tastend naar het venster. Hij was genoodzaakt de vorstbloemen met
den mouw van zijn chambercloak af te wrijven voor hij iets kon zien,
en zag toen nòg maar heel weinig. 't Eenige dat hij zien kon was, dat
het erg mistig en buitengewoon koud was en dat er geen geluid was van
heen en weer loopende menschen of van veel lawaai, zooals er zeker
zou geweest zijn als de duisternis den dag plotseling in nacht had
doen overgaan en de wereld in beslag genomen had. Dit was een groote
verlichting, omdat "na drie dagen zicht, gelieve te betalen aan den
heer Ebenezer Scrooge of order, op dezen mijnen eersten wisselbrief"
enz., geen beter waarborg zou hebben opgeleverd dan een stuk papier
der Vereenigde Staten, als er geen dagen meer waren.
Scrooge stapte weder in bed en bepeinsde het geval en kon er niet
uitkomen. Hoe meer hij dacht, hoe meer alles hem een raadsel scheen,
en hoe meer hij trachtte niet te denken, hoe meer hij dacht.
Marley's Geest kwelde hem geweldig. Telkenmale als hij na alles nog
eens zorgvuldig nagegaan te hebben, tot de slotsom kwam dat alles een
droom was, sprong zijn geest, evenals een sterke veer die losgelaten
wordt, terug naar het punt van uitgang, en stelde hem voor hetzelfde
vraagstuk, dat weder geheel opnieuw uitgewerkt moest worden: "Was
het een droom of niet?"
Scrooge lag aldus te denken tot de klokken aanduidden dat er weder
drie kwartier verloopen waren, en hij zich plotseling herinnerde dat
de Geest hem een bezoek aangekondigd had als de klok één sloeg. Hij
besloot wakker te blijven totdat het uur om was; en daar hij
wèl-beschouwd evenmin den slaap kòn vatten als naar den hemel gaan,
was dit misschien nog het wijste wat hij doen kon.
Het kwartier duurde zoo lang, dat hij er meer dan eens van overtuigd
was dat hij zonder het zelf te weten in den dommel moest geraakt
zijn en het kwartier niet had hooren slaan. Eindelijk trof het zijn
luisterend oor:
"Bim-bam!"
"Kwartier over!" telde Scrooge.
"Bim-bam!"
"Half slag!" zei Scrooge.
"Bim-bam!"
"Kwartier vóór," zei Scrooge.
"Bim-bam!"
"Volslag," zeide Scrooge, triomfantelijk, "en er komt niks."
Hij zeide dit vóór dat de klok het uur sloeg, wat ze nu deed met een
zwaar, dof, hol, melancholisch Eén. Op hetzelfde oogenblik schoot
een hel licht in de kamer op en de gordijnen van zijn bed werden
terzij geschoven door een hand. Niet de gordijnen aan het voeteneinde,
evenmin de gordijnen achter hem, doch die waarnaar zijn gelaat gewend
was. De gordijnen van zijn bed werden terzijde geschoven en Scrooge,
die zich haastig in half zittende, half liggende houding oprichtte,
zag voor zich den bovenaardschen bezoeker die ze terzijde schoof,
zoo dicht bij hem als ik nu bij u ben, en ik sta in den geest aan
uwe elboog.
Het was een vreemde gedaante--gelijkend op een kind; en toch weer
niet zoozeer op een kind, als wel op een oud man, gezien door de
een of andere bovennatuurlijke middenstof, die het deed voorkomen
alsof hij ver uit het gezicht geweken was en aldus geslonken tot de
proporties van een kind. Het haar, dat hem over hals en rug viel, was
wit als door ouderdom en toch was er niet één rimpeltje in het gelaat,
en de huid was bedekt met zeer zacht dons. De armen waren zeer lang en
gespierd; de handen eveneens, alsof in hun greep buitengewone kracht
stak. De voeten en beenen, die zeer fijn gevormd waren, waren evenals
de bovenste ledematen naakt. De gedaante droeg een smetteloos-witte
tunica; en om zijn middel was een schitterende gordel, welks glans
prachtig was om te zien. Hij hield een tak versche groene hulst in de
hand, en, in vreemde tegenstelling met dit zinnebeeld van den winter,
was zijn kleed versierd met zomerbloemen. Doch het vreemdste aan de
verschijning was, dat er aan den kroon van zijn hoofd een lichtstraal
ontsprong, waardoor dit alles zichtbaar werd; wat hem zonder twijfel
in zijn minder heldere oogenblikken een grooten domper, dien hij nu
onder den arm hield, als muts deed gebruiken om deze vlam te dooven.
En toch, terwijl Scrooge hem steeds scherper opnam, vond hij ook
dit niet het vreemdste aan hem. Want terwijl de gordel nu eens in
dit gedeelte dan weder in dat glinsterde en schitterde, en dat wat
het eene oogenblik licht, een volgend weder donker was, wisselde de
gedaante zèlf ook in duidelijkheid. Nu eens was het een wezen met één
arm, dan weer met één been, dan weer met twintig beenen, dan weer een
paar beenen zonder hoofd, dan weer een hoofd zonder lichaam; en van
al deze verdwijnende ledematen was geen omlijning zichtbaar door de
dichte duisternis waarin zij zich oplosten. En terwijl Scrooge zich
hierover nog verbaasde, was de gedaante al weder zichzelf; duidelijk
en helder als altijd.
"Is u de Geest, mijnheer, wiens komst mij voorspeld werd?" vroeg
Scrooge.
"Die ben ik!"
De stem was zacht en liefelijk. Bijzonder laag, alsof zij van verre
kwam, inplaats van zoo dicht bij hem te zijn.
"Wie, en wat ben je?" vroeg Scrooge.
"Ik ben de Geest van voorbijgegane Kersttijden."
"Van làng verledene?" vroeg Scrooge, die zijn dwergachtigen bouw
opmerkte.
"Neen, van ùw verleden."
Als iemand hem gevraagd had waarom, zou Scrooge er misschien niet op
hebben kunnen antwoorden; doch hij had een vurig verlangen den Geest
met zijn muts op te zien en verzocht hem zich te dekken.
"Wat!" riep de Geest uit, "wilt gij met wereldsche handen reeds zoo
gauw het licht dat ik geef weder uitdooven? Is het niet erg genoeg
dat gij een dier genen zijt wier hartstochten dezen muts maakten en
mij noodzaken hem lange, lange jaren lang op het voorhoofd te dragen?"
Scrooge ontkende eerbiedig dat hij ooit het voornemen gehad had den
Geest willens en wetens in eenige periode van zijn leven een domper
op het hoofd te zetten. Hij vermande zich vervolgens in zooverre dat
hij hem vroeg wat hem hierheen voerde.
"Uw welzijn!" zeide de Geest.
Scrooge betuigde zijn' dank, doch kon niet nalaten te denken dat
een ongestoorde nachtrust meer bevorderlijk voor dit doel geweest
zou zijn. De Geest had hem klaarblijkelijk hooren denken, want hij
zeide onmiddellijk:
"Uwe verbetering dan. Wees gewaarschuwd!"
Hij stak zijn krachtige hand uit en vatte hem zacht bij den arm.
"Sta op! en ga met mij mee!"
Scrooge had tevergeefs kunnen pleiten dat het weder en het uur zich
niet bijzonder leenden tot voetreizen voor welk doel dan ook; dat
het in bed warm was, en de thermometer een heel eind onder vriespunt
stond; dat hij niet al te dik gekleed was met slechts pantoffels en
chambercloak aan en een slaapmuts op; en dat hij op dat oogenblik
verkouden was. De greep, hoewel ze zacht was als van een vrouwenhand,
was onwederstaanbaar. Hij stond op, doch ziende dat de Geest naar
het venster ging, vatte hij hem smeekende bij den zoom van zijn gewaad.
"Ik ben maar een sterveling," zeide Scrooge, "en zou licht kunnen
vallen."
"Laat mijne hand u slechts dáár raken," zeide de Geest, zijn hand op
Scrooge's hart leggend, "en gij zult gesteund worden in meer dan dit!"
Toen de Geest deze woorden gesproken had, gingen zij door den muur
heen, en stonden op een vlakken landweg, met velden aan weerszijden. De
stad was geheel verdwenen. Er was geen spoor meer van te bespeuren. De
duisternis en de mist waren tegelijkertijd verdwenen, want het was
een heldere koude winterdag, met sneeuw op den grond.
"Goeie hemel!" zeide Scrooge, zijne handen ineenslaand, toen hij
om zich heen keek. "Hier ben ik opgevoed. Hier woonde ik toen ik
jong was."
De geest keek hem vriendelijk aan. De zachte aanraking, hoe licht en
kortstondig deze ook geweest was, scheen den ouden man nog bijgebleven
te zijn. Hij was zich bewust van honderden geuren die hem toewuifden,
elk in verband staand met honderden gedachten, en hoop en vreugde en
zorgen die lang, lang vergeten waren.
"Uw lip beeft," zeide de Geest. "En wat is dat daar op uw wang?"
Scrooge mompelde, met ongewone aandoening in zijn stem, dat het
een puistje was, en smeekte den Geest hem te brengen waarheen hij
maar wilde.
"Herinnert gij u den weg nog?" vroeg de Geest.
"Of ik!" riep Scrooge met vuur.--"Ik zou hem blindelings kunnen
loopen."--
"Vreemd dat ge er zooveel jaren lang niet aan gedacht hebt!" merkte
de Geest op. "Laten we voortgaan."
Zij gingen verder den weg op; Scrooge herkende elk hek, en elke paal
en boom; totdat een klein marktstadje zich in de verte vertoonde,
met zijn brug, kerk en kronkelende rivier. Zij zagen nu een paar
ruigharige ponies hun tegemoet draven met jongens op den rug, die
andere jongens zittend in tilburies en boerenkarren door boeren
gemend, iets toeriepen. Al deze jongens waren bijzonder opgeruimd
en riepen elkaar luide toe, totdat de wijde velden zoo van blijde
klanken vervuld waren dat de droge lucht van den weeromstuit meelachte.
"Dit zijn slechts schimmen van dingen die verleden zijn," zeide de
Geest. "Zij beseffen niet dat wij hier staan."
De vroolijke reizigers kwamen naderbij; en onder het aankomen herkende
Scrooge ze een voor een en noemde hunne namen. Waarom was hij toch
buitengewoon verheugd hen te zien? Waarom fonkelde zijn koude oog en
sprong zijn hart op van vreugde terwijl zij voorbijtrokken? Waarom was
hij vervuld van blijdschap toen hij ze elkaar een vroolijke Kerstmis
hoorde wenschen, terwijl zij uiteengingen op kruispunten en zijwegen,
naar hunne woonsteden! Wat gaf Scrooge om "een vroolijke Kerstmis?" Weg
met vroolijk Kerstmis! Wat goeds had het hem ooit gebracht?
"De school is nog niet geheel verlaten," zei de Geest. "Een eenzaam
kind, verwaarloosd door zijne vrienden, is er nog in achtergebleven."
Scrooge zeide dat hij het jongetje kende. En hij snikte. Zij
verlieten den grooten weg, sloegen een hem welbekende laan in, en
kwamen weldra aan een huis opgetrokken van dofrooden steen, op het
dak een rond torentje met een weerhaan erop, in welk torentje een
bel hing. Het was een groot huis, doch dat betere dagen gekend had;
want de ruime lokalen werden weinig meer gebruikt, hunne muren waren
vochtig en met mos bedekt, hunne ruiten waren gebarsten en de deuren
vermolmd. Hoenders kakelden en stapten parmantig in de stallen;
en het koetshuis en de vloer der schuur waren bedekt met gras.
Ook daarbinnen was evenmin iets van den vroegeren toestand te
herkennen; want toen zij den naargeestigen gang ingingen en door
de open deuren van vele kamers naar binnen keken, zagen zij hoe
schaarsch gemeubeld, koud en groot ze waren. Er hing een grondlucht,
een kille kaalheid, die op de eene of andere wijze deed denken aan
te veel opstaan bij kaarslicht en niet te veel te eten krijgen.
De Geest en Scrooge gingen den gang door naar een deur achterin het
huis. Zij ging vanzelf open en liet een lange, kale, naargeestige
kamer zien, die nog kaler gemaakt werd door rijen ongeverfde vuren
schoolbanken en lessenaars.
Aan een van deze zat een eenzaam knaapje te lezen bij een kwijnend
vuurtje; en Scrooge ging op een bank zitten en weende toen hij zijn
eigen arme ik daar zoo vergeten zag zitten, net als vroeger.
Geen slapende echo in het huis, geen gepiep en geritsel van de muizen
achter de lambriseering, geen drup van de half-ontdooide regenpijp
op de verlaten plaats achter, geen zuchtje in de bladerlooze takken
van een treurpopulier, geen losgeknars van een deur van een leeg
pakhuis, ja zelfs geen geluid van knettering in het vuur miste zijn
verteederenden invloed op Scrooge's hart en gaf vrijer loop aan
zijne tranen.
De Geest raakte zijn' arm aan, en wees op zijn jonger ik, zooals
hij daar aandachtig zat te lezen. Plotseling stond er een man, in
vreemdsoortige kleederdracht, wonder duidelijk en werkelijk om naar
te zien, buiten voor het raam, met een bijl dien hij in zijn gordel
gestoken had, en leidde een met hout beladen ezel bij den teugel.
"Wel heb ik van m'n leven, dat's Ali Baba!" riep Scrooge verrukt
uit. "'t Is die goeie, echte, ouwe Ali Baba! Ja, ja, ik ken hem nog
wel! Eens met Kersttijd, toen dat eenzame kind daar heelemaal aan
zichzelf was overgelaten, kwam hij werkelijk voor het eerst, net als
nu. Arme jongen! En Valentijn," zeide Scrooge, "en zijn wilde broeder
Orson; daar gaan ze! En hoe heet hij ook weer, die in zijn slaap, in
zijn onderbroek bij de poort van Damascus werd neergezet, ziet ge hem
niet?! En de stalknecht van den sultan die door Geniï op zijn hoofd
werd gezet; daar staat hij, op zijn hoofd! Zijn verdiende loon. Ik
ben er tòch blij om, wat moest hij ook met de Prinses trouwen?"
Het zou bepaald een verrassing voor Scrooge's zakenkennissen uit de
City geweest zijn, hem aldus met al den ernst, zijn natuur eigen,
te hooren uitweiden over dergelijke onderwerpen, met een eigenaardige
stem, die het midden hield tusschen lachen en weenen, en zijn verhoogde
kleur en opgewonden gezicht te zien.
"Daar heb je de Papegaai ook!" riep Scrooge. "Groen lijf en gele
staart, met iets als een slablad dat boven uit zijn kop groeit. "Arme
Robinson Crusoë," noemde hij hem als-ie weer thuiskwam na zijn vaart
om zijn eiland heen. "Arme Robinson Crusoë," waar zijt ge geweest,
Robinson Crusoë?" De man dacht dat hij droomde, maar dat was toch
niet zoo: Het was de papegaai die 't zei, weet je. Daar gaat Vrijdag,
loopend al wat hij loopen kan naar de kleine kreek om zijn leven te
redden. "Hallo, hoep, hallo!"
En toen met een snelheid van overgang die zijn karakter totaal vreemd
was, zeide hij, zijn vroeger ik beklagend, "arme jongen!" en weende
weder.
"Ik wou," mompelde Scrooge, zijn hand in den zak stekend en om zich
heen kijkend, nadat hij zijne oogen had afgedroogd met zijn mouwboord:
"maar 't is nu te laat."
"Wat scheelt er aan?" vroeg de Geest.
"Niets," zeide Scrooge. "Gisterenavond zong een jongen een Kerstliedje
aan mijn deur; ik had hem graag wat willen geven nu. Dat's al!"--
De Geest glimlachte, als in gedachten, en zwaaide met de hand, zeggend
terwijl hij dit deed: "Laten we eens een ander Kerstfeest gaan zien."
Bij deze woorden werd Scrooge's vroeger eigen ik grooter, en de
kamer werd een beetje donkerder en smeriger. De paneelen slonken in,
de ramen klapperden; stukjes kalk vielen uit het plafond, en lieten
de naakte latten zien; doch hoe dit alles zoo plotseling gebeurde,
wist Scrooge evenmin als gij of ik.--Hij wist alleen dat het precies
zoo was als vroeger; dat alles juist zoo was voorgevallen; dat hij
daar zat, nogmaals aan zichzelf overgelaten, toen al de andere jongens
naar huis vertrokken waren gedurende den heerlijken vacantietijd.
Hij was nu niet bezig met lezen, doch liep in wanhoop op en
neder. Scrooge zag den Geest aan, en keek treurig het hoofd schuddend
angstig naar de deur.
Deze ging open, en een klein meisje, veel jonger dan het jongetje, kwam
binnenhuppelen, en hare armen om zijn hals slaand en hem herhaaldelijk
kussend, noemde zij hem haar "lieve, lieve broertje."
"Ik kom om je naar huis te halen, lieve broertje!" zei het kind, in
hare kleine handjes klappend, en zich vooroverbuigend om te lachen,
"om je mee naar huis te nemen, naar huis, naar huis!"
"Naar huis, kleine Fan?" antwoordde de jongen.
"Ja!" zeide het kind, dol van vreugde. "Naar huis, en voor goed. Vader
is veel vriendelijker dan hij vroeger was, zoodat het thuis als een
hemel is! Hij sprak zóó aardig tegen mij op 'n heerlijken avond toen
ik naar bed zou gaan, dat ik niets bang was hem nog eens te vragen
of je thuis mocht komen; en hij zei: Ja, je mocht; en stuurde mij met
een koets om je te halen. En nu zul je een man worden!" zei het kind,
haar oogen openend, "en hier kom je nooit meer terug; maar eerst
moeten we den heelen Kersttijd samen zijn, en den heerlijksten tijd
hebben dien je je denken kunt."
"Je bent al 'n heele meid, kleine Fan!" riep de jongen uit. Zij klapte
in haar handen en probeerde bij zijn hoofd te komen, doch daar zij
te klein was, lachte zij weder en ging op haar teenen staan om hem
te omhelzen. Toen begon ze hem, in haar kinderlijk vuur, naar de
deur te trekken; en hij, volstrekt niet afkeerig om te vertrekken,
ging met haar mede.
Een barsche stem in den gang riep: "Hei daar, breng de koffer van
jongenheer Scrooge es naar beneden!" en in den gang verscheen
de schoolmeester zelf, die op jongenheer Scrooge neerkeek met
tijgerachtige minzaamheid, en hem verschrikkelijk confuus maakte door
hem de hand toe te steken. Toen leidde hij hem en zijn zusje in het
alleroudste gat van een kille "mooie kamer" dat ge ooit gezien hebt,
waar de kaarten aan den wand en de globes beslagen waren van de
kou. Hier haalde hij een wijnkaraf met erg bleeken wijn en een brok
bijzonder zware tulband te voorschijn, en deelde brokjes van deze
lekkernij aan de kinderen uit: terzelfdertijd een broodmageren knecht
naar buiten sturend om den postrijder een glas van "'t een of ander"
aan te bieden, die liet zeggen, dat hij meneer's aanbod dankbaar
aannam, maar dat als het 't zelfde was wat hij al meer gehad had,
dan had hij 't liever niet. Daar de koffer van jongenheer Scrooge
nu boven op de diligence gebonden was, namen de kinderen afscheid
van den schoolmeester zonder tranen te storten, stapten in en reden
in vroolijke stemming de kronkelende tuinlaan af; de sneldraaiende
raderen schudden de rijp en de sneeuw als schuim van de donkere bladen
der coniferen.
"Ze was altijd een fijn poppetje, een ademtocht had haar omver kunnen
blazen," zei de Geest. "Maar ze had een ruim hart."
"Dàt had ze," riep Scrooge uit. "Daarin hebt ge gelijk. Dat zal ik
niet tegenspreken, Geest. God bewaar me!"
"Ze stierf toen ze 'n vrouw was," zei de Geest, "en had, geloof ik,
kinderen."
"Eén kind," antwoordde Scrooge.
"'t Is waar ook," zeide de Geest, "uw neef."
Scrooge scheen met zichzelf te kampen, en antwoordde kort: "Ja."
Hoewel zij de school datzelfde moment slechts verlaten hadden,
bevonden zij zich nu in de drukke, breede straten eener stad, waar
schimmige passagiers heen en weder liepen; waar schimmige karren en
koetsen elkaar verdrongen om vooruit te komen, en waar al de strijd en
het rumoer eener heusche stad zich vertoonden. Het was duidelijk te
zien aan de uitstalling der winkels, dat hier ook Kerstfeest gevierd
werd; doch het was avond en de straten waren verlicht. De Geest bleef
stilstaan voor de deur van een pakhuis en vroeg aan Scrooge of hij
het kende.
"Of ik!" zeide Scrooge. "Ik was hier immers leerling!"
Zij gingen binnen. Bij het zien van een ouden heer met een wollen
kalotje op, die achter zulk een hoogen lessenaar zat, dat als hij
twee duim langer geweest was hij zijn hoofd had moèten stooten tegen
de zoldering, riep Scrooge opgewonden uit:
"Wel heb ik van m'n leven, 't is de ouwe Fezziwig! God zegen hem;
het is de oude Fezziwig, die weer levend geworden is."
De oude Fezziwig legde zijn pen neder en keek op de klok, die het uur
van zeven aanwees. Hij wreef zich in de handen, schikte zijn wijde
vest, lachte van top tot teen, en riep met een smeeïge, rijke, vette,
joviale stem:
"Hallo daar! Ebenezer! Dick!"
Scrooge's vroeger Ik, nu tot een jongen man opgegroeid, kwam snel
binnengeloopen, vergezeld van zijn mede-leerling.
"Dick Wilkins, waarachtig!" zei Scrooge tegen den Geest. "Waarachtig
't is 'em. Hij hield veel van me, die Dick. Goeie Dick. Wel, wel!"
"Yo ho, jongens!" zeide Fezziwig. "Voor vandaag genoeg gewerkt,
hoor. Avond vóór Kerstmis, Dick, Kerstmis, Ebenezer! De luiken er
vóór, hoor," riep de oude Fezziwig met een luiden klap in de handen,
"vóór je tot tien kunt tellen!"
Ge zoudt uw oogen niet hebben kunnen gelooven, als ge die twee jongens
aan het werk gezien had. Zij renden de straat op met de luiken--een,
twee, drie--en ze zaten al op hun plaats--vier, vijf, zes--de boomen
en pennen erop--zeven, acht, negen--en daar waren ze al weer terug
voor je tot twaalf gekomen was, hijgend als ren-paarden.
"Hilli-ho!" riep de oude Fezziwig, van zijn hooge kruk afwippend met
merkwaardige vlugheid. "Vooruit met den boel, en hoopen ruimte moeten
we hier hebben, hoor! Hilli-ho! Vooruit Ebenezer! Den boel aan kant
zetten!" Er was niets dat ze niet hadden willen of kunnen opruimen,
als de oude Fezziwig stond toe te kijken. Binnen een minuut was
alles klaar. Alles wat los was werd er uit gebracht, alsof het voor
goed aan het publieke leven onttrokken werd; de vloer werd geveegd
en besprenkeld, de lampen schoongemaakt, brandstof op het vuur
gehoopt; en het magazijn was een even gezellige en warme en droge
en helder-verlichte balzaal, als ge op een winteravond maar zoudt
kunnen wenschen.
Er kwam een vedelaar binnen met een muziekboek. Hij ging op de hooge
kruk zitten en deed zijn best voor een heel orkest, en steunde
om er maagpijn van te krijgen. Mevrouw Fezziwig kwam binnen, één
aangekleede glimlach. De drie juffers Fezziwig kwamen binnen, stralend
en beminnelijk. Binnen kwamen de zes jonge cavaliers wier harten zij
gebroken hadden. Binnen kwamen al de jongelingen en jongedochters die
in de zaak geëmployeerd werden. Binnen kwam de meid met haar neef, den
bakker. Binnen kwam de keukenmeid met haars broeders intiemen vriend,
den melkman. Binnen kwam de jongen van den overkant, dien men verdacht
van niet genoeg te eten te krijgen van zijn meester, en die trachtte
zich te verstoppen achter het meisje van daarnaast, van wie men wist
dat haar meesteres haar aan 'r ooren getrokken had. Binnen kwamen
ze allemaal, de een na den ander; enkelen bedeesd, anderen zonder
schroom, enkelen gracieus, anderen geen weg wetend met hun figuur,
sommigen drukkend, anderen weer trekkend, maar allen kwamen ze binnen,
hoe dan ook en vanwaar dan ook. En daar gingen ze er allen op los,
twintig paren tegelijk, de eerste twee paren handen kruisend; tóén
de dames van het tweede viertal handen kruisend met de heeren van
het tweede viertal en hetzelfde met de heeren van het eerste viertal
en de dames van het tweede; naar elkaar toe en weder terug, rond
in verschillende houdingen van verliefdheid, het oude eerste paar
dat bovenaan stond steeds op de verkeerde plaats in de dansfiguur
uitkomend, het paar dat nu bovenaan stond weder wegdansend zoodra ze
bovenaan wàren; alle spits-paren deden ten laatste hetzelfde en geen
laatste paar om hen te steunen. Toen de zaken tot dit schitterend
resultaat gebracht waren, klapte de oude Fezziwig in de handen ten
teeken dat er met dansen moest opgehouden worden en riep: "Goed
zoo!" en de vedelaar dompelde zijn verhitte gelaat in een pul bier,
die speciaal voor dat doel er neer gezet was. Doch toen zijn hoofd er
weder uit te voorschijn kwam, begon hij, niet bang zijnde voor een
beetje werk, onmiddellijk weer te spelen hoewel er nog geen dansers
waren, en dat met zooveel energie alsof de andere violist uitgeput
op een bank naar huis gedragen was en hij een totaal versche kracht,
die vast besloten had zijn mededinger te kloppen of er in te blijven.
Er werd nog meer gedanst, en er werd pandverbeurd en nòg meer gedanst,
en er was tulband en "negus," en er was een groot stuk koud vleesch en
een groot stuk gekookt koud vleesch en pasteien met gehakt vleesch,
rozijnen, krenten en suiker erin, en dan was er véél bier. Doch
het knaleffect van den avond kwam eerst na het gebraden en gekookt,
toen de violist (een listige oude vos, snapt ge! het soort man die
zijn zaakjes beter kende, dan gij of ik ze hem had kunnen zeggen)
Sir Roger de Coverley [4] begon te spelen. Toen trad de oude Fezziwig
aan om te dansen met mevrouw Fezziwig. En nog wel eerste paar; met
een flink beetje werk vóór hen; drie of vierentwintig paar partners;
allen lieden waar nièt mee te spotten viel; lieden die er op stònden
te dánsen en die niet wisten hoe ze lóópen moesten.
Maar al waren er ook tweemaal zooveel geweest, ja viermaal zooveel,
dan nòg zou de oude Fezziwig hun gestaan hebben, en mevrouw Fezziwig
evenzeer. Wat haar aangaat, zij was waardig zijn partner te zijn
in iederen zin van het woord. En als dat niet de hoogste lof is,
doe gij mij dan een betere aan de hand en ik zal er die voor in de
plaats stellen. Een waar licht glom er uit de kuiten van Fezziwig. In
elk figuur van den dans schenen zij als volle manen. Ge kondt nooit
vooruit zeggen wat er een volgend oogenblik van ze zou worden. En
toen de oude Fezziwig en mevrouw Fezziwig door alle figuren van den
dans gegaan waren, "avancez en retirez," "geef uw partner de hand,"
"buig en curtsey," "kurketrekker," "doe een draad in de naald," en
"weer terug naar uw plaats," sprong Fezziwig in de hoogte--sprong met
de teenen gekruist, zóó handig dat het was alsof hij met zijn beenen
knipoogjes gaf, en kwam weer zonder wankelen op zijn voeten terecht.