gesloten, met misschien maar een of twee luiken ervoor weggenomen;
doch door deze openingen had men verrukkelijke kijkjes! Niet alleen
dat de weegschalen als ze op den toonbank neerkwamen een vroolijk
geluid deden hooren, of dat het bindgaren en de klos zoo plotseling
van elkaar scheidden, of dat de bussen, als ze vlug van de planken
genomen en er weer opgezet werden een ratelend geluid deden hooren,
als in goocheltoeren, of dat de zich mengende geuren van koffie en
thee den reuk streelden of zelfs dat de rozijnen zoo overvloedig
en zeldzaam mooi waren, de amandelen zoo buitengewoon blank, de
kaneelbrokken zoo lang en recht, de andere specerijen zoo heerlijk,
de geconfijte vruchten bedekt en beplekt waren met gesmolten suiker,
zoodat ze de onverschilligste toeschouwers zich flauw in den maag
deden voelen. Het was ook niet dat de vijgen vochtig en week waren,
of dat de pruimedanten zedig bloosden in hunnen zacht-zuren smaak,
vanuit hunne versierde doozen, of dat alles goed was om te eten en in
Kersttooi, doch de klanten hadden allen zulk een haast en waren zoo
ongeduldig door de hoopvolle belofte van dien dag, dat ze bij de deur
tegen elkaar aanliepen, en hunne teenen boodschappenmandjes wild tegen
elkaar aanbonsden, en hunne inkoopen op den toonbank lieten liggen,
en weer terug kwamen hollen om ze te halen, en honderden dergelijke
vergissingen begingen in de beste stemming; terwijl de kruidenier
en zijn helpers er zoo frank en frisch uitzagen, dat de glimmende
harten waarmede zij hunne voorschoten vanachteren vastmaakten hunne
eigene hadden kunnen zijn, binnenstbuiten gedragen, opdat iedereen
ze zou kunnen zien en opdat de Kerst-kraaien er aan konden pikken
als ze wilden.
Doch weldra riepen de torenklokken de goede lieden altemaal naar
kerk en godshuis, en daar kwamen ze aan, in drommen door de straten,
in hunne beste kleêren en met hunne vroolijkste gezichten.
En terzelfdertijd kwam uit tientallen van zijstraatjes, gangetjes
en stegen zonder naam een talrijke menigte, die hun middagmaal naar
bakkerswinkels bracht. Het zien van deze arme feestvierenden scheen
den Geest veel belang in te boezemen, want hij bleef met Scrooge naast
zich in den ingang van een bakkerswinkel staan en de deksels van de
schalen afnemend als de dragers voorbijgingen, sprenkelde hij wierook
op hunne maaltjes van zijnen toorts. En daar het een buitengewoon
soort toorts was, sprenkelde hij er, als er een paar maal harde woorden
vielen tusschen eenige dragenden, die tegen elkaar waren aangeloopen,
een paar druppels water op, en hun goed humeur was onmiddellijk weder
hersteld. Want, zeiden zij, het was schande op Kerstdag met elkaar
te twisten. En dat was het ook! Goddank dat het dat ook was!
Na eenigen tijd hielden de klokken op, en werden de bakkerswinkels
gesloten; en toch was het eene aangename aankondiging, van al deze
diners en het klaarmaken ervan in de ontdooide plek boven elken
bakkersoven, waar het plaveisel dampte en de steenen eveneens schenen
te koken.
"Is er een bijzondere smaak in wat ge van uw' toorts sprenkelt?" vroeg
Scrooge.
"Zeker, mijn eigene."
"Is het van denzelfden invloed op àlle middagmalen vandaag?"
"Op alle die uit een goed hart gegeven worden. Het meest op dat van
een' arme."
"Waarom op dat van een arme het meest?" vroeg Scrooge.
"Omdat die het 't meest noodig heeft."
"Geest," zei Scrooge na eenig nadenken, "wat me verwondert is, dat
juist gij, van al de wezens in de vele werelden die ons omringen,
de gelegenheid tot onschuldige vreugde van deze lieden wilt beperken."
"Ik!" riep de Geest uit.
"Gij wilt ze toch de middelen ontzeggen om iederen zevenden dag
middageten te eten, dikwijls de eenige dag waarop ze wezenlijk gezegd
kunnen worden te eten," zeide Scrooge. "Is dit niet zoo?"
"Ik!" riep de Geest uit.
"Gij tracht toch deze plaatsen te sluiten op den zevenden dag?" zeide
Scrooge. "En dat komt op 't zelfde neer."
"Ik zou trachten...!" riep de Geest uit.
"Vergeef me als ik 't mis heb. Het is toch in uw' naam geschied of
tenminste in dien van uw geslacht," zeide Scrooge.
"Er leven op deze onze aarde," antwoordde de Geest, "enkelen die
beweren ons te kennen, en die hunne daden van hartstocht, trots,
haat en nijd, afgunst, godsdienstige bekrompenheid bedrijven in onzen
naam; voor wien wij en al onzen magen en verwanten zoo vreemd zijn,
alsof wij nooit bestonden. Onthoud dit en leg hùn die daden ten laste,
en niet ons, geesten van het Kerstfeest."
Scrooge beloofde dat hij dit doen zou, en zij gingen door, onzichtbaar,
zooals zij dit te voren ook waren, de voorsteden der stad in. Het was
een merkwaardige eigenschap van den Geest (welke Scrooge ook reeds
in den bakkers winkel had opgemerkt) dat hij, niettegenstaande zijn
reusachtige grootte, zich met gemak aan iedere plaats kon aanpassen,
en dat hij onder een laag dak even gratievol en als een bovennatuurlijk
wezen stond, als hij met mogelijkheid had kunnen doen in de eerste
de beste hooge ruime hal.
En misschien was het het vermaak dat de Geest er in schepte om deze
eigenschap te toonen, of anders was het zijn eigen goede, edelmoedige,
hartelijke natuur, en zijn sympathie met alle armen, die hem recht naar
het huis van Scrooge's klerk leidde; want daar ging hij heen, en nam
Scrooge mede, die zich aan zijn kleed vasthield; en op den drempel der
deur glimlachte de Geest en hield even stil om Bob Cratchits woning te
zegenen met de sprenkeling van zijn toorts. Denk hièr toch es aan! Bob
had maar vijftien "bob" (shilling) per week; hij stak Zaterdagsavonds
slechts vijftien exemplaren van zijn doopnaam in z'n zak; en tòch
zegende de Geest zijn huis dat uit slechts vier vertrekjes bestond!
Toen stond juffrouw Cratchit op, Cratchit's vrouw, die slechts armelijk
gekleed was in een tweemaal-gekeerde japon, doch prachtig met linten
versierd, want deze zijn goedkoop en lijken heel wat voor dertig cent;
en zij dekte de tafel, geholpen door Belinda Cratchit, de tweede
harer dochters, eveneens prachtig met linten versierd; terwijl de
jongeheer Pieter Cratchit een vork in de sauskom met aardappels stak,
en niettegenstaande hij de punten van zijn enormen vadermoorder (Bobs
privaat eigendom, dat hij ter gelegenheid van dezen dag aan zijn'
zoon en erfgenaam had afgestaan) in zijn mond kreeg, verheugde hij
zich toch uitermate zoo chic gekleed te zijn en verlangde ernaar om
met zijn mooi overhemd te pronken in de parken waar de groote wereld
komt. En nu kwamen de twee kleinere Cratchits, 'n jongen en een meisje,
binnenstormen, schreeuwend dat zij buiten den bakkerswinkel den gans
al geroken hadden en hem aan den reuk herkenden als de hunne; en
zich overgevend aan weelderige gedachten aan salie en uien, dansten
deze jonge Cratchits om de tafel heen, en prezen jongeheer Cratchit
hemelhoog terwijl hij het vuur aanblies, totdat de langzaam-pruttelende
aardappelen opborrelden en luid tegen het deksel der sauskom tikten
om er uit gelaten en van hun schil ontdaan te worden.
"Waar drommel kan vaderlief toch zoolang blijven," zeide juffrouw
Cratchit. "En je broertje, kleine Tim; en je zuster Martha was op
geen half uur na zoo laat verleden jaar Kerstmis."
"Daar is Martha al, moeder!" riepen de twee jonge Cratchits. "O,
d'r is zoo'n groote gans, Martha!"
"Wel hemelsche goedheid, kind, wat ben je laat!" zeide juffrouw
Cratchit, haar tal van keeren kussend en haar shawl en hoed voor haar
aannemend met behulpzamen ijver.
"Gisterenavond moesten we nog een heele massa werk afmaken," antwoordde
het meisje, "en we moesten van morgen opruimen, moe!"
"Nou, 't is niks, nu je er maar bent!" zeide juffrouw Cratchit. "Ga
voor 't vuur zitten, lieve, en warm je es."
"Nee, nee! Daar komt vader," riepen de twee jonge Cratchits, die
overal tegelijk waren. "Verstop je, Martha, verstop je!"
En zoo verstopte Martha zich, en binnen kwam kleine Bob, de vader
met minstens drie voet bouffante behalve nog de franje, voor zich uit
bengelend en zijn kale kleêren gestopt en geborsteld, om er feestelijk
uit te zien, met kleine Tim op zijn schouder. Die arme kleine Tim,
hij droeg een krukje en zijne ledematen werden rechtgehouden door
een ijzeren beugel!
"Wel, waar is Martha?" riep Bob Cratchit, overal rondkijkend.
"Die komt niet," zeide juffrouw Cratchit.
"Kòmt die niet?" zeide Bob met een plotselingen neerslag in zijn
vroolijke stemming; want hij was Tim's raspaard geweest heelemaal
van de kerk af, en was steigerend naar huis gekomen. "Komt ze nièt
op Kèrstdag?"
Martha kon hem niet goed zoo teleurgesteld zien, al was het dan ook
maar uit de grap, daarom kwam ze te vroeg van achter de kastdeur
vandaan en snelde in zijne armen, terwijl de twee jonge Cratchits
kleine Tim stilletjes aanstootten en hem meetroonden naar het waschhok,
om de pudding te hooren zingen in den aker.
"En hoe heeft kleine Tim zich gehouden?" vroeg juffrouw Cratchit,
toen ze Bob geplaagd had met zijne lichtgeloovigheid en Bob zijne
dochter naar hartelust gepakt had.
"Als goud en nog beter," zeide Bob. "Ik weet niet hoe het komt,
maar hij wordt zoo nadenkend, omdat hij zooveel alleen zit, en dan
bedenkt-ie de vreemdste dingen die je maar verzinnen kunt. Onder
het naar huis gaan vertelde ie me dat hij hoopte dat de menschen in
de kerk hem gezien hadden, omdat hij kreupel was, en het misschien
prettig voor hen was, als ze er op Kerstdag aan dachten, wie de lammen
gezond en de blinden ziende maakte."
Bob's stem beefde toen hij hun dit vertelde en beefde nog meer toen
hij zeide dat kleine Tim sterk en gezond begon te worden.
Zijn steeds in beweging zijnde kleine kruk hoorde men aankomen, en
daar was kleine Tim al weer vóor zij er een woord verder over konden
spreken, door zijn broeder geëscorteerd naar zijn kruk bij het vuur
gekomen, terwijl Bob, zijn mouwen opslaand,--alsof ze nog kaler konden
worden, arme duivel--in een kan een heet mengsel maakte van jenever en
citroenen, en het flink rondroerde en het op de plaat zette om zacht te
koken; jongenheer Pieter en de twee alomtegenwoordige Cratchits gingen
den gans halen, waarmede zij weldra in statige processie terugkwamen.
En nu ontstond er zulk een gedrang, dat ge een gans als de zeldzaamste
aller vogels had kunnen beschouwen, een gevederd natuurwonder, waarbij
een zwarte zwaan nog een doodgewoon iets was, en inderdaad was het in
dat huis een zeer zeldzame vogel. Juffrouw Cratchit warmde de saus
(die reeds tevoren was klaar gezet in den sauskom) zoodat ze siste;
jongenheer Pieter stampte de aardappelen met ongeloofelijke energie;
jongejuffrouw Belinda zoette de appelmoes; Martha veegde het stof
van de borden; Bob nam kleine Tim naast zich aan een klein hoekje
van de tafel; de twee jonge Cratchits zetten stoelen voor iedereen
en vergaten vooral zichzelven niet, en op hunne stoelen postvattend,
stopten zij hunne lepels in den mond opdat zij niet om gans zouden
schreeuwen vóor het hunne beurt was. Eindelijk werden de schalen
opgedragen en werd er gebeden. Het gebed werd gevolgd door een
ademlooze stilte, toen juffrouw Cratchit, langzaam langs de geheele
lengte van het voorsnijmes-lemmet kijkend, zich gereed maakte het in
de borst van den gans te stooten; doch toen zij dat deed, en toen de
lang verbeide stroom vulsel er uit te voorschijn kwam, ging er één
gemompel van verrukking op, de geheele tafel langs, en zelfs kleine
Tim, opgewonden door de twee jonge Cratchits, klopte op de tafel met
het heft van zijn mes en riep zwakjes: "hoerah!"
Nooit had je zoo'n gans gezien. Bob zeide dat hij niet geloofde dat
er ooit zoo'n tweede gans gebraden was. Zijn malschheid en smaak,
zijn grootte en goedkoopte waren dingen die de algemeene bewondering
wekten. Aangevuld met appelmoes en gestampte aardappelen was het een
voldoend diner voor de geheele familie, ja, zooals juffrouw Cratchit
glimmend van pleizier zeide (kijkend naar een klein beentje op den
schotel), ze hadden het bij slot van rekening niet eens allemaal
opgekund! En toch was iedereen verzadigd en de jongste Cratchits in
het bijzonder waren tot aan hunne wenkbrauwen besmeerd met salie en
uien! Doch nu werden er schoone borden rondgedeeld door jongejuffrouw
Belinda, juffrouw Cratchit verliet alleen de kamer--te zenuwachtig om
getuigen mede te nemen--om de pudding op te doen en binnen te brengen.
Stel je voor dat hij nu eens niet gaar was! of dat hij brak als
hij uit den vorm gedaan werd! of dat iemand over den muur van het
plaatsje geklommen was en hem gestolen had, terwijl zij bezig waren
zich te goed te doen aan den gans, een veronderstelling waarbij de
twee jonge Cratchits lijkkleurig werden! Allerlei vreeselijke dingen
werden er geopperd.
Hallo! Een massa stoom! De pudding was uit den vorm. Een lucht als
op waschdag! Dat was de doek waarin hij gekookt was. Ik zeg een
lucht alsof er een gaarkeuken en pasteibakker naast elkaar woonden,
met een waschvrouw daar weer naast! Dàt was de pudding. Na een halve
minuut kwam juffrouw Cratchit binnen, met een opgezette kleur doch
trotsch glimlachend, met de pudding als een gespikkelde kanonskogel,
hard en stevig, brandend in de helft van een half vierde pintje cognac
en versierd met Kersthulst die er bovenop gestoken was.
Och, och, wat een prachtige pudding! Bob Cratchit zei en dat
nog wel bedaard, dat hij die pudding beschouwde als het grootste
succes dat juffrouw Cratchit ooit bereikt had sedert den dag van hun
huwelijk. Juffrouw Cratchit zei, dat zij, nu het pak van haar hart
was, wel wilde bekennen dat zij een oogenblik bang was geweest dat er
geen bloem genoeg was. Iedereen had het zijne er over aan te merken,
doch niemand zeide of dacht ook maar dat het een heele kleine pudding
was voor zulk een groot gezin. Het zou platweg ketterij geweest zijn
zoo iets te zeggen. Een Cratchit zou gebloosd hebben zelfs op zoo
iets te zinspelen.
Eindelijk was het diner afgeloopen, de tafel werd afgeruimd, de haard
aangeveegd en het vuur wat opgerakeld. Nadat het mengsel in de kan
geproefd en uitstekend bevonden was, werden er appels en sinaasappelen
op tafel gezet en een kolenschop vol kastanjes in de asch gelegd. Toen
zette de geheele familie zich om den haard, in wat Bob Cratchit een
kring noemde (hij bedoelde een halven kring); en aan Bob Cratchit's
elboog stond de geheele glasrijkdom der familie, die bestond uit:
twee tumblers en een vlade-glaasje zonder oor.
Doch hierin liet zich het heete vocht uit de kan even goed schenken
alsof het gouden bekers geweest waren en Bob deelde het uit met
stralend gezicht, terwijl de kastanjes op het vuur knapperden en
luidruchtig sputterden. Toen stelde Bob een dronk in:
"Een vroolijke Kerstmis allemaal, kinderen; God zegene ons!"
Wat de geheele familie hem na-zei.
"God zegene ons allemaal!" zei kleine Tim het laatst van allen.
Hij zat heel dicht naast zijn' vader op zijn kleine kruk. Bob hield
het bleeke magere handje in de zijne, alsof hij het kind liefhad,
en het aan zijn zijde wenschte te houden, en bang was dat het hem
ontnomen zou worden.
"Geest," zei Scrooge, met eene belangstelling zooals hij nooit te
voren gevoeld had, "zeg of kleine Tim zal blijven leven."
"Ik zie een ledige plaats," hernam de Geest, "in het hoekje van den
haard en een krukje zonder eigenaar, zorgvuldig bewaard. Als er in
deze schaduwen geen verandering gebracht wordt door de Toekomst,
zal het kind sterven."
"O, neen, neen," zei Scrooge. "O neen, goede Geest! zeg dat hij
gespaard zal blijven!"
"Als de Toekomst deze schimmen niet verandert," ging de Geest voort,
"zal geen ander van mijn geslacht hem hier vinden. Maar wat zou
dat? Als hij toch dood moet, dan hoe eer hoe beter, dan vermindert
hij meteen de overbevolking."
Toen Scrooge zijn eigen woorden aldus door den Geest hoorde herhalen,
liet hij het hoofd hangen, overstelpt van smart en berouw.
"Mensch"--vervolgde de Geest--"als je werkelijk in je hart een mensch
en niet een blok steen bent, laat dan die booze praat, tot je ontdekt
zult hebben wat werkelijk overtollig is en wàar. Wil jij beslissen
welke menschen zullen leven en welke sterven? Misschien dat gijzelf in
het oog des Hemels meer waardeloos zijt en minder geschikt om voort te
leven dan millioenen die zijn als dit kind van dezen arme. O God!--te
moeten aanhooren dat het insect op het blad veroordeelt dat er te veel
"leven" is onder zijn hongerige broeders in het stof!"--
Scrooge boog zich voor de terechtwijzing van den Geest en sloeg
bevend zijne blikken neer. Doch hij sloeg ze snel weder op toen hij
zijn naam hoorde noemen.
"Meneer Scrooge!" zeide Bob. "Ik ga een toast uitbrengen op meneer
Scrooge, den stichter van het feest."
"De stichter van het feest! 't mocht wat!" riep juffrouw Cratchit uit,
rood wordend van ergernis. "Ik wou dat ik 'em hier had. Dan zou ik
hem es flink de waarheid zeggen, daar kon hij dan van smullen en ik
hoop dat hij er goeden trek in zou hebben."
"Lieve," zeide Bob, "denk om de kinderen; Kerstdag."
"Het mag dan ook wel Kerstdag zijn, waarop je de gezondheid drinkt van
zoo'n afgrijselijken, vrekkigen, verharden, ongevoeligen man als die
meneer Scrooge. En je weet heel goed dat hij dat is, Robert! Niemand
weet dat beter dan jijzelf, arme jongen!"
"Lieve," was Bob's zachte antwoord, "Kerstdag."
"Ik zal zijn gezondheid drinken om jouwentwil en om den dag," zeide
juffrouw Cratchit, "maar niet om 'mzelf. Nou, lang zal ie leven! Een
vroolijke Kerstmis en een gelukkig Nieuwjaar!--hij zal beslist wel
erg vroolijk en erg gelukkig zijn!"
De kinderen dronken haar den toast na. Het was de eerste dien dag
waarin geen hartelijkheid lag. Kleine Tim dronk den toast het laatst
van allen, doch het kon hem geen zier schelen. Scrooge was de boeman
van de familie. Toen zijn naam genoemd werd daalde een schaduw op
het huisgezin, die wel volle vijf minuten bleef hangen.
Toen de schaduw opgetrokken was, waren zij nog tien maal zoo vroolijk
als te voren, uit pure verlichting dat ze met den boeman Scrooge klaar
waren. Bob Cratchit vertelde dat hij een betrekking op 't oog had voor
jongenheer Pieter, die, als hij hem kreeg, minstens drie gulden vijftig
per week zou inbrengen. De twee jonge Cratchits lachten uitbundig bij
het idée dat Pieter een man van zaken zou worden, en Pieter zelf keek
in gedachten verzonken in het vuur tusschen zijn twee boordpunten door,
alsof hij met zichzelf te rade ging aan welke geldbelegging hij de
voorkeur zou geven als hij dat enorme inkomen zou genieten. Martha,
die een arm leerlingetje was bij een modiste, vertelde hun toen wat
soort van werk zij te doen had en hoeveel uren zij achtereen werkte,
en dat ze van plan was morgen eens flink lang uit te slapen; want daar
het morgen een vrije dag was, zou ze thuisblijven. En ook vertelde ze
dat ze een graaf en een gravin gezien had een paar dagen te voren,
en dat de graaf vrijwel even groot was als Pieter; waarop Pieter
zijn boord zóó hoog optrok, dat gij, zoo ge dáár geweest waart, zijn
hoofd niet meer hadt kunnen zien. En telkens werd er rondgegaan met
de kan en de kastanjes; en kleine Tim zong, van een kind dat op reis
verloren was geraakt in de sneeuw. Kleine Tim had een fijn stemmetje
en zong zijn liedje heel goed.
In dit alles was niets fijns of elegants. Zij waren geen deftige
familie en zij waren niet goed gekleed; hunne schoenen waren alles
behalve waterdicht; hunne kleederen waren kaal en het zou niet
zoo heel vreemd geweest zijn als Pieter tamelijk vertrouwd was met
het inwendige van een pandjeshuis; ik voor mij ben zelfs overtuigd
dat hij zéér goed wìst hoe dit er uitzag. Doch zij waren gelukkig,
dankbaar, mochten elkander gaarne en waren tevreden met het geluk van
het oogenblik; en toen vervaagden ook hunne schimmen, en zagen er nog
gelukkiger uit in de sprenkeling van de toorts van den Geest. Scrooge
keek naar hen en vooral naar kleine Tim tot zij verdwenen.
Het werd nu donker en het sneeuwde tamelijk erg, en terwijl de Geest
en Scrooge door de straten gingen, was het heerlijk om den gloed van
de helder brandende vuren in keukens en salons te zien. Hier wees het
flikkeren van den gloed op toebereidselen tot een gezellig dinertje,
met warme borden die door en door verhit werden voor het vuur, en
zware roode gordijnen, die klaar hingen om dichtgetrokken te worden en
de koude en duisternis buiten te sluiten. Hier liepen al de kinderen
des huizes om 't hardst naar buiten hun getrouwde zusters tegemoet,
en om de eerste te zijn met hunne begroetingen. Daar zag men weder
schaduwen op de gordijnen, van gasten, die zich verzamelden om aan
tafel te gaan en daar trippelde een troepje knappe jonge meisjes allen
met kappen over 't hoofd en met bont afgezette schoenen aan, licht
naar het huis van een gebuur. En wee den ongetrouwde die hen daar--dat
wisten die schalken wel,--met hoogroode kleur zag binnengaan. Als ge
hadt willen oordeelen naar de massa's menschen die allen op weg waren
naar vriendschappelijke partijtjes, zoudt ge hebben kunnen denken dat
er niemand thuis was om ze te verwelkomen als ze daar aankwamen. Goeie
genade, wat was de Geest in zijn element! Hoe ontblootte hij zijn
breede borst en opende zijn groote handpalm, en zweefde verder, met
milde hand zijn onschuldige vroolijkheid stortend over alles wat binnen
zijn bereik kwam! Zelfs de lantaarnopsteker, die vooruit liep, en de
duistere straten met lichtstippen bespikkelde, en die er op gekleed
was om dien avond ergens op visite te gaan, lachte vroolijk toen de
Geest voorbijging. Maar--dat de Kerstgeest hem nabij, ja in hem was,
wist hij; al kon hij ook niet weten, dat hij behalve den Geest ook
Scrooge was voorbij geloopen!
En nu, zonder Scrooge er op voor te bereiden, stonden zij op een
sombere, eenzame heide, waar reusachtige massa's ongehouwen steen
in het rond lagen verspreid alsof het de begraafplaats van een
reuzengeslacht was; en het water liep net waarheen het wilde--of
liever, dit zou het gedaan hebben, zoo de vorst het niet gevangen had
gehouden--en er groeide niets dan mos en brem en grof, ruw gras. In het
westen had de nu ondergegane zon een vurig roode streep achtergelaten,
die een oogenblik deze woestenij hel verlichtte en al lager en lager
zinkend, zich eindelijk verloor in de dikke nachtelijke duisternis.
"Wat is dit voor een plaats?" vroeg Scrooge.
"Een plaats waar mijnwerkers wonen, die in de ingewanden der aarde
werken," antwoordde de Geest. "Doch zij kennen mij. Kijk maar!"
Er scheen een licht uit het venstertje van een hut, en hier gingen zij
snel op toe. Door de leemen en steenen muur gaand, vonden zij er een
vroolijk gezelschap om een vlammend vuur. Een stokoude man en vrouw,
met hunne kinderen en kindskinderen, en een generatie daar weder na,
allen in feestdos.
Met een stem die zich slechts zelden verhief boven het geloei van
den wind over de kale vlakte, zong de oude man een heel oud lied,
van toen hij nog een jongen was, en van tijd tot tijd vielen allen
in koor in. En telkens als zij hunne stemmen verhieven, werd de oude
man vroolijk en zong harder, en als zij ophielden, begaf hem zijne
plotselinge energie weder.
De Geest talmde hier niet, doch beval Scrooge zijn kleed vast
te houden, en waar denkt ge dat ze heen gingen terwijl zij zich
voortspoedden boven de heide? Toch niet naar zéé? Ja zeker, naar
zéé. Tot Scrooge's ontzetting zag hij, toen hij omkeek, het land
verdwijnen en een vreeselijke rij rotsen achter hen; en zijne ooren
werden verdoofd door het donderend geraas van het water, dat brulde en
woedde tusschen de holen die het gevormd had en dat verwoede pogingen
aanwendde om de aarde te ondermijnen.
Een mijl ongeveer van de kust, op een naargeestige klip, waartegen
de wateren het geheele jaar woedden en braken, stond een eenzame
vuurtoren. Groote massa's zeewier hadden zich aan zijn voet
vastgehecht, en stormvogels--door den wind gebaard, kon men denken,
zooals het zeewier door het water--rezen en daalden er rondom, als
de golven die zij onder het vliegen nu en dan even raakten.
Doch zelfs hier pasten twee mannen op het licht en hadden een vuur
aangelegd, dat door het kijkgat in den dikken steenen muur een
heldere straal op de wilde zee deed schijnen. Elkaar de vereelte
hand reikend over de ruwe tafel waaraan zij zaten, wenschten zij
elkaar een vroolijke Kerstmis, bij een kan grog; en een van hen, de
oudste, met zijn met litteekens bedekt gelaat, en verweerd gezicht,
zooals het galjoenbeeld van een oud schip zou kunnen zijn, hief met
krachtige stem een lied aan dat in zichzelf een storm was.
En weder spoedde de Geest zich voort boven de donkere, deinende zee,
voort, voort, totdat, zooals hij Scrooge vertelde, zij ver verwijderd
waren van elke kust, en zij op een schip neerstreken. Zij gingen naast
den roerganger staan, naast de wacht vooruit, naast de officieren die
de wacht hadden; donkere spookachtige gestalten op hunne verschillende
posten, doch niet één onder hen of hij neuriede een Kerstliedje, of
had een Christelijke gedachte, of sprak op gedempten toon met zijn
makker over den een of anderen vervlogen Kersttijd, en over de hoop
huiswaarts te keeren. En allen aan boord, of zij waakten of sliepen,
goeden of slechten, hadden op dien dag een beter woord voor elkaar over
dan op welken anderen dag van het jaar ook en hadden tot op zekere
hoogte genoten van de feestelijkheden die dezen dag vergezellen,
en hadden gedacht aan hunne geliefden thuis.