Toen de klok elf uur sloeg, kwam er een einde aan dit huiselijk

bal. Mijnheer en mevrouw Fezziwig namen hunne plaatsen in aan

weerszijden van de deur, en gaven ieder persoonlijk de hand, als er

een hij of zij voorbijging, en wenschten hen allen een vroolijke

Kerstmis. Toen allen heengegaan waren op de twee leerlingen na,

wenschten zij dezen hetzelfde; en aldus stierven de vroolijke stemmen

weg, en werden de beide jongens overgelaten aan hunne bedden die zich

onder een toonbank achter in den winkel bevonden.

Zoolang dit alles duurde had Scrooge zich aangesteld als een

uitzinnige. Hij was met hart en ziel bij het tooneel en bij zijn

vroeger Ik. Hij beâamde alles, herinnerde zich alles, genoot van alles,

en was ten prooi aan de grootste opwinding. Niet vóór het oogenblik,

dat de blijde gezichten van zijn vroeger Ik en van Dick aan zijn oog

onttrokken werden, herinnerde hij zich de tegenwoordigheid van den

Geest en was hij zich bewust dat deze hem strak aankeek, terwijl het

licht op zijn hoofd zeer helder brandde.

"Een veel te gering iets om zoo dankbaar voor te zijn, die dwaze

luidjes!" zeide de Geest.

"Gering iets!" echoëde Scrooge.

De Geest gaf hem een teeken te luisteren naar wat de twee leerlingen,

die hun hart voor elkaar uitstortten, vol lof van Fezziwig, zeiden,

en toen hij dit gedaan had, zeide de Geest: "Nu, is het niet zooals

ik zeg? Hij heeft maar een paar pond aardsch geld er voor uitgegeven,

drie of vier misschien. Heeft dat zóóveel te beteekenen, dat hij daar

al dien lof voor verdient?"

"Dàt is het niet," zeide Scrooge, vuur vattend bij deze opmerking en

zonder dat hij het zelf wist, sprekend zooals zijn vroeger Ik, niet

zijn later Ik het zou gedaan hebben. "Dat is het niet, Geest. Hij

heeft de macht ons gelukkig of ongelukkig te maken; onzen dienst

licht of ondragelijk te maken: een genoegen of een last. Al zegt gij

dat zijn macht in woorden of blikken ligt, in dingen zoo gering en

onbeduidend dat het onmogelijk was ze op te tellen, wat doet dat er

alles toe? Het geluk dat hij om zich heen spreidt is precies even

groot als wanneer het een vermogen kostte."

Hij voelde den blik van den Geest op zich rusten, en zweeg.

"Wat scheelt er aan?" vroeg de Geest.

"O, niks bijzonders," zeide Scrooge.

"Toch wel ìets, geloof ik?" hield de Geest aan.

"Neen," zeide Scrooge, "neen, ik zou graag, dit oogenblik, een paar

woorden tot mijn klerk willen zeggen! meer niet!" Zijn vroeger Ik

draaide de lampen neer terwijl hij dit zeide en Scrooge en de Geest

stonden weder naast elkaar in de open lucht.

"Mijn tijd spoedt ten einde," merkte de Geest op. "Vlug!"

Dit werd niet tegen Scrooge gezegd, of tegen iemand dien hij zien

kon, doch de uitwerking er van deed zich onmiddellijk bespeuren, want

weder zag Scrooge zichzelf. Hij was nu ouder; een man in de kracht

des levens. Zijn gelaat had nog niet de harde en strenge trekken van

later jaren, doch droeg reeds de teekenen van zorg en geldzucht. Er

was een gretig, begeerig, rusteloos bewegen van het oog, dat liet

zien den hartstocht die wortel geschoten had, en waar de schaduw van

den groeienden boom zou vallen.

Hij was niet alleen, doch zat naast een mooi jong meisje in rouwgewaad,

in wier oog tranen stonden, die glinsterden in het licht dat blonk

uit den Geest van Verleden Kersttijden.

"Het komt er niet erg op aan," zeide ze zacht. "Voor jou al heel

weinig. Een andere afgod heeft mij verdrongen, en zoo het je kan

opvroolijken en troosten in komende tijden, zooals ik zou getracht

hebben, dan heb ik geen reden om te treuren."

"Welke afgod heeft je verdrongen?" vroeg hij.

"Een gouden afgod, de mammon."

"En dit is nu de rechtvaardige behandeling van de wereld," zeide

hij. "Er is niets waartegen ze zoo hard is als tegen armoede en er is

niets dat ze voorwendt met méér strengheid te laken dan het najagen

van rijkdommen."

"Je bent te bang voor de wereld," antwoordde zij zacht. "Al je hoop

is opgegaan in de hoop haar verachtelijk verwijt te ontkomen. Ik heb

je edeler aspiraties alle zien wegvallen, een voor een, totdat de

overheerschende hartstocht "winstbejag," je geheel in beslag genomen

heeft. Is het niet zoo?"

"Nu, wat zou dat?" antwoordde hij. "Wat zou het dan nog, al bèn ik

veel wijzer geworden. Tegenover jou ben ik toch niet veranderd?"

Zij schudde het hoofd.

"Ben ik wèl?"

"Onze overeenkomst is al 'n oude. Zij werd gesloten toen wij beiden

arm waren en tevreden om arm te zijn, totdat we, mettertijd, onze

wereldsche bezittingen door geduld en vlijt konden vermeerderen. Je

bent werkelijk veranderd. Toen wij onze overeenkomst sloten was je

een heel ander man."

"Toen was ik 'n jongen," zeide hij ongeduldig.

"Je eigen gevoel zegt je dat je toen niet was, wat je nu bent,"

antwoordde zij. "Ik ben dezelfde gebleven. Dat wat geluk beloofde

toen wij één van hart en zin waren, is nu bezwaard door ellende,

nu wij niet meer één zijn. Hoe vaak en met hoeveel pijn ik daar aan

gedacht heb, kan ik niet zeggen. Genoeg dàt ik er aan gedacht heb en

dat ik je nu je woord kan teruggeven."

"Heb ik ooit mijn woord teruggevraagd?"

"Met woorden? neen, nooit."

"Waarmede dan?"

"Door een veranderden aard, door een veranderden geest, door een

anderen levensatmosfeer, een andere Hoop als het groote einddoel

van dit leven. Verandering in al wat mijn liefde waarde gaf in

jouw oog. Zeg eens eerlijk," zeide het meisje, hem vriendelijk,

doch vast aanziend, "of je, als dit nooit tusschen ons gekomen was,

mij nù nog zoudt kiezen en mij voor je trachten te winnen? Ik weet

zeker van niet"--

Hij scheen de juistheid van hare woorden in te zien, tegen wil en

dank. Doch hij zeide, zich er tegen-in zettend: "Jìj denkt van niet."

"Ik zou er graag anders over denken als ik kón," antwoordde zij. "God

weet 't! Nu ik een Waarheid als deze heb leeren zien, weet ik hoe

sterk en onweerstaanbaar ze zijn moet. Maar als je vandaag, morgen of

gisteren vrij waart, zou ik dan nog kunnen gelooven dat je een meisje

zonder bruidschat zoudt kiezen, jij die zelfs in je vertrouwelijkste

gesprekken met haar, alles berekent naar de meerdere of mindere

winst die het zal aanbrengen; of àls je haar al hadt gekozen, zoo

je voor een oogenblik ontrouw genoeg kon worden aan het principe dat

je regeert, denk je dan dat ik niet weet, dat je er heel gauw berouw

van zoudt krijgen? Ik geef je je woord terug met een bloedend hart,

terwille van hem die je eens was."

Hij wilde wat zeggen, doch met afgewend hoofd ging zij voort:

"Misschien dat dit je pijn zal doen,--en de gedachtenis aan wat voorbij

is doet mij bijna hopen dat het dit zal. Maar slechts voor heel korten

tijd zal dit zoo zijn, en dan zul je maar al te blij zijn alles wat

je er nog aan deed denken te vergeten, als een geen-winst-brengende

droom, waaruit je gelukkig ontwaakt bent. Ik hoop dat je gelukkig

moogt worden in het leven, dat je je gekozen hebt."

Zij ging heen, en aldus scheidden zij.

"Geest," zeide Scrooge. "Laat me niet méér zien! Breng mij naar

huis. Waarom schept ge er behagen in mij te pijnigen?"

"Nog één schim!" riep de Geest uit.

"Neen, neen, niet meer!" riep Scrooge. "Niet meer. Ik wil het niet

zien. Laat dit genoeg zijn!"

Doch de meedoogenlooze Geest omvatte hem met beide armen, en dwong hem

te zien wat er nu plaats greep. Zij waren nu te midden eener andere

omgeving en op eene andere plaats: een vertrek, niet zeer groot of

mooi, doch vol gezelligheid. Dicht bij het wintervuur zat een mooi

jong meisje, zóózeer gelijkend op dat hetwelk Scrooge zoo juist had

gezien, dat hij geloofde, dat het hetzelfde was, totdat hij háár zag,

nu een knappe bejaarde matrone, die tegenover haar dochter zat.

Het gedruisch in de kamer was oorverdoovend, want er waren daar meer

kinderen dan Scrooge in zijn opgewonden geestestoestand tellen kon;

en in tegenstelling met de beroemde kudde van veertig koeien uit

het gedicht, die zoo kalm en eenstemmig graasden alsof het maar ééne

koe was, waren het niet veertig kinderen die zich gedroegen als één

kind, doch elk kind ging tekeer voor veertig. De gevolgen gingen

alle beschrijving te boven; doch dit scheen niemand te hinderen;

integendeel: moeder en dochter lachten hartelijk en schepten er groot

vermaak in, en de laatste, die weldra aan de spelletjes begon mee te

doen, werd door de jonge roovers meedoogenloos geplunderd.

Wat had ik niet willen geven om een van die roovertjes te zijn. Al

had ik nooit zoo woest kunnen zijn, neen, neen! ik had dat gevlochten

haar voor nog zooveel niet niet zóó kunnen in de war brengen, en

het hebben kunnen neertrekken; en ook dat lieve kleine schoentje

had ik haar niet van den voet kunnen afrukken, al was het om mijn

leven te doen geweest. Haar middel uit de grap te meten zooals dat

overmoedige jonge goedje deed, ik zou het niet hebben kùnnen doen;

ik zou bang zijn geweest dat mijn arm er als straf rondomheen ware

gegroeid en nooit weer recht was geworden. En toch zou ik graag hare

lippen hebben willen aanraken; haar iets gevraagd hebben, opdat zij

ze had geopend, gekeken hebben naar de wimpers van haar neergeslagen

oogen, zonder haar een enkele maal te doen blozen; golven van haar

te hebben losgemaakt, waarvan een duimlengte een onschatbaar souvenir

zou zijn geweest, om kort te gaan, ik moet bekennen, dat ik gaarne al

het voorrecht van de vrijpostigheid van een kind had willen hebben,

en toch man genoeg zijn om het naar waarde te schatten.

Doch nu werd er op de deur geklopt, en er volgde onmiddellijk zulk een

stormloop, dat het jonge meisje met lachend gezicht en geplunderde

kleederen meegesleept werd, als het middenpunt van een opgewonden

en luidruchtige groep, juist in tijds om den vader te verwelkomen,

die thuis kwam, vergezeld van een man, beladen met Kerstgeschenken en

speelgoed. Toen hadt ge eens getuige moeten zijn van het gebrul en het

gedrang, en van den verwoeden aanval op den hulpeloozen kruier! Hoe

ze hem met stoelen, als stormladders, beklommen om in zijne zakken

te voelen, en hem te berooven van bruin-papieren pakjes, hoe ze

zich vastklemden aan zijn bouffante, hoe ze om zijn hals hingen,

en hem in den rug stompten, en tegen zijn beenen schopten in niet

te onderdrukken teederheid! De kreten van verbazing en verrukking

waarmede het uitpakken van ieder pakje begroet werd! De vreeselijke

mededeeling dat de baby betrapt was op het in-den-mond-steken van

een braadpan uit de poppekeuken, en hoe diezelfde baby verdacht

werd een nagemaakte kalkoen, die op een houten voetje gelijmd was,

doorgeslikt te hebben! De verbazende opluchting toen men bevond dat

het een valsch alarm bleek te zijn! Wat een blijdschap, dankbaarheid

en verrukking! Zij zijn geen van alle juist te beschrijven. Genoeg,

dat éen voor éen de kinderen en hunne emoties uit de kamer verdwenen,

en trap, trap, trap, naar de boven-verdieping van het huis, waar ze

naar bed gebracht werden en zoo tot rust kwamen.

En nu keek Scrooge aandachtiger toe dan ooit, toen de heer des huizes,

terwijl zijn dochter vol liefde haren arm door den zijnen stak, met

haar en hare moeder aan zijn eigen haard plaats nam; en als Scrooge

er aan dacht dat een dergelijk wezen, even gratievol en veelbelovend,

hèm vader had kunnen noemen, en den ruwen winter van zijn leven tot

een lente maken, werd zijn oog vochtig.

"Bella," zei de vader, zich tot zijn vrouw wendend met een glimlach,

"ik zag een oud vriend van je van-middag."

"En wie was dat?"

"Raad 'es?"

"Hoe kan ik dat nu? Wacht es, ik weet 't," voegde zij er in denzelfden

adem bij, evenals hij lachend, "meneer Scrooge."

"Ja, het wàs Scrooge. Ik kwam voorbij het raam van zijn kantoor;

en daar het nog niet gesloten was, en er binnen een kaars brandde,

moèst ik hem wel zien. Ik hoor dat zijn compagnon op sterven ligt,

en hij zat daar alleen. Heelemaal alleen op de wereld, geloof ik."

"Geest!" zeide Scrooge met bevende stem, "voer mij weg van deze

plaats."

"Ik zei je toch dat dit schimmen zijn van dingen die tot het verleden

behooren," zeide de Geest. "Wijt het niet aan mij dat zij zijn wàt

zij zijn."

"Breng mij hier vandaan!" riep Scrooge uit. "Ik kan het niet dragen!"

Hij keerde zich naar den Geest, en ziende dat deze hem aanzag met

een gelaat waarin, op onverklaarbare wijze, alle gezichten zichtbaar

waren die hij hem getoond had, worstelde Scrooge met hem.

"Ga heen! Voer mij terug. Vervolg mij niet langer!"

In den strijd, als men het een strijd kon noemen, waarin de Geest

zonder zichtbaren tegenstand van zijn kant, ongedeerd bleef trots

alle pogingen van zijnen tegenstander, merkte Scrooge op dat zijn

licht hoog en helder brandde; en dit, zonder dat hij er zichzelven

rekenschap van kon geven waarom, in verband brengende met den invloed

van den Geest op hem, greep hij de domper-muts, en drukte hem die

onverwacht op zijn hoofd.

De Geest zakte er onder ineen zoodat de domper zijn geheele gestalte

bedekte; doch hoewel Scrooge uit alle macht er op drukte, kon hij

het licht niet dempen, dat er in een breeden straal onderuit, en

over den grond stroomde. Hij voelde dat hij uitgeput was, en dat hij

overvallen werd door een onwederstaanbare slaperigheid, en toen, dat

hij zich in zijn eigen slaapkamer bevond. Hij gaf nog een laatsten

druk op de muts, toen liet zijn hand los en nauwelijks had hij den

tijd naar zijn bed te wankelen, of hij viel in een diepen slaap.

DERDE ZANG.

DE TWEEDE DER DRIE GEESTEN.

Ontwakend uit een verbazend vasten slaap en in bed overeind gaande

zitten om zijne gedachten wat te ordenen, hoefde Scrooge niet gezegd

te worden dat de klok nogmaals op het punt stond één te slaan. Hij

voelde dat hij nog juist bijtijds tot bewustzijn gekomen was, zuiver

en alleen om eene conferentie te houden met den tweeden bode, die hem

door Jacob Marley's tusschenkomst toegezonden werd. Doch bemerkend

dat hij onaangenaam koud werd toen hij erover begon te denken, welke

van de gordijnen het nieuwe spook zou terzijde trekken, schoof hij

ze allebei weg met eigen hand en weder gaande liggen, bleef hij goed

rondkijken overal om het bed heen. Want hij wilde den Geest uitdagen

zoodra deze verscheen, en wilde niet nogmaals overvallen en zenuwachtig

gemaakt worden.

Heeren die tot het genus "gladde, gewikste lui" behooren, die er zich

op beroemen dat ze de loopjes kennen en goed op de hoogte zijn, drukken

hunne groote vertrouwdheid met allerlei avonturen uit door te zeggen

dat ze voor alles te vinden zijn, van "kruis of munt," tot manslag toe;

tusschen welke twee uitersten nog een vrij groote hoeveelheid dingen

ligt. Zonder volkomen hetzelfde van Scrooge te durven verklaren, zou

ik toch wel zóó ver durven gaan u te doen gelooven dat hij klaar was

voor een tamelijk groote hoeveelheid vreemde verschijningen, en dat

niets tusschen een baby en een rhinoceros hem erg verbaasd zou hebben.

Daar hij dus op ongeveer àlles voorbereid was, was hij geenszins

voorbereid op nièts; en dientengevolge begon hij hevig te beven,

toen de klok Een sloeg, en er geen gedaante verscheen. Vijf minuten,

tien minuten, een kwartier ging voorbij, en nog kwam er niets. Al

dien tijd lag hij in bed, als middenpunt van een rossigen gloed, die

op hem neerstroomde toen de klok het uur sloeg; en daar het slechts

licht was en niets meer, was het nog onrustbarender dan een dozijn

geesten, daar hij niet bij machte was uit te maken wat het beduidde

of in het schild voerde; en hij was op sommige oogenblikken bang

dat hij een interessant geval van "spontane verbranding" voorstelde,

zonder den troost te bezitten te wéten of dit werkelijk zoo was. Ten

laatste begon hij te bedenken--zooals gij of ik dit dadelijk zouden

gedaan hebben, want het is altijd de stuurman die aan wal staat,

die weet wat er gedaan had moeten worden en het gedaan zou hebben

ook--ten laatste, zeg ik begon hij te bedenken dat de bron en het

geheim van dit spookachtig licht zich in de aangrenzende kamer zou

kunnen bevinden, vanwaar het, als hij het goed naging, scheen te

komen. Toen dit denkbeeld zich geheel van hem meester gemaakt had,

stond hij zachtjes op, en slofte op zijn pantoffels naar de deur.

Op hetzelfde oogenblik dat Scrooge's hand den knop aanvatte, riep een

vreemde stem hem bij den naam en verzocht hem binnen te komen. Dit

deed hij.

Het was op zijn eigen kamer. Geen twijfel aan. Doch zij had een

wonderbaarlijke gedaanteverwisseling ondergaan. De wanden en het

plafond waren zoo rijkelijk met levend groen behangen, dat de kamer

er volmaakt uitzag als een boschje, waaruit overal glanzende bessen

glinsterden. De fijne, droge hulstbladen, mistletoe (vogellijm) en

klimop weerkaatsten het licht, alsof er overal even zoovele kleine

spiegeltjes aangebracht waren, en er ging zulk een kolossale gloed den

schoorsteen in als deze oude mummie van een schouw nooit gekend had in

Scrooge's tijd of in dien van Marley, in vervlogen winters. Opgehoopt

op den vloer bij wijze van troon, lagen kalkoenen, ganzen, wild

gevogelte, ribbestukken, groote stukken vleesch, speenvarkentjes, lange

kransen van worstjes, vleeschpasteien, pruimetaarten, vaatjes oesters,

heete gepofte kastanjes, kerswangige appels, sappige sinaasappelen,

lekkere zoete peren, kolossale Driekoningenbrooden en stoomende

bowlen met punch, die de kamer wazig maakten van hun heerlijken

damp. In behagelijke praal zat op dezen zetel een vroolijke Reus,

grandioos om te zien, die een brandende toorts vasthield, in gedaante

niet ongelijk een hoorn des overvloeds, en die haar hoog ophield, om

haar licht op Scrooge te laten vallen, toen hij het hoofd voorzichtig

om de deur stak.

"Kom binnen," riep de Geest uit. "Kom binnen! en leer me wat beter

kennen, menschenkind!"

Scrooge trad schoorvoetend binnen en liet het hoofd voor dezen

Geest hangen.

Hij was niet meer de norsche Scrooge die hij geweest was, en hoewel

de oogen van den Geest helder en vriendelijk waren, wilde hij hun

blik toch liever niet ontmoeten.

"Ik ben de Geest van het Kerstfeest van heden," zei de Geest. "Bekijk

me maar es goed!"

Scrooge deed zulks eerbiedig. De Geest was gekleed in een enkel

eenvoudig donkergroen gewaad of mantel, afgezet met wit bont. Dit

kleedingstuk hing zóó los om zijne gestalte, dat de breede borst

bloot was, alsof deze niet wilde bedekt of verborgen worden door eenig

kunstmiddel. Zijn voeten, die zichtbaar waren onder de ruime plooien

van het kleed, waren eveneens bloot, en op zijn hoofd droeg hij geen

ander deksel dan een hulstkrans waarin hier en daar ijskegeltjes

schitterden. Zijn donker-bruine krullen waren lang en hingen vrij af;

open was ook zijn hartelijk gezicht, zijn schitterend oog, zijn open

hand, zijn vroolijke stem en ongedwongen houding. Om zijn middel was

een ouderwetsche schede gegord, doch er stak geen zwaard in, en zij

was geheel doorvreten van den roest.

"Iemand als ik heb je nooit te voren gezien, he!" riep de Geest uit.

"Nooit," antwoordde Scrooge.

"Hebt ge de jongere leden van mijn familie nooit vergezeld; ik bedoel

(want ik zelf ben nog heel jong) met mijne oudere broeders die in de

laatste jaren geboren werden?" vervolgde het spook.

"Ik geloof het niet," zei Scrooge. "Ik vrees van niet. Hebt ge veel

broeders, Geest?"

"Meer dan achttienhonderd," zei de Geest.

"Een geweldig gezin om te onderhouden!" mompelde Scrooge.

De Geest van het Huidige Kerstfeest stond op.

"Geest," zeide Scrooge onderworpen, "leid mij waarheen ge

wilt. Gisterennacht ging ik gedwongen mede en ik leerde een les

waarvan ik nu de uitwerking gevoel. Laat mij ook dezen nacht mijn

voordeel doen met wat gij mij te leeren hebt."

"Raak mijn kleed aan!"

Scrooge deed wat hem gezegd werd en hield het vast.

Hulst, mistletoe, roode bessen, klimop, kalkoenen, ganzen, wild,

gevogelte, ribbestukken, stukken vleesch, biggetjes, worstjes,

oesters, pasteien, puddingen, vruchten en punch, verdwenen op hetzelfde

oogenblik. Eveneens de kamer, het vuur, de roode gloed, het nachtelijk

uur, alles verdween, en zij stonden in de stadsstraten op Kerstmorgen,

waar (want het weder was erg koud) de menschen een onwelluidende, doch

levendige en niet onaangename, muziek maakten, door het wegschrapen der

sneeuw van het plaveisel voor hunne woningen, en van de daken hunner

huizen, vanwaar de jongens het met wilde vreugde naar beneden zagen

vallen in de straat en uiteenspatten in kunstmatige sneeuwstormen. De

gevels der huizen zagen er donker uit en de vensters nog somberder,

afsteken als ze deden tegen het zachte witte sneeuwlaken op de daken,

en tegen de smoezeliger sneeuw op den grond, welke laatste doorploegd

was door de diepe voren die getrokken waren door de zware raderen

van karren en wagens; voren die elkaar honderden malen kruisten

en weder kruisten daar waar de hoofdstraten bij elkaar kwamen en

ingewikkelde kanalen vormden, moeilijk om na te gaan, in de dikke

gele modder en het sneeuwwater. De lucht was somber en de kortste

straten stonden vol dikke vuile mist, half ontdooid, half bevroren,

welker zwaardere deeltjes neerkwamen in een regen van roetdeeltjes,

alsof alle schoorsteenen in Groot-Brittannië volgens àfspraak tegelijk

in brand stonden en er op los gloorden naar hartelust. Er was niets

opbeurends in het klimaat of in de stad, en toch was er daarbuiten op

straat zulk een glans van vroolijkheid, dat de heerlijkste zomerlucht

en de helderste zonneschijn tevergeefs zouden getracht hebben hem

te overschaduwen.

Want de lieden die er op los schoffelden op de daken waren joviaal

en vol vroolijkheid, en riepen elkaar over en weer toe van het eene

dak naar het andere en wierpen elkaar nu en dan uit den grap met een

sneeuwbal--een goediger projectiel dan menige met woorden geuite

grap--hartelijk lachend als hij raak en niet minder hartelijk als

hij mis was. De poelierswinkels waren nog half open en de winkels

der fruitverkoopers straalden in glorie. Daar lagen groote, ronde,

dikbuikige manden kastanjes, gevormd als de vesten van joviale

welgedane oude heeren, manden die lui tegen de deuren hingen en

zóó dik waren dat er gevaar bestond voor eene beroerte. Dan waren

er roode, omvangrijke Spaansche uien, die in hunnen vetten groei

blonken als Spaansche ordebroeders, en die van hunne planken in schuwe

speelschheid den meisjes die voorbijgingen knipoogjes toewierpen,

terwijl dezen, schalks doch stemmig, keken naar het opgehangen takje

mistletoe. Er waren appels en peren, die de winkeliers zoo welwillend

waren geweest op te hangen op in het oog vallende plaatsen, opdat

de lieden gratis zouden kunnen watertanden onder het voorbijgaan; er

lagen stapels hazelnoten, ruig en bruin, die, in hunne welriekendheid,

deden denken aan oude boschpaadjes, en prettig tot aan de enkels

schuifelen door dorre bladeren; daar waren gebraden appels uit Norfolk,

plomp en bruin, die het geel van sinaasappelen en citroenen nog meer

deden uitkomen, en die in de groote stevigheid van hunne sappige

persoontjes dringend verzochten, ja smeekten, om in papieren zakjes

mede naar huis genomen en na het diner opgegeten te worden. Zelfs

de goud- en zilvervisschen die in een vischkom tusschen dezen keur

van vruchten waren geplaatst, en voor 't overige leden van een dom,

koudbloedig ras zijn, schenen te begrijpen dat er iets gaande was,

en zwommen allen, zonder uitzondering, gapend en naar lucht happend,

hun kleine wereldje rond in langzame en hartstochtlooze opgewondenheid.

Een Kerstlied in Proza · 第 3 / 7 段