik heb medelijden met hem;
ik zou niet boos op hem kunnen zijn, al probeerde ik het. Wie lijdt
onder zijn kuren? Niemand anders dan hij-zelf. Bijvoorbeeld, hij heeft
zijn zinnen er op gezet, niet van ons te houden, en hij wil niet bij
ons komen eten. Wat maakt dat uit? Het diner dat hij er bij inschiet,
is toch niet veel zaaks."
"Nou, ik geloof dat hij er een heel goèd dinertje bij inschiet," viel
Scrooge's nicht hem in de rede. En al de anderen zeiden hetzelfde en
zij waren bevoegde beoordeelaars, daar zij juist het diner geëindigd
hadden, en nu, met het dessert op tafel, bij het schijnsel der lamp
om den haard zaten.
"Nou, 't doet me pleizier dat te hooren," zeide Scrooge's neef, "omdat
ik niet veel vertrouwen stel in de kookkunst van jonge vrouwtjes. Wat
zeg jij er van, Topper?"
Topper had klaarblijkelijk een goed oogje op een van de zusters van
Scrooge's nicht, want hij antwoordde dat een vrijgezel dan toch maar
een ellendige verworpeling was, die geen recht had zijn meening over
een dergelijk onderwerp te uiten. Waarop de zuster van Scrooge's nicht,
de mollige met de kanten halskraag, niet die met de rozen, bloosde.
"Ga nu door Fred," zeide Scrooge's nicht in hare handen klappend,
"Hij eindigt nooit heelemaal wat hij begonnen is te zeggen! Zoo'n
rare jongen!"
Scrooge's neef schoot opnieuw in een uitbundigen lach, en het was
onmogelijk hem te weerstaan, hoewel de mollige zuster er haar best toe
deed met geurigen vlieg-op; zijn voorbeeld vond algemeene navolging.
"Ik wou maar zeggen," zei Scrooge's neef, "dat het gevolg van zijn
hekel aan ons, en zijn geen-feestvieren met ons, is dat hij een paar
prettige uurtjes mist die hem geen kwaad zouden doen. Ik ben er zeker
van dat hij aangenamer metgezellen verliest dan hij in zijn eigen
gedachten of in zijn oude, vermolmde kantoor, of in zijn stoffige oude
vertrekken vinden kan. Ik zal hem ieder jaar dezelfde gelegenheid
geven, of hij wil of niet, want ik heb medelijden met hem. Hij mag
tot aan zijn dood op het Kerstfeest schelden, maar hij zal er toch
wel iets voor moèten gaan voelen, als hij mij goedgehumeurd ieder
jaar ziet terugkomen en tegen hem hoort zeggen: "Oom Scrooge, hoe
gaat het?" Al bracht 't hem alleen maar in de stemming van zijn armen
klerk vijftig pond na te laten, dan zou 't toch wàt gegeven hebben,
en ik geloof beslist dat ik hem gisteren getroffen hèb."
Het was nu hunne beurt om te lachen, om zijn waan Scrooge getroffen te
hebben. Doch daar hij erg goedig was en het hem niet veel kon schelen
waarom ze lachten, àls ze maar lachten, om wat dan ook, moedigde
hij hen in hunne vroolijkheid aan en gaf met een licht gemoed de
flesch door.
Na de thee werd er wat muziek gemaakt. Want het was een muzikale
familie en ze wisten wel wat ze deden, toen ze een lied met een
canon [5] zongen, dat verzeker ik u: in het bijzonder Topper,
die met z'n bas kon brommen als de beste, en wiens aderen nooit
opzwollen op zijn voorhoofd en die nooit rood in het gezicht er van
werd. Scrooge's nicht speelde goed harp, en speelde onder meer een
simpel kort aria-tje (het had niets te beteekenen, ge zoudt het in
twee minuten kunnen fluiten als ge het probeerdet) hetwelk het kind,
dat Scrooge van de kostschool haalde, ook gekend had, het kind dat de
Geest van verleden Kersttijden hem had laten zien. Toen dat wijsje
gespeeld werd kwamen al de dingen welke die Geest hem getoond had,
hem weder in het geheugen; hij werd hoe langer zoo meer verteederd,
en dacht dat als hij er maar vaak naar had kunnen luisteren, jaren
geleden, hij met eigen handen de goede dingen des levens had kunnen
aankweeken, zonder zijn toevlucht te hebben behoeven te nemen tot de
spade van den doodgraver, zoodat Marley rustig in zijn graf had kunnen
blijven liggen en zijnen compagnon niet had behoeven te bezoeken.
Doch zij maakten niet den geheelen avond muziek. Na eenigen tijd
speelden ze pandverbeuren; want het is goed soms weder kinderen
te zijn, en nooit beter dan op Kerstmis, toen de groote Stichter
er van zelf een kind was. Laat mij eens even bedenken. Eerst
speelden ze een spelletje blindemannetje. Natuurlijk, dat hoorde
er zoo bij. En ik geloof evenmin dat Topper werkelijk blind was,
dan ik geloof dat hij oogen in zijn schoenen had. Mijn opinie is,
dat het een doorgestoken kaart was tusschen hem en Scrooge's neef,
en dat de Geest van het Tegenwoordige Kerstfeest dit wist. De manier
waarop hij als blindeman de mollige zuster met de kanten kraag nazat,
zou zelfs den lichtgeloovigsten mensch hebben doen twijfelen aan zijn
blindheid. Het haardstel omver loopend, over stoelen struikelend, tegen
de piano oploopend, zichzelf bijna doend stikken tusschen de gordijnen,
ging hij steeds waar zìj ging. Hij wist altijd waar de mollige zuster
was. Niemand anders wilde hij pakken. Al waart ge opzettelijk tegen hem
aangevallen, zooals enkelen werkelijk deden, dan zou hij gedaan hebben
alsof hij trachtte u te grijpen--wat een beleediging zou zijn geweest
van uw inzicht--en zou dan onmiddellijk daarop zijwaarts afgeslagen
zijn in de richting van de mollige zuster. Zij gilde dikwijls dat het
niet eerlijk ging, en dat ging het ook werkelijk niet. Doch toen hij
haar ten laatste vatte, en toen, niettegenstaande al het geritsel van
de zijde die zij droeg en haar snelle wendingen om hem heen, hij haar
in een hoek kreeg vanwaar geen ontsnappen meer mogelijk was, toen was
zijn gedrag allerlaagst. Want zijn voorwenden haar niet te kennen; zijn
voorwenden dat het noodig was haar aan te raken, en zich verder van
hare identiteit te vergewissen door een zekeren ring aan haar vinger
te steken, en een zekeren ketting om haar hals te hangen, was laag
en monsterachtig! Zonder twijfel zeide zij hem wat zij er van dacht,
toen een andere blindeman in functie was, en zij zoo vertrouwelijk
achter de overgordijnen zaten. Scrooge's nicht deed niet mee aan 't
blindemannetje spelen, doch zij werd in een gemakkelijken stoel gezet,
met een voetebankje onder de voeten, in een gezellig hoekje waar de
Geest en Scrooge vlak achter haar stonden. Doch ze deed wèl mee aan
het pandverbeuren en liefde haren lief dat het te bewonderen was,
met al de letters van het alphabet. [6] En zeer bedreven, en versloeg
hare zusters totaal, tot innig genoegen van Scrooge's neef; en toch
waren het slimme meisjes, zooals Topper had kunnen getuigen. Ook in het
spel Hoe, Waar en Wanneer toonde zij zich. Er waren daar misschien een
twintig jonge en oude lieden bijeen, doch allen speelden, en Scrooge
deed mede; want, door de belangstelling die hij voelde voor wat er
gebeurde, geheel vergetend dat zijn stem onhoorbaar was voor hunne
ooren, zeide hij soms zeer luid wat hìj geraden had en ried het zeer
dikwijls goed ook, want de scherpste Whitechapel-naald, gegarandeerd de
draad in het oog niet te doen slijten, was niet scherper dan Scrooge.
Het deed den Geest veel genoegen hem in deze stemming te zien,
en hij keek Scrooge met zooveel welwillendheid aan, dat deze bij
den Geest als een jongen aanhield om te mogen blijven tot de gasten
heengingen. Doch dit, zeide de Geest, was onmogelijk.
"Zie, nu gaan ze weer een nieuw spelletje spelen," zeide Scrooge. "Nog
één klein half uurtje, Geest, nog maar één!"
Het was een spelletje van Ja en Neen, waarbij Scrooge's neef aan
iets denken moest, en de overigen moesten zien te vinden waaraan hij
dacht, terwijl hij hunne vragen slechts met ja en neen beantwoordde,
naar het geval vereischte.
Het levendige vuur van vragen waaraan hij blootstond bracht aan
het licht dat hij aan een dier dacht, een levend dier, nogal een
onaangenaam dier, een woest dier, een beest dat soms gromde en
knorde en soms ook wel praatte en in Londen verblijf hield en door
de straten liep, en dat men niet liet kijken, en door niemand aan
een touw rondgeleid werd, en niet in een menagerie thuishoorde, en
nooit op een markt geslacht werd; en het was geen paard, of een ezel,
of een koe, of een stier, of een tijger, of een hond, of een varken,
of een kat, of een beer. Bij iedere nieuwe vraag die hem gesteld werd,
barstte de neef opnieuw in uitbundig gelach uit, en zijne lachspieren
werden zoo gekitteld, dat hij van de canapé moest opstaan en op den
grond stampen. Eindelijk riep de mollige zuster, die in een dergelijken
staat als hij geraakt was, uit:
"Ik heb 't! Ik weet wat 't is, Fred! Ik weet wat 't is!"
"Nou wat is 't dan?" riep Fred.
"'t Is je oom Scro-o-o-o-ge!"
En dat was het zeer zeker. Bewondering was het algemeene gevoelen,
hoewel sommigen opperden dat het antwoord op "is het een beer?" "ja"
behoorde geweest te zijn, omdat een ontkennend antwoord voldoende
was om hunne gedachten van Scrooge af te leiden, zoo zij ooit eenige
neiging dien kant uit gehad hadden.
"Hij heeft ons anders pret genoeg verschaft," zei Fred, "en het zou
ondankbaar zijn niet op zijn gezondheid te willen drinken. Ik drink
hier op hem met een glas bisschop dat juist voor ons staat. Daar gaat
hij: Oom Scrooge!"
"Nu goed dan, oom Scrooge!" riepen allen.
"Een vroolijke Kerstmis en een gelukkig Nieuwjaar zij den ouden man
toegewenscht, wat hij ook zijn moge!" zeide Scrooge's neef. "Hij wilde
mijn wensch niet aannemen, maar 't is hem tòch gegund. Oom Scrooge;
daar ga je!"
Oom Scrooge was, zonder dat hij het zelf wist, zoo vroolijk geworden,
dat hij het gezelschap wel bescheid had willen doen en het gedankt
hebben in een onhoorbare toespraak, als de Geest hem hiertoe den tijd
gegund had. Doch het geheele tafereel verdween met het laatste woord
dat gesproken werd door zijn neef, en hij en de Geest waren reeds
weder op reis.
Veel zagen zij en ver gingen zij en vele woningen bezochten zij,
doch altijd met een gelukkig einde. De Geest stond naast ziekbedden,
en de zieken waren niet meer droevig; hij stond in vreemde landen, en
de menschen waren plotseling dicht bij huis; bij tobbende menschen,
en zij werden geduldig en hoopvoller; bij armoede, en zij werd
rijk. In armenhuis, hospitaal en gevangenis, in elken schuilhoek der
ellende, waar de ijdele mensch in zijn korte beetje macht de deur
niet afgesloten had en den Geest er buiten hield, daar liet hij zijn
zegen na, leerde Scrooge zijn voorschriften.
Het was een lange nacht, als het tenminste slechts een nacht wàs; doch
Scrooge twijfelde hieraan, omdat de Kerstdagen schenen samengesmolten
te zijn in den tijd dien zij samen doorbrachten. Ook was het vreemd,
dat, terwijl Scrooge uiterlijk onveranderd bleef, de Geest ouder werd,
klaarblijkelijk ouder. Scrooge was deze verandering niet ontgaan,
doch hij had er nooit over gesproken, tot zij op zekeren keer van een
kinderpartij op Driekoningen-avond terugkwamen, en hij naar den Geest
keek terwijl zij op een open plaats stonden en hij opmerkte dat het
haar van den Geest grijs was.
"Is het leven van Geesten zóó kort?" vroeg Scrooge.
"Mijn leven op dezen aardbol is zeer kort," antwoordde de
Geest. "Vanavond loopt het af."
"Vanavond!" riep Scrooge.
"Vanavond te middernacht. Hoor maar, mijn tijd nadert."
De klokken speelden kwart voor twaalf op dat oogenblik.
"Vergeef mij als het niet goed is, wat ik nu vraag," zeide Scrooge,
aandachtig naar het kleed van den Geest ziend, "maar ik zie iets
vreemds, iets dat niet aan uzelf hoort, onder den zoom van uw kleed
uitsteken. Is het een voet of een klauw?"
"Het zou een klauw kunnen zijn als ge oordeeldet naar het vleesch
dat er opzit," antwoordde de Geest pijnlijk. "Zie hier."
Uit de plooien haalde hij twee kinderen te voorschijn; ellendige,
vermagerde kinderen, vreeselijk om aan te zien. Zij knielden aan
zijne voeten en klemden zich aan zijn kleed vast.
"O, mensch, ziet hier. Ziet, ziet hier!" riep de Geest uit. Het waren
een jongen en een meisje. Geel, mager, in lompen gehuld, somber-kijkend
en wolfachtig; en toch kruipend in hun onderdanigheid. Waar mooie
jonkheid hunne trekken gevuld had moeten maken en hun zijne frissche
tinten had moeten geven, daar had een verschrompelde hand, als die des
ouderdoms, hen geknepen en misvormd en ze doen verschrompelen. Waar
engelen hadden kunnen tronen, daar loerden nu dreigend duivelen. Geen
verandering, geen ontaarding, geen verdorvenheid der menschelijke
natuur, in al de geheimenissen der wonderbare schepping, heeft monsters
voortgebracht half zoo verschrikkelijk en ontzettend als dit jongetje
en meisje.
Scrooge deinsde verschrikt terug. Daar ze hem op deze wijze getoond
werden, trachtte hij te zeggen dat het flinke, mooie kinderen waren,
doch de woorden wilden hem niet over de tong, en wilden liever stikken
in zichzelven, dan mede-schuldig te zijn aan een zóó groote leugen.
"Geest, zijn dit uwe kinderen?" was alles wat Scrooge kon uitbrengen.
"Zij zijn Menschen-kinderen," zeide de Geest op hen neerziend. "En
zij klemmen zich aan mij vast, een beroep doend van hunne vaders op
mij. Deze knaap is de Onwetendheid. Dit meisje is het Gebrek. Pas
op voor hen, en voor allen van hun geslacht, doch het meeste voor
dezen jongen, want op zijn voorhoofd zie ik geschreven Verdoemenis,
tenzij het schrift uitgewischt worde. Ontken het, dat deze jongen
onherroepelijk gedoemd is om op te groeien tot de galg," riep de
Geest uit, zijne handen naar de stad uitstrekkend. "Beschimp hen die
't u verzekeren. Geef 't toe uit partij-oogmerken, en maak de zaak
zoodoende nog erger. Maar, wacht dan ook het einde af!"
"Hebben zij geen onderkomen of middelen van bestaan?" riep Scrooge uit.
"Zijn er geen gevangenissen?" zei de Geest, zich voor de laatste maal
tot hem wendend met Scrooge's eigen woorden. "Zijn er geen werkhuizen?"
De klok sloeg twaalf.
Scrooge keek om zich heen naar den Geest, doch deze was spoorloos
verdwenen. Toen de laatste slag opgehouden had te trillen, herinnerde
hij zich de voorspelling van den ouden Jacob Marley, en zijne oogen
opslaand, zag hij een zeer ernstig spook, in een kleed gehuld, met den
kap over zijn hoofd geslagen, als een mist langs den grond glijdend,
op zich toe komen.
VIERDE ZANG.
DE LAATSTE DER GEESTEN.
Het Spook naderde langzaam, ernstig en zwijgend. Toen het naderbij
kwam, liet Scrooge zich op de eene knie vallen. Want zelfs in de
lucht waardoor het schreed scheen het duisternis en geheimzinnigheid
te verspreiden. Het was gehuld in een zwart gewaad, dat zijn hoofd en
gezicht en gedaante verborg en niets liet zien dan één uitgestrekte
hand. Zoo het deze hand niet uitgestoken had zou het moeilijk gevallen
zijn het te onderscheiden van het nachtelijk duister, waardoor het
omgeven was. Hij voelde dat het lenig en statig was toen het naast
hem kwam staan, en dat zijne mysterieuze persoonlijkheid hem vervulde
met een alles in hem overstemmende vrees. Méér wist hij niet, want
het Spook sprak niet tegen hem en bewoog zich niet.
"Ben ik in tegenwoordigheid van den Toekomenden Kersttijd?" zeide
Scrooge.
De Geest antwoordde niet, doch wees met de hand voor zich uit.
"Mij is gezegd dat gij mij zult laten zien schimmen van dingen die
nog niet gebeurd zijn, doch die zullen plaats grijpen in den tijd
die voor ons ligt. Is dit zoo, Geest?"
De plooien van het bovenste gedeelte van het kleed werden een oogenblik
samengetrokken, alsof de Geest met het hoofd neeg. Doch dit was het
eenige antwoord dat hij ontving.
Hoewel hij nu al wel reeds gewend was aan spookachtig gezelschap,
was Scrooge zoo bevreesd voor de zwijgende gedaante, dat zijne beenen
onder hem beefden, en hij zich nauwelijks kon staande houden toen
hij zich gereed wilde maken te volgen. De Geest bleef een oogenblik
staan, alsof hij zijn toestand gade sloeg, en hem tijd wilde geven
zich te herstellen.
Doch dit bracht Scrooge nog meer van zijn stuk. Het weten dat achter
dat donkere kleed spokenoogen hem scherp gadesloegen, terwijl hij,
hoewel hij zijn oogen zoo wijd mogelijk opensperde, niets kon zien
dan een spookhand en één groote zwarte massa, deed hem beven van vage
onbestemde angst.
"Geest der Toekomst!" riep hij uit. "Ik vrees u meer dan eenig ander
Spook dat ik gezien heb. Doch daar ik weet dat het uw doel is mij
goed te doen en ik hoop in de toekomst een ander man te worden dan
ik was, ben ik bereid u te volgen en met een dankbaar hart. Wilt ge
niet tegen mij spreken?"
Het gaf hem geen antwoord. De hand wees recht voor hen uit.
"Ga mij voor!" zeide Scrooge. "Ga voor! De nacht gaat snel voorbij
en zijn tijd is kostbaar voor mij, dat weet ik. Ga mij voor, Geest!"
Het Spook gleed heen, op dezelfde wijze als het naar hem toe was
gekomen. Scrooge volgde in de schaduw van zijn kleed, dat, zoo meende
hij, hem staande hield en hem voortdroeg.
Het was alsof zij niet zoozeer de stad binnenkwamen dan wel dat de stad
hen plotseling omgaf. Doch daar stonden zij plotseling in het hartje er
van. Op de Beurs, tusschen de kooplieden, die snel op en neer liepen,
en met het geld in hunne zakken rammelden, en in groepjes stonden
te praten, en op hunne horloges keken, en in gedachten speelden met
hunne groote gouden zegels, en al die dingen deden die Scrooge zoo
dikwerf gezien had.
De Geest hield stil bij een klein troepje mannen van zaken. Bemerkend
dat de hand naar hen wees, trad Scrooge naderbij om te luisteren naar
wat zij zeiden.
"Neen," zei een groote dikke man met een monsterachtige onderkin. "Ik
kan je d'er niet veel van vertellen, hoe dan ook. 't Eenige wat ik
wéét, is, dat hij dood is.
"En wanneer heeft hij 't afgelegd?" vroeg een ander.
"Gisterenavond, geloof ik."
"En wat heeft 'em gemankeerd?" vroeg een derde, een kolossale
hoeveelheid snuif nemend uit een erg groote snuifdoos. "Ik moet je
zeggen, ik dacht dat hij niet dood kòn gaan."
"God weet 't," zeide de eerste geeuwend.
"En wat heeft ie met zijn geld gedaan?" vroeg een heer met een erg
rood gezicht, die een lillend uitwas aan het uiteinde van zijn neus
had, dat trilde als de lellen van een kalkoensche haan.
"Dat heb ik niet gehoord," zei de man met de groote onderkin, weder
geeuwend. "Wellicht aan zijn Gilde vermaakt. 't Eenige wat ik weet,
is, dat hij 't niet aan mij heeft nagelaten."
Deze grap werd met algemeen gelach ontvangen.
"'t Zal waarschijnlijk een goedkoope begrafenis zijn," zei dezelfde
spreker; "want ik zou waarachtig niet weten wie er mee moest gaan. Wat
zouden jelui er van zeggen als wij eens een clubje vormden en aanboden
om mee te gaan?"
"O, als er een goede lunch is heb ik er niets op tegen," merkte de heer
met den uitwas aan zijn neus op. "Maar ik moet goed te eten hebben,
als ik meedoe."
Weder gelach.
"Nou, ik ben bij slot van rekening de minst geïnteresseerde van jelui,"
zeide de eerste spreker, "want ik draag nooit zwarte handschoenen
[7] en ik drink nooit koffie. Maar ik wil wel meegaan als er nog
meer voor te vinden zijn. Als ik 't wel beschouw, ben ik heelemaal
zoo zeker niet dat ik niet zijn intiemste vriend was; want als wij
elkaar tegenkwamen, plachten we altijd even stil te staan en een
praatje te maken. Saluut heeren!"
Sprekers en luisteraars slenterden weg en vermengden zich met andere
groepen. Scrooge hoorde deze menschen en keek op naar den Geest om
een uitlegging.
Het Spook gleed weder voort, de straat op. Zijn vinger wees naar twee
personen die elkaar tegenkwamen. Scrooge luisterde weder, vermoedend
dat de uitleg hier zou liggen.
Hij kende ook déze mannen zeer goed. Het waren mannen van zaken; heel
rijk en zeer invloedrijk. Hij had het er altijd op aangelegd goed bij
hen aangeschreven te staan: dat wil zeggen, uit een oogpunt van zaken.
"Hoe gaat 't je?" zeide de een.
"Hoe gaat 't jou?" antwoordde de ander.
"Dus," zeide de eerste, "de oude Schraap heeft dan toch eindelijk
gekregen wat hem toekomt, he?"
"Nou, weer voor Kerstmis, he? Rij je schaats?"
"Nee, nee, hoor, ik heb wel andere dingen om aan te denken. Adieu!"
Geen woord verder. Dat was hun geheele ontmoeting en hun geheele
gesprek.
Scrooge's eerste aandrift was verbaasd te zijn over het feit dat een
Geest gewicht scheen te hechten aan dergelijke schijnbaar triviale
gesprekken; doch voelend dat zij een verborgen doel moesten hebben,
begon hij te bepeinzen wat dit doel kon zijn. Zij konden toch niet
slaan op den dood van Jacob, zijn ouden compagnon, want dat behoorde
tot het Verleden, en het gebied van dezen Geest was de Toekomst. Ook
wist hij niemand te bedenken die onmiddellijk met hem in relatie stond,
en op wien hij ze te pas kon brengen. Doch volstrekt niet betwijfelend
dat, op wien zij ook doelden, zij een verborgen beteekenis hadden,
nam hij zich voor ieder woord dat hij hoorde en al wat hij zag,
zorgvuldig te vergâren; en in 't bijzonder zijn eigen schim, zoo
hij deze te zien kreeg, nauwkeurig gade te slaan. Want hij hoopte
dat het optreden van zijn toekomstig Eigen-Ik hem den leiddraad zou
geven, dien hij miste, en de oplossing dezer raadselen gemakkelijk
zou maken. Hij keek zelfs op die plaats rond naar zijn eigen schim,
doch een ander man stond nu op de plaats waar hij vroeger placht te
staan, en hoewel de klok den tijd aanwees waarop hij gewoonlijk daar
verscheen, zag hij niemand die op hem leek onder de menschenmenigte
die door de groote deuren binnenstroomde. Doch hij verwonderde zich
hier niet bijzonder over; want hij had in zijnen geest een geheel
andere levenswijze overdacht, en nu dacht en hoopte hij, dat hiermede
de uitvoering zijner pasgeboren voornemens een aanvang genomen had.
Rustig en somber stond het Spook naast hem, met uitgestrekte hand. Toen
hij zich wakker schudde met zijn zelfonderzoek, meende hij op te
maken uit de richting der hand, dat de onzichtbare oogen hem scherp
aankeken. Dit deed hem huiveren, en hij voelde zich zeer koud.