Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
http://www.pgdp.net/
Wereld Bibliotheek
Onder leiding van L. Simons
Charles Dickens
Een Kerstlied in Proza
Vertaald door J. Kuylman
Met inleiding door L. S.
Uitgegeven voor De Mij. voor Goede en Goedkoope Lectuur door
G. Schreuders Amsterdam
De vertaler wenscht openlijk te erkennen, dat hij hier en daar een
dankbaar gebruik heeft gemaakt van de aanteekeningen van den heer
Ten Bruggencate in diens bekende uitgaaf van het origineel.
J. K.
IETS OVER CHARLES DICKENS
(1812-1870).
Er is geen werk en er zijn geen schrijvers, waarover het zoo moeilijk
valt in later leven te oordeelen als die, waarmee men geleefd heeft
in zijn jonge jaren, waarvan men genoten heeft toen lezen nog een
wonderbaarlijk opgaan was in vreemde werelden van volkomen echtheid,
zonder andere toets dan "boeiend" of "vervelend".--Dickens is er
zoo éen voor mij geweest. En ik zou niet graag geroepen worden een
oordeel te schrijven over Pickwick, Barnaby Rudge, Olivier Twist en
de Kerstvertellingen, want ik kom er niet los genoeg van mijn jonge
ervaringen.
Doch oordeelen over deze Kerstvertelling moet de lezer maar zelf. Een
kort woord is alleen noodig over den schrijver.
Toen hij deze Kerstvertelling schreef was hij dertig jaar en al een der
populairste vertellers van zijn tijd door zijn Samuel Pickwick. Hij had
achter den rug een nogal moeilijk leven van den kleinen burgerjongen,
die van buiten naar Londen was gekomen om er zijn weg te zoeken. Zijn
eerste rustpunt dáár was een advocaten-kantoor; zijn tweede was het
verslaggeversambt van terechtzittingen. Zoo leerde hij veel kennen
van den ondergrond van het groote stadsleven; van de praktijken der
rechtsgeleerden; de kronkelpaden van het gerecht; de hardheid van het
armelijke leven in de groote stad. En hij oefende zich in schrijven;
werd novellistisch reporter; schetsenmaker; later: romancier, die in
wekelijksche afleveringen lange verhalen pende vol avontuur, realisme,
humor, satire, pathos en zedeles,--alles door elkander.
Door zijn eigen tijdgenooten is Dickens nogal eens geschuwd om
zijn realisme; en tegelijkertijd is hem de kritiek niet gespaard
om zijn tot in de karikatuur-vervallende òver-typeering en zijn
effectbejag. Wat tegenstrijdig klinkt, doch het in zijn geval niet
is. Want zijn realisme was zuiver zedekundig-maatschappelijk en
humanitair, stond geheel onder den invloed van zijn behoefte tot
aanwijzen van misbruiken en opwekken tot verbeteren. Niet om de koel-
en verstandelijk waargenomen werkelijkheid weer te geven, was het
hem te doen. Maar om zijn lezers te doordringen van de vele ellende,
die om hen heen groeide, en waar zij onverschillig voorbijgingen;
en ze de misbruiken te doen kennen, die om verbetering riepen. Zelf
zoo sterk gevoelsmensch, dat hij onder het neerschrijven zijner eigen
verbeeldingen soms half ziek werd, liet hij zich al schrijvend door
dat gevoel beheerschen tot overdrijvingen en sentimentaliteiten,
welke in dien éersten tijd der 19e eeuw nog uit de 18e eeuw in
heel de romantische letterkunde voortleefden. En zijn humor was
onder den invloed van de echt Engelsche clowneries en de gezochte
aardigheden, die nog tot vandaag den dag het tooneel er beheerschen,
in éen rechte lijn van Shakespeare tot Bernard Shaw. Het is de humor
van een volk van lijn-kunst, dat gauw overslaat tot de charge en
de caricatuur der overdreven vormen en òver-typeering. En Dickens,
geboren acteur en voordrager, is wel in alle opzichten de sterke
openbaring van al zijn volks-eigenaardigheden gebleken. Maar hij
bezat daarnaast de onontbeerlijke eigenschappen om zijn fouten te
doen vergeten in de sterke wegsleependheid van zijn aard; de kracht
van zijn verbeelding; de fleur van zijn grappigheid; de uitbundigheid
van zijn vinders-vernuft, en de meegevoeligheid van zijn hart.
Tijdens de jaren van zijn leven (1812-1870) heeft Engeland een
geleidelijke evolutie doorgemaakt, waarin versteend industrialisme
en verrotte politiekerij door de zelf-ontwaking van de onderdrukten
en het edelmoedig verzet van idealisten uit de andere klassen,
werden omgewerkt tot bescherming van de arbeiders en zuiverder
democratie. Tot die edelmoedige idealisten heeft ook Dickens behoord
en zijn strijd tegen misbruiken in de rechtspraak, misbruik in de
kostscholen, tyrannie van den gehuwden man, kinderverwaarloozing,
heeft de hervormingsbeweging niet weinig geholpen. Hij had een macht
over duizenden van lezers, in wier gemoed hij soms wel wat òverforsch
kwam roeren, maar die zóo in hem en zijn scheppingen geloofden,
dat zij, naarmate zijn werk in wekelijksche afleveringen vorderde,
hem overstelpten met smeekbrieven om een kleine heldin toch niet te
laten sterven; of dìè toch met dìèn te laten trouwen--.
Aan een populariteit als deze zit altijd gevaar. Men wordt geen
schrijver voor de menigte, als men niet in sterke mate eigenaardigheden
heeft die tot velen spreken en velen gemeenzaam zijn, en wat vele
menschen met elkaar gemeen hebben, kan alleen het àlgemeene zijn. Het
fijnere, bizondere, in zich zelf verlorene is uit den aard der zaak
maar voor weinigen. Doch dit algemeene behoeft niet noodzakelijk
het grove, alledaagsche, oppervlakkige, sentimenteele te wezen. Er
zijn kunstenaars door wie de sterke en groote levensstroom beweegt;
menschen met breed gebaar, gansche levensruimten vullend, en die
aldus op dien breeden, gullen en warmen levensstroom velen met zich
nemen. Victor Hugo is zulk een mensch geweest, Peter Benoit was er
een. Ook Björnson en Zola. En Dickens, hoewel zijn gebaar niet zóo
breed, en zijn verbeeldingsleven niet zoo gul-echt was, behoorde
toch wel tot hen, die hun populariteit dankten aan het sterke dat
in hen was, en niet aan hun levensvervalschingen en niets-ontziende
doordravende oppervlakkigheden, als nu Marie Corelli haar voorbijgaande
populariteit bezorgen.--
Zijn Kerstvertelling, in 1842 geschreven, is een heel karakteristiek
staal van zijn eigenaardige kunst. Er is de echt-Engelsche,
op het ijzingwekkende gerichte, verbeelding; de bizarre humor;
de sterke gevoeligheid en de humanitaire strekking in, die de vier
grond-elementen van zijn werk vormen. In zijn soort is het compleet en
ook door hem zelf niet overtroffen. Werk van langer adem van hem--en
dat is wel het meeste--was zoo spoedig niet te vertalen. Maar het
staat op onze lijst voor de toekomst. Want het behoort gemeengoed
van allen te blijven of te worden.
L. S.
EEN KERSTLIED IN PROZA
ZIJNDE EEN SPOOK-KERSTVERTELLING DOOR CHARLES DICKENS
EERSTE ZANG.
MARLEY'S GEEST.
Om 't dadelijk te zeggen: Marley was dood. Twijfel daarover
is onmogelijk. Zijn begrafeniscedel werd geteekend door den
geestelijke, den burgerlijken ambtenaar, den begrafenisondernemer
en den voornaamsten rouwdrager. Scrooge teekende haar; en Scrooge's
naam was op de Beurs goed voor alles waarop hij zijne handteekening
verkoos te zetten. De oude Marley was zoo dood als een deurpen. [1]
Let wel! ik wil niet zeggen, dat ik uit eigen ervaring weet, wat er
bijzonder doods is aan een deurpen. Ik voor mij zou geneigd zijn
een nagel in een doodkist te beschouwen als het doodste ding in
den ijzerhandel. Doch in deze vergelijking steekt de wijsheid onzer
voorouders; en mijn ongewijde handen zullen er niet aan tornen, of
't is gedaan met het land. Ge zult mij daarom veroorloven nog eens
met nadruk te herhalen, dat Marley zoo dood was als een deurpen.
Wist Scrooge dat hij dood was? Natúúrlijk wist hij dat. Hoe kon het
anders? Scrooge en hij waren ik weet niet hoeveel jaren lang compagnons
geweest. Scrooge was zijn eenige executeur, zijn eenige administrateur,
zijn eenige overgebleven erfgenaam, zijn eenige vriend en eenige
rouwdrager. En niettegenstaande dit alles was Scrooge nog niet zóó
volkomen verslagen door de droevige gebeurtenis, of hij toonde zich
nog wel een uitstekend man van zaken op den dag der begrafenis zelf,
en vierde hem plechtig met een onmiskenbaar koopje. De vermelding van
Marley's begrafenis voert mij terug naar mijn punt van uitgang.--Er
bestaat niet de minste twijfel omtrent Marley's dood.--Dit moet goed
verstaan worden, of er kan niets wondervols steken in de geschiedenis
die ik nu ga vertellen. Zoo we niet volkomen overtuigd waren dat
Hamlet's vader dood was vóór het tooneelspel begon, zou er niets
méér wonderbaarlijks steken in het feit, dat hij in den nacht,
bij oostenwind, op zijn eigen wallen een wandeling ging doen, dan
er zou zijn in het gedrag van den eersten den besten persoon van
middelbaren leeftijd, die op onbezonnen wijze, na het vallen van den
avond gaat wandelen op een winderige plaats--bijvoorbeeld St. Pauls
Churchyard--met geen ander opzet, dan om den zwakken geest van zijn
zoon in verbazing te zetten.
Scrooge verwijderde den naam van den ouden Marley nooit. Het stond
er jaren daarna nog, boven de deur van het magazijn: Scrooge en
Marley. De firma stond bekend onder den naam van Scrooge en Marley. Nu
eens noemden lieden die de zaak niet kenden, Scrooge Scrooge en dan
weder Marley, doch hij antwoordde op beide namen. Het was hem alles
hetzelfde.
Ah, hij hield het mes zoo vast op den slijpsteen, die Scrooge! een
uitpersende, vasthoudende, schrapende, naar zich toehalende, vrekkige
oude zondaar! Hard en scherp als vuursteen, waaruit geen staal ooit
een vonk edelmoedigheid had geslagen; geheimzinnig en in zichzelf
gekeerd als een oester. De kou in hem deed zijn oude gelaatstrekken
verstijven, scherpte zijn puntigen neus, rimpelde zijn wang en maakte
zijn gang stijf; maakte zijn oogen rood, zijn dunne lippen blauw,
en kwam listig uit in zijn krassende stem. Een vorstige rijp lag op
zijn hoofd, en wenkbrauwen, en stekelige kin. Hij droeg zijn eigen
lage temperatuur steeds met zich om; hij bevroor zijn kantoor in de
hondsdagen; en ontdooide het niet één graad op Kerstmis.
Uitwendige hitte of koude oefenden hoegenaamd geen invloed op
Scrooge. Geen warmte kon hem verwarmen, noch winterweêr hem koud
maken. Geen wind die waaide was bitterder dan hij, geen vallende
sneeuw ging rechter op haar doel af, geen kletterende regen was
minder gevoelig voor smeekbeden. Hondeweêr wist niet waar hem aan
te vatten. De zwaarste regen en sneeuw, en hagel en ijzel, konden
slechts in één opzicht bogen zijne meerderen te zijn. Zij kwamen
nog wel eens uit den hoek, en Scrooge deed dit nooit. Niemand hield
hem ooit op straat staande om met vroolijke blikken te zeggen: "m'n
waarde Scrooge, hoe gaat het je? wanneer kom je me eens opzoeken?" Geen
bedelaars smeekten hem, hun een kleinigheid te geven, geen kinderen
vroegen hem hoe laat het was, geen man of vrouw die hem ooit den
weg naar de een of andere plaats gevraagd had. Zelfs de honden der
blinden bleken hem te kennen, en als zij hem zagen aankomen plachten
zij hunne eigenaars in portaaltjes en binnenplaatsen te trekken,
en kwispelden dan met den staart alsof ze wilden zeggen: "géén oog
is beter dan een boos oog, blinde meester!"
Doch wat kon dit Scrooge schelen? Dit was juist wat hem smaakte. Zich
een weg te bànen door de, den levensweg mèt hem bewandelende menigte,
en alle menschelijke sympathie op een afstand van zich te houden,
dat was wat de ingewijden een kolfje naar Scrooge's hand noemden.
Op een keer--en van al de goede dagen van het jaar nog wel op den
avond vóór Kerstmis--was oude Scrooge druk bezig in zijn kantoor. Het
was koud, naargeestig, nijpend weder: en daarbij mistig: en hij kon
de menschen buiten op de plaats blazend op en neder hooren loopen,
hunne armen kruiselings over de borst slaand, en met hunne voeten op
de steenen van het plaveisel stampend om ze te warmen. De klokken
van de City hadden pas drie geslagen, doch het was reeds geheel
donker--het was den ganschen dag eigenlijk niet licht geweest--en
kaarsen flikkerden voor de vensters der omringende kantoren, als
rossige vlekken op de tastbare bruine lucht. De mist stroomde naar
binnen door iedere reet en elk sleutelgat, en was buiten zóó dicht,
dat, hoewel het plaatsje zeer klein was, de huizen aan de overzijde
niet anders dan schimmen geleken. Als men de donkere wolk zoo neer
zag dalen, alles verduisterend, zou men hebben kunnen denken dat de
Natuur daar dicht bij woonde en op groote schaal aan het brouwen was.
De deur van Scrooge's kantoor stond open, opdat hij een oogje kon
houden op zijn klerk, die in een naargeestige kleine cel, een soort
hok, brieven copiëerde. Scróóge had al een klein vuurtje, doch het vuur
van den klerk was zóóveel kleiner, dat het wel één kool leek. Hij kon
er niets op doen, want Scrooge hield den kolenbak in zijn eigen kamer;
en als de klerk binnenkwam met den kolenschepper, voorspelde zijn
meester hem dat ze van elkaar zouden moeten gaan, waarop de klerk zijn
witte bouffante omdeed en zich trachtte te verwarmen aan de kaars, wat
hem, daar hij geen man was van groote verbeeldingskracht, niet gelukte.
"Vroolijke Kerstmis, oom! Veel heil en zegen!" riep een vroolijke
stem. Het was de stem van Scrooge's neef, die hem zoo plotseling
overviel, dat dit de eerste aanduiding zijner komst was.
"Bah!" zei Scrooge, "nonsens!"
Deze neef van Scrooge had zich zóó warm gemaakt door zijn snelle
loopen in den mist en vorst, dat hij er van gloeide; zijn gelaat was
rood en knap; zijne oogen schitterden en zijn adem dampte.
"Kerstmis nónsens, oom!" zei Scrooge's neef, "dat meent u niet."
"Waarachtig wel," zei Scrooge. "Vroolijke Kerstmis! Welk recht heb
jìj om vroolijk te zijn? Jìj bent arm genoeg, zou ik zeggen."
"Kom nu," antwoordde de neef vroolijk, "welk recht hebt ù om knorrig
te zijn? ù is rijk genoeg."
Daar Scrooge op dat moment geen beter antwoord klaar had, zei hij
nogmaals "bah" en liet er op volgen: "Nonsens."
"Wees nu niet knorrig, oom," zei de neef.
"Wat kan ik anders zijn," antwoordde de oom, "als ik in zoo'n wereld
vol dwazen leef? Vroolijke Kerstmis! Weg met vroolijke Kerstmis! Wat
beteekent Kersttijd voor jou anders dan een tijd waarin je rekeningen
moet betalen, zonder dat je er geld voor hebt; een tijd dat je jezelf
een jaar ouder weet, en geen uur rijker; een tijd om je balans op te
maken, en al zijne posten sedert twaalf maanden lang zich tegen je te
zien keeren! Als ik kon doen wat ik wou," zeide Scrooge verontwaardigd,
"zou iedere idioot die rondloopt met "vroolijke Kerstmis" op zijn
lippen, gekookt worden met zijn eigen pudding en begraven worden met
een hulsttak door zijn hart.--Dàt zou ie!"
"Oom!" pleitte de neef.
"Neef!" antwoordde de oom streng, "vier Kerstmis zooals je verkiest
en laat mij het doen zooals ik het wil."
"Vieren!" hernam Scrooge's neef. "Maar u viert het heelemaal niet."
"Laat me het dan laten voor wat het is," zeide Scrooge. "Veel goed
moge het je doen! 't Heeft je altijd veel geluk gebracht!"
"Er zijn vele dingen, die me goed hadden kùnnen doen en waaruit ik geen
nut getrokken heb waarschijnlijk," antwoordde de neef, "en van deze
dingen is Kerstmis er een. Maar ik weet zeker, dat ik aan Kersttijd
als hij weder dáár was--nog afgezien van den eerbied, verschuldigd aan
zijn heiligen naam en oorsprong, (zoo tenminste iets dat er bij past
er van afgescheiden kan worden)--gedacht heb als aan een goeden tijd:
een gelukkige, vergevende, liefderijke, aangename tijd: den eenigen
tijd dien ik in den langen jaarkalender ken, waarop mannen en vrouwen
als bij onderlinge overeenkomst hunne gesloten harten vrijelijk openen,
en denken aan lieden beneden hen als aan werkelijke medereizigers naar
het graf, en niet als aan een ander ras van schepselen dat naar een
ander einddoel reist. En daarom, oom, al heeft Kersttijd nooit een
greintje goud of zilver in mijn zak gebracht, geloof ik toch, dàt het
mij goed gedaan hèèft en mij goed zàl doen; en ik zeg, God zegene hem."
De klerk in het hok applaudisseerde onwillekeurig; en zich onmiddellijk
daarop bewust wordend van de ongepastheid hiervan, pookte hij in het
vuur en doofde het laatste zwakke vonkje voor altijd uit.
"Laat ik joù nog es hooren," zeide Scrooge, "en jij zult je Kerstmis
vieren met het verlies van je betrekking.--Ge zijt bepaald een groot
redenaar, meneer," voegde hij er bij, zich tot zijn neef wendend. "'t
Verwondert me, dat je nog niet in het Parlement zit."
"Wees nu niet boos, oom. Kom! kom morgen bij ons eten."
Scrooge zei dat hij hem nog net zoo lief zag han--, ja, waarachtig,
dat zei hij. Hij gebruikte de geheele uitdrukking, en zei dat hij
hem nog net zoo lief in dat uiterste zou zien.
"Maar waarom?" riep Scrooge's neef uit. "Waarom?"
"Waarom trouwde je?" zeide Scrooge.
"Omdat ik verliefd werd."
"Omdat je verliefd werd!" gromde Scrooge, alsof dit het eenige
ter wereld was dat nòg belachelijker was dan een vroolijke
Kerstmis. "Goeien middag!"
"Maar oom, u is me evenmin ooit komen opzoeken vóór dat dit
gebeurde. Waarom geeft u dat nù als een reden voor uw niet-komen."
"Goeien middag," zei Scrooge.
"Ik verlang niets van u; ik vraag u immers om niets; waarom kunnen
wij geen goede vrienden zijn?"
"Goeien middag!" zei Scrooge.
"Het spijt me werkelijk dat ik u zoo vastbesloten vind. Nooit hebben
wij een twist gehad waartoe ik aanleiding gegeven heb. Doch ik heb
geprobeerd u over te halen ter eere van Kerstmis, en ìk zal toch
mijn Kerststemming bewaren tot 't laatste. En daarom, een gelukkig
Kerstfeest, oom!"
"Goeien middag!" zei Scrooge.
"En een gelukkig Nieuw Jaar!"
"Goeien middag!" zei Scrooge.
En toch verliet zijn neef het vertrek zonder een verbolgen woord te
uiten. Hij bleef bij de buitendeur staan om de complimenten van den
dag te wisselen met den klerk, die, koud als hij was, toch warmer
was dan Scrooge, want hij beantwoordde ze hartelijk.
"Daar heb je nòg zoo'n idioot," mompelde Scrooge, die hem hoorde:
"mijn klerk met negen gulden in de week en een vrouw en kinderen,
en dat praat over 'n vroolijke Kerstmis. Ik geloof dat ik maar naar
Bedlam [2] zal verhuizen."
Deze idioot had, toen hij Scrooge's neef uitliet, twee andere menschen
binnengelaten. Het waren deftige welgedane heeren, prettig om aan te
zien, die nu met hunne hoeden af in Scrooge's kantoor stonden. Zij
hadden boeken en papieren in de hand en bogen voor Scrooge.
"De firma Scrooge en Marley, geloof ik," zei een der heeren, zijn
lijst inziend. "Heb ik het genoegen den heer Scrooge of den heer
Marley te zien?"
"Mijnheer Marley is al zeven jaren dood," antwoordde Scrooge. "Vanavond
voor zeven jaren is hij gestorven."
"Wij twijfelen er niet aan, of zijne mildheid is in goede handen bij
zijn overlevenden compagnon," zeide de heer, zijne geloofsbrieven
overhandigend. Dat was zij ongetwijfeld, want zij waren twee verwante
zielen geweest. Bij het onheilspellende woord "mildheid," fronste
Scrooge de wenkbrauwen, schudde het hoofd en gaf de geloofsbrieven
terug.
"In dezen blijden tijd van het jaar, mijnheer Scrooge," zei de heer,
een pen opnemend, "is het meer nog dan anders wenschelijk dat wij
iets zouden doen voor de armen en behoeftigen, die in dezen tijd
veel te lijden hebben. Duizenden moeten het allernoodigste ontberen;
honderdduizenden ontberen de meest gewone gemakken, meneer!"
"Zijn er geen gevangenissen?" vroeg Scrooge.
"O ja, gevangenissen in overvloed," zei de heer, zijn pen weder
neêrleggend.
"En de werkhuizen?" vroeg Scrooge. "Zijn die nog in werking?"
"Zeker. En toch," antwoordde de heer, "wenschte ik dat ik zeggen kon
dat ze 't niet meer waren."
"De tredmolen en de armenwet zijn dus nog in volle kracht?" zeide
Scrooge.
"Beide nog op volle kracht, meneer."
"Ha! ik was bang, uit wat u eerst zei, te moeten opmaken dat er
iets was voorgevallen dat hen in hunne nuttige werking gestuit had,"
zeide Scrooge. "'t Doet me genoegen dàt te hooren."
"In de overtuiging, dat zij aan de overgroote meerderheid nièt juist
christelijke vreugde naar ziel en lichaam verschaffen," antwoordde
de heer, "trachten enkelen van ons geld bij elkaar te krijgen om den
armen aan wat voedsel en middelen ter verwarming te helpen. Wij kozen
dezen tijd uit, omdat nu meer nog dan anders het gebrek scherp gevoeld
wordt en de overvloed feestviert. Voor hoeveel mag ik u inschrijven?"
"Voor niets!" antwoordde Scrooge.
"Wenscht u anoniem te blijven?"
"Ik wensch met rust gelaten te worden," zeide Scrooge. "Daar u mij
vraagt wat ik wensch, heeren, is dàt mijn antwoord. Ik vier zelf geen
feest op Kerstmis en 't kan bij mij niet lijden nietsdoenden lieden
vermaak te verschaffen. Ik steun de inrichtingen die ik zooeven
noemde--en die kosten genoeg--en zij die 't arm hebben kunnen
dáárheen gaan."
"Maar velen kunnen daar niet heengaan, en velen zouden liever sterven."
"Als zij liever willen sterven," zeide Scrooge, "dan moeten ze dat
maar doen en zoodoende de overbevolking tegengaan. Bovendien--neem
me niet kwalijk--maar daar weet ik niet van."
"Maar u kòn het toch weten," merkte de heer op.
"'t Zijn mijn zaken niet," antwoordde Scrooge. "Het is voldoende als
een mensch zijn eigen zaken verstaat en zich niet bemoeit met die van
anderen. De mijne houden mij voortdurend bezig. Goeien middag, heeren!"
Duidelijk ziende dat het nutteloos zou zijn om langer aan te houden,
gingen de heeren heen. Scrooge hervatte zijn arbeid, met een verhoogden
dunk van zichzelf en boertiger geluimd dan gewoonlijk.
Onderwijl werden de mist en de duisternis zoo zwaar, dat de menschen
buiten rondliepen met flakkerende toortsen, en aanboden vóór rijtuigen
uit te loopen en ze den weg te wijzen. De oude toren van een kerk,
wiens schorre oude klok steeds met listige blikken op Scrooge neerzag
vanuit een Gothisch venster in den muur, werd onzichtbaar en sloeg
de uren en kwartieren in de wolken, met bevende trillingen achterna,
alsof zijn tanden daarboven in zijn bevroren hoofd klapperden. De
kou werd doordringend. In de hoofdstraat, op den hoek van het hofje,
waren eenige arbeiders bezig de gaspijpen te repareeren en hadden een
flink vuur aangestoken in een komfoor, waaromheen een troep havelooze
mannen en jongens stonden: hunne handen warmend, en van verrukking
met de oogen knippend tegen den gloed. Daar de waterkraan aan zichzelf
overgelaten was, stolde het water dat er overgevloeid was plotseling
gemelijk en werd tot misantropisch ijs. De schittering der winkels,
waar hulsttakken en bessen knapperden in de lampenhitte der etalages,
kleurde bleeke gezichten rossig onder het voorbijgaan. Poeliers-
en kruidenierswinkels werden een schitterende grap, een glorierijke
praalvertooning, waarvan men ternauwernood kon gelooven dat suffe
dingen als koop en verkoop er iets mee uit te staan hadden.
De Lord-Mayor, in de sterkte van het machtige Stadhuis, gaf zijnen
vijftig koks en botteliers bevel Kerstmis te vieren op een wijze,
zooals dat in het huishouden van een Lord-Mayor betaamt; en zelfs
de kleine kleêrmaker, dien hij den vorigen Maandag drie gulden boete
opgelegd had, omdat hij op straat dronken en bloeddorstig was geweest,
roerde op zijn vliering de pudding voor den volgenden dag, terwijl zijn
magere vrouw met het kleine kind de straat opging om het rundvleesch
te koopen.
Al mistiger en kouder werd het! Doordringend, snerpend, snijdend
koud. Als de goede Sint Dunstan den neus van den Duivel slechts genepen
had met een tikje van dit weder, in plaats van zijn gewone wapenen
(smidshamer en nijptang) te gebruiken, dan zou de Satan er eerst
lustig op losgebruld hebben. De eigenaar van een schralen jongen neus,
afgeknabbeld en bekauwd door de hongerige koude, zooals beentjes door
honden afgeknabbeld worden, bukte zich naar Scrooge's sleutelgat om
hem te onthalen op een Kerstlied; doch bij de eerste klanken van:
"Heil en zegen op deez' dag,
Dat geen leed u treffen mag!"
greep Scrooge de liniaal met zulk een energie, dat de zanger doodelijk
verschrikt de vlucht nam en het sleutelgat ten prooi liet aan de mist
en de nog meer met Scrooge's aard overeenkomende vorst.
Eindelijk was het sluitingsuur daar. Onwillig stapte Scrooge van zijn
kruk, en erkende het feit stilzwijgend tegenover den klerk in het hok,
die zijn kaars onmiddellijk doofde, en zijn hoed opzette.
"Morgen moet je zeker den heelen dag vrij hebben, he?" zeide Scrooge.
"Als 't gelegen komt, meneer."
"'t Komt nièt gelegen," zeide Scrooge, "en 't is bovendien niet
billijk. Als ik je er een daalder loon voor inhield, weet ik zeker
dat je je al heel verongelijkt zou achten."
De klerk glimlachte flauwtjes.
"En toch," zeide Scrooge, "vind je niet dat ìk benadeeld word, als
ik jou een dag salaris betaal voor geen werk."
De klerk merkte op, dat 't maar eens in 't jaar was.
"Een erbarmelijk voorwendsel om iemands zak iederen vijfentwintigsten
December te rollen!" zeide Scrooge, zijn overjas tot de kin
toeknoopend. "Maar natuurlijk zul je den geheelen dag wel moeten
vrij zijn. Zorg dan dat je hier den volgenden morgen zooveel te
vroeger bent."
De klerk beloofde dit te zullen doen, en Scrooge ging grommend
heen. Het kantoor was in een oogwenk gesloten en de klerk, met de
lange einden van zijn witte bouffante tot op zijn middel bengelend,
(want hij kon niet bogen op een overjas) ging een glippertje maken
op een glijbaan in Cornhill, achter een rij jongens aan, twintig
maal achtereen, ter eere van den vooravond van Kerstmis, en holde
toen huiswaarts naar Camden Town, [3] zoo hard zijne beenen slechts
draven wilden, om blindemannetje te spelen.
Scrooge gebruikte zijn naargeestig middagmaal in het naargeestige
restaurant waar hij dit gewoonlijk deed, en na al de bladen gelezen,
en de rest van den avond zoek gebracht te hebben met zijn bankkasboek,
ging hij huiswaarts en te bed. Hij woonde op kamers die voortijds
behoord hadden aan zijn overleden compagnon. Het was een somber
stel vertrekken, in een somber, groot gebouw aan een hofje, waar
het zoo weinig te maken had, dat men zich bijna zou kunnen verbeeld
hebben, dat het erheen geloopen was toen het nog een jong huis was,
om verstoppertje te spelen met andere huizen, en den weg eruit vergeten
had. Het was nu wèl oud en naargeestig, want er woonde niemand anders
in dan Scrooge, daar de andere vertrekken alle verhuurd waren als
kantoren. Op het plaatsje was het zoo donker, dat zelfs Scrooge, die
iederen steen ervan kende, wel met zijn handen moest rondtasten. De
mist en de vorst hingen zoo dicht om de oude poort van het huis, dat
het leek alsof de Genius van het weder in droevige overpeinzingen op
den drempel zat. Nu is het een feit dat er niets bijzonders aan den
klopper op de deur was, behalve dat hij zeer groot was. Ook is het een
feit, dat Scrooge hem voor oogen gehad had zoolang hij daar woonde,
en dat Scrooge al even weinig had van wat men verbeeldingskracht
noemt, als eenig koopman in de City van Londen, zelfs hieronder
begrijpend--wat een stout woord is--den raad, de schepenen en de
gildebroeders. Ook moet men niet vergeten dat Scrooge geen oogenblik
meer gedacht had aan zijn nu zeven jaren dooden compagnon, sinds
hij er dien middag melding van gemaakt had. En laat iemand mij dan
eens, zoo hij kan, verklaren, hoe het kwam dat Scrooge, toen hij
den sleutel in het sleutelgat gestoken had, in den klopper, zonder
dat deze eenig veranderingsproces onderging, zag: niet een klopper,
doch Marley's gezicht.
Marley's gezicht. Het was niet, als de andere voorwerpen, in
ondoordringbare schaduw gehuld, doch er omheen scheen een naargeestig
licht zooals men soms ziet om een bedorven kreeft in een donkeren
kelder. Het gelaat was niet boos of woest, doch keek Scrooge slechts
aan zooals Marley dit placht te doen: met een spookachtigen bril,
die opgeslagen was op het spookachtige voorhoofd. Het haar wuifde
vreemd heen en weer, als bewogen door adem of heete lucht; en hoewel
de oogen wijd open stonden waren ze geheel bewegingloos. Dat en de
lijkkleur maakten het tot iets afgrijselijks; doch dit laatste scheen
onafhankelijk te zijn van zijn eigen wil, meer nog dan dat het een
deel van de uitdrukking ervan vormde. Toen Scrooge strak naar dit
verschijnsel keek was het weder een klopper.
Het zou bezijden de waarheid zijn te zeggen, dat Scrooge niet ontdaan
was of dat zijn bloed zich niet bewust was van een vreeselijke
sensatie, waaraan hij sedert zijne kindsheid vreemd was geweest. Doch
hij legde zijn hand weder op den sleutel dien hij losgelaten had,
draaide hem met vaste hand om, ging binnen en stak zijn kaars aan.
Weliswaar stond hij een oogenblik besluiteloos vóór hij de deur
sloot; en ook keek hij er eerst behoedzaam achter, alsof hij half
en half verwachtte verschrikt te worden door Marley's staartpruikje,
uithangend in den gang. Doch er was niets achter de deur, behalve de
schroeven en moeren die den klopper vasthielden; daarom zeide hij:
poe, poe! en sloot de deur met een slag.
Het geluid weergalmde door het huis als donder. Ieder vertrek boven,
en ieder vat in de kelders van den wijnhandelaar beneden, scheen een
eigen naklank van echo's te hebben. Doch Scrooge was er de man niet
naar zich door echo's uit het veld te laten slaan. Hij grendelde
de deur, en ging den gang door de trappen op: en nog wel langzaam,
onder het gaan zijn kaars snuitend.
Men praat wel eens over het rijden van een rijtuig met de zes tegen
een goede oude trap op, of door de leemten van een jonge Parlementswet;
maar ik houd vol, dat ge met gemak een lijkkoets dien trap had kunnen
oprijden, en nog wel over-dwars met den disselboom naar den muur
en het portier naar de balustrade. En er was ruimte in overvloed;
wat misschien de reden is waarom Scrooge dacht, dat hij een zich
voortbewegende lijkstatie vóór zich zag uitgaan in het halfduister. Een
half-dozijn gaslantaarns van de straat zouden den ingang niet al te
goed verlicht hebben; ge kunt dus wel aannemen dat het er tamelijk
donker was: duisternis is goedkoop, en daar hield Scrooge van. Doch
vóór hij zijn zware deur sloot, ging hij zijne vertrekken rond om te
zien of alles in orde was. Hij herinnerde zich het gezicht nog juist
genoeg om die zekerheid ten minste te willen hebben.
Huiskamer, slaapkamer, rommelkamer. Alles zooals 't behoorde. Niemand
onder de tafel, niemand onder de sofa; een klein vuurtje in den haard;
lepel en kom klaar gezet; en het kleine pannetje met pap (Scrooge
had koû in het hoofd) op den rooster. Niemand onder het bed; niemand
in de kast; niemand in zijn chambercloak die in verdachte houding
tegen den muur hing. Rommelkamer als gewoonlijk. Het oude vuurscherm,
oude schoenen, twee vischmanden, waschtafel op drie pooten en een pook.
Volkomen voldaan deed hij de deur dicht en sloot zichzelf in; draaide
den sleutel twéémaal om, wat niet zijne gewoonte was. Aldus verzekerd
tegen een overval, deed hij zijn das af, trok zijn chambercloak
en pantoffels aan, zette zijn slaapmuts op en ging voor het vuur
zitten om zijn pap te gebruiken. Het was wèl een heel klein vuurtje,
van geen beteekenis op zulk een bitter kouden avond. Hij moest er
zeer dicht bij gaan zitten, en zich eroverheen buigen, vóór hij het
geringste gevoel van warmte uit zulk een handvol brandstof kreeg. De
schouw was een zeer oude, lang geleden gebouwd door den een of anderen
Hollandschen koopman en rondom ingelegd met vreemde Hollandsche tegels,
die tafereelen uit de Heilige Schrift voorstelden. Er waren Kaïns en
Abels; Pharaohs dochters, Koninginnen van Scheba, hemelsche boden
die uit de lucht afdaalden op wolken als veêren-bedden, Abrahams,
Belshazars, Apostelen die in botervlootjes in zee staken, honderden
figuren, om zijne gedachten bij te doen stilstaan; en toch kwam dit
gezicht van den zeven-jaar-dooden Marley telkens terug en verzwolg al
het andere evenals de tooverstaf van den ouden profeet. Als iedere
gladde tegel in het eerst zonder figuren erop geweest was, met het
vermogen een tafereel op zijn oppervlakte te malen, genomen uit de
losse brokken zijner gedachten, zou er op elk een afdruk van Marley's
gezicht te zien zijn geweest.
"Malligheid!" zei Scrooge en liep de kamer op en neer.
Na dit verscheidene malen gedaan te hebben ging hij weder zitten. Toen
hij zijn hoofd achterover op zijn stoel liet rusten, bleef zijn
blik toevallig rusten op een schel, een in onbruik geraakte schel,
die in het vertrek hing, en die voor het een of ander, nu vergeten
doeleinde, de gemeenschap onderhield met een vertrek in de bovenste
verdieping van het huis. Met de uiterste verbazing en met een vreemden
onverklaarbaren angst zag hij, hoe, terwijl hij er naar keek deze
bel heen en weer begon te slingeren. Zij slingerde zoo zacht in het
begin, dat zij nauwelijks geluid maakte: doch weldra klonk ze luid op,
en al de schellen in het huis deden eveneens.
Dit zal zoowat een halve minuut of een minuut hebben aangehouden,
doch het leek wel een uur. De bellen hielden op zooals ze begonnen
waren, alle tegelijk. Hun geluid werd gevolgd door een rammelend
gerommel laag beneden in 't huis, alsof iemand een zwaren ketting
sleepte over de vaten in den kelder van den wijnkooper. En Scrooge
herinnerde zich toen opeens de verhalen van geesten in spookhuizen en
dat daar altijd ketengerammel in voorkwam. De kelderdeur vloog open
met een hollen slag, en toen hoorde hij het lawaai veel duidelijker,
op de verdiepingen onder hem; vervolgens kwam het de trap op en recht
op zijn deur aan.
"'k Hou toch vol dat het malligheid is!" zei Scrooge. "Ik wil er niet
in gelooven."
Niettemin verschoot hij van kleur, toen het, zonder een oogenblik stil
te houden, dóór de zware deur gleed en zoo in de kamer voor zijne
oogen verscheen. Toen het binnenkwam, flakkerde het kwijnende vuur
helder op, alsof het zeggen wilde: "die ken ik! Marley's Geest!" en
toen doofde het weder.
Het wàs zijn gezicht, volmaakt zijn gezicht. Marley met zijn
pruikstaartje, zijn gewone vest, spanbroek en hooge laarzen; de kwasten
aan deze laatste stonden recht overeind, evenals zijn pruikstaartje,
en zijn jaspanden en het haar op zijn hoofd. De ketting dien hij
voortsleepte was om zijn middel vastgemaakt. Deze keten was lang,
slingerde zich om hem heen als een staart en was gemaakt (want
Scrooge nam hem nauwkeurig op) van geldkisten, sleutels, hangsloten,
grootboeken, akten en zware van staal gevlochten beurzen. Zijn lichaam
was doorschijnend, zoodat Scrooge, terwijl hij hem opnam, door zijn
vest keek en de twee knoopen achter op zijn jas kon zien.
Scrooge had dikwijls hooren zeggen dat Marley geen hart had, maar
dit had hij nooit kunnen gelooven voor hij het nù zag.
Neen, en ook nu geloofde hij het nog niet.
Hoewel hij dwars door het spook heenzag, en het voor zich zag staan;
hoewel hij den kil-makenden invloed van de doods-koude oogen voelde
en zelfs het weefsel kon onderscheiden van den doek die om hoofd en
kin gewonden was, welke binddoek hij tot nu toe niet opgemerkt had,
was hij toch nog ongeloovig en streed tegen zijne zintuigen. "Wat heeft
dat nu te beteekenen!" zeide Scrooge, scherp en koud als altijd. "Wat
wilt ge van mij?"
"Heel veel!"--Marley's stem, daar viel niet aan te twijfelen.
"Wie zijt ge?"
"Vraag me wie ik geweest ben."
"Wie ben je dan geweest?" zeide Scrooge, zijn stem verheffend. "Je
bent nog al kieskeurig--voor een schim." Hij had willen zeggen
"kieskeurig tot op een haar," maar stelde het eerste ervoor in de
plaats, als meer passend.
"Toen ik leefde was ik je compagnon, Jacob Marley."
"Kunt ge--kunt ge gaan zitten?" vroeg Scrooge, hem twijfelachtig
aanziend.
"Jawel."
"Doe dat dan."
Scrooge deed deze vraag, omdat hij niet wist of een zóó doorschijnende
geest wel in staat zou zijn een stoel te nemen en hij voelde dat
ingeval deze dit niet kon, een vrij lastige verklaring hiervan het
noodzakelijk gevolg moest zijn. Doch de geest ging zitten aan den
anderen kant van den haard alsof hij niet anders gewoon was.
"Ge gelooft niet aan mij," merkte de Geest op.
"Nee, dat doe ik ook niet," zeide Scrooge.
"Welk verder bewijs voor mijn bestaan hebt ge noodig, behalve dat
uwer zintuigen?"
"Dat weet ik niet," zeide Scrooge.
"Waaròm vertrouwt ge uwe zintuigen niet?"
"Omdat," zeide Scrooge, "er maar heel weinig noodig is om ze in
de war te brengen. Een geringe ongesteldheid van de maag maakt ze
bedriegelijk. Je kunt wel een onverteerd stukje ossevleesch zijn,
een beetje mosterd, een kruimeltje kaas of een ongare aardappel. Ge
komt eerder uit de vette jus dan uit de vette aarde voort, wat je dan
ook zijn moogt!" Scrooge was niet gewoon aardigheden te verkoopen en
ook voelde hij zich in zijn binnenste nu juist allerminst grappig
gestemd. Het feit was, dat hij geestig trachtte te zijn, om zijn
eigen aandacht af te leiden en zijn angst er onder te houden, want
de stem van het spook drong hem door merg en been. Scrooge voelde,
dat als hij ook maar één oogenblik stil naar die starende, verglaasde
oogen zat te kijken, hij heel van zijn stokje zou vallen.
Ook was er iets gruwelijks in het feit dat het spook een eigen helschen
atmosfeer om zich heen had. Scrooge kon dat zelf niet voelen, doch
het was klaarblijkelijk het geval; want hoewel het spook volmaakt
stil zat, gingen zijn haar, en panden en kwasten nog steeds heen en
weer als door de heete lucht uit een oven.
"Ziet ge dezen tandestoker?" zeide Scrooge, snel opnieuw aanvallend,
om de hierboven aangeduide reden en om den versteenden blik van het
visioen van zich af te leiden, al was het maar voor een sekonde.
"Zeker," antwoordde het spook.
"En je kijkt er niet eens naar," zei Scrooge.
"Maar ik zie hem tòch," zei het spook.
"Nu," antwoordde Scrooge, "ik heb dezen maar door te slikken, om voor
de rest van mijn dagen vervolgd te worden door een legioen kabouters,
allen van mijn eigen vinding. Nonsens, zeg ik je--allemaal nonsens."
Op deze woorden stiet het spook een vreeselijken kreet uit, en rammelde
zóó lawaai-naargeestig met zijn keten, dat Scrooge zich aan zijn
stoel vastklemde om te voorkomen dat hij in zwijm zou vallen. Doch
hoeveel grooter werd zijn ontzetting toen het spook den binddoek van
zijn hoofd verwijderde, alsof het te warm was om hem binnenshuis te
dragen en zijn onderkaak op zijn borst neerviel.
Scrooge viel op de knieën en sloeg de handen voor het gezicht.
"Genade!" zeide hij. "Vreeselijke verschijning, waarom valt ge mij
lastig?"
"Wereldschgezinde man," antwoordde het spook, "gelooft ge in mij
of niet?"
"Ja," zeide Scrooge, "ik moet wel. Maar waarom dwalen Geesten over
de aarde, en waarom komen zij tot mij?"
"Van ieder mensch wordt geëischt, dat de geest die in hem is onder
zijne medeschepselen heinde en ver zal omwandelen en zoo die geest
dit in dit leven niet doet, is hij veroordeeld het te doen na den
dood. Hij is gedoemd om door de wereld te dolen--oh, wee mij--en
getuige te zijn van wat hij niet deelen kan, doch op aarde had kunnen
deelachtig worden, en waardoor hij geluk had kunnen bevorderen."
Weer slaakte de Geest een kreet, en rammelde met zijn keten en wrong
zijne doorschijnende handen.
"Ge zijt geboeid," zeide Scrooge bevend. "Zeg mij waarom."
"Ik torsch den keten dien ik bij mijn leven smeedde," antwoordde de
Geest. "Ik maakte hem schalm voor schalm, en el voor el; uit eigen
vrijen wil gordde ik hem om, en uit eigen vrijen wil torste ik hem. Is
het model ervan ù vreemd?"
Scrooge beefde al meer en meer.
"Of wilt ge het gewicht en de lengte van den sterken keten dien ge
zelf draagt, weten? Zeven Kerstavonden geleden was die ruim zoo zwaar
en lang als deze. En sedert dien tijd hebt gij er voortdurend aan
gearbeid. Het is een zeer zware keten nu!"
Scrooge keek om zich heen op den grond, alsof hij verwachtte zichzelf
omringd te zien door een vijftig of zestig vademen staalkabel; doch
hij zag niets.
"Jacob," zeide hij smeekend. "Oude Jacob Marley, vertel mij nòg
meer. Spreek mij woorden van troost toe, Jacob."
"Die heb ik niet voor u," antwoordde de Geest. "Die komen van andere
regionen, Ebenezer Scrooge, en worden door andere dienaren aan andere
menschen gebracht. Ook kan ik u niet zooveel zeggen als ik wel zou
willen. Nog slechts zeer weinig mag ik u mededeelen. Ik mag nergens
toeven en heb nergens rust. Mijn geest ging nooit verder dan de muren
van ons kantoor--luister--gedurende mijn leven dwaalde mijn geest
nooit buiten de enge grenzen van ons geld-wissel-hol en moeitevolle
lange reizen liggen vóór mij!"
Scrooge had de gewoonte, als hij ergens over nadacht zijne handen in
zijne broekzakken te steken. Nadenkend over wat de Geest hem verteld
had, deed hij dit ook nu, doch zonder zijne oogen op te slaan of
zijne knielende houding te verlaten.
"Je moet wel langzaam aan gedaan hebben, Jacob," merkte Scrooge op,
op zakelijken toon, maar toch met ootmoed en ontzag.
"Langzaam!" herhaalde de Geest.
"Zeven jaren dood!" zeide Scrooge peinzend. "En al dien tijd op reis?"
"Al dien tijd," zei het spook. "Geen rust, geen vrede en voortdurende
knaging van berouw."
"Reist ge snel?" zei Scrooge.
"Op de vleugelen van den wind," antwoordde de Geest.
"Dan kunt ge in zeven jaar een heel eindje gekomen zijn," zei Scrooge.
Op deze woorden stiet de Geest wederom een kreet uit en rammelde
zoo vreeselijk met zijn keten in de stilte van den nacht, dat de
nachtwacht volkomen gerechtigd zou zijn geweest er proces-verbaal
van op te maken wegens burengerucht.
"O, gij, gevangene, gebondene, en dubbel geketende," riep het spook
uit, "gij, die niet beseft dat er eeuwen van onafgebroken zwoegen door
onsterfelijke schepselen voor deze aarde in de eeuwigheid moeten te
niet gaan vóór al het goede waarvoor de aarde ontvankelijk is, zich
ontwikkeld heeft. Gij, die niet beseft dat voor elken Christen-geest,
in haar kleinen werkkring bezig, welke die ook zijn moge, dit
sterfelijke leven te kort is voor al het oneindige nut dat hij sticht
en kan stichten. Niet te weten dat geen berouw, hoe groot ook, al de
ongebruikt gelaten gelegenheden tot goeddoen kan goed maken. En dit
alles heb ik gedaan, heb ik gedaan!"
"Maar je was toch altijd een goed man van zaken, Jacob," stamelde
Scrooge, die dit nu op zichzelven begon toe te passen.
"Zaken!" riep de Geest uit, zijne handen wringend. "De menschheid
was mijn zaak. Het algemeene welzijn was mijn zaak; naastenliefde,
mededoogen, verdraagzaamheid en milddadigheid, die allen hadden mijne
zaak behooren te zijn. De transacties in mijnen handel waren slechts
een druppel water in den oneindigen oceaan van mijne plichten!"
Het hield zijn keten op armlengte voor zich uit, alsof deze de oorzaak
was van al zijn nutteloos berouw en wierp hem met een zwaren slag
weder op den grond.
"In dezen tijd van het voortspoedende jaar lijd 'k het meest," zei
het spook. "Waarom ging ik met neergeslagen oogen mijn weg tusschen de
menigte mijner medeschepselen, zonder mijne oogen ooit op te slaan naar
die gezegende ster, die den Wijzen den weg wees naar de krib? Waren
er geen arme huizen waar haar licht mij heen had kunnen geleiden?"
Scrooge was heel ontdaan toen hij het spook op deze wijze hoorde
voortgaan, en begon erg te beven.
"Hoor mij aan," riep de Geest. "Mijn tijd is bijna om."
"Dat wil ik," zeide Scrooge. "Maar wees niet hard tegen me en wees
niet hoogdravend alsjeblieft, Jacob!"
"Hoe het komt dat ik je verschijn in een gedaante die je zien kunt,
mag ik niet zeggen. Menigen dag heb ik onzichtbaar naast je gezeten."
Dit was geen bijzonder aangename gedachte. Scrooge huiverde en wischte
zich het zweet van het voorhoofd.
"Dat is geen licht gedeelte mijner boetedoening," ging de Geest
voort. "Ik ben hier om je te zeggen, dat je nog kans en hoop hebt om
mijn lot te ontgaan. Een kans en een hoop die ik je verschaft heb,
Ebenezer."
"Je waart altijd een goed vriend voor mij," zeide Scrooge. "Dank
je wel."
"Je zult bezocht worden," hernam het spook, "door Drie Geesten."
Scrooge's gezicht werd bijna even lang als dat van den Geest.
"Is dat de kans en de hoop waar je daar net van sprak, Jacob?"
"Ja."
"Dan geloof ik, dat--dat ik 't toch maar liever niet wou," zeide
Scrooge.
"Zonder hun bezoek," zeide de Geest, "kunt ge niet hopen het pad
te ontgaan, dat ik betreed. Morgen kunt gij den eerste verwachten,
als de klok één slaat."
"Kan ik ze niet alle drie tegelijk nemen, en er dan mee afgedaan
hebben, Jacob?" stelde Scrooge voor.
"Verwacht den tweede den daaropvolgenden avond als de laatste slag
van twaalven opgehouden heeft te trillen. Draag zorg dat ik je niet
andermaal behoef te verschijnen en in je eigen belang goed te onthouden
wat er tusschen ons is voorgevallen."
Na deze woorden gezegd te hebben, nam de Geest zijn binddoek van de
tafel en bond hem om zijn hoofd als te voren. Scrooge wist dat hij
dit deed, aan het klapperend geluid dat Marley's tanden maakten,
toen de kaken door den binddoek tegen elkander gedrukt werden. Hij
waagde het zijne oogen weder op te slaan, en zag zijn bovenaardschen
bezoeker voor zich staan in zijn rechte houding, met zijn keten om den
arm gewonden. De verschijning verwijderde zich achterwaarts van hem
en bij iederen schrede ging het raam vanzelf een eindje verder open,
zoodat, toen het spook het bereikte, het geheel open stond. De Geest
wenkte Scrooge om naderbij te komen, hetwelk deze deed. Toen zij nog
slechts enkele schreden van elkaar verwijderd waren, stak Marley's
geest de hand op, hem beduidend niet nader te komen. Scrooge bleef
staan. Niet zoozeer uit gehoorzaamheid, als wel in verbazing en vrees;
want bij het opsteken der hand, hoorde hij plotseling verwarde geluiden
in de lucht, onsamenhangende geluiden van weegeklaag en berouw,
onuitsprekelijk droevige en zelfbeschuldigende klachten. Nadat het
spook een oogenblik had toegeluisterd, stemde het in met den droevigen
lijkzang en zweefde het grauwe, nachtelijke duister in.
Scrooge volgde het tot aan het venster: overmoedig in zijne
nieuwsgierigheid. Hij keek naar buiten. De lucht was vol
spookgestalten, die in rustelooze haast klagend her- en derwaarts
zweefden. Elk van hen torste ketenen zooals die van Marley's geest;
een paar (het waren misschien schuldige regeeringen) waren aan elkaar
geketend; geen van hen was geheel vrij. Scrooge had er verscheidene bij
hun leven gekend. Hij had op zeer goeden voet gestaan met een ouden
geest met een wit vest aan, die een reusachtige ijzeren brandkast
aan den enkel had, en die erbarmelijk klaagde omdat hij een havelooze
vrouw met een kind, die hij beneden op een stoep zag zitten, niet kon
helpen. Hun ellende bestond klaarblijkelijk hierin, dat zij trachtten
ten goede in te grijpen in menschelijke verhoudingen en hiertoe voor
altijd de macht verloren hadden.
Of deze wezens vervaagden in mist of dat nevel hen omhulde, kon hij
niet uitmaken. Doch zij en hunne geestenstemmen verdwenen te zamen
en de nacht werd weder zooals hij was toen Scrooge naar huis liep.
Scrooge sloot het venster en onderzocht de deur door welke de Geest
binnengekomen was. Zij was dubbel-gegrendeld, zooals hij haar met zijn
eigen handen gegrendeld had, en de grendels waren onaangeroerd. Hij
probeerde om weder "nonsens!" te zeggen, doch bleef bij de eerste
lettergreep steken. En daar hij, hetzij door de emotie, die hij gehad
had, of door de vermoeienissen van dien dag, of door het kijkje in
de onzichtbare wereld, of door het vervelende gesprek dat hij met
den geest gehad had, of door het late uur, groote behoefte aan rust
had, ging hij dadelijk te bed zonder zich uit te kleeden, en viel
onmiddellijk in slaap.
TWEEDE ZANG.
DE EERSTE DER DRIE GEESTEN.
Toen Scrooge ontwaakte, was het zoo donker, dat, toen hij uit bed
keek, hij nauwelijks het doorschijnende raam van de donkere wanden
zijner slaapkamer kon onderscheiden. Hij trachtte nog de duisternis
met zijn frettenoogen te doorboren, toen de klokken eener naburige
kerk de vier kwartierslagen deden hooren. En derhalve luisterde hij
tot zij het volle uur zouden slaan.
Tot zijn groote verbazing ging de zware klok door van zes tot zeven en
zeven tot acht en zoo voort tot twaalf toe en zweeg toen. Twaalf! en
het was over tweeën toen hij naar bed ging. Die klok kon niet gelijk
zijn. Er moest een ijskegel in zijn slagwerk zitten. Twaalf!
Hij drukte op de veer van zijn repeteer-horloge, om die averechtsche
klok een lesje te geven. De kleine snelle pols van het horloge sloeg
twaalf; en zweeg.
"Wel heb ik van m'n leven, 't is toch niet mogelijk dat ik een
heelen dag en ver in den volgenden nacht kan doorgeslapen hebben,"
zei Scrooge. "Er zal toch niets met de zon wezen, zoodat dit twaalf
uur 's middags kan zijn?"